XXVII.

Eenige dagen verliepen. Rozeke had weer een brief ontvangen, maar hij

behelsde weinig nieuws. Alfons berichtte dat het weer ginder nog altijd

even mooi bleef, maar hij was eens beneden door de kleine stad gaan

wandelen en vond er het volk zoo verschrikkelijk vuil en lui.--"Ik en

zou ginter toch niet willen leven voor geen geld van de wereld," zoo

schreef hij, "want zoo een smerig volk als ginter daar hebt ge geen

gedacht van. Ze zitten op de zulle van hun huis of te midden van de

straat mallekaars luizen en vlooien te vangen en ulder waschgoed hangt

allemaal uit de vensters of dweers over de straat op koorden te drogen

en het ziet er percies zoo vuil en zoo grauw uit lijk of het nooit

gewasschen was geweest. Het zijn lijk koolzakken die uit de veinsters

hangen." Verder vertelde hij dat er "ginter" toch ook al niet veel

nieuws meer te zien was na de eerste dagen en dat men al heel gauw

genoeg had van al dat rijk "volk" in hun zomerkleeren en van al die

schoone "voituren" en "odemobielen" die veel te veel stof opjoegen en de

wegen voor de voetgangers gevaarlijk maakten. En, naar aanleiding van

automobielen, schreef hij iets dat Rozeke zeer verbaasde en haar met een

onheilspellend voorgevoel ten opzichte der jonge barones vervulde.

"Dezen nuchtink", schreef hij, "is mevreiwe mij weer komen bezoeken en

zij was zoo vriendelijk en heeft mij zulke schoone goede vruchten

meegebracht, maar, beminde vrouw, weet gij wat ik toch aardig vind:

dezen achternoen ben ik eens boven op den berg gaan wandelen en wilt gij

eens weten wie ik daarboven op den hoogen weg gezien heb? mijnheer den

baron in zijnen odemobiel met nog eenen heer en met twee vrouwspersonen

waarvan geen eene de barones was. Zij stonden voor eenen schoonen

grooten café waar kerels met roode kazakken aan buiten onder een serre

op violen stonden te spelen en zij hadden al te samen danig veel leute,

maar de gezichten en de manieren van die twee vrouwen stonden mij toch

hoegenaamd niet aan. Er loopen er hier zoo vele van die soorte en ik

vrees dat den baron daar in geen goed gezelschap was. Ik ben heel

kontent dat hij mij niet gezien heeft want ik had hem wel moeten

saleweeren en wie weet of hij dat aangenaam zoude gevonden hebben? Dat

zou toch een droevig dingen zijn voor de jonge mevreiwe indien hare man

hem nu al ging slecht gedragen en ik durf het haast niet peinzen en toch

vrees ik er voren. Maar het is ook waar, er loopt ginter zooveel aardig

volk dat ge nooit en kunt weten met wie ge te doen hebt. Ach ja, beminde

vrouw, het is ginter niet lijk hier en ware het niet om mijne gezondheit

ik en zou ginter zeker geen ure langer blijven. Het is toch ook maar

triestig als ge nooit iemand hebt om tegen te klappen. Dat spreekt

ginter allemaal Fransch of Italiaansch en die Olanders van het huis waar

ik woon kan ik toch ook maar heel moeilijk leeren verstaan. Zij en

spreken nooit maar den helft van ulder woorden uit en den anderen helft

blijft altijd in ulder keele zitten kraken. En het aardigste van al is

nog wel dat zij meenen dat zij heel goed klappen en dat ik slecht klap.

Ja, ik heb al gezien dat de zoon en de dochter met mij loechen als ik

tegen ulder klapte en ik had waarlijk goest om tegen ulder te zeggen dat

zij wel zouden doen met nog eenige jaren lesse te komen nemen bij

meester Cattoir in ons dorp.--A propo van meester Cattoir, ik heb er

gisteren nog eens met mevreiwe over gesproken en zij heeft mij beloofd

dat zij van morgen af nog eens over zijn verhooging van pensioen aan

haar papa zou schrijven, maar dat de meester toch ook een beetje

pasiensie moet hebben.

Stel het al wel, beminde vrouw, en lees maar dikwijls een gebed voor mij

dat ik zoo spoedig mogelijk bij u en mijne kinderen terug zou mogen

komen.

Uwen verkleefden man met het hart,

Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2 · 第 25 / 51 题