„Kijk eens, Annie,” zeide mevrouw Stubbens, toen Annie den dag na het
bezoek van haar oom aan den dokter, ’s middags uit school kwam. „Kijk
eens wat ik hier heb.”
„Een brief!” riep Annie blij, „van juffrouw Ackfield?”
„Juist, een brief van juffrouw Ackfield,” herhaalde tante Dora, „en zij
schrijft, dat zij den twaalfden November bij ons komt. Haar zuster gaat
bij onze gemeenschappelijke vrienden logeeren en Mary komt hier,
terwijl je vader op Wilgenhorst is.”
„Verrukkelijk, heerlijk!” riep Annie opgetogen, „twaalf November al en
vandaag is het al de derde.”
„Een mooie rekensom, Annie,” merkte haar oom op. „Vandaag is het de
derde November en de twaalfde komt de logee, hoeveel dagen moeten er
dan nog verloopen, voordat zij er is? Ik wed, dat Tine het nog wel
weet. Kom eens hier, Tine en zeg eens over hoeveel dagen juffrouw
Ackfield komt.”
„Vijf en twintig,” antwoordde de kleine prompt.
„Niet waar,” riep Annie en telde op haar vingers: „vier, vijf, zes,
zeven, acht, negen, tien, elf, twaalf. Negen dagen nog!” en zegevierend
hield zij negen vingers in de hoogte.
„Netjes uitgerekend,” hervatte haar oom, „maar zonder die vingers zou
het nog mooier geweest zijn. Je kunt toch wel uit je hoofd aftrekken,
jongejuffrouw?”
„Ja, oom,” antwoordde het meisje lachend, „maar zoo is het
gemakkelijker.”
„Je mag ook Flok nog wel beter leeren opzitten, voordat juffrouw
Ackfield komt. Ik weet, dat zij veel van honden houdt en dan zal zij
dat zeker wel aardig vinden,” merkte mevrouw Stubbens op.
„Hij kan al prachtig, kijk maar, mooi, Flok, mooi!”
„Keurig, hoor,” zeide mijnheer Stubbens, toen Flok statig als een paal
overeind ging zitten, „hoeveel kaakjes heb jij wel opgegeven, Annie om
het hem te leeren?”
„Hij kreeg er ook altijd een, wanneer ik er een nam, oom,” antwoordde
Annie, terwijl de heer Stubbens lachend opstond om de kamer te
verlaten.
„Dag, ma, dag, pa, verbeeld u Frans gaat weg, wat lam hè?” Met deze
woorden kwam Tom de kamer binnen.
„Wij wisten het al, jongen,” zeide zijn moeder, „je papa is er zelf
voor uit de stad geweest om met oom Stubbens te spreken, bij wien Frans
in huis gaat.”
„Frans is zeker blij, Thomas?” vroeg zijn vader.
„Nou, of ie, ik heb hem nog nooit zoo dol gezien als vandaag en hij
vertelde juist, dat hij bij oom Piet in huis gaat, dat vindt hij ook
zoo leuk.”
„Oom en tante zullen wat te stellen krijgen met vijf jongens in huis,”
merkte zijn vader op. „Denk je ook niet, Thomas?”
„Dat hangt er van af, pa, als zij allemaal zoo lief zijn als Frans en
ik dan zal het wel schikken.”
„Nu, in ieder geval zou ik hem niet feliciteeren,” hernam de heer
Stubbens en gaf Tom schertsend een klap op den schouder, waarna hij den
kamer uitging.
„Tante, vertel mij nog wat van juffrouw Ackfield,” zeide Annie, „hoe
ziet zij eruit, is zij mooi?”
„Zeker, zij is heel mooi,” antwoordde tante Dora nadenkend, alsof zij
zich het gelaat van de bedoelde dame voor den geest trachtte te roepen.
„Zij is een mooie vrouw met een mooi elegant figuur, donker haar en de
liefste oogen, die ik ooit gezien heb. Ik houd heel veel van haar.”
„U maakt, dat ik zoo verlang om haar te ontmoeten, tante, weet u wat ik
zal doen? Ik ga negen streepjes op een papier zetten en iederen dag
schrap ik er een door, dan is het veel gauwer de twaalfde,” zeide
Annie.
„Zou je dat denken?” vroeg haar tante met een glimlach; „ik weet nog
een ander middel dat maakt dat de tijd vlug voorbij gaat, je moet die
beide middelen eens probeeren en dan wed ik, dat het mijne het beste
helpt.”
