„Wel, Paula, heb je evenveel plezier gehad als den vorigen keer?” vroeg
mevrouw Tillens, toen haar dochtertje weer thuis was.
„O, ja, ma, dol veel en kijk eens wat een mooi broche ik gekregen heb,
de meisjes kregen ieder een broche en de jongens een zakmes en, o ja,
dat is voor u van mevrouw Van Scheik.”
Mevrouw Tillens verbleekte, maar Paula zag het niet. Zij gaf het
briefje aan haar moeder en bekeek toen opnieuw haar broche.
„Nu, Paultje, dien brief zal ik straks wel lezen, laat mij nu eerst je
broche zien en dan vlug naar bed, hoor; het is al tien uur, dus
eigenlijk veel te laat voor je.”
Zoodra mevrouw Tillens alleen was, scheurde zij de enveloppe open en
vond daarin een langen brief van haar zuster. Daarin vertelde deze hoe
zij aldoor verlangd had zich met haar te verzoenen, maar dat zij wist,
dat haar man er tegen was, omdat deze vreesde, dat mevrouw Tillens er
niet op gesteld zou zijn.
Ook zij was altijd bang geweest dat haar zuster geen verzoening zou
wenschen, maar nu zij Paula gezien had, was haar verlangen haar te
machtig geworden en had zij aan haar man gezegd dat zij aan haar zuster
wilde schrijven op gevaar af dat deze van geen verzoening zou willen
hooren. De heer Van Scheik had hierin toegestemd, want ook hij wilde
niets liever dan dat zij het verleden zou vergeven en vergeten en het
zou hem zeer aangenaam zijn, zoo mevrouw Tillens hen wilde ontvangen.
Mevrouw Tillens was overgelukkig. Niemand wist hoe zij al die jaren
verlangd had haar eenige zuster weer te zien. Toen Paula den volgenden
morgen beneden kwam, zeide haar moeder:
„Paula, kom hier bij mij aan tafel zitten, dan zal ik je iets
vertellen. Mevrouw Van Scheik,” vervolgde zij, toen haar dochtertje
gezeten was, „die je den weg gewezen heeft en je dien brief aan mij
meegaf, is je eigen tante, mijn eenige zuster.”
„Hè, ma, waarom heeft zij me dat niet gezegd en u heeft er ook nooit
iets van verteld, hoe vreemd!”
„Ja kind, je bent nu oud genoeg om te begrijpen, wat ik je zeggen zal,
daarom wil ik het je nu vertellen. Heel lang geleden, zelfs nog vóór je
geboorte, hebben je papa en je oom Van Scheik onaangenaamheden gehad en
ik heb toen natuurlijk partij getrokken voor je papa en mijn zuster
voor haar man. Begrijp je dat?”
„Jawel, moes. Waarom waren ze boos?”
Mevrouw Tillens dacht een oogenblik na alvorens te antwoorden. Neen,
het was beter de reden maar niet aan het kind te vertellen. Hoe zou zij
van haar oom en tante kunnen houden wanneer zij wist, dat deze haar
vader van zoo iets verkeerds verdacht hadden?
„Dat is een lange geschiedenis, Paula,” zeide zij dus maar, „waar je
toch niets van zoudt begrijpen, aangezien je geen verstand hebt van
zulke zaken en ik het je toch niet zou kunnen uitleggen. Toen je tante
je nu ontmoette en zooals zij mij schreef, in jou gezicht hoe langer
hoe meer het mijne meende terug te zien, kon zij het verlangen om zich
met mij te verzoenen niet langer weerstaan en schreef ze mij dezen
brief om mij te vragen of ik het verleden vergeten en vergeven wil.”
„Heerlijk!” riep Paula in de handen klappende, „dan zijn Bertha en
Clara dus mijn nichtjes, komen zij hier, moes?”
„Dat weet ik nog niet, ik zal straks aan mijn zuster schrijven.”
Toen Paula en haar moeder een paar dagen later—het was
Woensdagmiddag—op zolder bezig waren, waar Paula als een groot meisje
haar mama met de wasch hielp, kwam het dienstmeisje met een kaartje in
de hand boven.
