„Mr. Van Dungen is op het oogenblik niet op het kantoor, meneer,” zeide
de klerk, die den heer Stubbens binnenliet, „maar als u even wil
wachten, meneer zal vermoedelijk niet lang wegblijven.”
De heer Stubbens trad binnen en de klerk liet hem in het kantoor van
den advocaat. Nog niet lang had hij daar gewacht, toen er op de deur
getikt werd en Stokman het vertrek binnentrad.
„Dag, mijnheer Stubbens,” zeide de jongeman met een diepe buiging.
„Dag, mijnheer Stokman.”
„Mijnheer,” begon Stokman, „ik ben zoo vrij u even te komen lastig
vallen, maar het is over een zeer ernstige zaak.”
„U bedoelt mijn nichtje?”
„Juist, mijnheer, ik ben uit de stad geweest, anders zou ik wel
dadelijk naar u toegekomen zijn, maar bij mijn terugkomst vernam ik wat
er gebeurd was en nu meen ik u wel op weg te kunnen helpen. Ik heb alle
reden om te vermoeden, dat uw nichtje bij haar grootmoeder is.”
„Wat zegt u?”
„Zeker, mijnheer, bij haar grootmoeder; onderzoekt u het maar, dan zal
u zien, dat ik gelijk heb. Ik zou u nog veel meer kunnen vertellen,
maar daar is Mr. Van Dungen. Zal ik van avond even bij u komen?”
„Graag, mijnheer, u zal mij daar ten zeerste mee verplichten.”
Zoodra hij zijn zaken met Mr. Van Dungen had afgedaan, reed de heer
Stubbens naar Zorgvliet, maar daar kwam hij voor een gesloten huis en
de huisbewaarder zeide hem, dat mevrouw Hermsen reeds Zaterdag op reis
was gegaan zonder te zeggen waarheen, of wanneer ze terugkwam.
Onverrichter zake keerde de heer Stubbens dus naar huis terug.
Nu hij zoo goed als zeker wist, dat het meisje bij haar grootmoeder
was, voelde haar oom zich wel voor een groot deel gerustgesteld, maar
hij mocht er toch niet al te vast op bouwen. Zijn eerste werk, toen hij
in de stad kwam, was naar den commissaris te rijden en hem mee te
deelen, wat Stokman hem verteld had, daarna ging hij zoo gauw mogelijk
naar huis om zijn vrouw eveneens gerust te stellen. Dien avond om half
zeven werd Stokman aangediend.
„Mijnheer,” zeide deze, zoodra zij gezeten waren, „u zal heel slecht
van mij denken, wanneer ik u alles verteld heb, maar na alles, wat u
voor mij gedaan heeft, kan ik u niet in ongerustheid laten. Zooals u
misschien weet, is de oude mevrouw Hermsen altijd heel goed voor mij
geweest. Toen mevrouw nu hoorde, dat mijnheer Van Walen ging
hertrouwen—het trof nu ook juist zoo ongelukkig, dat Annie dezen zomer
niet bij haar had kunnen logeeren—vatte zij het plan op, het meisje
voor goed bij zich te nemen. Eerst had zij er met den vader over willen
spreken, maar zij begreep toch wel, dat mijnheer Van Walen zijn dochter
niet zou willen afstaan en daarom liet zij dit plan varen en besloot
zij zich het kind op onrechtmatige wijze toe te eigenen, want zij wilde
nu eenmaal niet dat het meisje door een Engelsche dame opgevoed zou
worden, zij schijnt een gloeiende haat te hebben aan Engelschen.”
„Ja,” bracht de heer Stubbens in het midden, „vroeger is zij eens door
een Engelschman zeer leelijk behandeld, vandaar haar bespottelijke haat
op alles wat Engelsch is. Maar, ga verder.”
„Toen nam ze mij bij den arm. Herinnert u zich nog de mislukte
ontvoering van uw dochtertje? welnu, die berustte op een vergissing,
het was niet op uw kind, maar op uw nichtje gemunt en de dader, dat was
ik.”
„U?” riep de heer Stubbens van verbazing van zijn stoel opspringend.
