Drie weken waren voorbijgegaan, ook de St. Nicolaasavond behoorde tot
het verleden, nadat hij bij de familie Stubbens met groote vroolijkheid
en vele verrassingen gevierd was en op den morgen van den elfden
December, toen Annie zich nog aan het kleeden was, werd er op de deur
van haar kamer getikt en kwam Suze binnen met een brief in de hand.
„Mevrouw zeide, dat ik hem maar gauw bij je boven moest brengen, Annie,
omdat hij uit Engeland komt,” zeide Suze.
„O, Suze, hoe heerlijk, dank je wel,” riep Annie blij en zoodra het
meisje weg was, scheurde zij de enveloppe open en begon den brief te
lezen. Twee dagen te voren waren haar vader en Mary getrouwd en
onmiddellijk daarna, voordat zij op reis gingen, had Mary een kort
briefje (de brief, dien Suze had binnengebracht) aan Annie geschreven
om haar te vertellen dat zij nu op reis gingen en over een dag of tien
hun dochter zouden komen halen.
„Ik heb een brief van mama gekregen, tante,” zeide Annie vroolijk,
zoodra zij de huiskamer binnenkwam, „over een dag of tien komen mama en
papa mij halen.”
„Niets lief van je, dat je daar zoo blij om bent, Annie,” merkte Tom
somber op, „ik ben nog niet half klaar met het dresseeren van Flok en
dien neem je natuurlijk mee.”
„Dat zal waar zijn, Tom, maar je moet maar op Wilgenhorst komen om Flok
nog meer kunsten te leeren, mag hij, tante?”
„Nu, wij zullen eens zien, misschien mag hij, als hij heel braaf is, in
de Paaschvacantie een weekje naar Wilgenhorst komen, als oom en tante
Van Walen hem tenminste hebben willen.”
„Natuurlijk willen zij dat, tante, dat weet ik zeker.”
„Zoo’n verwend klein spook,” bracht haar oom lachend in het midden,
„zij denkt, als ik het maar wil, vinden mama en papa het ook wel goed.”
„Neen, zij vinden het heusch, echt, goed,” antwoordde Annie, „u zal het
zien.”
„Nu het is nog lang, je hoeft er nu je boterham nog niet voor te laten
staan, Annie, eet die nu eerst maar kalm op,” zeide haar tante.
Toen de kinderen naar school waren, zeide de heer Stubbens tot zijn
vrouw: „als Mary en Karel terug zijn, moesten wij hun toch den raad
geven om ook hier te komen wonen en alleen in den vacantietijd naar
Wilgenhorst te gaan, zooals wij met Rustoord doen. Ten eerste behoeft
Annie dan niet weer van school te veranderen en ten tweede geloof ik
stellig, dat het kind zich daar op Wilgenhorst zal doodkniezen nu Paula
daar ook niet meer is en zij hier aan al die vriendinnetjes gewoon is
geraakt.”
„Ik had er ook al over gedacht,” antwoordde mevrouw Stubbens; „het is
alles goed en wel, dat zij veel van haar vader en Mary houdt, maar het
kind moet toch meisjes van haar eigen leeftijd om zich heen hebben; zij
wordt anders veel te ouwelijk, als zij alleen maar volwassen menschen
heeft om mee om te gaan. Als zij hier komen, zullen wij er Karel en
Mary eens over spreken.”
Dienzelfden dag had op Zorgvliet een ander onderhoud plaats.
Mevrouw Hermsen zat weer, zooals op den dag, toen wij voor het eerst
kennis met haar maakten, voor het venster in haar huiskamer te haken,
toen Willem Stokman werd aangediend.
„Je komt als geroepen,” zeide de oude mevrouw, toen Stokman haar bij
zijn binnentreden zeer onderdanig gegroet had. „Ik had je juist eens
willen laten komen om je te vragen hoe je erover dacht het nogeens te
beproeven.”
„Het spijt mij verbazend, mevrouw,” antwoordde de jonge man, „maar ik
kwam hier om u te zeggen, dat ik door de vriendelijke tusschenkomst van
den heer Stubbens ben klaar gekomen op het kantoor van Mr. Van Dungen.
