D. Pietersz. Pers.

De vermoeienissen van den vorigen dag hadden vader Syard, toen deze

eindelijk ingesluimerd was, in zulk een vasten slaap gestort, dat

hij niet, gelijk hij gehoopt had, met het aanbreken van den dag,

maar zelfs later dan gewoonlijk ontwaakte, en bij zijn komst buiten

de deur met schrik ontwaarde, dat de zon hooger dan naar gewoonte

aan den hemel stond, en dat hij het uur reeds had laten voorbijgaan,

waarop hij zijn vertrek met Madzy bepaald had. Hij haastte zich dus

naar het voorhuis, alwaar hij de waardin opzocht en haar verzocht,

de jonge deerne, die met hem gekomen was, te laten roepen.

"Denkt gij ons weer te verlaten, huisman?" vroeg de waardin, zonder

zich nog gereed te maken aan zijn verzoek te voldoen.

"Wij moeten vertrekken," antwoordde hij, "en wij zouden reeds een

paar uren onderweg zijn geweest, indien de stalknechts mij tijdig

hadden gewekt, gelijk ik uitdrukkelijk verzocht had!"

"Ja! wat zal ik u zeggen, huisman!" zeide de waardin: "'t zijn luie

vlegels, en zij zijn vroegtijdig naar het land geweest om de paarden

op te halen; want God weet het, als de oorlog begint, zooals men

vreest, dan zal er binnen weinige dagen geen ezelsvolen meer op het

veld zijn, of het is goede prijs. Ik ben ondertusschen maar blij dat

die paardendief van gisteravond voor dag en voor dauw weer vertrokken

is: hij zag mij er net naar uit om haantje de voorste te spelen, als

't op plunderen zou aankomen."

"Dat kan wel zijn, moeder!" zeide de monnik; "maar wees nu zoo goed,

en ga mijn nicht waarschuwen, dat zij zich gereedmake."

"Ik ga al," zeide de waardin: "zij zal nog wel in een zoete rust

liggen; want de jongelieden zijn doorgaans lui en lekker: hei! ho! toen

ik op haar jaren was, hield ik er ook van, mij in de veeren nog eens

om te draaien, maar als men eens een arme weeuw is en de zorg heeft

voor een herberg, waar dag en nacht volk aankomt, dan verleert men

het lange slapen wel."

Dit zeggende trok zij naar boven; maar zij was ternauwernood

vertrokken, of vader Syard hoorde een angstig gegil en zag haar

terstond daarna terugkomen, het gelaat geheel verward en verwilderd.

"Goede hemel! wat is er gebeurd?" vroeg de bezorgde monnik: "is u

eenig leed overkomen?"

"Een priester! een priester!" schreeuwde de beangste vrouw: "de Booze

zelf ligt in eigen persoon in 't bed van uw nicht."

"Vrouw!" riep de monnik, haar met geweld bij den arm grijpende:

"wat durft gij zeggen? Wat beduidt dit?"

"Ik zeg u, dat de Booze haar den hals heeft omgedraaid en in hare

plaats in bed is gaan liggen."

"Vrouw!" herhaalde de monnik, met een wilden blik: en hij zelf holde

de trap op, die naar het kamertje geleidde.

Aan de deur gekomen van het slaapvertrek hield hij echter een oogenblik

stand. Een gemoedsbezwaar overviel hem. Ofschoon meer verlicht en

minder bijgeloovig dan de groote menigte, betwijfelde de monnik

zoomin als iemand uit die eeuw het bestaan van booze geesten en van

de macht, die zij over de menschen uitoefenden; integendeel was dit

een geloofsartikel, hetwelk hij niet slechts zelf moest aannemen,

maar ook aan anderen onderwijzen en inprenten. Hij was tevens wel

gerust, dat de duivel niet machtig was te kampen tegen al, wie hem

met geestelijke wapenen bestreed; maar de gedachte kwam pijlsnel

bij hem op, dat hij, door zich in een wereldlijk gewaad te steken,

als het ware afstand gedaan had van die overmacht, welke zijn stand

hem op al de geesten der onderwereld geschonken had. Hij werd echter

opgebeurd door de troostende bemoediging des Apostels: "weerstaat

den duivel, en hij zal van u vlieden:" en onder het uiten van een

"_Domine! libera nos_!" trad hij het slaapkamertje binnen en stapte

met mannenmoed naar de bedstede toe.

