XXVI.

Den volgenden dag haalde Rozeke uit de onderste la van haar kast een

inktpot, een verroeste pen en een velletje papier te voorschijn, en zij

antwoordde:

"Beminde Alfons,

Ik neem de pen in de hand om u te laten weten den staet van mijn

gezonteit en verop van u hetzelfde. Ware het anders het zou mij groot

verdriet doen.--Uwen brief heeft mij en ook moeder en La, die hier nog

altijd zijn, veel genoegen aangedaan en dezen nuchtink is meester

Cattoir gekomen die ook juist eene briefkaart van u ontvangen had en hij

heeft gevraagd om ook den brief die gij aan mij geschreven hebt te mogen

lezen, en ik heb hem hem laten lezen omdat er toch niets kontrarie in

stond en hij heeft nog eens gevraagd of gij toch niet en zult laten van

nog eens met mijnheer den baron en mevreiwe over de verhooging van zijn

pensioen te spreken.--Nu, beminde Alfons, laat ik u weten als dat hier

alles heel goed gaat. Dezen nacht heeft de merrie eindelijk een heel

schoon veuleken gekocht en alles is heel gemakkelijk gegaan en het is

ook een merrie-veuleken, bruin gelijk de oude maar met vier schoone

witte pootjes van onder. Het is een danig schoon beestjen en de merrie

is er danig jaloes van. Smul en Vaprijs hebben heel den nacht bij de

merrie gewaakt en ik heb hun kaffee en boterhammen en een ferme schelle

vleesch gegeven en tegen den nuchtink was het er. Nu moet gij maar

zeggen hoe dat gij het beestjen heeten wilt. Vaprijsken wilde het

Mietjen heeten en Smul Liza; maar ik vind Mirza veel schoonder maar gij

zijt den baas en gij moet het maar heeten zooals het u belieft. Met de

kinders gaat het ook goed. Hilairken vraagt al dikwijls waar zijn vader

is en met Marietjen gaat het ook heel goed. Met moeder en met La gaat

het ook heel goed en ik kan niet anders zeggen als dat de knechten en

het Geluw Meuleken alle stijf brave zijn en dat zij danig ulder beste

doen. Ik heb ulder gisteren avond uwen brief eens voorgelezen, omdat ik

het wel goed vond dat zij niet moesten peinzen dat zij hier den baas

mochten spelen, en dat zij wel mochten weten als dat gij met eenen dag

en eenen nacht te reizen onverwacht op ulder dak kon vallen. Nu weten

zij het en zij zullen ulder wel koes houden. Ach beminde Alfons, wat zal

ik blij zijn als gij hier genezen terug komt, maar gij moet u niet

haasten, alles gaat hier heel goed, blijf maar tot dat dat oesten heele

gansch gedaan is. Het en is hier geene schoone zonneschijn en warm weer

lijk ginter. Het regent of sneeuwt hier alle dagen en het is stijf koud.

Nu beminde Alfons met deze woorden neem ik van u afscheid niet met het

hart maar wel met de pen en blijf in afwachting op uwe volgende brieven.

Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2 · 第 22 / 51 题