Wat werd het eensklaps stil in Rozeke's leven, na al de drukte vol
emotie van den langen, schoonen zomer! Het was of alles om haar heen een
onverstoorde goede rust wilde genieten. Haar knaapje was gezond en
flink, en 't boerderijtje ging naar wensch. Alfons was lief voor haar en
vroolijk van gemoed; haar ouders, broers en zuster kwamen geregeld haar
bezoeken en meer en meer bleek het dat zij aan 't Geluw Meuleken en aan
Vaprijsken uitmuntende dienstboden hadden. Zij voelde zich kalm gelukkig
zonder onvoldane wenschen.
En 't glanzend najaar was zoo schitterend en zoo schoon!--Langzamerhand
begon de boomgaard te verkleuren en zijn bladeren te verliezen, die als
zwermen doode musschen op het groene gras lagen gestrooid. Soms
woekerden en tjilpten heele troepjes echte musschen in de bruine droge
bladeren en als ze dan onder een windje opstoven en door elkander
warrelden, was het of de bladeren musschen en de musschen bladeren
waren. Hier en daar nog schitterde een vergeten, óver-rijpe peer of
appel goudgeelglanzend of kersrood als een lichtje op de hoogste, naakte
twijgen van de vruchtboomen en aan beide kanten van den landweg geelden
ook de populierenkruinen in de wazig-blauwe lucht. Hier en daar ook
zweefde nog in de stil-glinsterende zonne-luwte een late zomervlinder,
met als 't ware reeds verloomd-knippende vlerken: vlerken van fluweelige
rouwkleuren, met randen van blauw of met glanzende oogen en strepen van
purper en vuur. De donkere zwaluwtjes met witte borstjes zaten in lange
rijen op de kroonlijsten van huis en stallen, stil-zwatelend vertellend
van de lange, lange reis die zij weldra weer zouden gaan ondernemen; en
overal opende zich het veld in ruime vergezichten, met elken dag
nieuw-opduikende witte huisjes en roode pannendakjes, die het dichte
zomergroen maandenlang aan den blik verborgen had gehouden. Boer Lauwe's
achtergevel met het klein vierkant raampje was nu duidelijk zichtbaar
als een stugge, lang-uitgestrekte reus met slaperig-wakend één-oog; en
't kleine werkmanshuisje vlak daarover, met al zijne nieuwsgierig-
glinsterende ruitjes, waar Rozeke tijdens de bezoeken van jonkvrouw Anna
met haar beminde zoo akelig bang voor was, leek nu nog wel een heel eind
dichter bijgeschoven, zóó helder-vrijpostig-opdringerig, dat Rozeke er
soms, als door een lantaren, dwars door heen kon zien.
Van jonkvrouw Anna ontving ze nu en dan een prent-briefkaart. Doch meer
dan een vriendelijken groet stond er niet op, en telkens weer kwam
Rozeke in de war met de handteekening: Anna d'Hautmont, die haar zoo
vreemd voorkwam alsof 't haar lieve jonkvrouw's eigen naam niet was. En
zij wist ook nooit precies waar die kaarten wel vandaan kwamen, noch wat
zij eigenlijk voorstelden: nu eens een reusachtig-groot, wit-glinsterend
hotel midden in een wondertuin van onbekende boomen, dan weer een heele
stad aan zee met bergen op den achtergrond en lichte schuitjes op het
water; dan nog een oude kerk met bedelaars in lompen onder het portaal,
of een brokkelig oud kasteel boven op den top van een steile rots.--Zij
voelde alleen maar dat het van heel héél verre kwam, als uit een andere,
haar onbekende wereld en reeds meer dan eens had zij er aan gedacht om
aan den ouden schoolmeester van 't dorp te gaan vragen waar dat alles
toch wel lag, en hoever het wel was, en hoeveel dagen en nachten men wel
reizen moest om er heen te komen. Maar eens, op een ochtend, bracht de
postbode haar een soort opgerold boek en toen zij 't ontvouwde zag zij
daarin veel plaatjes van met bloemen versierde rijtuigen en
automobielen; en, op een van die plaatjes, duidelijk herkenbaar, en zóó
schoon, o, toch zoo wónderschoon midden in een schat van bloemen op een
groote automobiel, haar lieve jonkvrouw met haar man. Zij riep Alfons en
't Geluw Meuleken en Vaprijsken en allen herkenden ze dadelijk beiden en
bewonderden het mooie plaatje met den schitterenden bloemenwagen. Maar
onderaan stond iets gedrukt in 't Fransch en daarvan konden zij alleen
de namen lezen: "baron et baronne Armand d'Hautmont," en al het overige
intrigeerde hen uitermate en prikkelde hun nieuwsgierigheid tot den
hoogsten graad.--Ach! nu moest Rozeke er toch bepaald wat meer van
weten; en, den volgenden ochtend, riep zij den postbode op zijn
voorbijtocht binnen, trakteerde hem met een borrel, gaf hem het
opgerolde boek weer mee en verzocht hem het te willen overhandigen aan
den ouden schoolmeester, met de "kopplementen" of hij haar eens wilde
laten weten waar dat al gebeurd was en wat of't eigenlijk beteekende.