Bij den eersten aanblik echter, dien hij daarop geworpen had, rilde hem

een kille huivering door de leden; want hij zag tot zijn ontzetting,

dat werkelijk de plaats, waar Madzy gelegen had, was ingenomen door een

ander wezen, waarvan alleen de wanstaltige ruige kop uit de dekens te

voorschijn kwam. Was dit nu de Booze?--Zulks was hem nog niet terstond

duidelijk; maar hij achtte het betamelijk zich daarvan te verzekeren:

hij vermande zich, en toen hij, genaderd zijnde, het dek opsloeg,

sprong het wangedrocht als uit den slaap op en vertoonde hem den

duivel, zoo het al een duivel was, in de gedaante van meester Cezar,

den aap van Barbanera. Vol gramschap greep hij het verschrikte dier

in den nek en kwam er de kamer weer mede uit.

Aan de benedentrap ontmoette hij de kasteleines, haar dienstmaagd,

de beide inmiddels van 't werk gekeerde stalknechts en den hansworst,

allen geknield en ijverig bezig hun _pater nosters_ te zeggen en

kruisen te slaan. "Hier is uw duivel!" riep de monnik: "maar waar is

nu de Jonkvrouw gebleven?"

"Cezar!" riep de hansworst, opspringende: "wel mannetje! waar heb

je gezeten?"

De aap, zijn meester ziende, ontwrong zich aan den monnik en sprong

vroolijk in de armen, welke zich openden tot zijn ontvangst.

"Vrouw!" vervolgde de monnik, terwijl hij met vlammende oogen naar

de waardin toetrad: "waar is de jonkvrouw gebleven, die ik aan uwe

bescherming heb toevertrouwd?"

"Wat Jonkvrouw!" zeide de waardin, opstaande, en nog altijd onthutst en

verschrikt: "meent gij de deerne, die met u kwam! Mijn lieve God! wie

weet het?"

"O! ik ben een ellendeling, een ongelukkige," riep vader Syard, zich

voor het hoofd slaande, "ik ben den slechten herder, den huurling

gelijk, die zijn schapen verlaat; de wolf is gekomen en heeft het

lam medegenomen."

"Nu!" zeide de kasteleines: "indien het lammetje weg is, is zij met

haar eigen wil vertrokken. Wie weet of zij niet op het pad is achter

den Jonkman, die zoo straks van hier gegaan is met den ouden kokeler?"

"Die zijn naar het slot gegaan," zeide Daamke: "en zullen straks

keeren."

"Ei kom!" zeide de dienstmaagd: "het lieve schaap zal een

morgenwandeling doen en wel zoo aanstonds weer hier zijn."

"Heeft zij haar goed bovengelaten?" vroeg de kasteleines.

Allen snelden de trappen op; maar bij onderzoek bleek het, dat Madzy

in haar onderkleederen moest vertrokken zijn, want haar kap, haar

schoenen en haar mantel lagen nog ter plaatse, waar zij die bij het

te bed gaan had neergelegd.

"'t Is onbegrijpelijk," zeide de monnik: "en echter! maar al te

waar;--doch ik ga niet van hier voor zij teruggevonden is."

"Zie dien ouden uil eens," zeide de nar, "die zich verbeeldt, dat

een jonge knappe meid geen beteren reisgenoot krijgen kan dan hem:

en voorwaar zij is vrijwillig opgedrost, want, ik heb den man met den

zwarten mantel, die gisteravond op de bank lag te ronken, straks aan

meester Barbanera hooren zeggen, dat hem, juist toen hij zich te bed

wilde begeven, een wit spook was voorbijgesneld, dat hij echter niet

goed onderkennen kon, omdat hij de lamp in handen had."

"Schurk!" zeide de monnik: "de Jonkvrouw is geene nachtwandelaarster."

"Of de dame, die gij met u hadt, eene Jonkvrouw was, weet ik niet,"

hernam Daamke, "maar dat zij in den nacht wandelt, is zeker:

want Ridder Reinout, of hoe hij heeten mag, heeft duidelijk een

vrouwspersoon de kamer zien overloopen, en toen hij haar volgde,

is zij als een gejaagde kat de deur uitgeloopen en heeft die achter

zich dichtgeslagen."

"Ridder Reinout!--Ha! nu ontwikkelt zich het geval!" riep de monnik:

"was die vreemdeling Ridder Reinout van Verona?.... Zoekt overal,

vrienden! er is goud te verdienen voor hem, die haar weervindt!"

"Bij mijn zolen," zeide Daamke, hem naoogende: "de rook verraadt het

vuur; het balken den ezel, de kuch den grijskop;--maar een mooie meid,

die zich schuil wil houden, wordt zoo gemakkelijk niet teruggevonden."

Niettegenstaande deze weinig hoopgevende spreuk van den hansworst

stonden de beide boerenknechts, verlokt door het uitzicht op gewin,

gereed om de voortvluchtige te gaan opzoeken en beraadslaagden reeds

onderling, welken weg zij in zouden slaan, toen zich van de zijde

van Utrecht een verward gedruisch liet hooren en men weldra een

talrijke bende, uit ruiters en voetknechten samengesteld, het dorp

zag intrekken.