Ik moet er Maandag al zijn en nu ga ik morgen naar de stad om geschikte
kamers te zoeken en meneer Stubbens voor zijn hulp te bedanken.”
„Maar, Willem, dat is dan een prachtige gelegenheid. Je weet niet, hoe
ik naar het kind verlang en zij houden haar nu van mij verwijderd, in
al den tijd dat zij bij de familie Stubbens is, heb ik het meisje maar
driemaal hier gehad en nooit alleen!”
„Ik denk, dat zij uw booze plannen vermoeden,” merkte Stokman
grinnekend op.
„Wel neen, hoe zou dat kunnen? neen, dat was het niet, die kleine Tine
wilde met alle geweld altijd mee, en hoe kan je nu toch van „booze
plannen” spreken? je zoudt er toch geen kwaad door doen, een kind bij
haar eigen grootmoeder te brengen, die toch altijd meer recht op haar
heeft dan een tante?”
„Als het tegen den zin van haar ouders was, zou het wel verkeerd zijn
en, zooals ik u zeg, het is mij onmogelijk verder iets voor u te doen,
nu meneer Stubbens mij zoo geholpen heeft. Ik krijg bij Mr. Van Dungen
een prachtig salaris en wil dat niet door zoo’n onvoorzichtigheid
verspelen.”
„Ja, zoo gaat het altijd, nu je mij niet meer noodig hebt, moet ik
mezelve maar helpen, eerst was je wat blij, dat je dat geld verdienen
kon.”
„Mevrouw, ik kan het werkelijk niet doen,” antwoordde Stokman
vastberaden, „mijn toekomst staat op het spel.”
„Dan zal ik het zelf doen,” antwoordde de oude dame driftig. „Mina wil
ook niet terug naar Wilgenhorst, nu die vreemde vrouw daar zal regeeren
en ik wil niet dat die Engelsche de baas zal spelen over mijn lief
kind!”
„U vergeet, dat zij niet uw kind is, maar dat van meneer Van Walen,
maar u moet natuurlijk weten wat u doet, het zijn mijn zaken niet. Toch
wil ik u nog wel één ding zeggen; ik heb gehoord, dat uw kleinkind met
haar nieuwe mama dweept, zooals meisjes dat kunnen doen; zij waren
altijd samen, dus is het wel hard de vraag, of Annie zal willen.”
„Ik zal het haar niet vragen, ik neem haar eenvoudig mee naar
Duitschland. Ik vind het beter, dat zij bij haar eigen grootmoeder is,
dan bij die Engelsche mevrouw en daarmee uit!”
„Dan heb ik niets meer te zeggen, mevrouw, uw dienaar, mevrouw,” en na
een diepe buiging verliet Stokman het vertrek.
Zoodra hij weg was, liet mevrouw Hermsen Mina roepen. „Mina,” zeide
zij, toen deze verscheen, „je hebt mij immers gezegd, dat je niet meer
naar Wilgenhorst terug wilt?”
„Ja, mevrouw, dat heb ik ook gezegd; ik heb gisteren aan meneer Van
Walen geschreven om hem geluk te wenschen en in dien brief heb ik
meteen gezegd dat ik niet meer terug kwam, want dat meneer mij nu toch
niet meer noodig had en ik nu beter bij u kon blijven. Om het kind
spijt het mij vreeselijk; maar ik wil niet onder zoo’n vreemde dame
staan.”
„Goed, luister dan eens, Mina. Iedereen laat mij in den steek, jij bent
de eenige, die ik nog vertrouwen kan, dus moet jij mij helpen.” En nu
deelde de oude dame Mina Holst al haar plannen mede, terwijl zij
afspraken, dat Mina Holst mevrouw Hermsen en Annie naar het buitenland
zou vergezellen.
Toen Annie den Zaterdag na het gesprek van mevrouw Hermsen met Stokman
om twaalf uur de school uitkwam, stond daar een rijtuig voor de deur en
hoorde zij Louise Bronsma tot den koetsier zeggen: „Daar komt
jongejuffrouw Van Walen. Annie,” vervolgde Louise tot haar, toen zij
haar zag, „deze koetsier heeft een briefje voor je.”