„Wat is dat dan?”
„Niet leeg zitten, zoodra je je gaat vervelen en moet vragen, tante,
wat zal ik nu gaan doen, ik verveel mij zoo? altijd bezig zijn. Ik
bedoel natuurlijk niet dat je altijd moet leeren en werken,” voegde
mevrouw Stubbens er snel bij, toen zij Annie’s gezichtje zag betrekken,
„iedereen heeft behoorlijk uitspanning noodig, maar al neem je slechts
een papier en potlood om te teekenen, als je maar niet leeg zit, dan
zal je zien, dat de tijd in een oogenblik om gaat.”
„Gaat de dag dan gauwer om, tante?”
„Dat lijkt tenminste zoo; jij denkt toch niet, dat hij een minuut
gauwer verloopen zal omdat jij die streepjes afschrapt?”
„Neen, tante, maar Tom zegt, dat het helpt.”
„Nu, zet jij maar je streepjes en schrap ze af, maar volg ook mijn raad
dan zal je eens zien, hoe gauw het de twaalfde is.”
In den laatsten tijd had Annie eenige neiging getoond tot tijd
verbeuzelen; niet dat zij stil bleef zitten zonder iets uit te voeren,
daarvoor was zij veel te woelig, maar de verschillende gebeurtenissen
der laatste weken en nu weer de op handen zijnde komst van juffrouw
Ackfield, die zulk een groote plaats in haar leven zou innemen, hadden
het kind iets rusteloos gegeven, zoodat zij nu eens dit opnam en dan
weer dat, zonder eigenlijk tot iets te komen, en zich daardoor
verveelde. Mevrouw Stubbens was dan ook zeer blij dat deze gelegenheid
zich voordeed om hier een eind aan te maken en deed al haar best om het
meisje bezigheid te verschaffen buiten de schooluren. Zoo had zij haar
onder andere een keurig schuiertje gegeven en gezegd, dat zij Flok
iederen morgen moest schuieren, zoodat hij een mooi glimmend vel zou
hebben en er netjes uit zou zien tegen dat Mary kwam. Ook moest zij
Tine helpen om Fliks toilet in orde te houden, want die kleine vriend
bezat een groote voorliefde voor het kolenhok, zoodat hij soms meer van
een zwarten, dan van een witten hond had. Verder bedacht tante Dora nog
allerlei andere dingen en haar moeite werd werkelijk beloond; Annie
werd rustiger en klaagde niet meer over verveling.
De elfde November was genaderd en toen Annie ’s middags thuiskwam zeide
haar tante: „nu, meisje, hebben de beide middelen geholpen?”
„Ja, tante, het uwe wel, maar ik heb heelemaal vergeten de dagen af te
schrappen, drie heb ik er nog gedaan, meer niet.”
„Komaan, dat doet me plezier,” antwoordde mevrouw Stubbens opgeruimd,
„dat is een bewijs, dat de tijd je niet te lang gevallen is. Nu nog
maar één dagje, Annie, en wil ik je eens wat zeggen? je mag morgen mee
naar het station om je papa en juffrouw Ackfield te halen. Zij waren
eerst van plan geweest ’s morgens te komen, maar dat plan is veranderd,
zij komen eerst om drie uur aan. Wat een tref, dat het juist op
Woensdag valt, vindt je niet?”
„O, tante, hoe heerlijk, nu kan ik mee naar den trein!” riep Annie
uitgelaten van blijdschap. „Gaan wij in de auto?”
„Ik weet het niet, meisje, maar wees nu niet zoo druk, de menschen op
straat kunnen je hooren, die kijken naar binnen, ik heb er niets tegen,
dat je vroolijk en blij bent, maar je moet niet zoo uitgelaten zijn.”
Wanneer Annie het al te bont maakte, sprak tante Dora nog wel eens
streng tegen haar, zooals vroeger op Wilgenhorst, maar toch hield Annie
nu veel van haar tante evenals deze van haar.
„Ik zou van avond maar vroeg naar bed gaan, Annie,” zeide haar oom dien
middag aan tafel, schertsend, „des te eerder is het morgen, niet waar,
Dora?”
