§ 94. Woorden die ter aanduiding dienen van algemeene formen welke
de aardbodem uit nature vertoont (b. v. berg, bosch, meer), en ook
woorden die de wyzigingen aanduiden, welke de hand des menschen
kunstmatig op onzen aardbodem heeft aangebracht (b. v. terp, gracht,
dam), noem ik algemeene aardrijkskundige namen. Ter onderscheiding
van de byzondere aardrijkskundige namen, de eigennamen van landen,
gouen en eilanden, van rivieren en andere waters, steden en dorpen,
heb ik dezen algemeenen naam gekozen, omdat de bovengenoemde woorden
en honderden anderen, overal in ons land gelden waar gelyke formen
van den aardbodem, of gelyke kunstgewrochten gevonden worden, terwijl
de byzondere namen in den regel slechts eene enkele maal voorkomen.
Zeer talrijk zijn de geslachtsnamen die aan deze algemeene
aardrijkskundige namen ontleend zijn. Het zy dan dat zulke namen
uit niets anders bestaan als uit die enkele woorden (b. v. de
maagschapsnamen Dijk, Dam, Berg, Duin)--het zy dat zy nog met
lidwoorden (De Bergh, 'T Felt, De Vyver), met voorzetsels (Van Dam,
Van Duin, Op Meer (Opmeer), Voor Duin (Voorduin)), of met voorzetsels
en lidwoorden beiden (Van den Berg, By de Weg, Ter (dat is: te der)
Meulen) zijn samengesteld. En niet aleen dat de geslachten, die
deze algemeene en eenvoudige namen dragen, veelal talrijk in leden
zijn, maar ook verre weg het grootste gedeelte dezer namen zijn,
elk voor zich, weêr aan talryke, onderling niet verwante geslachten
eigen. Hoevele maagschappen, by voorbeeld, zijn er niet, die de namen
Van den Berg, Van den Bosch, Van Dam, Van Dijk voeren? Te recht moet
men zulke namen algemeene aardrijkskundige geslachtsnamen noemen.
Uit den aard der zaak is de oorsprong en beteekenis dezer
geslachtsnamen duidelik. Ieder een verstaat ze. Ik zal hier dan ook
slechts betrekkelik weinig bladzyden aan de behandeling dezer zoo
talryke namengroep kunnen wyden, en slechts een klein getal van die
namen, als voorbeelden, vermelden. Byzondere of merkweerdige namen
komen er slechts zeldzaam onder voor.
De eenvoudigste geslachtsnamen van deze afdeeling zijn die,
welke slechts uit een enkel algemeen aardrijkskundig woord, zonder
eenig byvoechsel, bestaan; b. v. Akker en Acker, Baan, Beek. [133]
Daarop volgen de algemeene aardrijkskundige namen met een lidwoord er
voor. Dat zijn b. v. De Baan, De Bergh, De Brinke, [134] enz. Winkel,
in den naam De Winkel, meen ik hier in de beteekenis van hoek te
moeten duiden, zie ook bl. 204. Sas, in den naam 'T Sas (het sas),
is het vlaamsche en zeeusche woord voor het algemeen-nederlandsche
woord sluis; in de plaatsnamen Sas-van-Gent, Sas-van-Goes,
Stryensas komt het eveneens voor. Geest, in De Geest en De Gheest,
beteekent een hooge zandgrond, en is in onze noordelike gewesten,
even als in noordwestelik Duitschland, ook in den form gast nog in
volle gebruik. In de geslachtsnamen Van der Geest en Ter Gast komt
dit woord nog voor, even als in Dorregeest, Suydgeest, Brondgeest,
Geestman, enz. Ook in de plaatsnamen Oegstgeest, Uitgeest, Groote-
en Lutje-Gast, Addinga-Gast, enz.
Vervolgens komen d'algemeene aardrijkskundige namen, met het enkele
voorzetsel van er voor. Deze geslachtsnamen zijn veel talryker dan
die welke de beide laatstgenoemde soorten uitmaken. Als voorbeelden
kunnen dienen: Van Acker en Van Ackere, Van Dale en Van Daele,
Van Dam, [135] enz. Lede en het versletene lee in de namen Van
Lede en Van Lee beteekent, even als lei in de namen Van der Lei,
Verleyen en By de Lei, eene (ge)lede, (ge)leide, eene leiding, eene
waterleiding. Uit sommige plaatsnamen, waar dit woord in voorkomt,
blijkt deze beteekenis nog; b. v. uit den naam van 't aanzienlike
gehucht De Leie, onder de gemeenten Het Bilt, Leeuwarderadeel en
Ferwerderadeel in Friesland behoorende, en dat in der daad aan eene
leie, eene waterleiding gelegen is. Rode of rade, in plaatsnamen ook
als rood en raad, raed, roth, rath geschreven en in versletene formen
als rooi, roy, raey en ray, beteekent eene opene plaats in een bosch,
waar de boomen gerood, gerooid, uitgeroeid zijn. Behalven in Van Rood,
Van 't Rood, Van Rooy, Van Rooyen, Van Raey, enz. komt dit oude woord
ook voor in de geslachtsnamen Winderoode, Hopperaadt, enz. en in vele
plaatsnamen, vooral in de zuidelike Nederlanden (om van Duitschland
niet te spreken) als St. Oedenrode, Schelderode, 's Hertogenrade,
in de volkstaal Harkenroth en Herkenraai (waarvan de geslachtsnamen †
Harkenroth en Herckenrath), in het Hoogduitsch Herzogenrath, in het
Fransch Rode-le-Duc, samengefloeid tot Rolduc.--Ooi eindelik in Van
Ooi, Van Oye en Van Oyen is eene verfloeiing van het oud-nederlandsche
woord ode, dat eene woeste, onbeboude, niet ontgonnene plaats beduidt,
ook samenhangt met het hoogduitsche woord oede, woest, eenzaam,
en in vele plaatsnamen voorkomt: Amersode (Ammerzoden, Amersooi),
St-Josse-ten-Ode, gewoonlik verkeerd St-Josse-ten-Noode geschreven,
enz. [136] Zijl eindelik, in Van Zijl, Van Zijll, Van Sijll, Van
der Zijl en Verzijl, Verzeyl, is een verhollandschte form van het
friesche woord sîl, sluis, en komt in vele friesche plaatsnamen voor:
Blokzijl, Tacozijl, Delfzijl, Greetsyl, Hilgenriedersyl, enz. En in
den frieschen geslachtsnaam Zylstra.
In talrijkheid worden de geslachtsnamen met enkel van er voor nog
verre overtroffen door die algemeene aardrijkskundige namen, welke by
dit voorzetsel ook nog een lidwoord vóór zich hebben. Dit voorzetsel
gaat natuurlik het lidwoord vooraf, als Van den, Van de en Van der
('t welk een zeer goede, maar verouderde form is van het verbogene
vrouelike lidwoord) en Van het, dat meestal in samentrekking als Van
't voorkomt. Voorbeelden van zulke geslachtsnamen zijn: Van den Acker,
Van der Baan, Van der Beek, Van der Beeck, Van der Beke, Van der Becke,
[137] enz.
Verder nog: Van den Broek, Van den Broeke, Van den Broecke, Van den
Brouke; broek (brook, broick, bruch) beteekent een laag gelegen,
moerassig, door water gebroken veld. Het woord broek komt in vele
geslachtsnamen, Beerenbroek, Suringbroek, Biesbrouck, Muelenbroock,
Mecklenbroick, Waelbroeck, en in zeer vele plaatsnamen voor. Zie ook
§ 141.
Van den Bilcke en Van den Bulcke; bilk of bulk is een vlaamsch woord
dat een byzonder weiland beteekent, door eene heining, haag of sloot
omgeven en afgesloten. De ossebilk is in Vlaanderen, ten platten lande,
wel bekend. In den geslachtsnaam Van Keersbilck, ook op vlaamsche wyze
geschreven als Van Keirsbilck voorkomende, treft men dit woord ook aan.
Van de Bregge en Van der Breggen is het zelfde als Van de Brug. Bregge
is de friesche form van dit woord, en in de friesche gouen nog in
volle gebruik, ook wel ten platten lande in Holland. Ter Bregge
(dat is: by de brug) is eene buurt aan de Rotte, by Hillegersberg in
Zuid-Holland. Ook in den maagschapsnaam Breggeman komt deze form voor.
Van den Dries. Driesch of dries is een zuidnederlandsch woord, dat
in verschillende gewesten eene eenigszins verschillende beteekenis
heeft. Meestal beduidt het een met gras begroeid stuk land, waar
op boomen staan en waar het vee zynen vryen loop heeft. Zie De Bo,
Westvlaamsch Idioticon, op het woord dries. Men vergelyke ook den
geslachtsnaam Optendrees, in § 96.
Van den Horn en Van den Hoorn; horn, hoorn (herna, horna, herne, horne)
is het friesche woord voor hoek, en, in die beteekenis, in Friesland
nog in volle gebruik. Het komt ook in de geslachtsnamen Dijkshoorn
en Dijkxhoorn, en Droghorn voor, als mede in zeer vele plaatsnamen,
ook buiten Friesland.
Van der Horst. Een horst is een klein, dicht begroeid bosch; de groote
en ruwe nesten der roofvogels noemt men ook wel horst. Dit woord
komt in vele plaatsnamen voor, en niet minder in geslachtsnamen,
als: Horstman, Rouwenhorst, Quellhorst, Selhorst, Borghorst, Ter
Reehorst, enz.
Van der Koogh en Van der Koog met Van der Kaag. Koog, kaag, keeg zijn
allen verschillende formen van een en het zelfde oud-nederlandsche,
meest oud-friesche woord, dat polder beteekent, en als plaatsnaam
niet zeldzaam is (Koog op Tessel, Koog aan de Zaan, de Kaag by
Leiden), ook in Noord-Friesland (Gotteskoog, Ockholmer-Koog,
Langenhorner-Koog). Keegstra is de friesche tegenhanger van Van
der Koog.
Van de Kreke is een zeeusche geslachtsnaam, en kreke, kreek is een
zeeusch woord, het welk een binnenlandsch water beteekent, als een
vliet of wetering, en dat vroeger in den regel met de opene zee in
verbinding stond.
Van der Made. Eene made is een grasveld, dat gemaad, gemaaid wordt,
ten behoeve der hooioogst. In de geslachtsnamen Vermade en Schoonmade
komt dit woord ook voor, en tevens in sommige plaatsnamen (Hoogmade,
Winkelmade).
Van der Meersch, in vlaamsche spelling Van der Meirsch, in versletenen
form Vermeersch, Vermeirsch en zelfs Vermeesch. Een vlaamsch woord is
dit meersch, en het beteekent: het vruchtbare veld dat zich, meestal
als weiland, langs de oevers van beken en rivieren uitstrekt. 'T
is het zelfde woord als mersch en marsch, dat meer in de noordelike
gewesten in gebruik is, en aldaar geldt als tegenstelling van geest,
gast (zie bl. 247). Ook in de noordelike, bepaaldelik friesche
Nederlanden beteekent marsch de vruchtbare landstreek, meestal uit
kleigrond bestaande, aan de oevers der zee en der riviermonden. In
de maagschapsnamen Van der Marsch, Ter Marsch en Overmars treffen wy
dit zelfde woord aan.
Van de Pitte. De vlaamsche en zeeusche form van het woord put is pit
of pitte. In den geslachtsnaam Wullepit komt deze form ook voor.
Van 't Verlaat, Van 't Zet en Van der Zwet zijn maagschapsnamen die aan
de friesche, of in Friesland althans meest gebruikelike woorden verlaat
(dubbele sluis), zet of beter set (veer, overzet over een water), en
zwette, swette (grensscheiding) ontleend zijn. In den geslachtsnaam
Zwetheul komt dit laatste woord ook voor. Deze naam beteekent:
grenssloot, en is tevens als plaatsnaam (in de zuidhollandsche gemeente
Vryenban) in gebruik. Het woord heul, heule, waarvan de maagschapsnamen
Van der Heul en Verheul, misschien ook Verhuel afkomen, heeft in de
gouspraken van sommige nederlandsche gewesten de beteekenis van eene
smalle sloot tot afvoer van water dienende; in de steden ook wel die
van een open riooltje tot afvoer van spoel- en keukenwater. In andere
gewesten, zuidelik Zuid-Holland en Zeeland, beteekent het een klein
bruchje of vonder, dat over zulk eene sloot of waterloop voert.
Van der Wielen en Van de Wiele, met Van de Wiel en het ontaalkundige
Van den Wielen. Een wiel is een klein meerke, in den regel het
overblijfsel van eene overstrooming, meestal gelegen achter dat
gedeelte van den dijk waar de dijkbreuk heeft plaats gehad, en waar
dus het water gewield, in eene kolk gedraaid heeft. De leeuwarder
maagschap Van der Wielen draagt haren naam bepaaldelik naar de meerkes
de Groote en de Kleine Wielen, in Tietjerksteradeel, beoosten de
friesche hoofdstad.
In het oude Antwerpen gaf men aan eenige straat waardoor een water
floeide, en die men in Holland »gracht" noemt, den naam van rui;
b. v. de Suikerrui. In den vlaamschen maagschapsnaam Blockkeruy meen
ik dit woord terug te vinden, al is deze zelfde naam onder den form
Blockerye aan een ander vlaamsch geslacht, en onder den form Van de
Blocquery aan eene in Holland gezetene maagschap eigen.
§ 95. Deze geslachtsnamen, samengesteld uit een algemeen
aardrijkskundig woord met een lidwoord en het voorzetsel Van,
zijn buitengewoon talrijk, en formen met elkanderen eene der meest
kenmerkende groepen van nederlandsche namen. In alle nederlandsche
gewesten zijn zy inheemsch; in de meesten komen zy veelvuldig voor. Dit
is vooral het geval in Holland, Vlaanderen en Brabant.
Het voorzetsel van en het verbogene lidwoord der zijn dikwijls in de
maagschapsnamen samengefloeid tot een enkel woordje ver. Vermeer by
voorbeeld, en Versluys zijn samengetrokken uit Van der Meer en Van
der Sluys. Ook deze groep van geslachtsnamen is zeer talrijk. Die
namen zijn vooral in onze zuidelike gewesten inheemsch, en dáár het
meeste verspreid. Hoe noordeliker in de Nederlanden, in hoe kleiner
aantal deze namen optreden. In de friesche gewesten ontbreken ze. Die,
welke men dáár aantreft, zijn er niet oorspronkelik inheemsch. Als
voorbeelden van deze, op zich zelven meestal onbelangryke namen
mogen hier genoemd worden: Verbaan, Verbeek met Verbeeck, Verbeke
en Verbeken, Verbrugge met Verbruggen, Verbrugghe en Verbrugghen,
[138] enz. Zoo als de aard dezer zake meêbrengt, komen de volle formen
dezer namen, met van der, in den regel nevens de versletene, met ver,
voor. B. v. Verbaan naast Van der Baan, Verkerckhoven nevens Van der
Kerkhove, Verschelde naast Van der Schelden, enz.