"Daar is het lieve leven al gaande," riep de kasteleines: "de

Stichtsche benden komen dorp en slot bezetten, en wij zullen den

oorlog uit de eerste hand hebben."

Zij bedroog zich niet: althans wat de eerste helft van haar verzekering

betrof: spoedig stonden de gewapenden op het plein geschaard; een

aantal hoplieden trok in de herberg; en bij de onvermijdelijke drukte

en bediening, welke deze nieuwe gasten veroorzaakten, waren vader

Syard en zijne nasporingen spoedig vergeten.

Wij zullen intusschen onzen waarden lezer, die waarschijnlijk omtrent

het lot van het lieve meisje eenigszins bekommerd wezen zal, de

opheldering geven van haar plotsling verdwijnen.

Madzy had zich, gelijk wij gezien hebben, dadelijk na het vertrek

der waardin ter ruste begeven en was, niettegenstaande het rumoer in

het onderhuis, spoedig ingesluimerd. Haar slaap was echter geenszins

van dien verkwikkenden aard, waarop haar jeugd, haar gezond gestel

en de vermoeienissen van den dag haar aanspraak gaven. 't Zij,

dat die vermoeienissen te groot waren geweest, 't zij, dat de

gebeurtenissen der verloopen week, en vooral het schriktooneel van

den vorigen dag haar te sterk voor den geest zweefden, 't zij, dat

een ongesteldheid haar overvallen had, 't zij dat al deze oorzaken

gezamenlijk op haar werkten, haar slaap was onrustig en afgebroken:

droomen en nachtgezichten vervulden haar verbeelding en deden haar

gedurig met schrik en siddering ontwaken.

Eindelijk droomde zij, dat zij zich op de Zuiderzee bevond, in een

klein vaartuig, hetwelk alle moeite deed om de kust van Friesland,

welke zij voor zich zag, te bereiken, maar gedurig door de golven weer

terug werd geslagen. De manschap van dat scheepje bestond alleen uit

edele Ridders, in vollen wapendos, maar hun harnassen waren verroest,

hun pluimen hingen verflenst van den helmkam af en hun wapenrokken

waren gescheurd en druipende van het zeewater, dat gestadig over het

dek sloeg:--en wat het ijselijkste was, achter elk helmvizier grijnsde

haar een vervaarlijk doodshoofd tegen, en onder de harnassen hoorde

men het gerammel van dorre beenderen. De Graaf van Holland alleen

was onder die menigte kenbaar: blootshoofds stond hij aan het roer;

maar zijn gelaat was nog afschuwelijker om te aanschouwen dan het

ontvleesde geraamte der overige schepelingen. Geene kleur, geene

beweging bezielde meer het aangezicht, de haren waren aan het hoofd

ontvallen en ontelbare merkteekens van nog versche wonden doorkruisten

het in alle richtingen; maar het oog bleef, starend en als verglaasd,

onafgebroken op de kust gevestigd. En daar, aan die kust, liet zich een

niet minder akelig tooneel aanschouwen. Een lange sleep van monniken,

aangevoerd door vader Syard, geleidde, onder het zingen der psalmen

voor de afgestorvenen, een doodbaar naar het klooster van Sint-Odulf en

in die doodbaar, (dit gevoelde Madzy door die innerlijke bewustheid,

welke ons in droomen eigen is, en ons als door ingeving datgene

weten doet, hetwelk voor het vleeschelijke oog onzichtbaar is,)

was het lijk van Deodaat vervat. De abt sloot den trein, en toen de

deuren van het kerkgewelf achter hem waren toegeslagen, kwam de oude

man alleen naar het strand en, staande op het Roode Klif, herhaalde

hij op een sleependen toon de voorspelling betreffende de Roos van

Dekama. Onder het opzeggen dier rijmen begonnen zijn gelaatstrekken

te veranderen: de blozende wangen vielen in: het blanke vel des paters

werd bruin en vaal van kleur: de ronde buik kromp in: en in de plaats

van den gezonden vader Volkert zag Madzy een afschuwelijke gedaante,

gelijk aan die, onder welke men den boozen geest afschildert, welke

haar tandenknersende van den rand der vensterbank begluurde.

Zij wreef zich de oogen uit: het was geen droom: die gedaante zat daar,

deed een sprong, en was naast haar bedstede.

Met een gesmoorden gil vloog zij haar legerstede uit, haar kamer en de

trap af: zij opende een deur: eene nieuwe stof tot ontsteltenis: daar

stond de moordenaar van Deodaat, of zijn schim, midden in het vertrek.

