Na de heftige scene met het Geluw Meuleken was de toestand op de
boerderij gedurende enkele dagen hoogst gespannen geweest. Smul liep
sprakeloos en somber, als een bruut, over het erf, Vaprijsken was aan
den drank, werkte niet meer, sprak van weggaan en in haar radeloosheid
had Rozeke haar ouders te hulp geroepen.
Moeder, steeds categorisch in haar optreden, wilde dat zij heel den boel
ineens opruimde, dat zij, niet alleen het Geluw Meuleken, die nu
trouwens bij haar moeder in het dorp was en bleef, maar ook en vooral
Smul en Vaprijsken voor goed aan de deur zette. Doch vader van Dalen en
Rozeke's broeders, veel kalmer en wijzer, kwamen daar sterk tegen op en
beweerden dat het gekheid wezen zou. Moeder had mooi praten, omdat zij
zelve niet voor 't geval stond, maar waar vandaan zou zij zoo ineens
twee nieuwe vaste knechts gaan halen, terwijl, met den ophanden zijnden
oogst, nergens zelfs meer noodhulp was te krijgen? Zoo'n vaart had het
dan ook niet genomen. Moeder had het onuitvoerbare van haar al te
radikale plan al spoedig ingezien, Vaprijsken was tot reden en bedaren
gebracht en Smul werd voorloopig met rust gelaten. Zelve was moeder ten
slotte voor Rozeke een nieuwe meid gaan zoeken, een van verre; een "uit
den bosschen", zei moeder, zoodat ze niets met al 't gescharrel en
geknoei der laatste tijden zou te maken hebben. Op een ochtend kwam het
meisje, vergezeld van moeder, op de hoeve aan; en 't leek een
vriendelijk, ietwat bedeesd deerntje, een zwartje, met héél lichtblauwe,
bijna witte, kleine oogjes en een rond, zachtwangig, door de zon
gebruind gezicht, vol bruine sproetjes, veel bruiner en veel dichter op
elkander gezaaid nog dan die van het Geluw Meuleken. Die overvloedige
sproetjes en die heele lichte oogen vond moeder buitengewoon leelijk, en
dat stelde haar eenigszins gerust voor de toekomst van wege geknoei met
de knechts. Zij heette Meleken.
En weer ging eindelijk op het hoevetje het vlijtig, alledaagsche leven
zijn gewonen gang.
De oogst was begonnen, het vlas was reeds weg en nu was men overal aan
't pikken van de rogge. Van alle kanten klonk het sissen van de
scherp-geslepen sikkels in het ruischend-neerzijgende koren; en weldra
stond de gansche uitgestrekte vlakte bezet met ontelbare, als levende
gestalten in elkaar gestrengelde en overeind geplaatste schoven. Het
waren, in het zonnegoud, als zooveel goud-gekapte en goud-gerokte
vrouwtjes op het kaal-geschoren stoppelland; als stille processies van
duizenden en duizenden, allen in de verte geschaard om 't rustig dorpje
met zijn puntig, grijswit torentje; allen statig gaande, in
geheimzinnige vroomheid, tusschen de paars-bloeiende klavervelden en de
heldergroene weiden, als een reusachtige dank-bedevaart van landelijke
heerlijkheid en weelde. Tot één groote rythmus-hymne van vruchtbaren
arbeid versmolten alle gebaren en geluiden; er was geen tijd voor
grapjes-maken noch voor klein gescharrel meer; en ook op Rozeke's hoeve
was 't nu ingespannen werken, van den vroegen ochtend tot den laten
avond. Allen voelden de verantwoordelijkheid en den plicht van den
ernstigen land-arbeider in oogsttijd; en Smul, zoowel als Vaprijsken en
de andere, gehuurde pikkers en bindsters, stonden heel den dag in
zonnegloed op 't heete veld, midden in de zware garven die op den
blonden stoppelakker vielen als weggemaaide soldaten op een slagveld.
Smul wakkerde hen allen door zijn kranig voorbeeld aan.
"Toe, jongens, nog 'n uurken, nog'n halfuurken, nog 'n koartierken binst
da we 't scheun weer hèn, 'k zal ulder trekteeren mee nog 'n flassche,"
porde hij hen aan, nadat de zon, die heel den langen dag op de gebogen
ruggen had gebrand, reeds lang in haar apotheose-luchtkasteelen van
roode en gouden wolken onder den in vage schemering wegsmeltenden
horizon verdwenen was. En tot den allerlaatsten man bleef hij gebukt en
zweetend sikkelen, soms heel alleen in 't laatste avondrood op 't
uiterst hoekje van een veld, waar hij dan halmen en aren van vuur en
bloed scheen neer te maaien. En lang reeds zaten de anderen etend om de
avondtafel, als hij, eerst nog naar zijn paardenstal gegaan, ook
eindelijk binnenkwam en uitgehongerd en doodmoe begon te slurpen.