§ 96. Het voorzetsel van is geenszins het eenichste, dat als
voorvoechsel dient, by geslachtsnamen aan algemeene aardrijkskundige
namen ontleend. Ook andere voorzetsels treden in dezen rol op, en,
even als van, ook met of zonder lidwoord er by. Maar het getal dezer
aldus samengestelde geslachtsnamen is uit der mate gering, vergeleken
by het zeer groote aantal namen die van by zich hebben.
Die voorzetsels zijn: aan, by, onder, over, te, uit, enz. Zie hier
eenige voorbeelden van geslachtsnamen, die daar mede samengesteld zijn.
Met aan: Aan de Kerk, Aan de Brugh, Aan den Boom en Aen den Boom. Het
voorzetsel aan wordt in de meeste noord-nederlandsche, vooral
hollandsche tongvallen, als an uitgesproken. In dien form komt het
voor in den geslachtsnaam An de Weg.
Met by: By de Beek, By de Kerk, By de Kerke, By de Lei, By den Dijk,
By de Weg; en in Bey der Wellen, dat van hoogduitschen oorsprong
is. Bymholt behoort ook hier toe; want deze naam is eene samentrekking
van Bi 'm Holt, Bi dem Holte, by het hout, anders gezeid: by het
bosch. Nog meer samengetrokken en versleten, als Bimolt, is het ook de
naam van een gehucht aan onze twentsche grenzen, by het bentheimsche
dorp Veldhuizen.
Een tegenhanger van Bymholt is de geslachtsnaam Biederlack (Bi
der Lack, by de lak of lek). Lack of lak (het woord is ook eigen
aan eenige nederduitsche plaatsnamen, b. v. aan Kurslack, een dorp
aan de Elve by Hamburg), lack of lak, laak, leek of lek is de naam
die aan eenig water, meest aan eenen rivierarm toekomt. Het woord
hangt samen met onze woorden lekken en leken, en wordt gegeven
aan een water, dat, by geringe beginselen, als 't ware lekkende,
uit eenen grooteren waterstroom voortfloeit. In onzen riviernaam
De Lek, in den groningerlandschen dorpsnaam De Leek, in den naam
Medemblik of Memelik, zoo als ons volk spreekt, oudtijds Middenleek of
Medemelaca, vinden wy dit woord terug. Bie der Lack, een nederduitsche,
zoogenoemd platduitsche taalform, is, in taalkundig opzicht, een
naam als Bymholt, Bütefür, Lütkebühl, Schöttelndreier, enz. Deze
zijn niet hollandsch, kunnen ter nauer nood nederlandsch heeten,
maar nederduitsch zijn zy zonder tegenspraak. De maagschapsnaam Ter
Laak is de zuiver-nederlandsche tegenhanger van Biederlack.
Met buiten: Buytendijck, Buitendijk, Buitenweerd.
Met binnen: Binnendijck, Binneweg.
Met op: Op den Akker, Op de Beeck, Op den Bosch, Op 't Broek, Op de
Camp, Op de Coul (coul, dat is limburgsche gouspraak voor kuil),
Oppedijk (versleten van Op den dijk), Op 't Einde; Opteynde en Op
den Ende, Op de Hoek, Op den Hoff en Op den Hoof, Op den Kelder,
Op de Kluis, Op 't Land, Op de Ley (zie bl. 243), Op de Macks
(een naam die my duister van beteekenis is), Op de Weerd en Op de
Woerd. De maagschapsnaam Op den Oort komt ook, door verharding
der d in eene t, wegens de voorafgaande p, als Optenoort voor;
ook als Oppenoorth, by geheele wegslyting der d van het lidwoord,
even als in Oppedijk. Buitendien nog, geheel by misverstand en
verbastering, als Op ten Noort. Het woord oort of oord beteekent
in deze namen een meestal lang gestrekt eilandje in eene rivier,
anders gezeid een weert of waard, dat oorspronkelik, met woerd en
wierde en wier, wel een en het zelfde woord als oort zal wezen. De
nederlandsche maagschapsnamen Op den Oort, Optenoort en Oppenoorth
vinden hunne tegenhangers in de hoogduitsche geslachtsnamen Auf 'n
Orte en Aufmorth (eene samentrekking van Auf'm Orth, Auf dem Orth)
en in Aus 'm Weerth, welke namen alle drie van den Boven-Rijn in de
Nederlanden zijn afgezakt. De hoogduitsche en de nederduitsche formen
komen vereenigd voor in den byzonderen, aan een nederlandsch geslacht
eigenen maagschapsnaam Oppenoorth genaamd Auffmorth (zie Haarlemsche
Courant van 20 Juni 1884). Dat overigens deze geslachtsnaam reeds oud
is, bewijst Harman opten Ort, burger der stad Leeuwarden, ten jare 1511
(zie Register van den Aanbreng, dl. I, bl. 35).
De zelfde verharding van d tot t, die in Optenoort voorkomt, vindt
men ook in de geslachtsnamen Optenberg, (oorspronkelik Op den Berg)
en Optendrees, (dat is: Op den Drees, Op den Dries. Aangaande dit
woord drees of dries, zie men bl. 250).
De geslachtsnaam Op den Zieke schijnt wel vreemd. Maar deze
zonderlingheid verdwijnt, als men weet dat er in sommige hollandsche
steden (Haarlem, 's Gravenhage) eene buurt is, die van ouds her het
Zieken of het Zieke heet. Te Haarlem was die buurt in d' onmiddellike
nabyheid van het Stads-Armen- en Ziekenhuis, een gesticht dat in vorige
eeuen byzonderlik gediend heeft om er de melaatschen of leprozen,
volgens middeleeusche spreekwyze de zieken als by uitnemendheid,
te verplegen. Van daar de naam dier buurt, alsof men zeide: ten
zieken of by de zieken. Die buurt is in de laatstverloopene jaren
door aanbou zeer veranderd, en draagt nu den naam van Schootersingel,
Kennemerstraat, enz. Van oude Haarlemers echter kan men nog hooren: »ik
woon op het Zieken." Dit is in nog ouderen form gezeid: Op den Zieke.
De maagschapsnaam Opstelten behoort eigenlik, naar myne meening,
hier ter plaatse niet. Wel is hy samengesteld met het voorzetsel
op, maar stelten schijnt my geen algemeen aardrijkskundig woord
toe. Waarschijnlik is deze naam oorspronkelik wel een bynaam (voor
iemand met lange beenen?) Anders weet ik hem niet te verklaren. Ook
is my de geslachtsnaam Opscholten niet duidelik.
Met onder: Onderwater, Onder den Boom, Ondereyck, Onder de Linde,
Onder de Wijngaard.
Met voor: Voor den Haak (het hoogduitsche Vor der Hake komt ook in
Nederland voor, zoo mede het half-hoogduitsche Vor der Wullbecke),
Voor 't Bosch, Voor 't Hekke, Voorhoeve, Voor der Meulen.
Met achter: Achterberg, Agter den Bosch en Achternbusch, Agterkamp,
Agtereek, dat is: achter den eik.
Met over: Overakker, Overbeek, Overdijk, Overdulve (dulve is
een zeeusch woord voor sloot, gedolven waterloop, of delf in het
Oud-nederlandsch); Overdiep (groningerlandsch deip of diep voor
waterstroom, zie bl. 245); Overeem (zie bl. 244); Overgaauw (over
het rivierke de Gouwe, by Gouda)? Verder Over de Linde (rivierke
in Friesland? of lindeboom?); Overkamp, Overputte, Over 't Veld,
Overvoorde, Over 't Zet (zie bl. 251).
Met met: Mettepenningen (zie § 142 en 168); Met den Ancxt. Deze laatste
zonderlinge maagschapsnaam, in de zuidelike Nederlanden inheemsch,
en door zyne byzondere spelling van hoogen ouderdom getuigende,
valt moeielik te verklaren. Beteekent hy: met den angst? en is hy
dus wellicht oorspronkelik anders niet als de bynaam voor eenen
angstigen, vreesachtigen, bangen man? Zie § 148. Beide deze namen,
met het voorvoechsel met samengesteld, behooren eigenlik in andere
afdeelingen van dit boek vermeld te worden. Immers tot de algemeene
aardrijkskundige namen kunnen zy niet gerekend worden.
Met in: Incoul (in kuil, in den kuil, volgens limburgsche spelwyze en
uitspraak; men treft dezen zelfden form ook aan in den maagschapsnaam
Op de Coul, en, meer verhollandscht, in Leemkoel. Verder Inthof
(beter In 't Hof geschreven); In den Klef (dit klef zal hier wel het
zelfde woord zijn als kleef, kleve, klief, klif, en beteekent dan:
helling van eenen heuvel, eene hellende vlakte), In 't Veld, In de Wey,
In den Berken.
Met uit: Uit de Broeck en Uyttenbroeck (zie bl. 249); Uyttendaele,
Uitterdijk, Uytterhaegen en Uitenhage, Uit den Hoef, Uytterhoeven
en Uyterhouve, Uyttenbogaerdt, Uitenbosch, Uitendaal, Uitterschoot,
Uytenhoudt, Uiterweer. Ook Uyterelst en Uytterelst, in welke namen
het woord elst de beteekenis heeft van elsenbosch, even als in de
maagschapsnamen Van der Elst en Verelst, en in menige plaatsnaam in
verschillende nederlandsche gewesten. Door den infloed der t van uit
is in bovenstaande namen de d van het lidwoord geheel verloren gegaan,
of tot eene t verhard; b. v. Uitenbosch in plaats van Uit den Bosch,
Uitterschoot in stede van Uit der Schoot. Slecht by een paar dezer
namen, by Uyt de Broeck en Uit den Hoef is de volle, oorspronkelike
form bewaard gebleven.
Het woordje uit luidt nog heden in het grootste deel der nederlandsche
gouspraken, even als oudtijds algemeen, als uut (ût); van daar de
byzondere form van den geslachtsnaam Uut het Hooghuis. Dit is een nog
al zonderlinge, onregelmatige naam, wegens den nieuerwetschen form
van het woord huis, dat, in overeenstemming met uut, hier huus had
moeten wezen. Ook in den maagschapsnaam Utenhove vinden wy dit ût,
uut, in plaats van uit. Utenhove is de oude form van dezen naam,
die ook met van er voor, als Van Utenhove voorkomt. In taalkundigen
zin, een onjuiste form. De nieuere form, Uyttenhoven, komt ook als
geslachtsnaam voor. Utermöhlen is een maagschapsnaam, die, blijkens
de öh, van platduitschen oorsprong is; en Utermark waarschijnlik ook.
In de middeleeuen werd het woordje uit, uyt, uut gewoonlik als wt
geschreven, omdat de w oorspronkelik anders niet en is als eene dubbele
u (uu, vv, w); in het Engelsch en in het Friesch heet deze letter dan
ook nog zóó. Mijn vader, geboren in 1796, in zyne jeugd te Leeuwarden
ter schole gaande, leerde aldaar die letter, in het Nederlandsch,
nog dubbeld-ou of ook dobbeld-ou (met den klank van het woord rouw)
noemen; en omstreeks 1815 werd in het zeeusche stadje ter Goes der
jeugd nog geleerd de v als uve, de w als dubbeld-uve te noemen. In
vijf hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen komt die overoude
schrijfwyze van uit als wt nog voor. Dat zijn Wtteneng (uit den eng;
eng, ing, enghe is groenland, grasland, weide; zie bl. 43); Wttewaal,
Van Wttberghe, Wtenweerde met Wtenweerden en Wtterwulghe. Wulge
is de vlaamsche form van het woord wilg, zekere boomsoort. Dus is
wtterwulghe, wt der wulghe, uit de wilg, waarschijnlik oorspronkelik
wel de toenaam van eenen man, wiens huis tusschen wilgen verscholen
stond. Deze vijf of zes maagschapsnamen brengen, door hunne overoude
schrijfwyze, het bewijs hunner eerweerdige oudheid mede. Nevens
Wttewaal en Wtterwulghe bestaan ook nog de nieuere formen Uyttewaal,
Uytewaal en Utterwulghe als hedendaagsche geslachtsnamen. Voor lieden
die de oude schrijfwyze van uit als wt niet en kennen, nog ook de
ware uitspraak dezer namen van anderen hebben gehoord, levert deze
uitspraak moeielikheden op. Velen weten niet wat zy daar van maken
zullen. Zy denken dan dat het eene schrijffout is, dat er eene letter,
b. v. eene i uitgevallen is, tusschen de w en de t weg, en spreken
Wttewaal dan als Wittewaal uit. Deze uitspraak kan men dikwijls van
oningewyden hooren. En deze geheel verkeerde uitspraak is zelfs wel
in de schrijftaal overgegaan. Nevens Wtterwulghe en Utterwulghe is
er ook een tak van dit aloude zuidnederlandsche geslacht, dat zynen
naam als Witterwulghe schrijft. Het komt my waarschijnlik voor dat de
geslachtsnaam Wittenrood zijn ontstaan ook aan zulk een misverstand
en misspelling heeft te wyten, en dat hy oorspronkelik Wttenrood,
Wtenrode (uit den rode--zie bl. 248) geweest zy.
§ 97. In het belangryke werk van Jos. Habets, De Wederdoopers te
Maastricht (Roermonde, 1877), wordt op bl. 213 de naam genoemd
van eenen limburgschen Wederdooper, die in d' eerste helft der
16de eeu leefde. Die naam staat daar vermeld als Arnold in gen
Esschenbroek. En deze by- of toenaam in gen Esschenbroek heeft
klaarblykelik de beteekenis van: in den Esschenbroek, en duidt dus
aan dat deze Arnold in eene plaats woonde, die den naam droeg van de
Esschenbroek. En in der daad vinden wy nog heden in deze landstreek,
naby 't stedeke Erkelentz, dat tegenwoordig tot Pruissen behoort,
en niet verre van onze limburgsche grenzen by Roermond, een dorpke
dat den naam Essenbruch draagt, en waar onze Arnold de Wederdooper
hoogst waarschijnlik t'huis behoorde of woonde. Alzoo Arnold in den
Esschenbroek werd die man te recht genoemd.--Ja! maar in die oude
oorkonde, door Habets vermeld, staat: »in gen Esschenbroek." Is dat
gen dan eene drukfout voor den?