Het arme meisje sprong terug, naar beneden: dan, o God! die zoo

gevreesde Reinout volgde haar: zij stoof de huisdeur uit, ijlde zonder

te weten waarom of waarheen, de eerste laan de beste in: hare knieën

ontgaven haar: haar krachten waren bezweken: een dikke sluier viel

voor haar oogen: het bewustzijn ontweek haar: en zij zeeg bezwijmd

op het vochtige gras neder.

Wij moeten haar voor een korte poos onzes ondanks in dien bedroefden

toestand laten, om ons naar den Bisschop van Utrecht te begeven.

Deze was spoedig na het gesprek met den monnik zijn slaapstede

gaan opzoeken, mede slecht tevreden over den uitslag van het

onderhoud. Zijn doel toch was, gelijk ons gebleken is, niet slechts om

het Bisschoppelijk gezag in Utrecht onafhankelijk te maken van allen

vreemden invloed, maar ook om dat gezag over de naburige gewesten

uit te breiden: hij had zich gevleid, in vader Syard een bekwamen

en behulpzamen handlanger te zullen vinden; maar 't bleek hem thans

genoeg, hoe weinig deze genegen was, de Friezen aan te sporen, om het

eene juk met het andere te verwisselen: ja, hij zag in, hoe weinig hem

het bondgenootschap met Friesland zou baten zelfs in het bestrijden

van den Graaf. De teerling was echter geworpen, en Arkel behoefde

geen groot waarzegger te zijn, om niet te voorzien, dat de Graaf

weldra in het Sticht zoude vallen met een legermacht, welke zoowel

de krijgsroem van Willem IV als de ingeschapen naijver der Hollanders

tegen de Stichtenaars talrijk en ontzaglijk zou maken. "Mits slechts de

adel zich goed houde," zeide Arkel bij zich zelven: "de burgerij van

Utrecht zal zich wakker genoeg betoonen: en een stad als deze is niet

in een paar dagen te overrompelen. Zij slechts de overwinning betwist,

ziedaar al wat ik verlang! Maar Friesland moet een wending geven aan

de wapenen der Hollanders.--Mocht ik slechts dien Adeelen nog eenmaal

spreken: hij is eerzuchtig en heeft invloed bij de Friezen:--hij

zou mij meer dienst doen dan die monnik, wien ik ter kwader ure mijn

vertrouwen heb geschonken en die het nu wellicht zijn plicht acht,

zijn landgenooten tegen mijne bedoelingen te waarschuwen. Hij zal

niet naar Friesland keeren, zoo ik het verhoeden kan:--hij is te

gevaarlijk:--ook die Barbanera!--ik vrees, dat hij reeds geklapt

heeft. Welnu, ik moet mij van hem ontslaan."

Met dit besluit begaf hij zich ter ruste; en daar hij tot die

gelukkige menschen behoorde, die alle wereldsche zorgen uit het

hoofd kunnen zetten, zoodra zij de veeren ruiken, was hij dadelijk

ingeslapen. Hij had echter gelast dat men hem met den dag zou wekken;

want hij vermoedde, dat er volk uit Utrecht komen zou, en hij wilde

op hunne komst zijn voorbereid. Hij was dan ook reeds, zoodra de

zonnestralen de daken van het slot vergulden, in de cel, waar hem

vader Syard gevonden had, teruggekeerd.

Hij opende het raam: de frissche morgenlucht verkwikte hem: er was

een weinig regen gevallen, en van grasplanten en struiken steeg een

balsemende geur naar boven: vroolijk zongen de vogels hun morgenlied

en loeide het vee in de weide. Hij sloeg thans echter minder acht op

het bevallige schouwspel der ontwakende natuur; want zijn gedachten

waren geheel verdiept in de berekening der versterking, waarvoor

het slot vatbaar was, en van den tijd, welken de vijand zou moeten

besteden om het te bemachtigen.

"De boel is in een verwaarloosden toestand," dacht hij, "maar de

grachten zijn breed en diep: en de wallen stevig genoeg om den stormram

te tarten. Met vijftig man, wèl voorzien van wapenen en eetwaren, kan

men het drie weken uithouden tegen vijf duizend:--en zoowel langs den

heirweg als langs de rivier allen toevoer beletten. Het buitenpoortje

zal nog wat versterkt, en die boompjes aan de overzijde moeten gekapt

worden; daar achter kan zich een gansche bende verbergen en veilig de

wallen beschieten.... maar ik geloof dat er reeds een vijand achter

loert.... is dat niet een menschelijke gedaante, die daar in het

gras ligt?--Deze of gene arme landlooper zonder huisvesting, of een

dronkaard, die de kroeg wat spade verlaten heeft;--maar neen!" riep

hij uit, bij nadere beschouwing een klein voetje bemerkende, dat

over het pad lag, en een lange haarvlecht, die donker afstak tegen

de witte kleeding: "dat alles behoort aan een vrouw, misschien wel

aan een jonge en schoone vrouw? Hoe komt die hier blootgesteld aan

nachtlucht en regen?"

