Toen Alfons enkele dagen later op een vroegen ochtend van einde December
in den paardenstal kwam, bleek het hem duidelijk dat het met Fanny zóó
gesteld was, dat de kans op 't veulentje nog eens gewaagd kon worden.
Hij zou dan ook maar niet talmen en dadelijk met de merrie naar boer
Leyseele's verafgelegen hoeve rijden.
Het was een grauwe, gure wintermorgen. Scherp loeide een ijzige
oostenwind in de naakte, piepende populieren-kruinen en uit de
effen-grijze, dood-triestige lucht viel een koud en vochtig mengsel neer
van mist en sneeuw en motregen.
Alfons voelde zich al een paar dagen huiverig en rillerig, hij hoestte
nog al erg en 't speet hem wel dat hij ten minste geen karretje had om
er de merrie voor te spannen. Rozeke raadde hem aan de sjees van boer
Lauwe te gaan vragen; maar, hoewel hij met de Lauwe's in goede buurschap
leefde, kende hij hen nog te weinig om gaarne dien dienst te vragen en
hij besloot eindelijk maar den afstand te paard af te leggen, op het
oude zadel, dat hij, in den verhuistijd, van boer Dons overgenomen had.
Hij kleedde zich warm aan en na een paar koppen heete koffie met een
groot glas brandewijn, heesch hij zich niet zonder moeite op den rug der
merrie en vertrok.
Hij was geen flinke ruiter zooals Smul, doch kon zich wel op een
behoorlijk drafje in het zadel houden. Maar de merrie was lastig en
schichtig dien ochtend; telkens brak zij haren draf door plotselinge
sprongen of door kort getrippel af, en maakte hem zoo moe omdat hij zich
niet lekker voelde. Voortdurend moest hij het beest weer op stap houden
of hij voelde pijn in de zij als iemand die te hard gerend heeft.
De weg strekte zich eindeloos uit, kronkelend en modderig onder den
lagen, grijzen hemel, tusschen de naakte populieren, waarvan de kruinen
klagend-piepten in den natten wind, die onophoudend ijzige gesmolten
sneeuw en motregen in zijn gezicht joeg. Nog nooit had zijn land hem zoo
vuil, zoo triestig, zoo somber-verlaten geschenen. De hooge grauwe
stroodaken der boerderijen schenen zwaar als lood op de lage muurtjes
met de kleingeruite raampjes te drukken, en al de lieve, heldere,
frissche kleuren van de schoone zonnedagen: het lichtblauw of lichtroze
van de geveltjes, het blinkend-rood der pannendaken en het wit-en-groen
der open luikjes, alles, alles leek verwaterd en versmolten en verkleurd
in 't zelfde vuile, natte grauw en grijs, dat als één oneindige, dikke,
loome, droeve deken van uit den hemel op de aarde was gedaald.
Hij rilde en zijn tanden klapperden. Wat voelde hij zich ver van huis en
eenzaam, eenzaam en verlaten, alsof hij nooit zijn eigen warm en
gezellig boerderijtje, met zijn vrouw en kind terug zou zien!
Zijn handen waren ijskoud, als versteven, om de teugels geklemd en zijn
dijen en knieën zóó doorweekt, dat hij het water, als koud-kruipende
slangetjes, tot in zijn kousen voelde druipen.
Soms hield hij even voor een landelijke herberg stil en bestelde er een
borrel, zonder van zijn paard te stijgen. In één teug sloeg hij die met
een grimas van afkeer binnen, en hij rilde van den scherpen, slechten
drank tot in het merg der beenderen. 't Verwarmde hem toch even, maar
hij voelde dat zijn maag er door van streek raakte en weldra leed hij
aan hevige hoofdpijn en had neiging tot braken.
Eindelijk kwam hij op de verre, groote hoeve aan. Gelukkig kon hij
dadelijk geholpen worden: de hengst was op stal. De boer, die medelijden
met hem had, raadde hem aan zich flink bij den haard te gaan warmen en
drogen en ook iets warms te eten en te drinken; de stalknecht zou voor
de merrie wel zorgen. Met een kreunzucht liet Alfons zich van het zadel
zakken. Hij voelde zich zóó ziek en slap, dat hij niet eens aandrong om
de dekking bij te wonen. Hij sleepte zich voort naast den boer, trad
binnen in een ruime, slordige keuken, ontwaarde vagelijk een zware dikke
vrouw en enkele kinderen.
"Zet ou, kameroad, zet ou; da zijn weêrkes, hè? Joa joa, we zillen hem
al gauwe ne woarme spoelkom káffee mee nen boterham en 'n firme schel
heufvlakke geên!" hoorde hij, als in een droom, de dikke boerin met een
vette stem zeggen; en 't oogenblik daarna zat hij rillend met gebogen
hoofd en bevend-uitgestrekte handen voor een helder flikkerend en
krakend haardvuur. Toen kreeg hij een groote kop warme koffie en een
dikke snee grijs brood met hoofdkaas, en machinaal ging hij aan 't eten.