Geenszins!--»In gen Esschenbroek" is geschreven zooals in die
gouen tusschen Rijn en Mase gesproken wordt. In de verschillende
nederfrankische tongvallen van deze landstreken (Limburg, het oude
Overkwartier van Gelderland, het Land van Valkenburg, van Gulik
en van Kleef, vooral ook te Aken en in d' omstreken van die stad,
en verder aan den Beneden-Rijn, te Bonn, Keulen, Dusseldorp) wordt
de n, als sluitletter van eenig woord of lettergreep, veelal met den
neusklank, als zoogenoemde nasaal-n, dus ongeveer als ng uitgesproken
[139]. Zoo luiden b. v. de woorden: »geeft hem eenen ring aan de hand,
en schoenen aan de voeten," in de dageliksche spreektaal van de stad
Aken: »geft hem 'n reng angen hank, en schong angen puute." Hier
staat dus angen in de plaats van ang de(n), aan de. Zoo luidt ook
het woordje onder te Sittard steeds als onger; oorspronkelik ongder,
maar de d is daar uit gesleten. En zoo sleet ook die d uit angen (ang
den), in bovenvermelden akenschen volzin, en uit ingen (ing den) in
bovengenoemden oud-limburgschen naam. Over 't algemeen slijt de d, in
alle nederlandsche tongvallen, zeer licht weg, en vooral ook na zoo'n
dreunenden neusklank. En zoo is dus werkelik »in gen Esschenbroeck"
eene verkeerde spelwyze voor ing(d)en, in den Esschenbroek.
Nog in eene andere oud-limburgsche oorkonde, van den jare 1447, die
vermeld wordt in Jos. Habets' werk Het vrijdorp Neeritter, bl. 6 en
vervolgens, lees ik: »Onser Heeren heerligheyt uit onsen dorpe (gaat)
al die syder straet langs...... voert te Winckel neven 't feldt op
gen Quaeckmeer, die eyne syde Toeren-heerlyckheyt, die andere syde
Ittereheerlyckheyt; soo voirt op gen Doussenbergh" enz. Op gen staat
hier voor op den.
Aldus geven deze oude oorkonden ons eenen sleutel in de hand ter
verklaring van sommige geslachtsnamen, in Nederland voorkomende, en
die my tot dus verre duister waren en onverklaarbaar. En wis velen
met my, voor zoo verre zy geene Limburgers zijn. Deze geslachtsnamen
zijn: Aengeveld, Angemeer, Aangevoort (aang (d)e Voorde), Aangevaren
(de beteekenis van dezen naam, te Stramprode in Limburg inheemsch,
is my niet duidelik), Angenent (ang(d)en Ent) [140], enz. Ingenbroich
is: in den broich; en broich is de form die tusschen Rijn en Maas
geldt voor broek, brook, bruch, moeras,--zie bl. 249. Behalven in
de geslachtsnamen Mecklenbroick en Hucklenbroick komt dit zelfde
woord ook voor in menigen plaatsnaam in die streken: Grevenbroich,
Hackenbroich, Kleinenbroich. Zoo ligt er in den geslachtsnaam
Ingenbroich tweemaal het bewijs opgesloten dat hy tusschen Rijn en
Maas t'huis behoort. Ingenhousz is: in den huize; housz of hous (huis)
is eene byzonder-limburgsche spelling en uitspraak, even als coul
voor kuil--zie bl. 254 en 256). Door hollandschen infloed komt deze
naam ook voor als Ingenhoes gespeld. Ingenluyff is: in den luif of
luifel, zoo als oudtijds aan de gevels der huizen aangebracht was. De
limburgsche form luif, in plaats van den hollandschen form luifel,
die eigenlik een verkleinform is, is ook eigen aan de friesche
taal. Luif is zonder twyfel ook een oudere en betere form van dit
woord dan luifel; hy stemt volkomen overeen met het vlaamsche love,
het hoogduitsche Laube [141]. In den maagschapsnaam Opgenhaaffe,
op den haaffe, op den hafe, op den have, op den hove, treffen wy nog
den ouden form opgen aan, in bovengenoemde oorkonden aanwezig.
§ 98. Behalven het zoo algemeen voorkomende van, is er geen voorzetsel
dat in ruimere mate deel uitmaakt van geslachtsnamen dan het voorzetsel
te, in verschillende formen, als toe, tot, thoe, en in verschillende
samenstellingen, als ten en ter, thor, tom, enz. Toch bedraagt het
getal dezer namen zeker nog geen duizendste deel van het getal der
namen die met van samengesteld zijn. Deze te-namen kan men beschouen
als antwoord gevende op de vraag die men eenen vreemdeling doet:
»waar woont Gy?" In tegenstelling met het antwoord op de vraag:
»waar komt Gy van daan?" als oorsprong der van-namen. Maar de namen
van bekende, groote plaatsen, 't zy dan van steden of dorpen (landen,
gouen, eilanden natuurlik nog veel minder), komen niet of zelden achter
deze te-namen voor. Het zijn in den regel namen van enkele landhoeven
of van adellike huizen, ook algemeene aardrijkskundige namen, die
achter het voorvoechsel te volgen; b. v. Te Boekhorst, Te Lintum, Ten
Brink, Ter Horst. Meestal is het de naam van een byzonder huis of van
eene byzondere hoeve, die door den bewoner van dat huis of die hoeve,
't zy hy dan eigenaar of slechts bewoner, huurder of pachter daar van
is, als toenaam aangenomen werd, ter onderscheiding, en die later vaste
geslachtsnaam werd. De boer Geert b. v., die in 1684 als eigenaar zat
op het groote en aanzienlike scholten-erve Lintum, by Winterswijk,
wordt in eene oorkonde van die dagen Geert te Lintum genoemd. Die
toenaam bestaat nog heden ten dage als vaste geslachtsnaam. [142]
Verre weg het grootste gedeelte der geslachtsnamen met het voorzetsel
te samengesteld, is oorspronkelik inheemsch in de saksische gouen van
ons land, bepaaldelik van Overijssel en Gelderland. Zie hier eenigen
van die namen als voorbeelden: Te Boekhorst, Te Braake, Te Gempt,
[143] enz. Brake zal hier wel een byzondere (oud-saksische?) form
zijn van het woord broek (zie bl. 249). Het zelfde woord komt voor
in de geslachtsnamen Ter Brake en Ten Brake (het geslacht van dit
woord schijnt aan twyfel onderhevig te zijn); misschien ook in
Braakenburg en Brakenhoff. By de Zuid-Nederlanders komen allerlei
namen in samengetrokkenen form voor, vooral ook als er eene h by in
het spel is; zoo is de geslachtsnaam Te Hollebeeke in die streken
tot Thollebeeke geworden.
Het voorzetsel te werd oudtijds ook wel als the geschreven. Van
daar de geslachtsnaam The Pass, gewoonlik als Thepas geschreven, die
nevens Te Pass voorkomt. In den maagschapsnaam Theepas meen ik dit
zelfde voorzetsel the of te te moeten herkennen, dat door misbegrip
vast onkenbaar geworden is. Maar in den geslachtsnaam Tho Pass is de
oudste form bewaard gebleven. Een ander geslacht voert dezen zelfden
naam in den form Thopas, waar by een oningewyde lichtelik aan zekeren
edelsteen, topaas, kan denken. Pas is een algemeen aardrijkskundig
woord, dat in sommige oorden van Gelderland gebruikelik is in
de beteekenis van boschje, vooral van eene kleine groep boomen,
by elkanderen in een open veld staande. Als men dit weet zijn de
geslachtsnamen Berkenpas en Wilgenpas duidelik van beteekenis. Zoo
ook Uilenpas (pas waar uilen nestelen) en Berenpas, pas waar beren,
bessen, te plukken zijn. Men zal hier wel aan de beren van den brummel-
of braamstruik te denken hebben. Braam is de hollandsche, brommel,
brummel de friesche en saksische form van den naam van deze bekende
plant. Beide naamformen vind men terug in de geslachtsnamen Braamcamp
en Brummelkamp met Brommelcamp. De geslachtsnaam Weerpas is my niet
duidelik, al vind ik er dit woordje pas in. Maar de naam Pasman zal
wel oorspronkelik een toenaam geweest zijn voor eenen man wiens huis
by of in zulk eene pas stond.
Het hedendaagsch-algemeen-nederlandsche voorzetsel te luidt in onze
friesche en friso-saksische gouspraken als to, en werd oudtijds als
tho en ook als thoe geschreven. Dit thoe maakt nog deel uit van enkele
oud-nederlandsche geslachtsnamen, en komt ook voor als vertaling
van het hoogduitsche voorzetsel zu, welks plaats het volkomen
inneemt. Immers de duitsche baron Georg Wolfgang Zu Schwarzenberg
und Hohenlansberg schreef zynen naam als Thoe Schwarzenberg en
Hohenlansberg, sedert hy, in het laatst der zestiende eeu met de
friesche jonkvrou Doed Holdinga gehuwd, zich voor vast in Friesland
met der woon vestigde. En zyne nakomelingen schryven hunnen naam
nog heden aldus. Het adellike friesche geslacht Harinxma was in
twee takken verdeeld, waarvan de eene tak te Sneek woonde en de
andere te Sloten. De leden van die twee takken onderscheidden zich
diensvolgens als (Van) Harinxma thoe Sneek en (Van) Harinxma thoe
Slooten. Laatstgenoemde tak van dit aloude geslacht, en zynen naam
in dezen ouden form, bloeit nog heden in het friesche vaderland. Een
tak van de friesche maagschap (Van) Beyma bezat en bewoonde oudtijds
de Kingmastate te Sweins in Franekeradeel. Dies voerde het ter
onderscheiding, achter zynen geslachtsnaam den toenaam thoe Kingma. By
de hedendaagsche leden van dit geslacht is Van Beyma thoe Kingma nog
de vaste naam.
Deze oude form van het voorzetsel te, zonder h als toe geschreven,
komt nog voor in de maagschapsnamen Toe Bosch, Toe Brugge, Toe Laer,
Toe Poel, Toe Rippel en Toe Reppel (deze twee laatste namen zullen
oorspronkelik wel een en de zelfde geweest zijn), Toe Set (dat is:
bij de overhaal; zie bl. 251), en Toe Water. Laatstgenoemde naam in
de weêrgade van den hier boven vermelden naam Te Water. Omdat men
heden ten dage veelal onkundig is van de beteekenis, van de weerde
van dit oude voorzetsel toe, zoo schrijft men de geslachtsnamen die
er mede samengesteld zijn, gewoonlik als een enkel woord: Toebosch,
Toereppel, Toepoel, enz.
Op bl. 252 is aangetoond dat het voorzetsel van wel met het verbogene
vrouelike lidwoord der samengesmolten is tot het voorvoechsel ver. Dit
is ook het geval met het voorzetsel te en het lidwoord. In dit geval
zoo wel met het verbogene mannelike lidwoord den, als met het verbogene
vrouelike lidwoord der. En deze samenfloeiing van te en den, van te
en der is zelfs regel; regel zonder uitzondering. Immers te den en
te der komen als voorvoechsels by geslachtsnamen niet voor. Maar de
samengefloeide formen ten en ter wel. En geenszins zeldzaam ook. Even
als de maagschapsnamen die door het enkele voorzetsel te voorafgegaan
worden, zoo zijn ook de geslachtsnamen die met ten en ter samengesteld
zijn, meest allen oorspronkelik inheemsch in de saksische gewesten
van Nederland. Tevens ook in de aangrenzende saksische gewesten van
Duitschland (Bentheim, Munsterland). Zie hier eenigen opgenoemd van
de namen die deze groep formen:
Met ten: Ten Brink, Ten Broecke, Ten Geuzendam, Ten Grootenhuysen
[144], enz.
Met ter: Ter Hazeborg, Ter Horst (zie bl. 250), Ter Haar, [145] enz.
Even als thoe nevens toe, zoo komen ook eene enkele maal then en ther
nevens ten en ter voor. Dit is het geval in de geslachtsnamen Then
Berge (naast Ten Berge) en Ther Busch, dat volgens deze schrijfwyze
zeker een zeer oude naam is.
De oude friesche en friso-saksische formen tho, thoe, to, toe komen
ook met het lidwoord samengetrokken als thor en thom, tor en tom
voor. Zulke namen zijn zoo wel aan deze als aan gene zyde van onze
oostelike grensen oorspronkelik inheemsch. Men behoeft ze, wegens hun
eenigermate platduitsch voorkomen, toch volstrekt niet allen over
de grensen te wyzen, al zijn zy juist niet oorbeeldig hollandsch,
en al staat het van sommigen, b. v. van den geslachtsnaam Thorbecke
vast, dat zy over de grensen tot ons gekomen zijn. Slechts in kleinen
getale komen deze namen by ons voor. My zijn bekend: Tombal (to'm Bal),
Tombeyl, Tombergh, Tombrink, Tombrock, Thomputte en Tomputte. Tongronde
is To'n Gronde, to den gronde, aan, by of in den grond of het dal,
en is de weêrga van de friesche geslachtsnamen Grondstra en Grunstra
(zie § 103.) Thorbecke is tho'r Becke, to'r Becke, to der Becke, to
der Beke, by de beek of ter Beke. Deze naam is dus een tegenhanger
aan den eenen kant van het hoogduitsche Zumbach, aan den anderen
van den hollandschen geslachtsnaam By de Beek, met den frieschen
Beekstra. [146] Verder nog: Tor Weele (Torweele) nevens Ter Weele
(weele == wiele, wiel? zie bl. 251), en Thor Westen.
De oude Nederlanders gebruikten tot in deze eeu, in plaats van te,
dit zelfde voorzetsel ook wel in den form tot. Te en tot, dat is
oorspronkelik een en het zelfde woord. Nog omstreeks het midden
dezer eeu schreef men in Friesland wel op naambordjes tot in plaats
van te. B. v. »Abe Elsinga, Schoenmaker tot Warga", een bordje dat
voor de kraam van eenen de markten afreizenden schoenmaker hing. En
nu nog krijg ik wel brieven uit Vlaanderen aan myne t'huisrichting
(een goed nederlandsch, in Vlaanderen gebruikelik woord voor ons
bastertwoord adres): »tot Haerlem." De oorsprong en de beteekenis der
geslachtsnamen met dit tot samengesteld, blijkt hieruit voldoende. Die
namen komen slechts in klein aantal voor. Zy zijn meest aan adellike
geslachten eigen; hoewel niet uitsluitend. De naam die dan achter
tot volgt, is gewoonlik de naam van een slot of ander huis, waarin
het geslacht erfelik gezeten is. (Schuller) tot Peursum, (Hugenpoth)
tot den Beerenclauw, (De Geer) tot Oudegein, (Van Bevervoorden) tot
Oldemeule, (Van Son) tot Gellicum, (Hora Siccama) tot de Harkstede,
en anderen, kunnen tot voorbeelden dienen.
