Eenige dagen verliepen. Rozeke had weer een brief ontvangen, maar hij
behelsde weinig nieuws. Alfons berichtte dat het weer ginder nog altijd
even mooi bleef, maar hij was eens beneden door de kleine stad gaan
wandelen en vond er het volk zoo verschrikkelijk vuil en lui.--"Ik en
zou ginter toch niet willen leven voor geen geld van de wereld," zoo
schreef hij, "want zoo een smerig volk als ginter daar hebt ge geen
gedacht van. Ze zitten op de zulle van hun huis of te midden van de
straat mallekaars luizen en vlooien te vangen en ulder waschgoed hangt
allemaal uit de vensters of dweers over de straat op koorden te drogen
en het ziet er percies zoo vuil en zoo grauw uit lijk of het nooit
gewasschen was geweest. Het zijn lijk koolzakken die uit de veinsters
hangen." Verder vertelde hij dat er "ginter" toch ook al niet veel
nieuws meer te zien was na de eerste dagen en dat men al heel gauw
genoeg had van al dat rijk "volk" in hun zomerkleeren en van al die
schoone "voituren" en "odemobielen" die veel te veel stof opjoegen en de
wegen voor de voetgangers gevaarlijk maakten. En, naar aanleiding van
automobielen, schreef hij iets dat Rozeke zeer verbaasde en haar met een
onheilspellend voorgevoel ten opzichte der jonge barones vervulde.
"Dezen nuchtink", schreef hij, "is mevreiwe mij weer komen bezoeken en
zij was zoo vriendelijk en heeft mij zulke schoone goede vruchten
meegebracht, maar, beminde vrouw, weet gij wat ik toch aardig vind:
dezen achternoen ben ik eens boven op den berg gaan wandelen en wilt gij
eens weten wie ik daarboven op den hoogen weg gezien heb? mijnheer den
baron in zijnen odemobiel met nog eenen heer en met twee vrouwspersonen
waarvan geen eene de barones was. Zij stonden voor eenen schoonen
grooten café waar kerels met roode kazakken aan buiten onder een serre
op violen stonden te spelen en zij hadden al te samen danig veel leute,
maar de gezichten en de manieren van die twee vrouwen stonden mij toch
hoegenaamd niet aan. Er loopen er hier zoo vele van die soorte en ik
vrees dat den baron daar in geen goed gezelschap was. Ik ben heel
kontent dat hij mij niet gezien heeft want ik had hem wel moeten
saleweeren en wie weet of hij dat aangenaam zoude gevonden hebben? Dat
zou toch een droevig dingen zijn voor de jonge mevreiwe indien hare man
hem nu al ging slecht gedragen en ik durf het haast niet peinzen en toch
vrees ik er voren. Maar het is ook waar, er loopt ginter zooveel aardig
volk dat ge nooit en kunt weten met wie ge te doen hebt. Ach ja, beminde
vrouw, het is ginter niet lijk hier en ware het niet om mijne gezondheit
ik en zou ginter zeker geen ure langer blijven. Het is toch ook maar
triestig als ge nooit iemand hebt om tegen te klappen. Dat spreekt
ginter allemaal Fransch of Italiaansch en die Olanders van het huis waar
ik woon kan ik toch ook maar heel moeilijk leeren verstaan. Zij en
spreken nooit maar den helft van ulder woorden uit en den anderen helft
blijft altijd in ulder keele zitten kraken. En het aardigste van al is
nog wel dat zij meenen dat zij heel goed klappen en dat ik slecht klap.
Ja, ik heb al gezien dat de zoon en de dochter met mij loechen als ik
tegen ulder klapte en ik had waarlijk goest om tegen ulder te zeggen dat
zij wel zouden doen met nog eenige jaren lesse te komen nemen bij
meester Cattoir in ons dorp.--A propo van meester Cattoir, ik heb er
gisteren nog eens met mevreiwe over gesproken en zij heeft mij beloofd
dat zij van morgen af nog eens over zijn verhooging van pensioen aan
haar papa zou schrijven, maar dat de meester toch ook een beetje
pasiensie moet hebben.
Stel het al wel, beminde vrouw, en lees maar dikwijls een gebed voor mij
dat ik zoo spoedig mogelijk bij u en mijne kinderen terug zou mogen
komen.
Uwen verkleefden man met het hart,