Den eigensten middag nog kwam de oude schoolmeester, met de opgerolde
illustratie onder den arm, gewichtig op 't boerderijtje. Het was een
kort, dik mannetje met frisch gezicht en grijze kortgeknipte haren, fiks
en trotsch stappend, een gouden bril over zijn kleine, sluwe, tegen 't
licht knippende, blauwe oogjes. Hij deed altijd heel gewichtig en sprak
een verzorgde, deftige taal, wat den dorpelingen eerbied en ontzag voor
hem inboezemde. Hij had een stokje in de hand en droeg een rond zwart
hoedje; en in 't knoopsgat van zijn zwart, glimmend jasje stak een
vuil-rood geworden decoratie-lapje.
"Wel zoo, bazin Van de Weghe, ebt-e gij nog meer zulke belangwekkende
tijdschriften ontvangen?" begon hij, glimlachend het zorgvuldig opgerold
sportblad vóór haar op het tafeltje leggend. En genoeglijk kuchend ging
hij zitten, zijn kleine oogjes nieuwsgierig op haar gevestigd.
"Wa belieft er ou, miester?" vroeg Rozeke met een kleur, als altijd in
't begin, door zijn deftigheid geïmponeerd en hem niet goed begrijpend.
"Of gij nog wel meer zulke dingen ontvangen ebt?" herhaalde de
schoolmeester met nadruk, eenigszins geërgerd dat zij niet dadelijk zijn
mooie taal verstond.
"Joa ik, miester, nog al wa poskoarten mee santjes op," antwoordde
Rozeke. "Wilt-e z'euk zien?"
"Zeker, zeker wil ik ze zien," zeide hij.
Rozeke, die Hilairken, haar zoontje, op den schoot had, ging den kleine
even in zijn wiegje leggen en haalde de zorgvuldig bewaarde prentkaarten
van jonkvrouw Anna uit de kastla. De schoolmeester veegde tevreden-
glimlachend zijn brilglazen schoon en schoof zijn stoel gezellig dicht
bij 't raampje, om goed te kunnen zien.
"'t Spijt mij da g'ou doarveuren gederangeerd hét, miester, 'k 'n há
moar es wille weten wat dat er doar onder gedrukt stoat en hoeverre van
hier dat da wel gebeurd es," meende Rozeke zich te moeten
verontschuldigen.
Maar de oude meester, reeds ten volle door zijn eigen nieuwsgierigheid
in beslag genomen, hoofdschudde dat er geen kwestie was van derangeeren
en bekeek de kaarten de eene na de andere, aanhoudend glimlachend, met
toenemende belangstelling.
"Weet-e gij wel, bazin Van de Weghe, dat het zeer veel voor u weerd is,
van zulk eene goede kennis, ik zou aast zeggen: zulk eene goede vriendin
van voornamen uize te ebben?" keek hij plotseling gewichtig op.