Enkele geslachtsnamen zijn zelfs met meer dan één voorzetsel
samengesteld; b. v. Van in 't Veld (meestal Vanintveld geschreven),
Van over 't Veld, Van Utenhove, Van op Bergh, Van op den Bosch,
Van Wttberghe. Het ontstaan dezer namen is slechts te verklaren als
men aanneemt, dat In-'t-Veld, Op-Bergh, Op-den-Bosch reeds in deze
samengestelde formen als plaatsnamen in gebruik waren, eer men er,
door van er voor te voegen, geslachtsnamen van maakte.
Er zijn ook eenige geslachtsnamen, die slechts uit een bywoord bestaan,
met een voorzetsel (van) daar voor: Van Boven, Van Beneden, Van Onder,
Van Achter, eischen geen verklaring. De geslachtsnamen Achterop en
Voorby behooren hier ook toe. En een enkele geslachtsnaam bestaat zelfs
uit twee voorzetsels en een bywoord daar tusschen; zonder hoofdwoord,
't zy dan een byzondere of een algemeene aardrijkskundige naam. Toch
heeft deze naam eenen goeden zin. Het is de naam Van Ginder-achter.
§ 99. De geslachtsnamen Ten Kate en Ten Cate, hier bovengenoemd,
die geenszins zeldzaam en aan verschillende geslachten eigen zijn,
geven my aanleiding te dezer plaatse eene kleine, byzondere groep van
maagschapsnamen te bespreken. Die groep bevat de namen welke met dit
woord kate zijn samengesteld. Kate of kaat is een nedersaksisch woord,
dat hut of kleine, geringe boerewoning beteekent. Dit woord kate is
oorspronkelik één en het zelfde woord als keet en kot, die beiden in
andere nederlandsche gouen in tamelik gelyke beteekenis in gebruik
zijn. Van dit woord keet is de geslachtsnaam Houtekeet afgeleid,
die in de zuidelike Nederlanden menigvuldig voorkomt, ook onder de
formen Hautekeet, Autekeet, Hautekiet en Houtekiet. Terwijl van kot
de geslachtsnamen Oldenkot, Walkot en Damkot geformd zijn; zie ook
Sevecotius op bl. 207. Verder Van Cooth, Koot, enz. De saksische
form kate schijnt uitsluitend aan Twente eigen te zijn. Daar zijn
de geslachtsnamen, met dit woord samengesteld, ook hooftsakelik,
zoo niet uitsluitend, inheemsch.
Behalven Ten Cate en Ten Kate noem ik hier, als voorbeelden
van deze kate-namen: Barnecaten, Ten Bruggencate, Ten Doornkaat,
Getkate, Haverkate, Losecaat (met den byform Loosekoot, die ook als
maagschapsnaam voorkomt), Van Molecaten, Mokkelenkate, Stekate,
Walkate (met den bovenvermelden byform Walkot) en Wyvekate. Waar
de lettergreep die aan het woord kate voorafgaat, op eene s
eindigt, daar zijn die naast elkanderen komende s en k, sk, tot sch
verbasterd. Deze letterverbinding sk toch, aan onze verschillende
friesche gouspraken en aan de noordsche talen zoo eigen, is volkomen
vreemd aan de saksische en frankische tongvallen der nederlandsche
taal, welke daar voor in de plaats sch hebben. En dien ten gevolge is
de hedendaagsche schrijfwyze ontstaan der geslachtsnamen Ten Doesschate
en Ten Wytschate, uit de oorspronkelike formen Ten Does-kate en Ten
Wyts-kate. Zoo ook de plaatsnamen Colmschate, oorspronkelik Colms-kate,
dorp in Salland (Overijssel), en Wytschate, oorspronkelik Wyts-kate,
dorp in West-Vlaanderen. Zie mijn opstel Wytschaete, in het brugsche
tijdschrift Rond den Heerd, jaargang 1884, bl. 1.
Dat kate en kot oorspronkelik slechts twee verschillende schrijfwyzen
zijn van een en het zelfde woord (men herinnere zich de zware, naar o
zweemende uitspraak der saksische a), blijkt ook uit de geslachtsnamen
Walkot en Walkotten, Haverkotte en Havekotte, die nevens Haverkate en
Walkate voorkomen. In het aan Twente grenzende deel van Munsterland
komt deze geslachtsnaam Haverkate of Haverkotte ook voor. Maar hy is
daar in spelling eenigszins verhoogduitscht, tot Haberkotte. Iemand
uit dit geslacht vestigde zich in de vorige eeu te Leeuwarden met der
woon. De Friesen verstonden natuurlik dien saksischen naamform niet,
en maakte er, voor het gemak in d' uitspraak, maar Habekotte van. Toen
er in de laatste tientallen jaren der vorige eeu zoo'n fransche wind
over de meeste landen van Europa woei, toen alles eenen franschen
zwaai en eenen vreemden draai moest hebben, schoeide de toenmalige
drager van den naam Haberkotte, die reeds tot Habekotte versleten was,
zynen naam ook op de fransche leest. Te weten: hy liet den vollen
nadruk vallen op de laatste e van zynen naam, die uit den aard der
tale toonloos is, en maakte er, in uitspraak, Habekotté van. En toen
in 1811 ook deze verfranschte oud-saksische naam in de boeken van den
burgerliken stand onder eenen vasten form moest worden ingeschreven,
geschiedde dit onder den nog meer franschachtigen form Habecotee. Onder
dien form komt hy nog heden te Leeuwarden voor. Zoo de geschiedenis
van deze vermakelik dwaze naamsverbastering my niet toevallig bekend
geweest ware, dan hadde ik den geslachtsnaam Habecotee ook zeker
onder § 149, by d'onverklaarbare namen gerangschikt.
§ 100. In den regel stemt, by de geslachtsnamen die met een voorzetsel
en een lidwoord samengesteld zijn, het geslacht van het lidwoord,
door een voorzetsel beheerscht, overeen met het geslacht van het woord
dat er op volgt. Van den Berg b. v. en Ten Berge, omdat het woord
berg mannelik is. En Van de Werf en Van der Wal en Ter Stege, omdat
de woorden werf, wal en steeg van het vrouelike geslacht zijn. Maar
altijd is dit niet het geval. Ook al omdat het geslacht hetwelk de
woorden in de volksspreektaal hebben, niet steeds overeenstemt met het
geslacht dat in de geijkte boeketaal aan die zelfde woorden toegekend
wordt. Zoo heeft het woord wal in de volksspraak het vrouelike
geslacht, ofschoon het volgens de hedendaagsche woordenboeken der
nederlandsche taal mannelik is. Van daar de form van den geslachtsnaam
Van der Wal, en niet Van den Wal, zooals het volgens de taalregels zijn
moest. En naar myne meening heeft de volksmond hier al weêr gelijk,
en niet de schoolmeester. Immers het woord wal komt in sommigen
onzer gouspraken als walle voor. De geslachtsnamen De Walle en Van
der Walle stemmen hier ook mede overeen. Het woord hoek heeft in de
volkstaal der stad Leeuwarden het vrouelike geslacht (hoeke). Van
daar de geslachtsnaam Van der Hoek, te Leeuwarden voorkomende;
en niet Van den Hoek. De zelfde naam wordt ook wel, door de eene
maagschap in den vroueliken, door de andere in den manneliken form
gevoerd. Zoo is het woord burcht, ook borcht, burg, borg, mannelik,
volgens de regels onzer taal; en de geslachtsnamen Van den Burg en
Van den Borg stemmen daar mede overeen. Ja, maar de geslachtsnamen
Van de Burg, Van der Burgh, Van der Borgh, Verborg, Ter Burg en Ter
Hazeborg zijn met dien regel in strijd. En de naam van het geldersche
stadje Ter Borch is dit eveneens. Die zelfde onstandvastigheid merken
wy op in de geslachtsnamen Ten Brake, Ter Brake en Te Braake en in
menigen anderen naam. Zie § 157.
§ 101. Ofschoon de geslachtsnamen die geformd zijn uit algemeene
aardrijkskundige namen met van, of met van en een lidwoord daar
voor, in Friesland geenszins ontbreken, en alhoewel ook zulke
namen met andere voorzetsels samengesteld, daar wel voorkomen, zoo
hebben toch alle geslachtsnamen, in de laatstvermelde afdeelingen
opgesomd, hunne tegenhangers in twee groepen van byzonder-friesche
maagschapsnamen. Deze groepen bestaan uit geslachtsnamen,
geformd uit algemeene aardrijkskundige namen, 't zy dan uit de
algemeen-nederlandsche, 't zy uit de byzonder-friesche taal ontleend,
maar die, in plaats van door voorzetsels en lidwoorden te worden
voorafgegaan, als aanhangsel achter zich hebben eene enkele a of
den lettergreep stra. Deze enkele a en dit aanhangsel stra zijn
reeds eerder in dit werk besproken geworden. De a, een oud-friesche
tweede-naamvalsform, dient ook tot het formen van de eenvoudigste
soorten van friesche vadersnamen, gelijk in § 44 vermeld is, en van
geslachtsnamen aan byzondere plaatsnamen ontleend, zoo als in §
91 behandeld is. En stra als middel om van byzondere plaatsnamen
friesche geslachtsnamen te maken, is in § 71 en 93 nader aangeduid
en uitgelegd. Naar die drie afdeelingen kan ik dus hier den lezer,
die den oorsprong, de eigenlike beteekenis van de achtervoechsels a
en stra wil kennen, verwyzen.
De geslachtsnamen, ontstaan door achtervoeging van eene enkele
a achter een algemeen-aardrijkskundig woord, zijn niet zeer
talrijk, en komen uitsluitend in onze friesche gouen beoosten
Fli voor. Het zijn de friesche tegenhangers, in alle opzichten,
van de algemeen-nederlandsche geslachtsnamen, die met het enkele
van samengesteld zijn. De geslachtsnaam Berga b. v. beteekent in
letterlike vertaling: Van Berg. De maagschapsnaam Bosscha (Van Bosch)
vertoont eene verhollandschte schrijfwyze. Deze zelfde naam komt als
Boska en Buska, nog in zuiver oud-friesche spelling, in de friesche
gouen beoosten Eems voor. Dan nog Burga, Heida, Porta (van porte,
poort), enz. Voorda en Voerda komen van het oude woord forth, ford,
voorde, doorwaadbare plaats in eenig water. De geslachtsnaam Muda komt
van het oude woord mude, dat nog als muide, muiden in zoo menigen
nederlandschen plaatsnaam (Muiden, IJsselmuiden, Emuiden of Emden,
Ymuiden, Arnemuiden), en als mouth in zoo menigen engelschen plaatsnaam
(Yarmouth, Plymouth, Portsmouth) voorkomt, en mond, riviermond,
beteekent. Haga, ook in den versletenen form Hage, en tevens als
Ter Haagha en Van Haga voorkomende, van het woord haag? Morra en
Moora zijn afgeleid van het woord morre, moor, moer, moeras. Morra,
Sormorra, enz. zijn ook friesche plaatsnamen. De maagschapsnaam Werda
komt van het woord werd, ward, als samenstellend deel van friesche
plaatsnamen zoo welbekend: Leeuwarden, Bolsward, Ferwerd, Holwerd,
enz. De geslachtsnaam Opwyrda (Op Wyrda ware beter spelling, Op Wierda
nog beter) is Wierda, van het friesche woord wierde--in den plaatsnaam
Holwierde (Fivelgo)--, en het voorzetsel op.
Swaga, verhollandscht tot Zwaga, komt ook in versletene formen als
Swage en Zwage voor. Deze geslachtsnaam is afgeleid van het friesche
woord sweach, dat veeweide beteekent [147], en veelvuldig in friesche
plaatsnamen voorkomt, en wel in den verhollandschten form zwaag. Een
dorp by Hoorn in West-Friesland heet enkel Zwaag. Ook vindt men daar
een gehucht Zwaagdijk. In Friesland tusschen Fli en Lauers liggen de
dorpen en gehuchten Beetsterzwaag, Snikzwaag, Kollumer-Zwaag, enz. In
het Oldambt: Scheemderzwaag en Eeksterzwaag; in Oost-Friesland,
by het dorp Veenhusen, het gehucht Swoog (volgens de oostfriesche
zware uitspraak der volkomene a byna als o) of Schwoog, nog meer
verhoogduitscht. En vele andere plaatsnamen in alle friesche en ook
friso-saksische gouen van Nederland en Duitschland. In geslachtsnamen
komt dit woord eveneens veelvuldig voor; b. v. in Zwaagstra,
Swaagstra en Van der Zwaag, in Friesland; Ter Zweege in Drente;
Zwaagman en Zweegman. Zoo mede in het westfaalsche Schweigmann,
dat ook in Nederland ingeburgerd is.
Het oud-friesche woord wald, walt is het zelfde woord als het saksische
wold en het algemeen-nederlandsche woud. Van al deze vier formen waarin
dit algemeen-aardrijkskundige woord in Nederland voorkomt, zijn er
friesche geslachtsnamen, door achtervoeging eener enkele a, afgeleid;
namelik Walda, Walta, Wolda en Wouda.--Buwalda en Buwolda komen van
eenen frieschen plaatsnaam Buwald, Buwold, Buwoud (Bouwe-wald?),
die oudtijds bestaan moet hebben. Steentilla eindelik beteekent:
van de steenen brug. Tille toch, ook voorkomende in de plaatsnamen
Kingmatille en Enumatil, het eerste eene buurt in Franekeradeel,
het tweede een dorp in het Westerkwartier van Groningerland, is een
friesch woord dat »kleine brug" beteekent.