Verbaasd maakte Annie het open. „O, het is van tante,” zeide zij tot
Louise, die nieuwsgierig was blijven wachten om te hooren van wie het
kwam. „Tante zegt, dat ik naar het station moet rijden om papa en mama
te halen,” riep Annie eensklaps dansend van plezier. „Nu al, verbeeld
je Lou, ze zijn nu al terug. Nou dag,” en Annie stapte in het rijtuig,
de koetsier sloot het portier, klom op de bok en reed naar het station.
In het briefje stond dat mevrouw Stubbens geen tijd had om mee naar het
station te gaan, maar dat Annie haar oom in de vestibule van dat gebouw
zou vinden. Tante had haar het rijtuig gezonden, omdat zij anders te
laat zou komen.
Eindelijk hield het rijtuig stil, de koetsier opende het portier, Annie
stapte uit en ging het gebouw binnen, terwijl het rijtuig wegreed.
Het meisje kon haar oogen bijna niet gelooven, toen zij in plaats van
haar oom Mina Holst voor zich zag staan.
„Juffrouw Mina?” riep zij verrast en sloeg de armen om den hals der
oude vrouw.
„Dag, kind, dag mijn lieve Annie!” zeide Mina, die werkelijk aangedaan
was bij het zien van het kind, „ga maar gauw met mij mee.”
„Is oom er niet, moet ik niet op hem wachten?” vroeg Annie.
„Neen, kind, ze wachten je allemaal bij grootmama, kom dus maar gauw,”
antwoordde Mina het meisje bij de hand nemende en met haar de trappen
op loopende naar het perron, waar de trein, die zij hebben moesten,
juist kwam binnenrijden. Zij stapte met het meisje in een eerste klasse
coupee en wees Annie toen op al de drukte buiten, om de aandacht van
het meisje van de oude dame af te leiden. Hun portier werd gesloten, de
chef gaf het sein tot vertrekken en het volgende oogenblik zette de
trein zich in beweging.
„Nu, Annie, zou je je grootmama nu niet eens goedendag zeggen,” klonk
een stem achter haar en zich verbaasd omkeerende, zag Annie op de bank
tegenover haar mevrouw Hermsen in levende lijve zitten.
„Dag grootma!” riep het kind verheugd, „hoe komt u hier, ik dacht dat
pa en ma en oom bij u thuis waren.”
„Noem die vreemde vrouw niet je mama, Annie, je mama, dat was mijn
eigen, lieve dochter, die wij helaas zoo vroeg verloren hebben,” zeide
de oude mevrouw met tranen in de oogen, „die Engelsche is een
indringster en ik zal zorgen, dat zij mijn kleine Annie niet ongelukkig
zal maken. Ik zal je voor haar beschermen, mijn kind.”
Annie zat in stomme verbazing naar haar grootmoeder te luisteren. Zij
begreep niet de helft van hetgeen deze zeide, het eenige dat duidelijk
tot haar was doorgedrongen, was dat haar grootmoeder gezegd had, dat
haar nieuwe mama een indringster was en daarom antwoordde zij eindelijk
driftig: „Mijn nieuwe mama is geen indringster, zij is heel lief, dat
zegt tante Dora ook en ik houd dol veel van haar. Waar is mama?”
Het kind begreep er niets van. Zij zou haar papa en mama en haar oom
bij haar grootma vinden en nu zat grootma bij haar in den trein! het
was alles even verward voor haar.
„Heb je het briefje van je tante nog?” vroeg mevrouw Hermsen zonder op
de vraag van het meisje te antwoorden.
Annie voelde in haar zak, maar vond het niet, „ik ben het kwijt,” zei
zij, „maar waar zijn papa en mama, grootma?”
„Ben je het kwijt? dat is jammer, ik had het graag gezien,” zeide de
oude mevrouw, „om precies te weten wat je tante geschreven had. En je
vraagt, waar je papa en zijn vrouw zijn? voor zoover ik weet zitten zij
nog hoog en droog in Engeland!”