„Ik zou bang zijn, dat zij toch in de eerste uren niet in slaap zou
vallen,” antwoordde mevrouw Stubbens ernstig; „je hebt er geen idee van
hoe uitgelaten dat kind den heelen dag geweest is; wil je wel gelooven,
man, dat ik er suf van ben? Ik heb er haar van middag al de les over
gelezen, maar niets hielp; zij is precies Thomas, wanneer hij een
pretje in het vooruitzicht heeft.”
„Een goed kind, dat naar haar neef aardt, niet waar, Annie,” merkte de
heer Stubbens lachend op. „Na morgen worden wij weer verstandig, is het
niet zoo? dan laten wij aan tante en juffrouw Ackfield zien, dat wij
vroolijk kunnen wezen, zonder uitgelaten te zijn, zoodat wij ons
tegenover juffrouw Ackfield niet hoeven te schamen over de opvoeding,
die wij je hier gegeven hebben. Heb je veel huiswerk te maken?”
„Alleen maar een Fransche thema.”
„Dan weet ik wat, dan gaan wij dadelijk na het eten met Tine en de
hondjes kalm een eindje wandelen, maar die te wild is, wordt dadelijk
naar huis gebracht, hoor. Als wij dan terug zijn zal de thema veel
makkelijker te maken zijn, dan wanneer je er nu direct aan begint.”
Zoo gebeurde het en het gevolg was dat Annie, zoodra zij in bed lag
rustig insliep en eerst wakker werd, toen de zon in de kamer scheen.
Zij ontwaakte met het gevoel, dat er iets prettigs ging gebeuren, maar
zij besefte nog niet dadelijk wat het was. Toen zij eindelijk helder
wakker was en zich alles herinnerde, sprong zij blij uit bed en kleedde
zich vlug aan, want voordat zij naar school ging, wilde zij Flok zoo
mooi maken, als ze maar kon.
Eindelijk was het oogenblik gekomen en reed de auto vóór om haar met
oom en tante naar het station te brengen. Annie keek toen zij, na een
minuut of tien gereden te hebben, aankwamen op de stationsklok. Nog zes
minuten, dan zou de trein er wezen. Op het perron gekomen staarde zij
onafgebroken in de richting, vanwaar haar oom haar gezegd had, dat de
trein komen zou, maar het werd langzamerhand zoo druk, en er kwamen
zooveel menschen, dat zij bang werd, dat zij juffrouw Ackfield niet
zouden vinden.
„Wees maar niet bang,” zeide haar oom troostend, toen zij hem haar
vrees te kennen gaf, „je papa weet, dat wij hem komen halen, zij zullen
niet weggaan zonder ons.” En hij nam het meisje bij de hand, zoodat zij
niet in de drukte van hen af zou raken.
Een dof gerommel deed zich hooren en, werkelijk, daar naderde puffend
en hijgend de trein; hij verminderde zijn vaart en stond eindelijk
stil. Portieren werden geopend, menschen drongen naar voren om zich een
goed plaatsje te veroveren, karren met koffers reden over het perron,
het „past er op!” klonk Annie van verschillende zijden in de ooren en
te midden van al die drukte en al dat gewoel, kreeg Annie eensklaps
haar vader in het oog.
„Papa, daar is papa!” riep zij opgewonden en trok haar oom zoo snel
mee, dat zij bijna samen onder een vrachtwagen kwamen. Voor het
oogenblik, toen zij in de armen van haar vader lag, was Annie juffrouw
Ackfield geheel vergeten, maar de heer Van Walen, die, zoodra hij zich
uit de omhelzing van zijn dochter had kunnen bevrijden, ook zijn zuster
en zwager begroet had, keerde haar om, zoodat zij voor een dame stond,
die volkomen aan tante Dora’s beschrijving beantwoordde.
„Dag mijn lieve, kleine Annie,” zeide een lieve zachte stem en een
oogenblik later voelde Annie zich hartelijk omhelsd. „Ik hoop dat je
veel van mij zult houden,” vervolgde de dame en keek Annie daarbij zoo
teeder aan, dat zij haar hartje stormenderhand veroverde.
De heer Stubbens hielp de dames in den automobiel stappen, en daar zat
Annie nu naast haar vader, tegenover haar tante en haar toekomstige
mama.
„Ik ga voorop zitten, naast den chauffeur, tot straks,” zeide de heer
Stubbens en klapte het portier dicht.
„Dora, ik hoop, dat je niet al te veel last van die wildzang hebt
gehad,” zeide mijnheer Van Walen onder het rijden, terwijl hij Annie
lachend in den wang kneep.