§ 102. Sommigen van bovengenoemde geslachtsnamen, te weten Berga,
Bosscha, Burga, Heida, Wolta zoude men ook kunnen beschouen als
patronymika, als namen aan mansvóórnamen ontleend, en niet als
namen van algemeen-aardrijkskundige woorden afgeleid. Berg, Boske,
Burg, Heit, Wolt immers komen ook wel als friesche mansvóórnamen
voor, en zijn, ten deele, als afslytingen te betrachten van volle,
algemeen-germaansche mansvóórnamen. Aangaande den mansvóórnaam Berg
kan men bl. 132 nazien. Het woord of de naam die aan den geslachtsnaam
Bosscha, Buska ten grondslag ligt, kan zijn de mansvóórnaam Boske,
Buske, een verkleinform van den oud-germaanschen mansvóórnaam Bos,
Boso. Deze naam, ook in verkleinform als Bosico, dat is Boske, wordt
in Förstemann's Altdeutsches Namenbuch vermeld, en is nog in Friesland
in gebruik; een man die Bose Eelzes Kingma heet, woonde in 1882 te
Dokkum. Geslachts- en plaatsnamen van dezen mansnaam afgeleid zijn
in Nederland niet zeldzaam. Van den oorspronkeliken form Boso, Bos,
hebben wy de geslachtsnamen Bosma, Bossing, Bossinga, Bosingh, Bossen,
Bosse, Bos, ook Busma, Bussink, Bussing, Bussen en waarschijnlik
Buisinga, Busink, Buysing, Buisma, Buyssens, Buisen, Buyse, Buys,
Beusink, Boesema, met de plaatsnamen Bosum, dorp in Friesland;
Beusichem, gezegd Beusekom, oudtijds Bosinchem, dat is: Bosinga-heim,
de woonplaats der Bosingen of afstammelingen van Boso; het is een
dorp in Gelderland. Verder Bosseghem, en Boeseghem, dorpen in Oost-
en in Fransch-Vlaanderen, eveneens voluit Bossinga-heim; Bussum,
dorp in het Gooi (Holland); Büsum, vlek in Ditmarschen; Bussenhuus,
sate by Hamswerum in Oost-Friesland, enz. Van den verkleinform
Boske, Buske komen de geslachtsnamen Boskma, Boschma, Boschga, by
samentrekking uit Boskinga (men vergete niet dat de Friesen sch als
sk uitspreken) Bosken en misschien Bosch; verder Busken, Buschen,
Buschkens, Buschgens, ook Böeseken en Buyskes.
Burg, als mansvóórnaam, is eene verslyting van Burgt, Burcht, Brucht;
zie bl. 133. Heit, Heite, Heide is een oud-friesche mansvóórnaam,
die als Haido, Heido by Förstemann vermeld staat, en die in den
verkleinform Heitse, Haitse (beter schrijfwyze ware Heittse,
Haittse, dat is: Heitke, Haitke; friesch ts = k) nog in Friesland
in volle gebruik is. Van dezen mansnaam bestaan in Nederland nog
de patronymika, als geslachtsnamen: Haytema, Haytsma, Haytsema,
Haitsma, Haaitsma, Haitzema, Haites, Haaites, Haiting en Haitinck,
Heidinga, Heitinga, Heitingh, Heidema, Heites, Heits, Heitsma en
Heitsema, en eenige plaatsnamen. De mansvóórnaam Walte eindelik, als
oud-germaansche mansnaam onder den form Woldo door Förstemann vermeld,
is in Friesland nog heden in volle gebruik, gelijk ook Wassenbergh,
Leendertz en Brons getuigen. Deze naam kan ook aan de geslachtsnamen
Walta, Walda, Wolda en Wouda ten grondslag liggen, even zeer als dit
ontwyfelbaar het geval is by de geslachtsnamen † Waltinga, Woldinga,
Woltinge en Woldinge, Woltema, Walts, Wolts, Woltjes, enz.
§ 103. Als voorbeelden van friesche geslachtsnamen op stra eindigende,
en aan algemeen-aardrijkskundige namen ontleend (tegenhangers dus der
namen in § 71 vermeld), noem ik hier de volgenden: Bergstra, Bogtstra
(van bocht of kromming in straat of weg), Broekstra (van broek, moeras;
zie bl. 249), Damstra, [148] enz. By velen dezer geslachtsnamen zijn
de algemeen-aardrijkskundige woorden die er aan ten grondslag liggen,
aan de byzonder-friesche, niet aan d' algemeen-nederlandsche taal
ontleend. Dit is het geval by Bartstra, van barte, het friesche woord
voor vonder of vondel, een paar samengevoegde planken die tydelik
over eene sloot liggen om als brug te dienen--ook een houten stoep
of opstap aan en over het water. Dit woord wordt door de Friesen
nagenoeg zonder r uitgesproken: van daar de geslachtsnaam Batstra. Het
friesche woord voor oever, waterkant, is bird (men spreekt uit bud);
de geslachtsnaam Budstra (Birdstra ware beter geschreven) is er aan
ontleend; zoo mede de plaatsnamen de Bud of de Bird, een gehucht by 't
dorp Grou, Tjallebird, Luniabird, twee dorpen in Eangwirden, alle drie
in Friesland, enz. Dit friesche woord wordt ook wel verhollandscht
tot bert. Men schrijft bovengenoemde friesche dorpsnamen ook wel
als Tjallebert, Luinjebert, en het maakt in dezen form deel uit
van de dorpsnamen Middelbert, Lettelbert, die in de oud-friesche
Ommelanden van Groningen voorkomen. De naam van het dorp de Beerta,
in het groninger Oldambt, is ook al niet anders als dit oud-friesche
woord voor waterkant of oever, en de groninger-friesche geslachtsnamen
Beerta en Beerda zijn er aan ontleend. Aangaande dit woord bird leze
men een opstel van myne hand »Friesche plaatsnamen", in het Tijdschrift
van het Nederlandsch aardrijkskundig Genootschap,--Nomina Geographica
neerlandica--dl. I, bl. 76.
Een gegraven, gedolven vaarwater draagt in Friesland den oud-frieschen
naam van deel; het Langdeel, het Scroetsma-deel by verkorting 't
Skroet genoemd, het Naudeel (nau == eng) zijn welbekende vaarwaters in
Friesland. De geslachtsnaam Deelstra (zie bl. 245) is van dit woord
afgeleid. In den byzonderen tongval der friesche taal die in den
zuidwesthoek van Friesland inheemsch is (meest in Hemelumer Oldefert
en Noordwolde), en dien men het Zuidhoeksch-friesch noemt, wordt dit
woord deel als dol, dolte uitgesproken; b. v. de Dolte, eene gracht in
de stad Workum. Van dezen byzonderen form is de geslachtsnaam Dolstra
afgeleid. Deze woorden deel en dol (te) heeft men wel, en zeer te
recht, verhollandscht tot delf. Zoo schrijft men den naam van een
dorp in Schoterland dat in het Friesch Dolstrahusen heet, in geijkt
boeke-hollandsch als Delfstrahuizen. Aan dezen verhollandschten form
is de geslachtsnaam Delfstra ontleend.
Heem, in Friesland hiem, is het zelfde woord als het hoogduitsche
heim en het engelsche home. Als hiem, hieminge beteekent het
tegenwoordig in Friesland het erf, of de werf rondom een huis, vooral
boerehuis. De geslachtsnamen Hiemstra, Heemstra, Van Heemstra zijn van
dit woord afgeleid, even als Hooghiemstra en het half-verhollandschte
Hooghiemster. Horn, hern, verhollandscht tot hoorn, zijn de friesche
woorden voor hoek. De geslachtsnamen Hornstra, Hoornstra en Henstra
(in plaats van Hernstra, omdat de Friesen in deze woorden de r niet
uitspreken) zijn er van afkomstig. Hoekstra en Hoeckstra behooren
ook hier toe. Over het woord keeg, waarvan de geslachtsnaam Keegstra
(misschien ook, by verbastering, Keekstra en Kikstra), zie men
bl. 250. Pyp, pîp, is het friesche woord voor eene boochformig geboude
steenen brug. Van daar de geslachtsnaam Pypstra. De geslachtsnaam
Polstra komt, even als Van der Pol en Van de Poll, van het friesche
woord polle, klein eilandje. Een rak, zoo noemt men in Friesland
dat gedeelte van eenig vaarwater, dat zich in één zelfde richting
uitstrekt. De geslachtsnaam Rakstra is aan dit woord ontleend. En ook
de naam van het gehucht Franekerraksend (het einde van het Franekerrak)
by de stad Franeker (waar onkundigen wel Franeker-accent van maken);
tevens de namen van de amsterdamsche buurten Damrak en Rokin (het rak
in).--Over de woorden set en sîl, waar de geslachtsnamen Zetstra en
Zylstra aan ontleend zijn, zie men bl. 251 en 248.--Slot, burg, stins
zijn woorden van vry wel de zelfde beteekenis. Zy gaven oorsprong
aan de geslachtsnamen Slotstra, Burgstra en Stinstra (Stinsstra
ware naukeuriger schrijfwyze). Van de Kasteele, Van den Casteele,
Van Kasteel met Van den Burg, enz. zijn de tegenhangers van deze
friesche namen, in andere nederlandsche gewesten. Een boerehuis,
meestal tot eene kleine sate behoorende, waar de schuur, de stalling
van het vee en het woonhuis van den boer allen onder één groot dak
vereenigd zijn--waar dus dat groote dak als eene stulp of stolp
die drie verschillende onderdeelen van een boerehuis overstelpt,
heet in Friesland eene stjelp, verhollandscht tot stelp, en in
Noord-Holland eene stolp. Het algemeen-nederlandsche woord stulp,
geringe boerehut, is van den zelfden oorsprong. Deze woorden liggen
aan de geslachtsnamen Stelpstra, versleten tot Stelstra, en Stulpstra,
en aan het hollandsche Van der Stolpe ten grondslag. De woorden terp en
wier hebben in het hedendaagsche friesche spraakgebruik al zoo tamelik
de zelfde beteekenis. Beide woorden, waarvan de geslachtsnamen Terpstra
en Wierstra zijn afgeleid (zoo mede Opwyrda, zie bl. 269), komen in
friesche plaatsnamen voor. Slappeterp, Greonterp, Ureterp, Allingawier,
Offingawier, Poppingawier zijn namen van friesche dorpen; en Hoogterp,
Kleiterp, Westerterp, Laasterp, Luitsmaterp, met Heldewier, Noordewier
en Rollingswier zijn friesche geslachtsnamen. Een andere form van
het woord wier is weer, dat slechts in uitspraak een weinig afwijkt,
en meer beoosten Lauers en beoosten Eems, in plaatsnamen voorkomt;
b. v. in Mensingaweer, Tjamsweer, Marienweer, Abbingweer, allen dorpen
in Groningerland en Oost-Friesland. Langweer en de Wonser-weren
zijn echter plaatsnamen uit het westerlauersche Friesland. De
geslachtsnamen Weerstra (juist in de Wonser-weren inheemsch, en
ongetwyfeld afgeleid van den naam van dat gehucht by 't friesche
dorp Wons) en Walsweer danken aan dit woord weer hun ontstaan. Het
woord kerk is in het Friesch tsjerke, waar van de plaatsnamen (in
eenigszins verhollandschten form) Tietjerk, Tjerkwerd, Tjerkgaast,
enz. allen dorpen in Friesland. De geslachtsnamen Tjerkstra en het
half-verhollandschte Kerkstra zijn er van afgeleid. Ten slotte zy hier
nog vermeld de geslachtsnaam Waldstra van het friesche woord wald,
bosch of woud. Half-verhollandscht komt deze naam ook als Woudstra
en Houtstra voor.
Velen van deze stra-namen in Friesland hebben in de andere
nederlandsche gewesten hunne tegenhangers in geslachtsnamen die met
het voorzetsel van en een lidwoord zijn samengesteld. De aard der
zake brengt dit mede. Zoo komt het friesche Baanstra overeen met het
algemeen-nederlandsche Van der Baan en met Verbaan; Boomstra met Van
den Boom; Kooistra met Van der Kooi (van het woord kooi, eendekooi);
Laanstra met Van der Laan; Landstra met Van der Land; Meerstra met
Van der Meer en Vermeire (hollandsch en vlaamsch); Walstra met Van
der Wal; Wykstra met Van der Wijk. Al dezen namen komen, over en weêr,
in beteekenis volkomen met elkanderen overeen.
§ 104. De algemeene aardrijkskundige namen, die aan de geslachtsnamen
ten grondslag liggen, welke in de laatstvermelde afdeelingen
zijn genoemd, zijn allen eenvoudig. Zij bestaan slechts uit het
eenvoudige woord op zich zelven. Maar al die namen komen ook in
samengestelden form voor, met nog een woord daar by tot nadere
bepaling; b. v. watermeulen, in den geslachtsnaam Verwatermeulen,
nevens het eenvoudige woord meulen of molen, in Van der Molen,
Vermeulen, enz. Zulke samengestelde namen komen zoowel op zich zelven
voor, als met een voorzetsel, of met voorzetsel en lidwoord beiden. Zie
hier eenigen van die namen met voorzetsels en lidwoorden: Van den
Aardweg met Van den Eertweg, Van den Ertwegh en Van den Eirtweg, allen
slechts verschillende schrijfwyzen van eenen en den zelfden naam (zie
§ 151); Van Bloppoel, waarschijnlik eene verbastering van Blokpoel,
welke naam ook aldus op zich zelven voorkomt; de eene form zoo wel
als de andere is in Zuid-Nederland inheemsch. Verder Verborghstad,
Van den Braambussche, Van den Brandhof, Van der Heymeulen, Verdaasdonk,
Verdysseldonk, Van Droogenbroeck, Van de Goorbergh. [149] En ook Van de
Cleemputte. Dit woord kleemput is slechts een andere form van leemput,
een put of kuil of poel waar men leem uitgraaft, zooals vooral in
de zuidelike gewesten van Nederland gevonden worden. Talrijk zijn de
geslachtsnamen die aan deze leemputten ontleend zijn; b. v. behalven
Van de Cleemputte nog Van Cleemput en Van Cleemputten, Cleemput,
Leemput, Van de Leemput, Van de Leemputte, Van Leempoel, Leempoel
(ook als oneigenlike vadersnaam Leempoels), Tot de Leemcule, Leemkuhl,
Leemcoul in Limburg (zie bl. 256), ook verhollandscht tot Leemkoel,
enz. Opmerkelik is het dat het grootste gedeelte dezer samengestelde,
wel ietwat zwaarwichtige geslachtsnamen in de zuidelike gewesten t'
huis behoort.
Verder zijn nog samengesteld met het woord veld de geslachtsnamen:
Booneveld, Daverveldt, Hengeveld, Heukensfeldt, Langeveld, Schooneveld,
Roseveldt, Sonnevelt en Zonneveld, Maarleveld.
Met land: Baeckelandt, Dorland, Hartland, Hoogland en Laagland,
Veenland, Weiland en Weitland. Wieland echter, ook als geslachtsnaam
voorkomende, is oorspronkelik een oud-germaansche mansvóórnaam,
die als zoodanig nog niet geheel onder ons buiten gebruik geraakt is.
Met akker: Boonacker, Loerakker, Schoonakker, Wijlacker, Rooyakker,
Paanakker.
Met made: Schoonmade, (Van) Venckemay, Dolkemade, Schravemade (zie §
186 en 143).