Opnieuw begreep Rozeke hem maar half, maar zij knikte toch toestemmend
en antwoordde ietwat schuchter:
"Ba joa 't e-woar, miester? Z'hé zij mij lijk altijd nog al wel keune
verdroagen."
"Ja ja, ik wil 't gelooven, ik wil het wel gelooven," herhaalde hij, als
voor zichzelf, de laatste kaarten omkeerend.
En eensklaps keek hij haar strak en ernstig aan, terwijl hij eenigszins
verbitterd uitriep:
"Ad ik destijds zulke ooge bescherming genoten, dan zou er van mij wel
wat anders geworden zijn dan de rustende dorps-oofdonderwijzer die ik nu
ben!"
Rozeke, die steeds naar een onderwijzer,--en vooral naar een hoofd-
onderwijzer--als naar een overheid, met vereering had opgezien, keek hem
ietwat verwonderd aan.
"Ik vinde schoolmiester toch wel 'n scheune ploatse, miester," waagde
zij.
"Ja zeker, zéker!" riep hij eensklaps trotsch uit; "schoon is het zeker,
het is eene ooge en edele betrekking, maar eene welke de meeste
menschen, op het platteland althans, ongelukkiglijk doorgaans niet oog
genoeg waardeeren!"
Betrekking,... waardeeren ... opnieuw kon Rozeke die hoogdravende
woorden niet begrijpen; maar 't ergste was dat ze nu ook volkomen van
hun onderwerp afdwaalden, en zij nam moed en vroeg hem eindelijk,
terwijl hij even weer belangstellend de kaarten overzag:
"En da Fransch, miester, hè-je 't gij keune lezen? weet-e gij wat dat 't
es?"
"Ah, juist, ter zake!" zei hij.--Hij schoof de prentkaarten op zij, nam
de sportrevue weer op, ontrolde en ontvouwde die gewichtig en begon te
oreeren:
"Deze gelukkige jonge echtgenooten bevinden zich op hunne speelreis in
het zuiden van Frankrijk, in eene streek waar het altijd lente of zomer
is, waar jaar in jaar uit, ten allen tijde, de schoonste bloemen bloeien
en waar de boomen nooit unne bladeren verliezen. Al deze prentkaarten,
ter uitzondering van twee,--deze twee, die uit het noorden van Italië
komen,--en ook dit tijdschrift, zijn afkomstig uit Nizza en omstreken,
waar iederen winter, van November tot Mei, het rijke volk van heel de
wereld bij duizenden en duizenden zich komt verlustigen. De
sinaasappels,--de appelsienen, zooals de menschen hier ter streke die
schoone vrucht in unne onwetendheid noemen--groeien daar op de
boomgaarden gelijk ier de appelen en peren, en ook de sappigste perziken
en druiven en de lekkerste amandelen rijpen er het jaar door, buiten in
den vollen grond. De lucht is er aast altijd elderblauw, het vriest er
nooit en oogst zelden eeft men er sneeuw gezien. Het wordt er het
Aardsch Paradijs ge-eeten."
"Oo!" riep Rozeke, die met de grootste belangstelling luisterde. En zij
waagde de vraag die haar boven alles interesseerde:
"En hoever es dan wel van hier, miester?"
"Hoeverre?... hoeverre? Laat ne keer zien ... zeker wel vier a vijf
onderd uren!"
"Hoo!" zuchtte Rozeke, de handen in elkaar geslagen.
"Ja, stellig," verzekerde de meester. "De snelste treinen van ier uit
rijden er wel een dag en een nacht over, zonder ophouden,--Hewèl, in die
plaats van weelde zoekt dat rijke volk natuurlijk zijn vermaken en zoo
ebben zij onder anderen wedstrijden van met bloemen versierde rijtuigen
en automobielen ingericht--bloemencorsos, noemt men dat in goed
nederlandsch--en het is in zoo eenen wedstrijd dat meneer den baron
Armand d'Hautmont met zijn automobiel den eersten prijs be-aald eeft als
zijnde het schoonst versierde aller mededingende rijtuigen, en dat hij
in dit degelijk Fransch tijdschrift is gefotografieerd geworden in
zijnen prachtig-getooiden wagen, naast de jonge barones, zijne vrouw.