„Ja, ik. Ik zal wel diep in uw achting dalen, misschien zal u mijn
patroon waarschuwen tegen een man, die zich tot zulke wederrechtelijke
handelingen leent, maar, mijnheer, als men heel arm is en iemand biedt
u dan een groote som, vijfhonderd gulden, was het, alleen om een
kleinkind bij haar grootmoeder te brengen, dan is die daad toch wel te
verontschuldigen. In het begin wilde ik het ook niet doen, werkelijk,
maar de oude mevrouw wist mij de zaak zoo geheel anders voor te
stellen, dat ik ten slotte zelf niet meer wist of het verkeerd was of
niet en zij had zooveel voor mij gedaan.”
„Dat het verkeerd was, kon uw eigen gezond verstand u toch zeggen,”
antwoordde de heer Stubbens, „maar,” vervolgde hij, „is dat de eenige
reden, waarom u denkt dat Annie bij haar grootmoeder is?”
„Het verhaal is nog niet uit, mijnheer. Mevrouw was niet van plan het
bij die eene poging te laten en onlangs riep zij opnieuw mijn hulp in.
Zij deed dit, toen ik juist naar haar toe was gegaan om te zeggen, dat
zij niet verder op mijn hulp behoefde te rekenen, omdat u mij zoo
geholpen had. Kortom, het eind was, dat zij zeide, dat zij het dan wel
zelf zou doen.”
„Ja, dan is het niet twijfelachtig, bij wie Annie is,” merkte de heer
Stubbens op, „maar waar, dat is een andere kwestie. Mijnheer Stokman,”
vervolgde hij toen ernstig, „ik kan het niet ontkennen, dat ik zooiets
niet van u verwacht had, want u moest toch begrijpen dat de familie
erdoor in doodelijke ongerustheid kwam, maar aan den anderen kant
waardeer ik het ten zeerste, dat u mij uit eigen beweging alles verteld
heeft, terwijl ik het toch in mijn macht heb, u uw betrekking te doen
verliezen. Bovendien is uw poging tot ontvoering mislukt en heeft ze
niets met de eigenlijke zaak te maken. Wij zullen het verleden dus
laten rusten.”
Tot mijnheer Stubbens’ verbazing ging Stokman echter, nadat mijnheer
Stubbens hem reeds gegroet had, nog niet dadelijk heen, maar bleef hij
aarzelend bij de deur staan. Eindelijk begon hij verlegen:
„Er is nog iets, mijnheer, iets dat mijnheer Van Scheik dient te weten,
maar ik durf het hem niet te vertellen.”
„Als u het hem niet durft te vertellen, schrijf het hem dan.”
Nu kwam het hooge woord eruit. „Mijnheer, zou u het niet voor mij aan
mijnheer Van Scheik willen vertellen?”
„Maar, waarom bent u zoo bang voor hem? hij staat toch bekend als een
goedhartig mensch.”
„Jawel, mijnheer, maar opvliegend. En al weet ik zelf, dat mijn vader
verkeerd gehandeld heeft, dan zou ik toch niet kunnen aanhooren, dat
een vreemde onaangename dingen over hem zeide en het zou van het eene
woord op het andere komen.”
„Maar uw vader moet toch al iets heel verkeerds gedaan hebben om den
heer Van Scheik ertoe te brengen zich onaangenaam over hem uit te laten
tegenover zijn eigen zoon.”
„Het was ook heel erg. Als ik het nu aan u vertel, zou u het dan niet
voor mij aan mijnheer Van Scheik willen overbrengen?”
„Maar, ik ben uw boodschaplooper niet, mijnheer.”
„Dat weet ik wel, mijnheer, maar mijnheer Van Scheik moet het weten en
ik vertel het niet.”
„Is het van zooveel belang?”
„U heeft zeker wel van die oude geschiedenis gehoord die zich jaren
geleden op het kantoor van de firma Hermsen heeft afgespeeld?”
„Er waren, meen ik, papieren zoek geraakt, niet waar?”
„Juist, mijnheer, familiepapieren van mijnheer Van Scheik. En die
papieren heb ik teruggevonden.”