Met huis: Langenhuyzen, Goedhuis, Leemhuis, Steenhuyze, Jongerhuis,
Rodenhuis en Roodhuyzen, Welkhuysen, Wilkeshuis, Wyckhuyse,
Jelgerhuis, Norberhuis. Deze laatste naam komt ook in verbasterden en
samengetrokkenen form als de geslachtsnaam Norbruis voor. Zoo wordt
ook de geslachtsnaam Jelgerhuis (oorspronkelik en voluit Jelgera-huus)
te Leeuwarden in de dageliksche spreektaal tot Jellegruis, Jellegruus
verbasterd en samengetrokken. De geslachtsnaam Nieuwenhuis dient hier
ook vermeld. Deze naam komt, in verschillende formen en spellingen
(Nyhuis, Niehuis, Nyenhuis), veelvuldig voor, en zal in de meeste
gevallen wel aan het benthemsche stadje Nieuwenhuis, Nienhuis,
Nienhaus, tegenwoordig Neuenhaus, tusschen onze drentsche en twentsche
grenzen gelegen, zynen oorsprong danken. Immers van ouds her zijn er
steeds, jaar op jaar, jongelieden uit alle standen, zoowel mannelike
als vrouelike, uit dit stadje naar Holland en Friesland getrokken,
om daar werk en brood te zoeken en te vinden. By een, meest in
Holland gezeten geslacht Nieuwenhuis heeft deze naam echter eenen
byzonderen oorsprong. In de vorige eeu vestigde zich een Deen, Jacob
Nyegaard geheeten, in Holland met der woon, en wel te Alkmaar. Het
hollandsche volk maakte zich dezen, voor zynen mond eenigszins vreemden
naam weldra beter van pas, door er, als in letterspel, »nydigaard"
(iemand van nydigen aard) van te maken. Deze verbastering van zynen
naam mishaagde onzen Deen. Om dus te voorkomen dat deze verbasterde
naam weldra volle gelding, als het ware burgerrecht zoude erlangen,
zette hy het deensche Nyegaard in het hollandsche Nieuwenhuis om. Zyne
afstammelingen voeren dezen naam nog heden. [150] Althuis en Althuysen
zijn geslachtsnamen die ook verlatynscht als Althusius en Althuysius
voorkomen, en deze latynsche formen zijn weêr in omgekeerden zin half
en half terug verloopen in het Nederlandsch, tot Althuizes. In de
zelfde verhouding staan ook de geslachtsnamen Heshuysen en Heshusius
tot elkanderen. De algemeen-aardrijkskundige namen veld en huis komen
beiden voor in den geslachtsnaam Huis-in-'t-Veld.
Met hof: Aldershof, Ameshoff, Attenhoven, Balkenhoven, Bomhoff,
Eekhoff, Eeckhoff en Eekhof, Kouwenhoven, Kruythoff, Noordhof,
Nyhoff, Rauwenhoff, Sijthoff, Spaenhoven, Uuldershof, Uvenhoven, en
het verlatynschte Lindenhovius. Hof, hove, have zijn oorspronkelik
de zelfde woorden, in verschillenden form en uitspraak. Zoo zijn
b. v. de namen der oostfriesche dorpen Marienhave en Engerhave,
tegenwoordig ook wel als Marienhafe en Engerhafe, zelfs wel door
misverstand als Marienhafen en Marienhaven geschreven, geenszins
van het woord haven afgeleid, maar integendeel van have, hove,
hof. Zoo zijn ook de geslachtsnamen Ten Have, Van 't Haaf, Van der
Have en Verhave met Opgenhaaffe (zie bl. 259 en 260), Van Schevichaven,
Manhave en Nunninghaven, misschien ook met Seynhaeve en Seynaeve, mijns
inziens, samengesteld met have, hof, en niet met haven (portus). Dat
have in der daad wel hove is, blijkt ook uit de geslachtsnamen Van
Bokhoven, Van Bochove, Verboeckhoven, Verboeckhaven en Verbockhaven,
die nevens elkanderen, vooral in de zuidelike Nederlanden voorkomen,
en oorspronkelik allen wel van eenen en den zelfden stam, van een
en het zelfde algemeen-aardrijkskundige woord (bok- of boekhof,
beukenhof) zullen ontleend zijn. Zoo vind ik ook in 1649 iemand die den
geslachtsnaam Van Schevinckhoven voert; [151] zeer waarschijnlik is dit
de zelfde geslachtsnaam die tegenwoordig als Van Schevichaven voorkomt.
Daarentegen meen ik in de geslachtsnamen Van de Haven, Noorderhaven en
Oosterhaven het woord haven (portus) te moeten erkennen. Noorderhaven
komt, als weêrga van Norbruis uit Norberhuis, ook in samengetrokkenen
en verbasterden form als Noordraven voor.
Opmerkelik is het, onder de talryke hofnamen, den form hoff, met twee
letters f, zoo veelvuldig aan te treffen.
Met oever: Van Goudoever, Kortenoever, met Ten Oevere, Ten Oever en
Van den Oever.
Met berg: Asselbergh (Asselbergs is hiervan een oneigenlike vadersnaam;
zie bl. 188), Bloemberg en Bloembergen, Cauwenbergh, Engelenberg,
Hazenberg, Kleyberg, Knynenberg, Loosbergh, Halsberghe, Maekelberg,
Mijsberg, Schenkenberg. Opmerkelik is het dat er in ons vlakke
Nederland zoo byzonder veel namen voorkomen die met het woord berg
zijn samengesteld. Zoo is ook de geslachtsnaam Van den Berg een der
algemeenste, overal voorkomende namen. Trouens, eene verheffing van
den bodem, weinige ellen hoog, wordt door het nederlandsche volk
reeds met den naam berg, zoo niet hooge-berg vereerd. De dalen zijn
in onze geslachtsnamen oneindig veel geringer in aantal.
Met dal: behalven Van Dale en Van Daele, nog Eikendal, Lovendaal,
Boterdael en Botterdaele (ook Van Boterdael en Butterdael) en,
als weêrga van dezen naam, Boterberg (beide te Brussel). Verder
Diependaele, Candaele, Hennixdael (Hennink's dal; zie bl. 52),
Hinderdael, Hiebendaal, Leeuwendaal, Groenendaal.
Met duin: Noorduyn, Rijsduin, Westerduin, Vredenduin, Zuiderduin.
Met beek: Camelbeek, Geysbeek, Heymbeeck, Ysenbeek, Legebeke, Noordbeek
en Noorbeek, Schaeverbeke, Swaanebeek en Zwanenbeek, Siegenbeek,
Wolterbeek. In de oostelikste (saksische) gouen van ons land, in
Twente en den gelderschen Achterhoek, wordt het woord beek als bek,
bekke uitgesproken. Van daar plaatsnamen als de Bekkematte, buurt by
Eibergen; Bekveld, buurt by Hengelo (O); de Rammelbekke of Rammelbeek,
enz. in die gouen. En van daar ook geslachtsnamen als Schierbeck (het
verhollandschte Schierbeek komt ook voor), Thor Becke of Thorbecke (zie
bl. 264), Uhlenbeck, Bekhuis nevens Beekhuis, Visbeck nevens Visbeek,
Vor der Wullbecke (zie bl. 255), enz. De uitspraak van het woord beek
als bek (beck) of bekke strekt zich ook over geheel Westfalen en andere
aangrenzende duitsche landen uit, en geslachtsnamen op beck eindigende,
komen ook daar menigvuldig voor. Velen van de thans als nederlandsche
namen geldende maagschapsnamen met beck samengesteld, zullen dan
ook wel over onze oostelike grenzen tot ons gekomen zijn. Geenszins
zeldzaam zijn ook in Nederland de hoogduitsche geslachtsnamen die op
bach eindigen. Deze namen, als vreemden, kunnen eigenlik in dit werk
niet in aanmerking komen. Maar toch dient hier vermeld te worden dat
enkelen dezer bach-namen in schrijfwyze verhollandscht zijn, en nu
op bagh of op bag uitgaan. Zulke namen zijn: Breydenbagh, Avenbag,
Kolbag, Dievenbag (verhollandsching van Tiefenbach?), enz. Andere
oorspronkelik hoogduitsche bach-namen zijn geheel vertaald geworden
in het Nederlandsch; b. v. Breidenbach tot Breedenbeek; Kalsbach tot
Kalsbeek; Stolzenbach tot Stoutenbeek, enz.
Een groot gedeelte van Nederland heeft geene beken, maar zooveel
te meer slooten. Toch zijn de maagschapsnamen met het woord beek
samengesteld, talrijk in vergelyking met die welke van het woord
sloot afgeleid zijn. Behalven Van der Sloot zijn my slechts bekend:
Donkersloot en Helsloot (tegenhangers? zie § 168), Ouwersloot,
Galesloot, Korsloot, Wykersloot met De Wykerslooth in half-franschen,
dus onzinnigen form, enz.
Grachten en vlieten zijn in Nederland al niet minder talrijk
dan slooten. Toch zijn ook de maagschapsnamen, aan deze woorden
ontleend, zeldzaam. Ik ken slechts Van der Gracht en Van der Graft,
Berghgracht (eene min of meer zonderlinge samenstelling), Steengracht
en Coenegracht. Deze laatste naam komt ook als oneigenlike vadersnaam,
als Coenegrachts voor; en dan ook nog te Hoegaarde (Hougaerde) in
Zuid-Brabant, op de grenzen van ons taalgebied, door misverstand
en in verbasterden form, als Coenegras. Verder Godvliet, Polvliet
met Polfliet en Pollefliet, Schyvliet en Sneevliet met Van Vliet,
Van der Vliet en Vervliet.
Water en a of aa (het oud-nederlandsche woord voor water), broek,
poel, moer of moor (moeras), meer, vaart en diep zijn allen algemeene
aardrijkskundige woorden, die men, in aanmerking genomen de gesteldheid
van een zeer groot deel des nederlandschen bodems, met reden in groot
aantal als samenstellend deel van nederlandsche geslachtsnamen zoude
kunnen verwachten. Toch komen zy zoo byzonder talrijk niet voor. Zie
hier eenigen van die namen: Blankwater, Borrewater en Bornwater,
Hoekwater, Leegwater, Meulewater, Slagwater met Van de Water en
Van de Wateren.--Minderaa, Wykeraa en Van Wiekeraa, Van der Aa
en Van der Ouderaa met Van der Auweraa.--Beerenbroek, Biesbrouck,
Eysbroek, Hagebrouck, Meulebrouck met Muelenbroock (in Duitschland
is Mühlenbruch een tamelik algemeene maagschapsnaam), Slimbrouck,
Surenbroek, Rubroek, met Van den Broek, Van de Broecke, Ten Broek,
Ten Broeke, Broekstra, Broekman, misschien ook Broeker en Brooker,
Brookman en zelfs Brauckmann, met Ten Brake, Braakman, enz. Verder
Van der Poel en Poelstra, Toe Poel (zie bl. 263), Poelman en Poelmans,
misschien ook Spoelders ('s poelders, des poelderszoon, zie bl. 184),
en Poolman, met Abspoel, Zwanepoel, Evenepoel, Polspoel, Rikmenspoel,
Vogelpoel (met Van Vogelpoel) en de neder-(plat-)duitsche weêrga
van dezen naam Vagelpohl, enz. Deze neder-(plat-)duitsche form
van het nederlandsche woord poel, te weten pool of pohl, komt ook
voor, nevens Vagelpohl, in de maagschapsnamen Cleypool, Weddepohl
en Poolman met Pohlmann; zie bl. 197. Dan Van der Moere met Van der
Moer en Vermoure, Moerman en Moorman (zie bl. 198). Eindelik Van der
Meer met Belkmeer, Noordermeer, Bennemeer, Leyermeer, Schoffelmeer en
Zuidmeer; Van der Vaart met Heyvaert, Poldervaart en Zuidervaart. Wat
de maagschapsnaam Heyvaert aangaat, zoo heb ik wel eens hooren beweren
dat deze naam van engelschen oorsprong, en eigenlik Hayward was. Ook
de geslachtsnaam Engelvaart durf ik naueliks tot de namen rekenen, die
met het algemeen-aardrijkskundige woord vaart samengesteld zijn. Wel
is er werkelik in Friesland, by het Heerenveen, eene vaart die de
Engelenvaart heet, maar deze aardrijkskundige naam is ontleend aan
den geslachtsnaam Van Engelen, en de maagschapsnaam Engelvaart heeft
er dus niets mede te maken. De Zuid-Nederlanders zeggen, zeer te
recht, Godevaart voor Godfried, Govert; zoo kan ook Engelvaart een
zuid-nederlandsche form wezen van den oud-germaanschen mansvóórnaam
Engelfried. Dezen byzonderen zuid-nederlandschen form vinden wy
terug in de vlaamsche dorpsnamen Godveerdeghem en Hemelveerdeghem,
heim of woonplaats der Godveerdingen en der Hemelveerdingen, dat is:
der nakomelingen van Godveerd, Godevaert, Godfried en van Hemelveerd,
Emelveert, Emelvaert, Amelfert. [152] Van het groningsch-friesche
woord diep voor vaarwater (zie bl. 245) is de maagschapsnaam Westerdiep
ontleend.
