XXV.

Den derden ochtend na zijn afreis kwam de eerste tijding: twee korte

briefkaarten; een van de barones en een van Alfons. Hij was goed

aangekomen, hij voelde zich wel wat vermoeid van de reis maar toch

opgeruimd; hij had een groote, heldere, zonnige kamer en de streek was

't schoonste wat een mensch op aarde zien kon. Morgen, als hij heelemaal

ingericht was, zou hij haar een langen brief schrijven.

Rozeke's hart was opgelucht. De reis, de afstanden, de eenzaamheid,

alles scheen haar eensklaps veel lichter en gewoner om te dragen dan ze

eerst gevreesd had, nu ze reeds zoo spoedig goede en geruststellende

berichten van hem kreeg. 't Was haar of hij zich ergens ophield in de

buurt, waar zij hem elk oogenblik, als 't noodig was, kon zien en

spreken. Zij schreide niet meer halve nachten in haar bed om hem; zij

stelde zich niet langer allerhande ingebeelde rampen voor; maar met een

trillende emotie van nieuwsgierigheid wachtte zij op zijn eersten langen

brief, die dan ook stipt, volgens belofte, op gestelden dag en uur, haar

door den postbode overhandigd werd.

Het was een lange, lange brief, vol van zijn eerste indrukken en

ontboezemingen. De plaats en streek waar hij thans was wist hij niet

duidelijk te noemen; hij noemde het "ginter", in tegenstelling met

"hier", waarmede hij zijn eigen land en huis bedoelde. En 't maakte

eerst op Rozeke een vreemd-verwarden indruk; het leek wel of hij reeds

was teruggekeerd en vertelde over wat hij vroeger in het buitenland

gezien had. Hij schreef, geijkt-beginnend, als iedere boer of boerin die

een brief opstelt:

"Beminde vrouw,

Ik neem de pen in de hand om u te laten weten den staet van mijn

gezonteit en verop van u hetzelfde. Ware het anders het zou mij veel

verdriet doen. Ik heb een lange reis gemaakt, beminde vrouw, daar hebt

gij geen gedacht van. Ik meende dat den trein noeit meer en zou ophouden

met rijden en eerst heel den dag en heel den nacht heeft hij gereden en

als het nuchtink werd zag ik door het ruitje van den trein hooge bergen

in de verte die met sneeuw bedekt waren. Daar kunt gij u ook geen

gedacht van maken, beminde vrouw, hoe hoog en groot die ginter zijn. Den

hane van den kerktoren is een naaldeken daarbij vergeleken en dat duurt

alzoo uren en uren lang, den eenen berg achter den anderen zoo ver of

dat de oogen kunnen dragen. Ja, het en is ginter niet gelijk hier, waar

dat de menschen nooit eenen berg gezien hebben en zelfs niet weten wat

eenen berg is. Den baron en de baronesse zijn heel goed voor mij

geweest. Aan iedere stasie waar den trein eenige minuten bleef staan

kwam mevreiwe naar mij kijken en tot drei keers toe heeft ze mij heel

goed eten en wijn doen brengen. Bier drinken ze ginter bijkans niet, het

is altijd wijn en die is ginter goedkooper als hier het bier. Welnu,

beminde vrouw, achter dat wij nog heel lang gereden hadden zijn wij aan

de zee gekomen, die zoo blauw is als het blauwsel waarmede gij almets

het lijnwaad wascht. Daar kunt gij u geen gedacht van maken, het is

precies gelijk of er blauwe verwe in gegoten was. En het is ginter toch

zulk een schoone warme zonne, zoo warm als hier in het schoonste van den

zomer en de menschen loopen allemaal in witte of bleeke zomerkleeren en

't vrouwevolk met parasols percies gelijk hier in de heetste dagen te

Oostende. En overal zijn de blaren aan de boomen en bloeien de schoonste

bloemen en ik heb waarachtig citroens en apelsiens aan de takken zien

hangen, percies lijk of de oude schoolmeester Cattoir ons verteld

heeft.--Welnu, beminde vrouw, ik ben eindelijk toegekomen in eene kleine

stad waar de baron en de baronesse mij naar mijne kamer geleid hebben.

Dat huis staat halfwege op eenen berg en van uit mijne kamer kijk ik op

de schoone blauwe zee. O, dat is ginter toch schoone, daar en hebt gij

geen gedacht van! En zacht en warm dat het ginter is in de zonne, daar

hebt gij geen gedacht van. Ik voel er al de deugd van in heel mijn

lichaam en ik heb nog van heel den dag bijkans niet moesten oesten; maar

de nachten zijn hier stijf koud en zoo gauw als de zonne weg is mag ik

hoegenaamd niet meer uitgaan. Maar ik ga heel den dag uit in de zonne en

's avonds ben ik moe en blije dat ik in mijn bed lig.--De menschen van

het huis zijn heel vriendelijk voor mij; maar de baronesse zegt wel dat

ze heel goed vlaamsch klappen, omdat zij Olanders zijn, maar dat vind ik

toch niet en ik kan ze almets maar heel moeielijk verstaan. Zij klappen

alzoo altijd van binnen ulderen mond met kraken in de keele en als ze

daarmee beginnen hoor ik niets anders meer dan die kraken; maar afin wij

verstaan mallekander eindelijk toch en ik zal daar wel aan gewennen. Wat

het eten en drinken aangaat, dat is ginter heel goed en ik moet zeggen

dat het zelfs beter is als hier.--Den baron en de baronnesse zijn dan

nog een endeken verder gereisd, maar mevreiwe is toch zoo bijzonder goed

voor mij; peis ne keer zij heeft mij nog vijftig frank op zak gegeven en

gezeid dat ze mij dikwijls zou komen opzoeken en dat ik ulder ook moest

komen bezoeken.--Eiwel, beminde vrouw, ik heb er van den achternoen eens

met den elektriek naartoe geweest, want er rijden hier ook elektrieks,

zilde, zoo goed als in Gent; maar alzoo een groot en schoon hotel waar

zij zijn, ook halfwege op den berg daar en hebt gij geen gedacht van. En

al dat groot rijk volk en zoo schoone gekleed, daar zoudt gij van

versteld staan! Den baron heeft daar zijnen odemobiel en hij en de

barones rijden er veel mee uit. Dat moet ginter zeker wat geld kosten!

Mevreiwe heeft mij den schoonen hof van het hotel getoond en zij heeft

mij ook van verre het speelhuis getoond, dichte bij de schoone blauwe

zee, waar al dat rijk volk ulder geld gaat verspelen.--Past maar op dat

ge daar ook uw geld niet gaat verspelen, zei mevreiwe alzoo al lachende;

maar zij mag wel gerust zijn, ik zal mijn cenzen wel beter weten te

gebruiken.

Nu, beminde vrouw, schei ik uit met de pen, niet met het hart. Zeg aan

meester Cattoir dat ik hem ook al gauw eens zal schrijven en gij moet

mij nu ook al gauw schrijven. Ik verop dat gij met Smul en Vaprijsken en

het Geluw Meuleken geenen last en zult hebben en dat de kinders goed en

gezond zijn. Ik ben ginter wel verre van u allen, maar met eenen dag en

eenen nacht op de vapeur ben ik hier toch weere als het zijn moet en dat

is toch eenen grooten troost voor mij. Ja, beminde vrouw, mijn

retourkaartje heb ik zorgvuldig van onder in mijnen koeffer bewaard om

het toch niet te verliezen.

Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2 · 第 18 / 51 题