„En durft u dat niet aan mijnheer Van Scheik te vertellen? Hij zal denk
ik, heel blij zijn.”
„Maar hij zal moeten weten, waar zij vandaan gekomen zijn.”
„Natuurlijk, maar is dat zoo erg?”
„Ik heb ze in een oude lessenaar van mijn vader gevonden, meneer.”
„Pssst! ja, dat is leelijk, maar had uw vader er belang bij ze... ze
zelf te bewaren?”
„Bij één van de papieren wel, hier heeft u het, dan kan u zelf zien wat
ik bedoel.”
De heer Stubbens keek het stuk in en gaf het daarna zwijgend aan
Stokman terug, die hem angstig vragend aankeek.
„Ik zal het voor u doen,” zeide mijnheer Stubbens eindelijk. „Maar er
is één ding, dat ik niet begrijp, waarom heeft hij niet alleen dat ééne
papier er uitgenomen?”
„Ik denk, dat de tijd daartoe hem ontbrak, dat hij in groote haast het
heele pak in zijn zak gestoken heeft.”
Hier werden zij gestoord door mevrouw Stubbens, die met stralend gelaat
de kamer van haar man binnenkwam. „Zij is terecht, het lieve kind, o,
Johan, lees dit toch eens!” Nu keerde zij zich naar Stokman en
verontschuldigde zich bij hem, dat zij hem in haar opgewondenheid niet
eerst gegroet had.
„Mag ik vragen,” zeide de jongeman, „heeft u tijding van uw nichtje?”
„Goddank, ja, een briefje van haar zelve, waarvoor ik heel wat
strafport heb moeten betalen, maar ik zag natuurlijk dadelijk aan het
schrift dat het van haar kwam. Zij had den brief niet gefrankeerd.”
„Vanwaar schrijft zij?” vroeg de heer Stubbens het briefje aannemend.
„Uit Keulen, lees zelf maar.”
„Beste Tante,” (las de heer Stubbens.)
„Ik ben hier met grootma in Keulen, maar ik verlang zoo naar u en
oom en Tom en Tine en Flok, wil u mij niet komen halen? grootma wil
mij niet naar u toe laten gaan. Grootma zegt dat mijn nieuwe mama
mij ongelukkig zal maken, maar ik verlang zoo naar mama. Zijn papa
en mama al gekomen? kom mij toch gauw halen. Zorgt Tom goed voor
Flok? Wij zijn hier in een groot hôtel, vlak bij het station.
Uw Annie.”
Het adres had zij ook zelf geschreven en blijkbaar had zij er erg haar
best op gedaan.
„Een hôtel vlak bij het station,” herhaalde de heer Stubbens, „dat is
nogal duidelijk, natuurlijk het Hôtel du Nord. Gelukkig dat het kind
het erbij heeft gezet.” Hij liep naar zijn schrijfbureau en haalde er
een spoorboekje uit.
„Ga je naar Keulen?” vroeg zijn vrouw.
„Natuurlijk, ik ga het kind oogenblikkelijk halen. Geef mij die
papieren waar wij van spraken, mijnheer Stokman, die zaak zal ik ook in
orde brengen.”
„Maar, mijnheer, daar kan ik u nu toch niet mee lastig vallen.”
„Dat kan ik het best beoordeelen, zou ik zeggen. Geeft u ze maar gerust
hier,” was het antwoord.
Onder vele dankbetuigingen gaf Stokman ze over.
„Nu, nu, geen bedankjes, daarvoor heb ik geen tijd, dag mijnheer
Stokman.”
Stokman ging heen, niet lang daarna kwam mevrouw Stubbens met een
gepakte handtasch de kamer in en een half uur later was de heer
Stubbens reeds op weg naar Keulen, waar hij met den laatsten trein
aankwam.
Vanuit een der tusschenstations had hij om een kamer getelegrafeerd in
het „Kölnische Hof,” zoodat hij bij zijn aankomst dadelijk naar bed kon
gaan.