Waar water is, daar zijn ook dyken, dammen, sluisen, bruggen, veren
en voorden. Deze algemeen-aardrijkskundige woorden vinden wy in de
maagschapsnamen Van Dijk, zeer talrijk, en Dykstra, eveneens. Verder
in Ackersdijk, Bazendijk, Bilderdijk, Burgersdijk, Craandijk, Hofdijk,
Hordijk, Soutendijk, Wesseldijk, enz. Ook in Dijkman en Dijkmans. Deze
met dijk samengestelde namen komen hooftsakelik, zoo niet uitsluitend,
in Noord-Nederland voor, en zijn daar geenszins zeldzaam. Of de
maagschapsnaam Kerdijk ook tot deze namen, met het woord dijk
samengesteld, behoort, meen ik te mogen betwyfelen, al kan ik hem
ook anders niet verklaren. Dam-namen zijn Van Dam, zeer algemeen,
't welk in ons damrijk land geen wonder is; Verdam, Bekedam, Bondam,
Duindam, Hoogendam, Nieuwendam (kan ook een byzondere aardrijkskundige
naam zijn, ontleend aan den naam van het dorp Nieuwendam in
Noord-Holland aan het Y; zie ook § 156) en Nydam, Ryersdam, Soutendam,
Stouwdam.--Beversluis met Van der Sluis en Versluys, misschien ook met
Sluizer.--Van 't Sas is de zeeusch-vlaamsche, Van Zijl (en Zylstra)
de friesche tegenhanger van Van der Sluis. Het woord brug vinden wy
in de maagschapsnamen Van de Brug, Van der Brug, Van der Breggen,
Van Bruggen, Brugman, Bruggeman, Brugmans, in Barenbrugh, Koebrugge,
Leembruggen, Meulenbrugge, Mijnsbrughen (zie bl. 276), Niggebrugge,
enz. Laatstgenoemde naam zal wel over onze oostergrenzen tot ons
gekomen zijn, en dan nieue brug beteekenen, naardien het woord nieu
in sommige westfaalsche tongvallen, o. a. rondom Osnabrück, uit welke
oorden er steeds zoo velen naar Nederland kwamen afzakken, als nigge
wordt uitgesproken. In de maagschapsnamen Van der Veer en Verveer,
De Veirman, Veerman, Altveer, Cijfveer(?) en Westveer vinden wy
't woord veer; misschien ook in De Veer. Maar deze laatste naam is
my twyfelachtig--ook al om het afwykende geslacht, dat, blykens het
lidwoord, in dezen naam het anders onzydige woord veer heeft. De
Veer zoude ook kunnen zijn het woord veêr, veder, vogelveêr, en
dan oorspronkelik als huisnaam. Te Amsterdam toch staat nog op den
Nieuwendijk een huis, dat »de oude Veêr" heet, en waarin van ouds
een beddewinkel (van veêren bedden) was; en te Rotterdam komt nog de
geslachtsnaam Veder voor. Het kan ook zijn eene verkorting van het
oud-friesche woord feder, vader. Te Hindeloopen spreken de kinderen
hunnen vader nog aan als feer; en de maagschapsnaam Vader is niet
zeldzaam; in de vlaamsche gewesten komt hy ook in samengetrokken form,
als De Vaere voor. Het woord voort, voorde, plaats waar men door het
water waadt, komt voor in de maagschapsnamen Van der Voort, Van der
Voorde, Vervoort, Vervoorde, Vervoerde, Voorda, Voerda, Voortman,
Balfoort, Blankevoort, Langevoort, Markvoort, Gantvoort, Poelvoorde,
Vredevoort, Wagenvoorde en Ten Bengevoort (ten Benninge-voorde?).
Oort en weert, weide, veen en heide, bosch en loo, hout en woud,
roode, marsch en geest, donk en horst formen eene andere groep van
algemeen-aardrijkskundige namen, die grootendeels talrijk voorkomen
in allerlei geslachtsnamen. Zie hier eenige voorbeelden: Van Oort
en Van Oorde, Op den Oort (zie bl. 254), Bredenoort, Hagoort,
Kraayenoord, Schilperoort; Van de Weert, Blyweert, Duyvewaerdt en
Flikweert; Lagerwey en Klaverweyden met Van der Weide, Van de Wey,
Verwei, Verwey, enz. Van den Bosch, Van den Bussche en Van den Bos
met Boschman, Buschman, Bosman, misschien ook met Bosscher, Busscher,
Bosker en Busker, en Bosgra, volgens het friesche taaleigen; Bysterbos,
Doorenbosch, Doornbosch en Doorenbos, Hulsebos, Strybos, Veenenbos,
Wylgenbosch. Opmerkelik, dat by het grootste gedeelte dezer namen
het woord bosch zyne ch verloren heeft.--Een loo is een eikenbosch,
of naukeuriger gezeid: een oord met jong eikenhout bezet, een
akkermaalsbosch, waar men dunne eikenstammetjes kweekt, als hakhout,
vooral om de bast er van als looistof te gebruiken. Hangen onze woorden
loo en looien niet samen? Wy vinden dit oud-germaansche woord, dat
ook in nederlandsche plaatsnamen zoo veelvuldig voorkomt (Almeloo,
Beverloo, Eekloo--dat is tweemaal het zelfde gezeid,--Groenloo), terug
in de geslachtsnamen Van de Loo, Loman met Looman en den hoogduitschen
form Lohmann (alle drie vry algemeen), Apperloo, Boschloo, Biddeloo met
Bidloo en misschien ook met Pitlo, en de versletene formen Beeloo en
Beelo; verder in Donkerloo, Oosterloo, Tinckloo, Venverloo, Wesseloo,
Zelderloo. De byzondere maagschapsnaam Deurloo (zie bl. 220) behoort
hier ook genoemd te worden. Het eikenbosch dat aleer dien naam gedragen
heeft, ligt nu verdronken in den mond der Hont of Westerschelde,
in de Noordzee. De naam echter, een zeer oneigenlike voor eenen
riviermond (dies zeit men ook wel »de Rassen"), is tot op den dag
van heden aan die plaats gehecht gebleven. De geslachtsnaam Anslo
(†?) is ook byzonder, en behoort by deze algemeen-aardrijkskundige
namen eigenlik niet. C. Honigh in zyne Reisschetsen uit Noorwegen (De
Gids, jaargang 1884, bl. 228) vermeldt het volgende: »Claes Claessen,
de grootvader van den zeventiende-eeuwschen dichter Reyer Anslo, en
stichter van het Ansloos-hofje in de Egelantiersstraat, was in 1555
in Oslo geboren. Zyne nakomelingen voerden den uit Oslo verbasterden
geslachtsnaam Ansloo." Oslo is de naam van eene oud-noorsche stad,
in den jare 1624 verbrand en niet weêr herboud. In plaats daarvan
werd de tegenwoordige hoofdstad van Noorwegen, Christiania, gesticht.
Over de beteekenis van het woord rode of rade zie men bl. 248. Behalven
de namen, daar ter plaatse opgenoemd, zijn met dit woord nog
samengesteld de maagschapsnamen Van Roo, Van Rode, Van de Raadt,
Breedenraedt, Bruynseraede, Hoogenraad, Stramrood, Schreveraey (dat
beduidt: des graven rade), Tavenraat, Weustenraadt, Mallinckrodt.
Hout en woud in frankischen, holt en wold in saksischen form
zijn woorden van eene en de zelfde beteekenis, ook van eenen en
den zelfden oorsprong. Behalven in talryke plaatsnamen, en in
de eenvoudige maagschapsnamen Van Hout, Van Haute, Van 't Hout,
Van Holte, Van den Haute, Van Houte, Van Houtte, Van Hautte, Op
't Holt, Houtstra, Van Woude, Van 't Wout, Van der Woude, Van der
Wouw, Verwoude, Verwou, Verwolde, Van de Wolde, Woudstra, Woldstra,
Houtman, Wouman, enz. vinden wy deze woorden in de meer samengestelde
geslachtsnamen Boekhout, Boekhold, Bouckout, Bouckhaut, enz.,
Frankenhout, Halverhout, Langhout, Mansholt, Eekhout en verwante
formen (zie §135), Moerenhout, Schelfhout (de zelfde naam komt in
de zuidelike Nederlanden voor als Schelfaut), Spitholt, Suyderhoud,
Vastenhout en Vastenoudt, Wechterholt, Wentholt en Witholt. Deze namen,
met hout, holt samengesteld, zijn byzonder talrijk in allerlei formen
en schrijfwyzen. En dit is ook met de woud- en wold-namen het geval:
Bruinwold en Bruynewold, Duysterwout, Dunnewold, Swartwold, en vooral
ook Groenewold, dat met Groenewoud, Groenewoldt en zelfs met het half
en heel hoogduitsche Groenewald en Grünewald, vry algemeen is.
Geest en Gast (zie bl. 247), komen voor in Van der Geest, Ter Gast,
Geestman, Gastman, Van der Gaast, Geestra en Gaastra, Brondgeest,
Houckgeest, Wittegeest, Zuidgeest. Marsch of mersch en meersch in
Van der Marsch, Ter Marsch, Wittemarsch, misschien ook in Marsman en
Mersman. Verder in Vermeersch, Overmars, enz.
Het woord heide treft men in de maagschapsnamen Van der Heide,
Van der Hei, Van Hei, Van Heed, Van Hee, Verhey, Oosthey, enz. Het
woord donk in Donck, Van Donck, Van der Donk en Verdonck, Daesdonck,
Haseldonck, Kilsdonck, Lindonk, Meynendonk, Kranendonk en Cranendoncq,
Stipdonck en Surendonk. Deze geslachtsnamen met donk samengesteld, en
eveneens de plaatsnamen op donk eindigende, komen meest in de zuidelike
Nederlanden voor. Horst (zie bl. 250) vindt men in Van der Horst,
Ter Horst, Ingenhorst en Horstman. Verder in Binkhorst, Bronkhorst,
Methorst, Quellhorst, Riedhorst, Rouwenhorst, Selhorst, Snaakhorst.
Eindelik nog eenige veen-namen: Van der Veen en Van der Feen, Feenstra
en Veenstra komen zeer talrijk voor, hooftsakelik in de noordoostelike
Nederlanden, waar veel venen zijn. Verder: Glimmerveen, Nederveen,
Noortveen, Oostveen, Roggeveen, Sureveen, en Roveen, Zwarteveen
en Witteveen. Men onderscheid in de veenstreken, naar mate van den
byzonderen aart van het veen, roodveen, witveen en zwartveen. Van
daar deze maagschapsnamen.
§ 105. Eene laatste groep van algemeen-aardrijkskundige woorden
omvat de benamingen van zulke zaken welke meer bepaald aan de
werkzaamheid van den mensch hun ontstaan danken; als: burg, zeele,
hoek, werf, brink, kamp, laan en baan en weg, kuil en put, wijk, tuin
en gaarde. Ook al deze woorden komen veelvuldig in samengestelde en
enkelvoudige algemeen-aardrijkskundige geslachtsnamen voor. Enkelen
van dat groote aantal dienen hier vermeld te worden.
Met burg en borg (oorspronkelik burcht, borcht, slot, kasteel) zijn
samengesteld--behalve Van den Burg, enz.; Buddenborg, Meerburg,
Moolenburgh, Ypenburg, Schotborgh, Siedenburg, Smallenburg,
Spierenburg, Stekelenburg, Sterkenburg en Starkenborg, Witsenborg,
Waterborg, Wekenborg, Meyborg, Pannenborg. In navolging van de
namen der middeleeusche burchten, gaven ook vele zeventiende-
en achttiende-eeusche Nederlanders, vooral Hollanders, zulke
burg-namen aan hunne landgoederen en buitenplaatsen. En ook zulke
nieue burg-namen zijn wel als geslachtsnamen in gebruik gekomen. In
den regel was het niet de heer, de eigenaar van zulk een landgoed,
die den naam daarvan als geslachtsnaam aannam, maar de rentmeester
of de tuinbaas of een pachter, als zy er jaren lang gewoond hadden,
en als 't ware met zulk een landgoed vereenzelvigd waren geworden. Men
kent zulke nieuerwetsche burgnamen wel aan hunnen soms gewrongenen, ook
burgerliken form; b. v. Eendenburg, Paddenburg, Rustenburg, Uilenburg,
Vaartburg, Waayenborg, enz. allen hedendaagsche geslachtsnamen.
De namen der middeleeusche burchten en sloten eindigden dikwijls
op stein of steen, het zy om aan te duiden dat het vaste huizen
waren van steen geboud (stinsen, stenhusen), of dat ze op eenen
steen of rots waren gegrondvest. Het eerste was meest het geval
in de Nederlanden, waar de woningen der poorters in de steden en
vooral ook der boeren ten platten lande, in de middeleeuen doorgaans
van hout waren, met riet of stroo gedekt. Het andere kwam uit den
aard der zake meer in hooger gelegene landstreken aan en over onze
oostelike en zuidelike grenzen voor. Later werden zulke steinnamen,
even als de burgnamen, ook dikwijls aan burgerlike landgoederen en
buitenplaatsen gegeven, en die namen zijn ook al tot hedendaagsche
geslachtsnamen geworden. B. v. Boekestein (ook Boekestijn komt voor,
in wanspelling--zie § 157); Druyvesteyn, Oudsteyn, Pecsteen(?),
Quakkelsteyn, Sypesteyn, Wecksteen met Wegsteen en Weeksteen,
enz. Verder Hoekstein en de hoogduitsche weêrga daarvan, Ekstein en
Eckstein, die te Antwerpen nog eens in spelling veranderd als Exsteen
voorkomt; buitendien nog Van der Steen, Steenstra, Stienstra, enz. De
friesche maagschapsnaam Hoogstins dient hier ook vermeld.
By sommige oud-germaansche volksstammen, onder anderen by de Saksen,
voor een deel onze voorouders, werd de groote woning van eenen
hoofdman of ander aanzienlik persoon sale of sele genoemd. Dit woord,
oorspronkelik na verwant met het woord hal, halle, eene opene, door
zuilen geschraagde woning beteekenende, gelijk die oud-germaansche
selen veelal waren, bestaat nog in ons woord zaal. En tevens,
vooral ook in den form zele, zeel, maakt het deel uit van vele
nederlandsche plaatsnamen: Oldenzaal b. v. stad in Twente, en
Oudezeele, dorp in Fransch-Vlaanderen; beide namen leveren slechts
een verschil op in tongval. Verder in Scherpenzeel, zoo heeten twee
nederlandsche dorpen, een in Friesland, en een in Gelderland op de
Feluwe; Loenderzeel, Bissezeele, enz. In geslachtsnamen is dit woord
tamelik zeldzaam. My zijn bekend: Bruynzeel, Immerzeel, Ipperseel,
Nevenzeel; en waarschijnlik ook Wittezaele. Buiten dien nog Verzele.
Stede, steê, woonstede, vinden wy in de geslachtsnamen Borgstede,
Alsteede, Damsté, Duynstee, Haagstee, Hoogsteede (het weinig afwykende
Hoogstad komt ook voor; dit is waarschijnlik een byzondere plaatsnaam,
afgeleid van Hochstadt, een plaatsnaam die veelvuldig in Duitschland
voorkomt). Verder Kolstee, Maalsteed (ook half hoogduitsch geschreven
als Mahlstede), Volsteedt, enz.--Wijk, een woord van verschillende
beteekenissen, komt voor in Damwijk, Frieswijk, Haelewijck, Klapwijk,
Kromwijk, Sandwijk, Swaanswijk, Vaerewijck, Woudwijk, enz.