„Dat schikt nogal,” antwoordde mevrouw Stubbens glimlachend, „wij
zullen het nog wel een maandje met elkaar uithouden.”
„Zij is er niet magerder op geworden,” hernam Annie’s vader, blij dat
zijn zuster en de kleine het zoo goed met elkaar hadden kunnen vinden,
„en wat is zij gegroeid, als het zoo voortgaat, duurt het niet lang, of
zij gaat mij boven het hoofd. Zie je er niet tegen op, Mary, zoo’n
groot meisje in huis te krijgen?”
„Niet als dat groote meisje haar best wil doen om van mij te houden”
antwoordde Mary vriendelijk en Annie, die zich al geweld had moeten
aandoen om zoo lang stil te blijven zitten, sprong nu van haar plaats
op Mary’s schoot en sloeg een arm om haar hals. „Dat doe ik al
mamaatje,” zeide zij hartelijk en gaf Mary een kus. „Ik mag immers
wel?” fluisterde zij.
„Natuurlijk,” was het eveneens gefluisterde antwoord en Mary sloeg een
arm om het meisje heen en drukte haar tegen zich aan.
Het volgende oogenblik sprong Annie op. „Wij zijn er!” riep zij, „kijk
daar staan ze allemaal aan de deur met Flik en Flok erbij. Ik heb Flok
ter eere van u heel mooi gemaakt,” vertelde zij vertrouwelijk aan Mary,
„hij glimt zoo mooi, ik heb hem een heelen tijd geschuierd en hem een
rood lint om gedaan.”
„Dan moeten wij hem straks, als wij binnen zijn, goed bewonderen, want
je weet zeker wel, dat ik veel van honden houd?” zeide Mary, haar
vriendelijk toelachend, „ik ben erg benieuwd om kennis te maken met
dien beroemden Flok, waarover je mij zooveel geschreven hebt. Vergeet
vooral niet, dat ik hem moet zien opzitten.”
De automobiel stond stil en de gasten werden vroolijk verwelkomd door
Tom en zijn drie zusjes. Kleine Tine stond al op de stoep te springen
en riep reeds voordat het portier geopend was, met haar schelle
stemmetje: „Dag, juffrouw Mary, dag juffrouw Mary!”
„Wacht eens, ik zal je juffrouw Maryen,” riep toen een vroolijke
mannestem en voordat Tine wist, wat er gebeurde, werd zij in de sterke
armen van mijnheer Van Walen in de hoogte getild.
„O, het is oompje,” zeide de kleine lachend, terwijl ze met haar beide
kleine handen op ooms wangen trommelde en hevig spartelde om weer op
den grond gezet te worden. „Dag, oom Karel,” hernam zij toen deze haar
had neergezet, „waar is nu juffrouw Mary?”
„Wat een kleine schat,” fluisterde Mary tot tante Dora en op Tine
toeloopende, die haar met een paar groote blauwe oogen aankeek, zeide
zij, terwijl zij het kind een kus gaf, „ben jij nu Tine, van wie Annie
mij zooveel verteld heeft? geef tante Mary maar eens gauw een zoentje.”
De kleine deed het en riep toen luid tegen Annie: „Annie, tante Mary is
een heel lieve mama.”
Iedereen lachte en toen Mary de oudere meisjes en Tom ook begroet had,
ging men de huiskamer binnen. „Annie,” zeide tante Dora, „wil jij
juffrouw Mary haar kamer wijzen en zien of alles daar in orde is?”
Dit laatste was eigenlijk overbodig, want telkens als Suze naar boven
was gegaan, was Annie met haar meegeloopen en had zij als een klein
huismoedertje gevraagd: „Suze, heb je ook aan dit gedacht, Suze, heb je
aan dat gedacht?” zoodat er werkelijk niets vergeten was.
Mary Ackfield trok den arm van het meisje door den haren. „Kom, Annie,”
zeide zij, „wil jij me mijn kamer wijzen, dat vind ik aardig, dan gaan
wij, als je het goed vindt, nu naar boven, Dora.”
„Zeker, dat is best,” antwoordde mevrouw Stubbens en hierop verlieten
Annie en Mary het vertrek.
In de logeerkamer bleef Annie weifelend bij de deur staan, niet
wetende, of zij zou mogen blijven, of dat zij moest heengaan.