En Rozeke kon niet anders dan hem dankbaar zijn en hem bewonderen voor
zooveel toewijding en moed, al bleef zij ook haar vroegeren schrik
steeds voelen. Dat was iets onoverwinbaars, dat was in haar gekomen,
door zijn woestheid, dien eersten keer, tijdens zijn wilde aanranding,
in het door de weghollende paarden platgetrapt en neergeslingerd koren;
en telkens kwam het weer, telkens zag en voelde zij de wreede,
gruwelijke scène in al haar akeligheid en vreesde zij dat het wellicht
opnieuw gebeuren kon. Haar groote angst was van met hem, al was 't ook
maar een enkel oogenblik, alleen te zijn. Dat was nog nooit voorgekomen
sinds al den tijd dat hij bij hen woonde, behalve op dien avond toen het
Geluw Meuleken was weggeloopen; maar nu, de laatste weken, leek het wel
of het noodlot er zich mee bemoeide. Het was herhaaldelijk gebeurd dat
hij haar 't een of ander vragen kwam terwijl ze toevallig heel alleen in
de keuken was; en eens zelfs, haar in de keuken niet ziende, had hij
haar gezocht tot in haar kamer, waar zij iets aan 't schikken was. Toch
deed hij nooit iets vreemds, iets ongewoons, iets dat haar
onberedeneerden angst rechtvaardigen kon. Meestal keek hij haar zelfs
niet aan terwijl hij tot haar sprak, tenzij heel vluchtig soms, alsof
hij niet goed durfde, met een korten straal van zijn strak-harde,
barsche oogen. Hij zei doorgaans kortaf wat hij te zeggen of te vragen
had, en luisterde met zijlingschen blik naar haar antwoord; en zoodra
alles zakelijk gezegd was ging hij weg, stug weer naar zijn werk.
En toch... toch was ze zoo bang!--Telkens had ze 't akelig voorgevoel
dat hij haar eens, heel onverwacht en plotseling, lang en frank en
barsch vlak in 't gezicht zou durven aankijken en dat hij haar dan iets
vragen zou, dat hij haar tot iets dwingen zou, waartegen ze zich slechts
met de uiterste krachtsinspanning zou kunnen verdedigen. Het zou
wellicht een bruuske overrompeling van ruw geweld zijn, een woeste
aanranding, gelijk dien onvergetelijken avond in het koren; het zou iets
zijn... ze wist niet wat, iets schrikkelijks, iets dat als een orkaan
plotseling over haar zou aangestormd komen en haar zou verpletteren.
Vreemd was het dat ze dat juist zoo sterk voorgevoelde en vreesde, nu
hij uiterlijk veel zachter, veel gedweeër leek dan vroeger. Hij zag er
slecht en mager uit de laatste weken, wellicht door 't overmatig werken
uitgeput; en soms, wanneer zij hem op mooie zomerzondag-middagen afgemat
en eenzaam onder een boom of ergens op het erf zag zitten, in plaats van
zich als Vaprijsken in de herbergen van 't dorp te gaan verlustigen,
voelde zij een vaag medelijden in zich opkomen en had zij wel graag iets
willen verzinnen om hem voor zijn hard zwoegen vergoeding te geven. Maar
wat? Zij wist het niet, zij durfde er haast niet over denken. Zij durfde
hem vooral niet vragen: "Scheelt er iets, Ivo? Voelt ge u niet wel?
Waarom gaat ge u niet eens amuzeeren in het dorp, gelijk Vaprijsken?"
Zij schrikte van 't idee alleen dat zij hem zoo iets vragen zou. Het
kwam haar voor of plotseling dan 't allerergste zou gebeuren, dat waar
ze juist zoo bang voor was. En ze zei noch vroeg iets, maar sloeg hem
angstig gade, in voortdurende bange spanning, dat het lang gevreesde
eindelijk los zou barsten.
Zoo zat hij eens, op een zondag-middag, als naar gewoonte alleen zijn
pijpje rookend, onder de schaduw van een boom in 't gras. Meleken had
verlof gevraagd en was naar haar verre dorpje in de bosschen en
Vaprijsken zat ergens in een herberg. Haast iederen zondag nu trachtte
Rozeke iemand van het ouderlijk huis bij zich te krijgen; en weer
verwachtte zij moeder met La, of vader met Miel of met Dolf, die
doorgaans 's zondags in het dorp naar de vesper gingen en daarna even
door kwamen gewandeld, tot aan 't boerderijtje. Maar reeds lang had zij
ditmaal op 't verre kerktorentje het eind der vesper hooren luiden en 't
werd vier uur, half vijf, vijf uur en eindelijk begreep zij dat dien
zondag niemand komen zou. Meteen bedacht ze zich dat het juist kermis
was in een naburig dorp en dat La en Dolf, die beiden een verkeering
hadden, daar wellicht met hun lief naartoe waren gegaan, terwijl vader
en moeder en Miel thuis bleven wachten.