Met hoek samengesteld zijn de geslachtsnamen: Kalishoek, Noordhoek,
Kurpershoek, Leegenhouck, Molhoek, Smitshoek, Spieringshoek, Oosthoek,
Stegerhoek. Horn en hoorn is het zelfde als hoek. Dit oude woord,
van frieschen oorsprong (zie bl. 250), vinden wy in de geslachtsnamen:
Barghoorn, Dijkxhoorn, Droghorn, Spilthoorn, Oosterhoorn, Wolthoorn,
enz. Een ander woord voor hoek is winkel, waarvan ons woord winkelhaak;
zie ook bl. 204. Winkel is het tegenovergestelde van horn; het
eerste woord beteekent een binnen-, het andere een buitenhoek. Het
woord winkel komt voor in de geslachtsnamen Baerwinckel, Boswinkel,
Cramwinckel, Gleenewinkel, Hooghwinkel, Kattewinkel, Hanewinkel,
Hasewinkel, Nieuwinckel, Romswinckel; buitendien in Van de Wynckel. In
den geslachtsnaam Vettewinkel schijnt het woord winkel my toe de
nieuere beteekenis te hebben van een gedeelte van een huis, een
voorhuis, waar koopwaren uitgestald zijn en verkocht worden. Een
winkel, waar vet, boter, olie, spek en dergelike dingen te koop zijn,
noemt men wel een vettewinkel. Den man, die zulk eenen vettewinkel
houdt, noemt men te Middelburg, en elders in Zeeland en Vlaanderen,
met het zonderling geformde bastertwoord vettewarier, van vette waar
afgeleid. De maagschapsnaam Rooswinkel zal wel oorspronkelik de naam
zijn van het dorp Roswinkel in Drente.
Werf, brink, kamp, laan, baan, einde, weg, kuil en put, tuin en gaarde
zijn algemeene aardrijkskundige woorden, die geenen naderen uitleg
eischen, en die in talryke geslachtsnamen voorkomen. Zie hier eenige
voorbeelden daarvan:
Met werf zijn samengesteld: Van der Werf, Van de Werve, Bergwerf,
Disselwerf, Hoogewerf, Lagewerff.
Met brink: Van den Brink, Van de Brinke, Ten Brink, Brinkman (deze naam
is, als Brinkmann, ook dikwijls uit Westfalen, waar hy zeer algemeen
is, tot ons overgekomen), Dambrink, Hurrelbrink, Kraayenbrink,
Kottelbrink, Kruisselbrink, Sandbrink, Speekenbrink, Veenbrink,
Westenbrink. Ook Stornebrink en Störnebrink, dat in Friesland,
in uitspraak op friesche wyze verbasterd en op hollandsche wyze
geschreven, als Steunebrink voorkomt.
Met kamp: Van der Kamp, Kampstra, Belekamp, Elskamp, Feltkamp
en Veldkamp, Hasekamp, Haverkamp, Peperkamp, Reuvekamp, ook op
hoogduitsche wyze als Rövekamp geschreven, Schalekamp, Steenkamp,
Westerkamp, Witkamp.
Met laan: Van der Laan, Laanstra, Batelaan, Felperlaan, Yperlaan,
Langelaan, Zuiderlaan.
Met baan: Van der Baan, Baanstra, Oosterbaan, Schiebaan, Westerbaan,
Zuiderbaan.
Met einde of ende: Van der Ende, Van 't Einde, Endstra, Balkenende,
Zuiderend.--Van den Hende, in Vlaanderen inheemsch, behoort
waarschijnlik ook wel hier, als eene, in Vlaanderen niet ongewone
wanspelling van Van den Ende.
Met weg: Van der Weg, Wegstra, en Weistra (weg = wei in het Friesch),
Breedeweg, Groenewegen, Harweg en Harwegen, Heirwegh, Herrewegh,
Heerwegh, Hoogeweegen, Hoornweg, Korteweg, Kleiweg, Schuerwegh.
Met kuil: Van der Kuylen en Verkuilen, Koelstra, Ter Kuile,
en half-hoogduitsch Ter Kuhlen; verder Leeuwenkuyl, Steenkuyl,
Wolfskuyl, Voskuyl en Voskuil. De laatstgenoemde naam is geenszins
zeldzaam, en aan verschillende geslachten eigen. Ook als Voskuilen
komt hy voor. Hy is ongetwyfeld aan een wezenlik vossehol ontleend,
even als de maagschapsnaam Wolfskuyl aan een wolvehol. Maar om het
ontstaan van den geslachtsnaam Leeuwenkuyl te verklaren, heeft men
aan eenen oneigenliken oorsprong van dezen naam te denken. En wel aan
eenen huisnaam, aan eenen gevelsteen, die »Daniël in den leeuwenkuil"
voorstelde. De huisnaam is dan hier op den bewoner van het huis
overgegaan, gelijk oudtijds geenszins zeldzaam geschiedde. Zie §
128 en vervolgens. Reeds in 1578 was er te Amsterdam een huis, »de
kuil der Leeuwen" geheeten; de bewoner van dat huis werd genoemd
Simon Pietersz. in den kuyl der Leeuwen [153]. Over sommige namen,
die met coul, een andere form van het woord kuil zijn samengesteld,
zie men bl. 256.
Met put: Pitstra, Helleputte, Nechelput, Verseput (dat is een put
van versch, zoet water, in tegenstelling van brak of zout water),
Waelput, Wullepit. Over put en pit, en over een paar geslachtsnamen,
met dit woord samengesteld, zie men bl. 251.
Met tuin: Tuinstra, Houttuyn (de maagschapsnaam Tuinhout komt ook voor;
als tegenhanger? zie § 168), Vlastuin, Elsentuin, Blomtuin. Het woord
houttuin beteekent eene omtuinde of omheinde plaats, waar timmerhout
bewaard wordt. Aan de buitenhelling van den ouden Haarlemmer-dijk te
Amsterdam lagen oudtijds zulke houttuinen. Van daar dat de buurt,
die later daar ter plaatse ontstond, nog heden den naam draagt van
»de Haarlemmer Houttuinen."
Met gaarde: Diergaarde, Roosegaarde, Schilfgaarde, Oolgaardt. Zoude
deze laatste naam geene verbastering zijn van den hoogduitschen
naam Oelgarten, dat oorspronkelik een oud-duitsche naam is voor den
Olyfberg, anders gezeid Gethsemane, of wel Hofken van Oliveten, gelijk
de Vlamingen zeggen. Ook Vergaerde, samengetrokken uit Van der Gaerde,
komt voor. In den geslachtsnaam Mergaert meen ik eenen versletenen
oud-germaanschen mansvóórnaam (Markwart, Merkart, Merwart?) te vinden.
De maagschapsnaam Noordziek, die aan oningewyden, welke zynen oorsprong
niet en kennen, al zeer zonderling moet toeschynen, behoort mede
tot de namen van algemeene aardrijkskundige beteekenis. Eigenlik
behoort deze naam tot de nederlandsche namen niet. Hy is slechts eene
verdietsching van den oorspronkelik hoogduitschen naam Nordsieg of
Nordsieck, die onder deze beide formen nog in Duitschland voorkomt. Het
woord sieg of sieck in dezen naam, en in eenige andere geslachts- en
plaatsnamen voorkomende, is een zoogenoemd algemeen aardrijkskundig
woord; het beteekent: een laag, vochtig oord. [154] Ook eenige andere
maagschapsnamen, thans in Nederland inheemsch, maar die ongetwyfeld van
hoogduitschen oorsprong zijn, ofschoon sommigen min of meer verdietscht
zijn in spelwyze, zijn met dit woord samengesteld. B. v. Bohnensieg,
Braakensiek, Bommelsiek, Brummelsiek, Erdtsieck, Heidsieck, Steinziek,
Uhlmansieck en Wellensiek met Siekman, Siegman en Ziekman. Middellik
behoort de geslachtsnaam Hagenzieker ook tot deze kleine en byzondere
groep. Hy is namelik afgeleid van eenen hoogduitschen plaatsnaam
Hagensieck; van deze plaats was de man die eerst den naam Hagenzieker
voerde, zeker herkomstig; zie § 70.
§ 106. Daar zijn nog vele andere algemeene aardrijkskundige woorden,
die als geslachtsnamen dienst doen. De byzondersten daarvan hier ook
slechts te melden, zoude reeds te veel ruimte eischen. Die namen
te verklaren, ware ook overbodig; zy zijn in den regel duidelik
genoeg. Als voorbeelden kunnen gelden de maagschapsnamen Kalkoven
en Tiggeloove (misspelling van Ticheloven), Zeedijk, Hooyschuur,
Hogetoorn, Schutstal, Koestal, Schapenstal en Schaaphok, Hofstede en
Hofstee, Hoogeboezem. Boezem heet het binnenwater van een waterschap of
polder-district; van daar ook de geslachtsnaam Van den Boezem. Verder
Voorspuy, Binnekolk en Stouwdam (een dam in stroomend water gelegd
om het water op te stuwen of te stouen, in het Hoogduitsch ook stau
genoemd), ook namen aan de water-aangelegenheden van onzen bodem
ontleend. Dan nog Noordhoek, Bloemhof, Lusthoff, Appelhof, Blomtuin,
Wijnberg, Vlasveld, Boomgaard, Wijngaard, Kerkhof. Vooral de drie
laatste namen komen menigvuldig en onder allerlei formen voor; als:
Kerckhof, Kerckhoff, Van den Kerkhove, Van de Kerckove (dit is een
vlaamsche form, zonder h); Van den Wijngaerde, Van den Wingert,
Onder de Wijngaard, enz. Maar de formen waaronder het eenvoudige
woord Boomgaard als maagschapsnaam voor den dag komt, zijn byzonder
groot in aantal. Zie hier slechts eenigen daar van, als een tweede
voorbeeld ('t eerste staat op bl. 155 en 156), van den formenrijkdom
onzer sprake: Boomgaard, Boomgaerd, Boomgaert, Boomgaerdt, Boogaert,
Bogaert, Bogaerdt, Bogert, Bongert, Boomgert, Van den Boomgaard,
Van de Boomgaard, Van den Bogaert, Uyttenbogaerdt, Ten Bogaerde,
enz. Ook als oneigenlike vadersnamen komen deze namen voor: Bogaerds,
Bogaerts, Bogaertz, Bogerts, Bongarts, zelfs Bungartz, en verlatynscht
tot Bogardus. De formen Bongert en Bonger echter, met Bongerts en
Bongers, kunnen ook afkomstig zijn van het oud-nederlandsche woord
»bonger", 't welk een speelman beduidt, die op eene bonge of blaas,
't zy dan onder de gedaante van doedelzak of van rommelpot, 't zy
onder die van boerhalvezeve (tamboeryn) muzyk (?) maakt.
Eene algemeene aanmerking, geldig voor deze geheele afdeeling van
maagschapsnamen uit algemeene aardrijkskundige woorden genomen,
en waar op ik in het byzonder nadruk leg, dient hier nog vermeld
te worden. Onder al de geslachtsnamen, in de laatste §§ opgenoemd,
zullen er ongetwyfeld wel eenigen zijn, die, hoewel zij uit algemeene
aardrijkskundige woorden samengesteld zijn, toch in werkelikheid de
namen zijn van byzondere plaatsen, 't zy dan in Nederland, 't zy daar
buiten. Namen van groote dorpen of steden zullen dit wel niet wezen,
maar namen van kleine dorpkes, van gehuchten en buurten, landhoeven,
enkele huizen, enz. kunnen zeer wel hier onder voorkomen. Wie kent
al die namen? In dat geval echter behooren zulke namen dan niet in
deze afdeeling, by d' algemeene plaatsnamen, maar integendeel by
de maagschapsnamen aan byzondere aardrijkskundige namen ontleend,
en die in § 72-78 reeds zijn opgenoemd. Heb ik dus hier eene enkele
maal gedwaald, de vriendelike lezer zy dan zoo goed my om deze zake
te willen verontschuldigen.
§ 107. Er is nog eene kleine groep van maagschapsnamen, die eveneens
tot de namen van algemeenen aardrijkskundigen aard moeten worden
gerekend. Velen daar van zijn reeds, verstrooid onder de reeds
behandelde groepen, in dit werk ter loops vermeld. Deze namen gaan
op man uit, of, in patronymikalen form, op mans. Een man die by eene
brug of by eene sluis, aan of op eenen dijk, in een bosch, op eenen
heuvel of berg woonde, kreeg al licht, naar die byzondere woonplaats,
den bynaam van Bruggeman, Sluisman, Dijkman, Boschman, Heuvelman,
Bergman, enz. En deze toenamen, aan de woonplaats, in aardrijkskundigen
zin ontleend, zijn veelvuldig tot vaste geslachtsnamen geworden, en
als zoodanig tot op onze dagen eigen gebleven aan de afstammelingen
van de mannen, wien ze eerst gegeven waren. Als voorbeelden van zulke
geslachtsnamen noemen wy Beekman met Beeckman, Beekmans en Beeckmans,
Bergman met Berghman, Bergmans, Berchmans, en misschien door eene
in de nederlandsche gouspraken zeer gewone verwisseling van er met
ar, Bargman (zie bl. 133)--en van g of gh met ch, Barchmans. Verder
Brinkman en Brinckman, [155] enz. Heiman kan als eene samentrekking
van Heideman en Heidtman gelden. Waar deze naam echter, ook als Heyman,
Heimans en Heymans, zelfs in wanspelling als Hijman, aan israëlitische
geslachten eigen is, daar houd ik hem voor den mansvóórnaam Heiman,
die by de nederlandsche Joden, als zoodanig, in gebruik is. Nevens
Boschman en Woltman behoort ook Loman, dat ook als Looman, Lomans,
enz. en zeer veelvuldig ook in half of heel hoogduitschen form als
Lomann, Lohman, Lohmann voorkomt, vermeld te worden. Immers beteekent
het oud-germaansche woord loo, loh, leag, waarmede zoo vele plaatsnamen
samengesteld zijn, oorspronkelik eikenbosch (zie bl. 284). Van daar
ook Lomeyer en Lomuller, dat is: de boer en de molenaar die by het
eikenbosch wonen. En naast Straatman en Straetman met Straatmans
en Straetmans meen ik nog Strootman te moeten vermelden, als een
byform van dezen naam, die in eene byzondere (saksische) uitspraak
zyne oorzaak vindt. Zoo komt ook in de nederduitsche gouen langs onze
grenzen, te Bentheim, de geslachtsnaam In der Stroth (in de straat,
in der Strasse) voor. En in onze geldersch-saksische gouen zijn de
geslachtsnamen Te Strote en Ter Stroot (zie bl. 261) inheemsch. De
maagschapsnaam Enkelstroth behoort ongetwyfeld ook tot deze byzondere
straatnamen. Enkelstroot, Enkelstraat, (in Friesland: Inkelde rige)
zoo noemt men eene straat of eenen weg die slechts langs den eenen
kant met huizen bezet is.
Hoogduitsche formen, soms ook weêr half verdietscht, van al
deze man-namen komen ook zeer veelvuldig in de Nederlanden voor;
b. v. Brinkmann en Brinckmann, Mohrman, Mohrmann, Waldman en Waltmann,
enz.
Eenigen van de bovenvermelde namen, als Bruggeman, Zijlman, Sluisman,
Poortman, kunnen ook even zeer als beroepsnamen worden geduid, en
dus by § 118 worden gevoegd.