Zijn nieuwsgierigheid was opgewekt, en, voegen wij er dit tot zijne

eer bij, ook zijn medelijden:--hij riep zijn getrouwen Peter, en ging

met dezen buiten het slot.

Weldra was hij ter plaatse gekomen, waar hij het voorwerp van zijn

aandacht had bespeurd: en hij ontdekte terstond, dat hij welgedaan had

met zich zonder verwijl derwaarts te begeven; want een jong meisje,

schoon als de dag, maar nauwelijks gedekt en bleek als een doode,

lag daar uitgestrekt in het vochtige gras: en ofschoon het flauw en

pijnlijk zwoegen van haar boezem aanduidde dat zij nog leefde, een

langer verblijf op die koude en vochtige plaats had haar doodelijk

kunnen zijn.

Bij den eersten opslag meende Arkel, dat hem die trekken bekend

voorkwamen; maar daar hij Madzy slechts eenmaal, op het steekspel, en

wel in haar schitterenden dos gezien had, herkende hij haar niet, ja

was hij er verre af van te vermoeden, dat het bleeke boerinnetje, wier

hoofd thans op zijn knie leunde, de Roos van Dekama kon zijn. Hij tilde

haar behoedzaam van den grond, droeg zijn lieven last binnen het slot

en legde dien, bij gebrek van andere gelegenheid, op zijn legerstede,

nadat de oude Peter, door hem vooruitgezonden, die met versch linnen

had voorzien. Het was eerst daar, dat Madzy, die tot dien tijd buiten

kennis gebleven was en slechts eenige flauwe en onverstaanbare klanken

had geuit, het eerste teeken van bewustheid gaf, na eenige teugen

te hebben genomen uit een beker met wijn en water, welken Arkel haar

met de trouwhartigheid eener oude baker had aan den mond gebracht.

"Waar ben ik?" zeide zij, de blauwe oogen opslaande en vervaard om

zich heen ziende.

"Vrees niets, lieve kleine!" zeide Arkel: "maar drink liever nog eens:

gij hebt het koud gekregen daar in 't natte gras: dek u maar goed

toe en het zal wel beter worden."

"Neen, neen," zeide Madzy, den arm des jongelings afwerende, en

pogende op te staan: "hier blijf ik niet?--Waar ben ik toch?--Wie

heeft mij hier gebracht?--Waar is vader Syard?"

"Vader Syard!" herhaalde de Bisschop: "ja waarlijk! dat meisje

spreekt den Frieschen tongval!--Aha!" dacht hij bij zich zelven:

"voert de vrome pater zulk gezelschap tot zijn opbeuring mede?--Lief

meisje!" vervolgde hij overluid: "gij behoeft ons niet te vreezen:

wij hebben het beter met u voor dan vader Syard, of wie het ook zij;

want zonder ons zoudt gij nog in het vochtige gras liggen, waar wij

u gevonden hebben."

"Het is dan waar," zeide zij, met wilde blikken in het rond ziende:

"ik heb het dan niet gedroomd?--O wat heb ik arm meisje gedaan?--het

was ijselijk!--de booze zelf!.... en Reinout!.... maar breng mij

toch terug bij.... om Gods wil! zend naar de herberg.... daar is mijn

oom.... hij zal ongerust over mij wezen.... zend naar hem.... ik zal

u wel beloonen."

"Uw oom!" herhaalde Arkel: "zooeven noemdet gij vader Syard: is die

uw oom?"

"Noemde ik....? ach God! ik weet niet wien ik noemde.... ik ben

ongelukkig;--maar zend naar de herberg.... de waardin weet het.... Waar

ben ik toch? O wee!"

"Ik zal aan uw verzoek voldoen," zeide de Bisschop, haar met

een vriendelijken blik aanschouwende: "ik zal uw oom gerust doen

stellen:--intusschen, dek u warm toe en drink nog eens;--want waarlijk,

het is om de koorts te krijgen, zoo een geheelen nacht daar buiten

te liggen."

"Ach! ik moet u zeer schuldig en dwaas voorkomen.--Maar God weet het,

toen ik den moordenaar zag, was het mij of ik.... o God!"

Hier verborg zij snikkend haar hoofd in 't kussen en begon over al

haar leden te beven.