Den volgenden morgen zeer vroeg spoedde hij zich naar het Hôtel du Nord
en het vreemdelingenboek inkijkende, zag hij tot zijn vreugde, dat zij,
die hij zocht, daar werkelijk logeerden. De heer Stubbens ging de
ontbijtzaal binnen en bestelde een kop koffie. Nog niet lang had hij
daar gezeten, toen hij Annie en Mina Holst samen zag binnenkomen, Mina
zag hem en wilde het meisje nog vlug meenemen naar buiten. „Daar zijn,
geloof ik, je kleine vriendjes met hun hond,” zeide zij, maar nog
voordat mijnheer Stubbens was opgestaan om naar hen toe te gaan, had
Annie haar oom gezien.
„Oom!” gilde het kind verrast, snelde naar haar oom toe en wierp zich
verheugd in zijn armen.
„Ga je mee, kleine, ik ben je komen halen,” zeide mijnheer Stubbens,
het meisje kussende.
„Ik verlang zoo naar huis, oompje, ik kan hier niemand verstaan dan
grootma en Mina. Gaan wij nu dadelijk weg?” vroeg het meisje
overgelukkig.
De heer Stubbens was zoo boos op de oude mevrouw, dat hij Annie niet
eens naar boven wilde laten gaan om haar goedendag te zeggen.
„Ja, meisje, wij gaan dadelijk heen,” zeide hij, er tot Mina
bijvoegende: „U weet wie ik ben, niet waar, juffrouw Holst? Welnu, zegt
u dan maar aan mevrouw Hermsen, dat ik Annie weer meegenomen heb, dat
ik mevrouw wel zeer laat bedanken voor de aangename reis, die mevrouw
mijn nichtje heeft laten maken, maar dat ik mevrouw toch vriendelijk
laat verzoeken, mij voortaan eerst te waarschuwen, wanneer het weer
eens mocht gebeuren. En nu heel veel groeten aan mevrouw. Kom Annie,
neem afscheid van de juffrouw, dan kunnen wij gaan.”
„Ga je nu heusch weg zonder je grootma te groeten, Annie, hoe is het
mogelijk!”
Annie keek haar verlegen aan. „Als ik naar boven ga laat grootma mij
misschien niet gaan. Haalt u even mijn goed?” vroeg het kind.
„Waar wil mijn kleine Annie heen?” klonk eensklaps een stem en mevrouw
Hermsen stond in hun midden. Zij schrikte echter geweldig, toen zij
Annie’s oom zag.
„Ja, ik ben het,” zeide deze, „dag, mevrouw Hermsen, ik ben gekomen om
Annie te halen en had juist aan juffrouw Holst een boodschap gegeven
die ik nu zelf aan u kan overbrengen en verder wil ik u nog zeggen, dat
in het briefje, dat Annie in het rijtuig heeft laten liggen en dat nu
veilig en wel bij de politie berust, het handschrift van mijn vrouw
bedriegelijk goed is nagebootst. Degene, die het geschreven heeft, maak
ik mijn compliment.”
„Bij de politie!” riep de oude dame in doodsangst, „u wil toch niet
zeggen, dat u er de politie bij geroepen hebt?”
„Maar, mevrouw, wat dacht u dan? wij hebben vier dagen in doodelijke
ongerustheid doorgebracht, dat is een kleinigheid, die u over het hoofd
ziet. Het kind was door haar vader aan onze zorg toevertrouwd. Wat
hadden wij aan haar ouders moeten zeggen, wanneer zij Zaterdag Annie
waren komen halen en het kind was zoek geweest? Maar, u kan gerust
wezen. Uit eerbied voor uw grijze haren, zullen wij de zaak verder
laten rusten.”
De oude dame scheen merkbaar verlicht.
De heer Stubbens keek op zijn horloge. „Wij hebben nog wel tijd om hier
eerst rustig te ontbijten, Annie,” zeide hij, „wij hebben nog drie
kwartier voordat de trein gaat.”
Toen zij eindelijk weg waren, Annie had dansend van blijdschap de zaal
verlaten, keek de oude dame Mina troosteloos aan. „Wanneer zal ik haar
nu terugzien, Mina?” vroeg zij wanhopend.