Zij keek door 't kleingeruite raampje. Smul zat nog steeds in de zelfde
houding, den rug geleund tegen den boomstam die hem half voor haar
gezicht verborg, de beenen uitgestrekt in 't gras. Een licht,
doorschijnend-blauw wolkje dreef nu en dan van achter den ruigen,
donkeren stam zijlings weg; hij rookte. Verder zag zij 't openstaande
hek van 't erf en den eenzamen landweg met boomen, waar nu geen mensch
ging. Nog verder, achter zijn klein bloemen-en-groentetuintje, stond het
helder werkmanshuisje met zijn groene luikjes en zijn glinsterende
ruitjes, deurtje dicht en stilte er omheen, als verlaten.
Rozeke zuchtte en keek weer op haar handwerk: zij breide aan een
bruin-wollen borstrokje voor Hilairken, tegen den volgenden winter. De
kleine zat naast haar, plat op den grond bij haar werktafeltje, de
beenen open, morsend met aarde, in en uit een blikken kroesje. Hij had
last van zijn tanden en kwijlde en de kwijlstraaltjes rekten van uit
zijn natten open mond tot op zijn borstje en van daar tot in zijn
morsgeknoei met aarde, waar het een slijkplasje werd. Hij had er groote,
stille pret in, als in een onuitputtelijke bron van joligheid, die hij
voortdurend in zichzelf droeg; en zijn handjes en gezicht waren nat en
zwart als van een wroetend modderbeestje. Het kleintje in zijn wieg lag
leutig op den rug te glimlachen, met blaasjesmond en wijd-open, helder
schitterende oogen; en af en toe sloeg het juichend en spartelend
armpjes en beentjes heen en weer, als een vogeltje dat weldra uit zijn
nestje zal gaan vliegen.
Dieper zuchtte Rozeke en zij keek haar beide kinderen met ontroerde
teederheid aan. Zij dacht aan Alfons en een zee van leed woelde weer uit
de diepten van haar binnenste de tranen tot haar oogen op. Ach, dat hij
't toch niet beleven mocht: zijn vrouw, zijn kinderen, hun welvaart op
het hoevetje, hun aller kalm geluk in 't schoone, vreedzaam jaargetijde,
de welverdiende rust na 't harde werken van den ganschen zomer! Een
droeve plooi kwam om haar mond; zij schreide in stilte. Uren lang soms
zat ze zoo te schreien in rouwvol herdenken en herleven van 't zoo
kort-gelukkige verleden. Iederen rustdag, ieder uur van ontspanning of
van eenzaamheid kwam dat telkens weer zoo bitter en wanhopig kwellend in
haar op.--Maar eensklaps schrikte zij bijna en meteen droogde de emotie
hare tranen en spande hare zenuwen tot onbewuste zelfverdediging.--Daar
zag ze Smul langzaam van onder den appelboom opstaan. Wat zou hij nu
doen? Zij was alleen en hij wist het; en hij kon ook wel onderstellen
dat niemand van haar thuis nu nog zou komen....
Zij zag hem naar den paardenstal gaan en in het donker vierkant van de
openstaande deur verdwijnen. Zij verademde even. Het oogenblik daarna
hoorde zij de merrie en het veulen, dat reeds groot werd, als van
blijdschap hinneken. Hij streelde hen zeker, of gaf hun een
lekkernijtje. Hij kwam weldra weer buiten en sloot achter zich de
onderdeur. Dadelijk kwamen de merrie en het veulen hun hoofd uitsteken
en keken hem na. Hij had ze blijkbaar even losgebonden. Het kleintje
wipte met een dollen huppelsprong op zij en rekte toen zijn slanken hals
uit naar de zware merrie en beet haar stoeiend in den nek. De merrie
schudde 't, in een gewuif harer donkere manen, als verveeld van zich af.
Maar meteen keerde hij zich half om en onmiddellijk reikte 't veulentje
zijn langen hals scheef naar onder, en zoog.--Smul liep langzaam
slenterend over den boomgaard, tot aan 't hek.
Daar stond hij een wijl, rookend, de handen in zijn broekzakken, turend
naar rechts en naar links, over den verlaten landweg. En Rozeke dacht:
"hij staat te kijken of ze van thuis niet komen." Een buurman, die uit
't dorp terugkeerde, liep langzaam voorbij en Smul wisselde met hem een
groet en een kort praatje. Rozeke hoorde van in de keuken hun luide
stem, terwijl de man, even opgehouden, verder voortschreed:
"Scheun weer, hè?"