Zijn tanden klapperden, zijn kakebeenen waren als verlamd en zijn keel
kon haast niet slikken. Telkens slokte hij van zijn heete koffie zonder
te voelen hoe brandend ze was. Toch deed het weinige dat hij nemen kon
hem goed; hij voelde zich weldra wat opgefleurd en kon enkele woorden
spreken. Hij at zijn boterham goed half op en aanvaardde een tweede kom
koffie. Hij herleefde als 't ware en ontstak zelfs een pijpje, nadat hij
den boer de gebruikelijke dertig frank der dekking had betaald.
De knecht kwam zeggen dat 't er klaar mee was en met inspanning stond
hij weer op.
"Ha moar 'k zoe nog wa blijven; wacht te minsten tot da ge dreuge zijt,"
raadden de boer en de boerin hem dringend aan.
"O, 'k ben al hoast dreuge; en euk, 'k zal toch direkt weeromme nat
zijn," antwoordde hij met een doffe en zwakke stem, die heel vreemd in
zijn eigen ooren klonk.
"Da es woar, 't es leulijke bieste van weere," moesten de boer en de
boerin toegeven; en zij vergezelden hem tot aan de deur, waar de
stalknecht wachtend de merrie bij den breidel hield.
Alfons gaf den jongen een frank drinkgeld en liet zich door hem in het
zadel helpen. Wat ging het zwaar en moeielijk! 't Was of hij geen
ziertje kracht meer in zijn lichaam had en zijn armen en beenen waren
als lood.
Hij wenschte "elk ne goên dag" en vertrok. Hij had slechts één
verlangen, één behoefte: zoo spoedig mogelijk weer thuis te zijn, om met
gesloten oogen in zijn bed te liggen en te rusten en te slapen.
Hij legde weer den zelfden langen weg, nu met wind en regen in den rug,
af. Hij was nog niet droog van voren en nu werd hij ook spoedig druipnat
van achter. De scherpe wind zweepte thans de piepende kruinen der boomen
als 't ware vluchtend vóór hem uit, en hij zelf voelde zich mee
gedreven, loom op het paard ineengezakt, de pet diep over de ooren, zijn
halskraag overeind. Er kwam iets triestig-onverschilligs over hem, een
dof gevoel dat hij toch tegen de vernielende kracht van regen en wind
niet op kon; en nu voelde hij het ijskoud water langs zijn schouders en
zijn rug neersijpelen, tot het weldra sopte op het zadel, in een
kletsend plassen als van natte, kille doeken, telkens als hij machinaal
op en neer wipte, in het nu gekadanseerd-eentonig, loom-en-langzaam
draven van zijn kalm geworden paard.
De vroege avond begon reeds te duisteren, vaal en triestig, van een
doods-benauwende melancholie in al dat natte en vuile en slappe van den
grauw-stervenden dag, toen hij eindelijk weer aan zijn hoevetje kwam.
Rozeke, die hem door 't raampje had zien naderen, kwam hem op den
drempel te gemoet en jammerde meelijdend over het ellendig weer dat hij
den ganschen dag getroffen had; maar zij schrikte hevig toen zij hem zoo
machteloos ineengezakt zag zitten, de oogen dof en het gezicht aschgrauw
met ingevallen wangen, en angstig riep zij Vaprijsken, om hem te helpen
afstijgen.
"Zij-je nie wel dan, boas?" vroeg Vaprijsken uit de schuur toesnellend.
Maar Alfons gaf zelfs geen antwoord; hij schudde zwak het hoofd en
zuchtte; hij zakte, op Rozeke en Vaprijsken gesteund, uit het zadel en
struikelde gebogen naar binnen.
"Kom, zet ou al gauwe bij 't vier; 'k zal ou ander klieren hoalen en 'k
hé goeje woarme soepe gekookt," zei Rozeke, ontsteld hem vóór het
haardvuur brengend.
"Mijn bedde, anders nie as mijn bedde," zuchtte hij heesch en haast
onhoorbaar, naar de voutekamer strompelend.
"Ha moar dreugt ou toch iest; eet en drijnkt toch iest watte!" smeekte
Rozeke.
"Mijn bedde! mijn bedde?" kreunde hij. "Help mij ontkliën; leg mij in
mijn bedde."
Rozeke begon te schreien. Zij riep het Geluw Meuleken en samen brachten
zij hem op de voutekamer, trokken zijn natte kleeren uit en stopten hem
warm onder de dekens.
"Ach Hier, ach Hiere, 'k ben ziek, 'k ben zeu ziek!" klaagde hij met
dichte oogen.
"'t Zal wel beteren," zuchtte Rozeke. "Houdt ou stil en sloap moar; we
zillen ou woarm dekken, da ge goe zwiet."
Zij spreidde nog meer dekens over hem uit, stopte hem zorgvuldig in op
zij en bleef toen een lange poos angstig-onbewegelijk naar hem staren,
terwijl hij daar even volkomen stil en roerloos op den rug uitgestrekt
lag, de oogen toe, een lichte roze kleur op zijn magere koonen, met
korte, snel-hijgende trekjes ademhalend door zijn zenuwachtig
op-en-neer-trillende neusvleugels.
* * * * *