„U moet haar later nog maar eens op Zorgvliet te logeeren vragen,”
zeide Mina, „nu meneer getrouwd is, zal hij er niets tegen hebben, dat
zij bij u komt.”
„Zou je denken?” vroeg mevrouw Hermsen reeds gedeeltelijk getroost,
want zij hield het ook niet voor onmogelijk en nu begon zij allerlei
plannen te maken voor den tijd, wanneer het kind bij haar zou logeeren.
Intusschen had de heer Stubbens voor Annie en zichzelf een goed
plaatsje in den D-trein gereserveerd en weldra vertrokken deze.
„Hoe gaat het met Flok?” vroeg het meisje.
„Flok is springlevend, maar in het begin had hij erg het heimwee naar
de kleine vrouw en het heeft Thomas groote moeite gekost om hem te
troosten.”
„Ik verlang ook zoo naar allemaal,” antwoordde Annie. „Om hoe laat zijn
wij thuis, oom?”
„Om vier uur en ik heb den auto aan het station besteld, dan zijn wij
des te eerder thuis.”
Annie vond het heerlijk in de gang te mogen loopen, het was iets nieuws
voor haar, want toen zij met haar grootmama ging, had zij niet in een
D-trein gereisd, en nu was het een heerlijke afwisseling voor het kind
dat, zooals Mina altijd zeide „niemendal geen zit in zich had.” Maar
het aardigste vond zij toch het eten in de restauratiewagen, waar zij
heel deftig tegenover haar oom aan het tafeltje zat. Het kind genoot en
dat deed zij niet in stilte, zoodat menigeen glimlachend naar dat
vroolijke praatstertje keek, dat overal zooveel behagen in schepte.
„Als er nu maar geen andere menschen op onze plaatsen zijn gaan
zitten,” zeide Annie met schrik, toen zij de restauratiewagen verlieten
om hun coupee weer op te zoeken.
„Dat kan niet, meisje, want die plaatsen behooren aan ons, zoolang wij
in deze trein blijven, daar hebben wij extra voor betaald. In een
D-trein betaalt men altijd meer.”
„Waarom noemt u dit een D-trein?”
„Dat zal ik je zeggen. De verschillende wagens van de treinen zijn met
een letter gemerkt. Men heeft de A.B. waggons, daar staan een A en B op
geschilderd en dat zijn rijtuigen eerste en tweede klas, dan heeft men
de C-waggons, dat zijn de derde klasse wagens, verder de D-rijtuigen,
die hebben zooals deze een zijgang en eindelijk de L-waggons, dat
beteekent luxewaggons, die zijn veel mooier dan de andere, daar zit men
op stoelen als in een kamer. De trein, nu, waarin wij op het oogenblik
zitten, bestaat enkel uit D-wagens en daarom noemt men dezen een
D-trein, begrijp je dat?”
„Ja, oom,” antwoordde het meisje, dat het erg gewichtig vond, dat haar
oom haar dat alles vertelde en dat zij nu aan haar vriendinnetjes kon
zeggen, dat zij in een D-trein gereisd had.
„Nu behoef je niet lang meer te wachten Annie, over eenige minuten zijn
wij er,” merkte de heer Stubbens eindelijk op en begon Annie’s valies,
waarin kleeren geborgen waren, die mevrouw Hermsen in Keulen voor het
meisje gekocht had, omdat het kind zonder eenig goed op reis was
gegaan, en het zijne boven uit het net te halen, en niet lang daarna
stoomde de trein het station binnen, en vijf minuten later zat Annie in
den automobiel naast haar tante, die hen was komen halen.
„Goddank, dat wij je weer gezond en wel terug hebben, Annie,” zeide
mevrouw Stubbens en omhelsde het meisje zonder eraan te denken, dat
haar japon ervan kon kreuken.
Annie deed natuurlijk het heele verhaal en was daar nog niet mee
gereed, toen de auto reeds voor het huis stilhield. Men kan zich de
vreugde van Tom en Tine voorstellen, toen Annie weer terug was en ook
op school, waar zij den volgenden morgen natuurlijk weer heenging, was
zij voor haar vriendinnetjes een persoon van gewicht, want geen van
dezen was ooit zooiets overkomen.