"'t Es pertijkelier!"
Die eenvoudige woorden, zooals zij ze dagelijks hoorde, klonken haar
vreedzaam en gerustellend in 't oor. Er lag ook zulk een goede rust en
vrede over alles. De zon, reeds temperend het heetste van haar stralen,
daalde langzaam, in zacht-roodenden en gouden gloed naar 't westen, er
hing een gouden pulver over 't land en weldra zou de heerlijk-kalme
avondfrischheid komen. En zij dacht er over om zelve nu een uurtje
buiten met de kinderen van het liefelijke weer te gaan genieten, toen
zij hem eensklaps om zag keeren en met vastberaden stap naar 't huis
toetreden.
Haar hart joeg sneller en zij keek, als om een steun te hebben naar haar
twee kinderen. Doch zij vond zichzelf onnoozel; hij kwam toch immers
elken dag, elk oogenblik in huis; waarom hoefde ze nu bang te wezen! Zij
zou hem eenvoudig een glas bier aanbieden en dan zou hij wel spoedig
weer weggaan.
Gewoon kwam hij door de openstaande deur binnen gestapt.
"'t Es woarm, hè, Ivo; wilt ge 'n gloas bier drijnken?" vroeg ze,
ondanks al haar inspanning om kalm te blijven toch een lichte kleur van
emotie krijgend.
"Merci, 'k 'n hè gien goeste, 'k voele mij op mijn gemak niet,"
antwoordde hij kortaf.
Onthutst keek zij hem aan. Hij zag er werkelijk niet goed uit, bleek en
betrokken, met rimpels in 't gezicht; en zijn oogen stonden flauw en
dof, ondanks hun gewone, barsche uitdrukking.
"Zeu, wa scheelt er dan?" vroeg zij belangstellend.
Hij schudde 't hoofd en eensklaps ging hij, ongevraagd, op een stoel,
vlak vóór haar werktafeltje, zitten. Hij leunde met den elleboog op het
tafeltje en keek haar strak en vorschend aan.
"Bezinne," zei hij eensklaps, zonder voorbereidende inleiding, "azeu 'n
kan 't nie blijven duren, 't Moet 't ien of 't ander worden?"
Een schok voer door haar lijf, zij voelde plotseling het erge, het
zoolang gevreesde komen.
"Woa... woarom datte?" beefde en stotterde zij.
"Da 'k zegge dat 't hier azeu nie 'n kan blijven duren," herhaalde hij
met een soort koppigheid, in de kortbondigheid van een die niet gewend
is veel te praten en slechts over enkele woorden beschikt om zijn
gevoelens en gedachten uit te drukken. "'K ben hier boas en knecht
terzelvertijd, bezinne; en 't moet 't ien of 't ander worden: boas of
knecht."
Zij zat als versteend, als versteven. Zij wist niet wat te antwoorden.
"Ha moar ge zij gij boas!" riep zij eensklaps, instinctmatig, onbewust
van wat ze zei.
"'K ben knècht," zei hij met nadruk; "'k ben knecht en 'k 'n wil hier
giene knecht mier blijven. 't Moet 't ien of 't ander worden: mee mij
hirtreiwen, of ik hier wig."
Daar was het groote woord gezegd, dat wat ze bovenal vreesde. Het stond
ineens vóór haar, vast als een wreede werkelijkheid en zij gruwde er
van. Zij schudde hartstochtelijk het hoofd, met over hare wangen een
kleur als vuur, met in haar oogen de onverzettelijke stugheid van een
sterk besluit:
"Nie nie, Ivo; nie nie, dat 'n es nie meugelijk, dat 'n kan niet ...
Alfons ... mijn kinderen ... o nie nie, noeit, noeit!"
Als door een veer bewogen stond hij op.
"Al gezeid.--Zoekt ou nen andere knecht, 'K goa in mijn viertien
doagen."
En vóór ze den tijd had nog een woord te spreken was hij de deur uit.
Daar zat ze, stom en roerloos, als van steen. Zij keek hem door het
raampje na en zag hem over den boomgaard wegstappen, vlug en
vastberaden, het hek uit, den landweg op, in de richting van het dorp.
"Ach Hiere! ach Hiere!" slaakte zij dof en anstig, bevend van
ontroering.
Gezellig morsend en kwijlend zat Hilairken vóór haar voeten steeds te
knoeien: spartelend, met glinsterende oogjes en met blaasjesmondje, lag
Marietje in haar wieg te jubelen....
* * * * *