"Ik zal uw boodschap laten doen," zeide Arkel: "stel u gerust, maar

wees van uw kant een weinig vertrouwelijk. Zeg mij, wie zijt gij?"

"Mijn oom zal u alles zeggen," hernam de ongelukkige Madzy. "O! laat

hem toch weten...."

Hier belette haar een nieuwe aanval van beving voort te gaan en Arkel,

zelf met haar verlegen, verwijderde zich met den ouden slotbewaarder

uit het vertrek. In de groote bovenzaal gekomen, ging hij aan het raam

staan en begon, de armen over elkaar geslagen en het hoofd hangende,

te overpeinzen wat er te doen stond, en hoe hij best zou handelen. Dit

stond echter bij hem vast, dat hij vooreerst niet voldoen zou aan

het verlangen van de schoone onbekende, en noch haar oom, noch de

kasteleines uit den _Roerdomp_ zou laten halen; want de bekoorlijkheden

zijner gevangene hadden te veel indruk op hem gemaakt, dan dat hij er

aan kon denken, haar weer uit zijn macht te laten gaan; even zoomin

als de vos om het konijn te laten ontsnappen, dat in het hol van

Reynaert een schuilplaats gezocht zou hebben. Het zal bij onze lezers

wellicht verwondering baren, dat Jan van Arkel, op een oogenblik,

waarin hij hoofd en handen vol had met de hooge staatsaangelegenheden,

waarin hij gewikkeld was, en nu hij door gevaren van allerlei aard

bedreigd werd, zich nieuwe zorgen op den hals verkoos te laden, door

een minnenhandel, welke zijn toestand nog neteliger maken moest;--ja

sommigen zullen wellicht denken, dat hij los genoeg was om zijn hooge

ontwerpen aan een paar schoone oogen op te offeren; maar hier was de

Bisschop de man niet naar; en voor hem was een liefdesavontuur als dit

niet meer dan een verpoozing, dienstig om er voor eenige oogenblikken

van zwaardere werkzaamheden bij uit te rusten: en de moeilijkheden

daaraan verbonden, lichte bezwaren, welker wegruiming hij slechts

als een spel beschouwde. Bovendien bestond er nooit iemand, minder

zwaartillend dan hij: en bij het bejagen zijner inzichten steunde hij

altijd op het medewerken der omstandigheden, welke hij, alsnog in de

jaren der hoop zijnde, zich niet slechts gunstig afschilderde, maar

ook doorgaans met een behendigheid, den grootsten staatkundige waardig,

te zijnen voordeele wist aan te grijpen. Zoo plaatste hij nu voor een

wijl al zijn staatzuchtige plannen op den achtergrond, om alleen te

denken over de wijze, waarop hij het lieve meisje, dat hem door de

goede fortuin in handen gespeeld was, in zijn macht behouden zou. Dat

hij een geestelijke en wel een kerkvoogd was, wien het betaamde,

zijn kudde met een goed voorbeeld voor te gaan, en dat een betrekking

tusschen hem en een jonge deerne even onwettig als onbetamelijk was,

dit waren bedenkingen, welke in het minste niet bij hem opkwamen: de

gelofte van kuischheid was een dier verbintenissen, wier overtreding

bij den toenmaligen zedelijken toestand der geestelijkheid het

minste geteld, en, voegen wij er bij, wier overtreding het minst

berispt werd; ja het was geen ongewone zaak, prelaten te zien, die

erkende minnaressen en erkende basterds hadden en toch daarom niets

minder geacht en gezien werden. Daarbij dient in aanmerking te worden

genomen, dat Jan van Arkel nog jong en in de kracht van zijn leven

was: dat hij, schoon tot den geestelijken stand opgeleid, echter

altijd smaak had blijven voeden voor ridderavonturen: en eindelijk,

dat hij een groot gedeelte van zijn leven reizende en buiten alle

betrekking had doorgebracht: en het zal niemand verwonderen, dat de

mijter en kromstaf zich niet als terugschrikkende teekens tusschen

hem en de beeltenis der schoone Friezin kwamen plaatsen.

"Peter!" zeide hij eindelijk tegen zijn getrouwen dienstman: "gij

hebt gehoord wat die deerne gevraagd heeft?"

De oude man vergenoegde zich met een stijven hoofdknik.

"Ik ben overtuigd, Peter! dat dit maar ijdele praatjes zijn, om ons

om den tuin te leiden. Gij hebt ook wel opgemerkt, dat zij stamelde,

en zich meer dan eens versprak?"

Peter bevestigde deze aanmerking op dezelfde wijze.