„Je gaat toch niet weg, Annie?” klonk Mary’s stem vriendelijk. „Kom
hier, laten wij eerst eens gezellig praten en elkaar beter leeren
kennen, het is nog vroeg, wij hebben allen tijd; je hebt mij in je
brieven wel veel verteld, maar ik ben toch verlangend meer over jezelve
te hooren.” Al sprekend had Mary in een grooten armstoel plaats genomen
en nu trok zij het meisje, dat inmiddels dichterbij gekomen was, naast
zich in den stoel.
„Je bent wat te groot voor een schootkindje,” zeide zij lachend, „maar
zoo kunnen wij ook gezellig praten. Ziezoo, vertel mij nu eens van je
vriendinnetjes, Paula woont nu ook hier, is het niet?”
„O, ja, al een heelen tijd en wij hebben zoo’n pret,” en nu volgde een
opgetogen verhaal over al het plezier, dat zij en Paula en de andere
meisjes onder elkaar hadden.
Mary luisterde vol belangstelling, want zij vond het noodig Annie door
en door te leeren kennen en de verhalen van het meisje vermaakten haar.
„Ik merk wel, dat je hier een prettig leventje hebt” zeide zij
eindelijk, toen Annie uitgepraat scheen, „hoe zal je het op Wilgenhorst
maken zonder al die vriendinnen?”
„O, daar denk ik nog maar niet aan, het duurt nog zoo lang, voordat ik
terugga. Ik blijf nog wel een maand hier en wil ik u eens wat zeggen?”
voegde Annie er verheugd bij „ik mag leeren schaatsenrijden, morgen zal
oom voor mij een paar schaatsen koopen en als het blijft doorvriezen,
zal Tom mij op de baan van de ijsclub leeren rijden. Tom zeide, dat het
een schande was, dat ik het nog niet eerder geleerd had, maar papa was
altijd bang dat ik verdrinken zou, maar de baan van de ijsclub is
ondergeloopen land, daarom mag het nu wel.”
„Dat treft al bijzonder goed,” merkte Mary op, „want kijk maar eens,
wat ik voor je heb meegebracht,” en opstaande haalde zij een pak uit
haar koffer en reikte dit aan Annie over.
Annie maakte het open en bracht er een paar schaatsen uit te
voorschijn.
„O, wat ’n prachtige schaatsen!” riep zij blij en er een tegen haar
schoen houdende, voegde zij er bij: „kijk ze passen me precies, dank u
wel, juffrouw Mary.”
„Ben je er blij mee, dat doet me plezier,” antwoordde Mary.
„Nu, òf ik er blij mee ben,” hernam het kind en gaf haar een kus.
„Ik heb voor de anderen ook wat mee gebracht, voor ieder een
kleinigheidje, Annie, kijk eens, kan je de pakjes naar beneden dragen
en uitdeelen terwijl ik mij verkleed?” vroeg Mary.
„Ik zal ze in mijn schort meenemen,” antwoordde Annie, dit kleedingstuk
in de hoogte houdende, zoodat Mary er de pakjes in kon leggen.
„Voor tante Dora, voor Oom, voor Coba, voor Laura, voor Tom en voor
Tine, heb ik de namen niet goed onthouden?” vroeg Mary lachend, terwijl
ze de deur voor het meisje opende.
„Weet u die allemaal nog uit mijn brieven?” vroeg Annie verbaasd.
„Ja, meisje en pas nu maar op, dat je niet de trap afvalt met je
volgeladen schort.”
„Doe eens open, ik heb mijn handen vol,” riep Annie voor de deur van de
huiskamer gekomen.
Hier was de heele familie bij elkaar en Tom riep verbaasd: „Zou het een
grap van Annie zijn?” maar hij stond toch op om de deur voor haar te
openen. „Wel, heb ik van mijn leven, wat is dat allemaal, je lijkt wel
St. Nicolaas met je schort vol pakjes!”
„Juffrouw Mary heeft voor ons allemaal wat meegebracht,” antwoordde
Annie vroolijk. „Voor mij zulke mooie schaatsen, Tom, ik heb ze nog
nooit zoo gezien, ze lijken wel heelemaal zilver. Help je mij nu even
mijn schort leegmaken? ik kan het niet loslaten.”
Zooals wij boven reeds zagen, had Mary niemand vergeten en elkeen van
oud tot jong was even blij met het aardige souvenir, dat zij had
meegebracht.
„Dit popje kan ik niet opeten, dit is om mee te spelen, oom,” zeide
Tine wijs, terwijl zij aan haar oom Van Walen een mooie pop liet zien.