Na een oogenblik gezwegen te hebben vervolgde mevrouw Hermsen, „maar
vraag mij nu niet meer naar die nieuwe vrouw van je papa, Annie, daar
doe je mij verdriet mee. Kijk eens kind, houd je van geconfijte
vruchten, ik heb een doos voor je meegebracht. Ziezoo, smul daar nu
maar lekker van dan zal ik je eens wat zeggen. Nu je papa toch nog in
Engeland is ga jij met grootma op reis naar Duitschland, wat zeg je
daarvan? Vóór de vacantie hoef je nu niet meer naar school en in plaats
daarvan ga je naar Keulen. Daar ben je nog nooit geweest, is het wel?”
Het eerste oogenblik, toen zij hoorde, dat zij haar papa en mama niet
zou zien, was Annie diep ongelukkig en begon zij te huilen, maar weldra
werkten die heerlijke doos met geconfijte vruchten en de gedachte vóór
de vacantie niet meer naar school te hoeven, samen om haar te troosten.
„Vinden oom en tante het goed, dat ik met u op reis ga, grootma?” vroeg
zij, toen zij haar tranen gedroogd had.
„Je eigen grootmoeder heeft toch meet over je te zeggen dan een oom en
tante,” merkte de oude dame op.
Nu dacht Annie eensklaps met schrik aan haar hondje.
„Wij hebben Flok vergeten,” zeide zij angstig.
„Maak je daar maar niet ongerust over, Tom zal wel voor Flok zorgen,”
zeide mevrouw Hermsen en nu begon zij Annie allerlei heerlijks te
vertellen van de reis, die haar wachtte, zoodat het meisje er
langzamerhand werkelijk plezier in begon te krijgen, met hoe langer hoe
meer belangstelling luisterde en de oude dame ten slotte met vragen
overstelpte.
Inmiddels heerschte ten huize van de familie Stubbens groote
verwondering, toen Annie om twaalf uur niet thuiskwam.
„Moest zij misschien schoolblijven, en heeft zij ons dat niet durven
vertellen?” opperde haar oom.
„Neen,” antwoordde Tom, „want wij hadden afgesproken van middag te
zullen gaan schaatsenrijden.”
„Ik begrijp er niets van,” merkte mevrouw Stubbens ongerust op, „ik wou
dat Van Walen maar hier was. Wat moeten wij doen, Johan?”
„Zij laten de meisjes daar op school immers nooit zonder voorkennis van
de ouders of familie schoolblijven?” vroeg de heer Stubbens.
„Neen, man, nooit!”
„Hoe laat is het nu?” hij keek op zijn horloge, blijkbaar zelf niet
wetende, hoe hij de zaak moest aanpakken. „Al half twee,” merkte hij
op. „Thomas, rijd eens even op je fiets naar mevrouw Tillens en vraag
of zij daar is, dan telefoneer ik in dien tijd naar mevrouw Van Scheik.
Of, neen, wacht maar, de Van Scheiks kunnen het wel voor ons aan
mevrouw Tillens vragen, dat is er vlak over; rijd jij liever naar
mevrouw Bronsma, maar daar zal Annie stellig niet zijn; ik zal liever
eerst telefoneeren.”
Hij was even zenuwachtig als zijn vrouw, maar wilde zijn best doen om
kalm te blijven om haar niet angstig te maken. Zijn telefoneeren was
echter tevergeefs, want noch bij de Van Scheiks, noch bij mevrouw
Tillens was Annie geweest. „Rijd dan maar even naar mevrouw Bronsma,”
zeide hij nu, „maar ik weet bijna zeker dat het voor niets is.”
Tom reed als de wind en kwam een kwartier later terug met Louise, die
gelukkig ook kon fietsen.
„Vertel nu maar gauw aan papa, wat je weet, Louise,” zeide Tom, zoodra
zij binnen waren. „Ik zal wel voor de fietsen zorgen.”
De heer en mevrouw Stubbens waren al in de gang gekomen en nu vertelde
Louise dadelijk nadat zij hen begroet had, hoe Annie in een rijtuig van
school gehaald was.