"Welnu! gij weet ook, van welk belang het is, dat niemand ons hier zie,

dan die hier noodig heeft: en zoo wij aan de herberg de komst van dat

meisje ruchtbaar maakten, hadden wij hier weldra het bezoek van al

de oude wijven en leegloopers uit het dorp te wachten: en wij zouden

ons niet slechts aan ontdekking, maar ook aan bespotting blootstellen."

Het droog gelaat des slotbewaarders nam de scheeve uitdrukking aan

van iemand, die door zijn betrekking gedwongen is hetgeen men hem

opdringt voor goede munt aan te nemen; doch die wel wil te kennen

geven, dat hij zich niet om den tuin laat leiden. Arkel hield zich,

of hij dit niet bemerkte en ging op denzelfden koelen toon voort:

"Het zou echter strijdig met alle menschelijkheid zijn, dat arme

meisje, 't welk hard ziek schijnt en misschien wel in de hersenen

gekrenkt is, de deur uit te zetten; en het zal daarom nuttig zijn,

het oogenblik af te wachten, dat zij wat kalmer en bedaarder is, om

haar te ondervragen, en zoodoende achter de waarheid te komen; ten

einde te ontdekken, hoe wij met haar handelen moeten."--Hier zweeg

hij; Peter zag hem met een open mond aan; alsof hij zeggen wilde:

"is dit alles wat gij mij hebt te zeggen?"--Maar de Bisschop had

zijn welsprekendheid alleen gelucht om hem van de wijs te helpen en

te paaien met een schijnbare reden, waarom hij niet aan het verzoek

van Madzy voldeed.

"Ga eens zien!" zeide Arkel na eenige oogenblikken zwijgens, "of de

oude draagstoel nog bruikbaar is: het kan zijn dat wij dien noodig

hebben."

Peter ging na een nieuwe hoofdbuiging de kamer uit: en Arkel, op

deze wijze een lastigen getuige verwijderd hebbende, begaf zich

weder naar het slaapvertrek. Zijn logeergast echter niet door een

onverhoedsche verschijning willende verschrikken, tikte hij zachtjes

aan de deur. Geen antwoord ontvangende, herhaalde hij het geklop

eenigszins harder; maar wederom zonder vrucht.

"Ik ben wel dwaas," zeide hij bij zich zelven, "zoovele plichtplegingen

te maken jegens een boerinnetje, dat mij wellicht niet eens dank zal

wijten voor mijn bescheidenheid."

Met deze gedachten opende hij de deur en wendde het oog naar het

bed: dit was ledig, en Arkel stond niet weinig verwonderd, toen hij

Madzy in een hoek zag zitten, bleek als een doek, en gewikkeld in

de beddelakens.

"Nader mij niet," zeide zij, bevende en klappertandende: "ik ken u

niet: ik weet niet of uw bedoelingen eerlijk zijn."

"Stel u gerust, lief kind!" zeide Arkel: "het zou schandelijk

zijn, indien ik misbruik maakte van uw ziekelijken en hulpeloozen

toestand. Ik heb naar het dorp gezonden, gelijk gij mij verzocht

hadt, en ik ben bereid u alle diensten te bewijzen, die gij noodig

mocht hebben: maar nogmaals, veroorloof mij, uw vertrouwen af te

vergen. Gij schijnt geene landloopster te zijn; en echter heb ik u,

slechts halfgekleed, en stijf van koude, op den weg vinden liggen,

als iemand die geen nachtverblijf had."

Madzy begon op deze vraag nog harder te beven; maar na een teug water

genomen te hebben uit een nevens haar staanden beker, herstelde zij

zich een weinig en antwoordde:

"Ik mag mij aan niemand vertrouwen, tenzij ik wete aan wien. Kwel mij

niet met vragen, bid ik u. Ik geloof dat uw bedoelingen goed zijn,

doch ik mag waarlijk niets zeggen, zoolang mijn oom niet hier is."

"Is vader Syard uw oom? Gij hebt hem straks genoemd."

"Heb ik hem waarlijk genoemd?--Ach! ik heb de koorts: ik weet niet

wat ik gezegd heb."

"Gij hebt hem genoemd," hernam Arkel, terwijl hij, de overmacht

gevoelende, welke hem deze woorden gaven, aan Madzy ontsnapt, en den

invloed niet willende verliezen, door deze omstandigheid verkregen,

een doordringenden blik op haar vestigde; "en verschoon mij, dit

doet mij aan uw oprechtheid twijfelen, vader Syard is mijn vriend:

ik heb hem in de verleden week te Haarlem en gisteravond nog hier ter

plaatse gesproken:--hij heeft mij niet verhaald, dat hij een nicht

bij zich had."

Madzy zweeg en zag sidderend voor zich.