„Maar, waarom zou je dat popje willen opeten, Tine, doe je dat altijd
met je poppen?” vroeg haar oom, terwijl hij haar lachend op zijn knie
trok.
„Die andere popjes kon ik opeten, maar deze kan op den rug van Flik
rijden. Kom hier, Flik,” riep zij en nadat zij zich van haar ooms knie
op den grond had laten glijden, begon zij jacht te maken op den kleinen
fox-terriër, die dat een heerlijk spelletje vond, zich telkens achter
iemand verstopte en dan om een hoekje gluurde om te kijken of Tine
aankwam.
„Wat heb je ons allemaal bedorven, Mary,” zeide de heer Stubbens, toen
Mary Ackfield een kwartiertje later beneden kwam.
„Je hadt mij geen prettiger cadeau kunnen geven, dan dat mooie etui met
scharen, hartelijk dank ervoor, Mary,” zeide tante Dora en gaf Mary een
kus.
„Tante Mary,” riep Tom opgewonden, „ik heb nooit zoo’n zakportefeuille
gezien!” en een arm om Mary’s middel slaande, danste hij met haar in de
rondte.
„Thomas, Thomas, niet zoo wild,” vermaande zijn vader, „je zoudt
juffrouw Mary laten vallen.”
„Kom maar hier bij mij zitten, Mary,” merkte de heer Van Walen lachend
op, „als ik je aan die jeugdige wildebrassen over laat, vermoorden zij
je nog uit dankbaarheid voor al die mooie geschenken.”
„Ja en ik wil geen bedankjes meer aannemen,” zeide Mary, „jullie doet
alsof het heel wat is.”
„Zeg, Mary, welke engel heeft je ingeblazen, dat ik juist mijn
zakpotlood kwijt ben?” vroeg de heer Stubbens, terwijl hij een keurig
gouden potlood in de hoogte hield. „Je verbiedt ons wel om je te
bedanken, maar ik doe het toch, op gevaar af mijn kinderen
ongehoorzaamheid te leeren.”
Natuurlijk bedankten Coba en Laura Mary ook hartelijk voor de mooie
armbanden, die zij voor hen had meegebracht; Coba sloofde zich zelfs
uit om vriendelijk te zijn, waarbij Laura natuurlijk haar voorbeeld
volgde.
Nu braken er heerlijke dagen voor Annie aan. Zij ging hoe langer hoe
meer van Mary houden, die zooveel mogelijk met het meisje samen was.
Zij haalde haar ’s middags van school, ging zelfs den Zaterdag na haar
komst met Tom en Annie naar het ijs om Annie’s eerste lessen in het
schaatsenrijden bij te wonen. Geen wonder, dat het Annie geducht speet,
toen de acht dagen van Mary’s bezoek om waren en zij en haar zuster
weer met den heer Van Walen naar Engeland vertrokken, waar Annie’s
vader en Mary de volgende maand zouden trouwen.
„Het spijt me zoo, dat je niet bij het trouwen kunt zijn, Annie,” zeide
Mary bij het afscheid nemen, terwijl zij het meisje, dat aan haar hals
hing, hartelijk kuste, „maar je papa vindt het beter van niet en je
zoudt het misschien toch niet prettig vinden met al die vreemde
menschen, die je niet kunt verstaan en die niet zouden begrijpen wat
jij zegt. Bovendien moet je nu nog maar zoo lang mogelijk van Paula
genieten, nu zij hier blijft, als jij teruggaat naar Wilgenhorst.”
„Nu, dag kleine meid, als de Kerstvacantie begint, komen mama en papa
hun dochter halen en dan zal zij niet meer alleen zijn met een ouden,
brommerigen papa,” zeide de heer Van Walen schertsend, toen hij Annie
vaarwel kuste.
„U bent geen brommige oude papa,” antwoordde Annie half schreiend „en u
moet gauw terugkomen met mama.”
Mary lachte haar vriendelijk toe en reikte haar vanuit de coupee nog
eens de hand, het portier werd dichtgeslagen en de heer Van Walen en
zijn aanstaande vrouw reden weg, terwijl Annie hen met een bedroefd
gezichtje stond na te kijken. Aan het volgende station zouden zij
Mary’s zuster vinden, die in die afgeloopen week ook nog een dag bij de
familie Stubbens had doorgebracht en dan zouden zij met de nachtboot
naar Engeland vertrekken.