„Wie zat erin?” vroeg mijnheer Stubbens.
„Niemand, het was leeg. Toen ik de school uitkwam, vroeg de koetsier
mij of jongejuffrouw Van Walen er nog was, en Annie kwam toen juist
naar buiten. Toen gaf de koetsier haar een briefje en zij zeide tegen
mij dat het van haar tante was. Zij zeide: „het is van tante en ik moet
naar het station rijden om papa en mama te halen,” en zij was zoo
blij.”
„Een briefje van mij!” riep mevrouw Stubbens verschrikt, „dat heb ik
nooit geschreven!”
Louise keek erg angstig. „Is Annie dan weg?” vroeg zij. „Kan ik niets
doen om haar te helpen zoeken?”
„Neen, kind, dank je wel,” antwoordde de heer Stubbens en Louise ging
naar huis, nadat zij aan den heer en mevrouw Stubbens beloofd had het
gebeurde niet rond te vertellen, en nadat mevrouw haar hartelijk
bedankt had, omdat zij zoo vriendelijk was geweest om met Tom mee te
komen.
Nu achtte de heer Stubbens het noodig naar de politie te telephoneeren
en dat deed hij onmiddellijk.
Niet lang daarna verscheen de Commissaris van politie, aan wien de heer
Stubbens alles vertelde.
„Hoe vreemd, eerst uw dochtertje en nu uw nichtje,” merkte de
commissaris op; „wij zullen onmiddellijk een onderzoek instellen bij de
verschillende stalhouders en zoodra wij iets naders weten, krijgt u
bericht. Ik zal er terstond werk van maken, mijnheer.”
Nog dienzelfden middag, toen de heer Stubbens op het punt stond om uit
te gaan, werd hij opgebeld door den commissaris, die hem meedeelde, dat
men den koetsier, die Annie gereden had en ook het bewuste briefje,
gevonden had; hij zou dit dadelijk komen brengen, maar had voor alle
zekerheid eerst getelefoneerd, uit angst dat de heer Stubbens uit zou
zijn.
„Ik ken het schrift niet, maar het mijne is het zeker niet,” merkte
mevrouw Stubbens op, toen zij het briefje zag.
„Ik had gehoopt, dat u het handschrift kennen zou,” zeide de
commissaris teleurgesteld, „want het is een moeilijke kwestie; de
navraag aan het station heeft ook niets gegeven, want het rijtuig is
naar het schijnt juist op een zeer druk oogenblik gekomen, toen er
verschillende treinen moesten vertrekken, zoodat het niemands aandacht
heeft getrokken. Ik hoopte nu maar, dat u zou kunnen weten wie dit
geschreven had.”
„Neen,” antwoordde mevrouw Stubbens, „men heeft mijn schrift uitstekend
nagebootst, maar toch zijn er enkele dingen anders, maar deze zijn te
gering, dan dat een kind van elf jaar ze zou opmerken.”
„Wij moeten Van Walen waarschuwen,” zeide de heer Stubbens, toen de
commissaris weg was, „maar het gekke van het geval is, dat ik niet
weet, waar ik hem op het oogenblik bereiken kan.”
„Den twintigsten komen ze Annie hier halen,” antwoordde zijn vrouw op
zoo’n angstig bezorgden toon, dat niemand in haar de flinke tante Dora
van anders herkend zou hebben.
Zoo verliepen drie angstige dagen, Mijnheer Stubbens had naar Mary’s
zuster getelegrafeerd, om te vragen of deze het adres van den heer en
mevrouw Van Walen ook wist, maar deze wist het ook niet met juistheid
op te geven.
„Het is ellendig!” riep de heer Stubbens wanhopend, „God weet, waar het
arme kind op het oogenblik is en wij kunnen niets doen dan afwachten
welke tijding de politie ons brengt.” Het kostte hem evenals zijn vrouw
de grootste moeite hier kalm onder te blijven en het was dan ook met
een bezwaard hart, dat hij naar het kantoor van Mr. Van Dungen ging,
met wien hij zaken te verhandelen had.