Ja, ja, het is groot volk, groot, rijk volk, bazin Van de Weghe."
"O, en es da amoal datte wat doaronder gedrukt stoat?" vroeg Rozeke.
"Ja 't, ziehier;" zei de meester. En wijzend met den vinger op de
gedrukte regels onder 't prentje, las hij eerst voor in 't Fransch en
vertaalde dan in deftig Vlaamsch voor haar de vreemde woorden van het
kort artikeltje.
"O, da es toch gelukkig van zeu gelierd te zijn, miester!" zei Rozeke
vol bewondering. En zij voegde er bij, op een toon van verzuchting:
"'K hope toch wel da mijn kind euk zijn Fransch zal meuge lieren."
De oude onderwijzer glimlachte trotsch, in zijn schoolmeestershoogmoed
gevleid.
"Ja ja, geleerdheid is een schoone zaak; zij maakt den mensch beter,
degelijker, waardiger," doceerde hij. "De mensch die meer dan éene taal
kent leeft en geniet dubbel, driedubbel, vierdubbel. Alleen daarom zou
ik voor geen geld ter wereld mijne geleerdheid prijs geven; maar het is
en blijft toch spijtig dat de menschen ons bijna nooit naar verdienste
waardeeren."
Hij keek haar plotseling strak en ernstig aan en vroeg haar, vlak af:
"Bazin Van de Weghe, nu ik u ge-olpen eb en misschien later nog zal
kunnen elpen, wie weet hoe, op een of andere manier, met de opvoeding
van uw kind, bij voorbeeld, nu oop ik toch dat gij bij gelegenheid ook
wel iets voor mij zult willen doen?"
"Zeker, miester, mee plezier. Wa est't?" vroeg zij verwonderd.
"Een woordje voor mij ten beste spreken bij mevrouw de barones
d'Hautmont, opdat zij aan aren vader den burgemeester zou vragen of mijn
pensioen-jaarwedde als rustend oofd-onderwijzer niet wat ver-oogd zou
kunnen worden, sprak hij deftig, meteen fiks opstaande.
"'K zal 't doen, miester, 'k zal't heur vroagen van as ik heur weeromme
zie," antwoordde Rozeke eenigszins verbauwereerd.--"Moar 't en zal toch
mijn schuld nie zijn, as 't er nie mee 'n helpt, miester...."
"Natuurlijk niet, natuurlijk niet, dat spreekt van zelf," zei hij
tevreden. "Het eenige wat ik van u verlang is dat ge 't niet vergeten
zoudt."
"Ge meug gerust zijn, miester, 'k beloof het ou, 'k'en zal 't nie
vergeten."
Hilairken, in zijn wieg ontwaakt, begon eensklaps te schreien. Rozeke
nam het er sussend weer uit en de oude meester keek het kleintje even
vriendelijk aan.
"Weet ge wat we later van dien kerel zullen maken?" riep hij opgeruimd.
"Een flinken onderwijzer!... en dat zal er waarachtig wel een zijn die
't aan degelijke bescherming niet te kort zal schieten."
"'K weinsche dat 't woar woare, miester; 'k zoe hem veel liever
schoolmiester as boer zien worden," zei Rozeke met een kleur van hoop en
vreugd.
Het kleintje op den arm leidde zij den ouden onderwijzer tot op den
drempel en stond hem daar nog even na te kijken, terwijl hij fiks en
stijf en netjes, zijn zwart rond hoedje op de grijze haren, met
afgemeten pasjes door den boomgaard stapte. Het trof haar dat zijn
achterhoofd zoo groot was en zij dacht dat daar wel zeker heel veel
wijsheid en verstand in stak.
Aan 't hekje keek hij nog eens om, en knikte glimlachend en groette,
zijn hoedje even voor haar oplichtend, als een welopgevoed heer.
* * * * *