"Wel is waar," vervolgde de onbarmhartige Bisschop: "er waren te

Haarlem twee meisjes in zijn gezelschap;--maar de eene was een

adellijke Friezin, en de andere haar kamerjuffer.... Zoudt gij eene

van beiden zijn?"

In den waan, dat de jongeling, die voor haar stond, wellicht een

Stichtsch edelman, en haar van dienst kon zijn, begon Madzy over te

hellen, om hem eenig vertrouwen te schenken; "ik weet," zeide zij, "dat

vader Syard gisteravond ergens een bezoek wilde gaan afleggen;--waart

gij de persoon, tot wien hij zich gewend had?"

"Wel waarschijnlijk," antwoordde Arkel.

"Welnu! nog eene vraag! gij hebt hem gesproken, zegt gij. Hoe was

zijn gewaad?"

"Ik moet zeggen," zeide Arkel, die al meer en meer begon te bespeuren,

dat hij geene gewone boerin voor zich had: "dat zijne vermomming hem

meer veranderde dan de uwe, hoe vreemd die ook zij, u veranderen kan

in de oogen van al, wie u eenmaal aanschouwd heeft."

"Welnu!" hernam Madzy: "indien gij hem zoowel kent, dan zal hij u

ook wel mededeelen wie ik ben."

"Bij Sint-Maarten," zeide Arkel lachende, ofschoon half knorrig,

dat de schoone hem met al haar onschuld nog te slim was: "men

zegt wel met grond, dat hij, die een vrouw wil vangen, vroeg moet

opstaan. Ik ben met den dag uit het bed geweest: en nog zijt gij

mij te gauw. Welaan! ik zal dan eerbiedig wachten, dat het uur van

vertrouwen geslagen zij. Ondertusschen, geloof mij, blijf niet in

dien hoek zitten beven. Ga gerust in bed en tracht u te verwarmen: het

doet mij in de ziel leed, dat hier geene vrouw is om u te verzorgen;

maar daaraan is voor 't oogenblik niets te doen. Ik beloof u plechtig,

dat niemand deze kamer zal binnentreden buiten uw verlof."

Met deze woorden maakte hij een koele buiging en wilde vertrekken;

maar de zachte stem van Madzy deed hem aan de deur vertoeven.

"Ik geloof," zeide zij: "dat gij mij van ondankbaarheid

beschuldigt. Misschien, ja waarschijnlijk, hebt gij mij het leven

gered. Wanneer eens dat uur van vertrouwen, waar gij van spreekt,

zal geslagen zijn, dan hoop ik u mijn erkentenis te betuigen op een

wijze, uwer en mijner waardig."

Arkel verstond deze woorden slechts half; want hij stond opgetogen in

verrukking over den engelachtigen glimlach, die er mede gepaard ging,

over de bevallige uitdrukking van Madzy's gelaat, over de hemelschoone

oogen, waaraan de koorts een buitengewone levendigheid bijzette, en

welke zij, bespeurende met welk een vurigen blik hij naar aanstaarde,

zedig neersloeg: en hij had wellicht het gesprek verder voortgezet,

had niet het geluid van den hoorn aan de buitenpoort zijn opmerking

getrokken. Hij stamelde eenige beloften van verontschuldiging, zeide

dat wellicht haar oom daar zijn zoude, en vertrok, de deur weder

zorgvuldig achter zich sluitende. Een oogenblik daarna kwam de oude

Peter hem berichten, dat er een vreemdeling met een zwarten mantel

voor de poort was, die hem verlangde te spreken.

"Ik wacht niemand meer.--Wie kan hij zijn? Wist hij het woord? zoo

ja, laat hem dan bij mij;--maar wacht nog een oogenblik:--ik moet op

allen overval verdacht zijn."

Dit zeggende haalde hij uit een koffer een mantel, een wassen neus en

valschen baard, een samaar, in 't kort een geheel gewaad voor den dag,

gelijk aan dat, hetwelk Barbanera droeg, wanneer hij zijn kunsten

vertoonde en waarvan deze een dubbel stel had. Na deze plunje te

hebben aangeschoten, gaf hij aan Peter vrijheid den vreemdeling binnen

te laten, en plaatste hij zich aan zijn tafeltje in dier voege, dat

hij geheel in de schaduw van het raamkozijn zat. Eenige oogenblikken

daarna liet Peter Reinout de kamer in en vertrok weder. De Italiaan

bleef eenigszins verrast aan de deur staan toen hij de gedaante zag

van Barbanera, wien hij zooeven buiten het slot verlaten had. Zijn

vermoedens, zoo hij er nog eenige had, waren geheel opgelost.

De Roos van Dekama · 第 28 / 46 题