„Deze heer vraagt of u hem kan ontvangen, mevrouw.”
„Laat meneer maar even in de zijkamer, Lena, en zeg, dat ik dadelijk
bij meneer zal komen.”
Toen Lena weg was, zeide mevrouw Tillens tot Paula: „het is oom Van
Scheik, laat alles maar zoo staan, Pautje, dan zal ik het morgen wel
met Lena afmaken. Het is toch heerlijk voor me zoo’n groote dochter te
hebben, die me helpen kan,” voegde zij er glimlachend bij.
Een oogenblik later traden mevrouw Tillens en Paula het salon binnen,
waar zij den heer Van Scheik en Bertha vonden.
„Dag, Johan,” zeide mevrouw Tillens dadelijk, terwijl ze hem met
uitgestoken hand te gemoet trad, „hoe gaat het je en is dat een van je
meisjes?”
„Mijn oudste dochter,” antwoordde de heer Van Scheik, blij dat ze hem
zoo vriendelijk ontving, „maar niet de eenige hoor, ik heb er nog een
en twee zoons.”
Intusschen hadden de nichtjes ook kennis gemaakt en waren zij samen den
tuin ingeloopen.
„Zij passen aardig bij elkaar, hè, zij zijn geloof ik even oud?” vroeg
de heer Van Scheik. Toen zweeg hij en keek mevrouw Tillens aan. „Het is
een ellendige geschiedenis geweest, Paula,” vervolgde hij een oogenblik
later, „ik had al veel eerder willen komen, maar ik was bang, dat je
niets van ons zoudt willen weten. Je weet niet hoe blij ik ben, dat je
bereid bent alles te vergeven.”
„En te vergeten, Johan; laten wij er nu maar niet verder over spreken.”
„Neen, neen, Paula, dat gaat zoo maar niet, daar kwam ik juist voor
hier. Ik wilde je vertellen, dat ik besloten ben alles nog eens grondig
te laten onderzoeken.”
„Heb je dat dan niet vroeger gedaan, bij het leven van mijn armen man?”
„Zeker wel, maar toen leefde de oude heer Stokman nog en ik ben
langzamerhand tot de overtuiging gekomen, dat hij de schuld van alles
was. Hij schijnt een gladde vogel geweest te zijn, die wel degelijk
belang had bij het wegraken van de bedoelde papieren. Ik word woedend
als ik eraan denk, dat wij, zooals ik nu zeker weet, dien armen Tillens
onschuldig verdacht hebben en het nu niet meer aan hem kunnen goed
maken. Kan jij je voorstellen, wat dat voor een gevoel moet zijn,
Paula? Wil je me toestaan, zooveel ik kan het geleden onrecht aan jou
en je kind te vergoeden?”
„Als je dat verlangt, Johan.”
„Niets liever dan dat,” antwoordde de heer Van Scheik blijkbaar
opgelucht, omdat zij geen wrok koesterde. „Je moet weten,” zeide hij
een oogenblik later, „dat Mina en Clara vandaag mee hadden willen
komen, maar ik wilde je liever eerst alleen spreken om met je te
overleggen. Welke plannen hadt je eigenlijk met Paula?”
„Om je de waarheid te zeggen, had ik nog geen vast plan betreffende
haar. Zij moet natuurlijk haar eigen brood verdienen, ik denk wel, dat
zij bij het onderwijs zal gaan. Zij heeft een goed hoofd om te
studeeren.”
„Wat een toekomst voor het arme kind, naar de kweekschool, examens
doen, en dan de eerste jaren van ’s morgens tot ’s middags aan een
armenschool les geven en tegelijk voor haar hoofdakte werken. En als
zij dan nog maar een goed salaris kreeg, maar dat is ook maar net
genoeg om niet van honger om te komen. Neen, Paula, zoo’n leven wil ik
je dochter zoo mogelijk besparen. Ik heb er in de laatste dagen eens
over nagedacht en ben tot de slotsom gekomen, dat het voor Bertha en
Paula zeker heel aardig zou zijn, samen te werken. Bertha’s groote
illusie is het gymnasium af te loopen en te gaan studeeren; zou Paula
daar ook zin in hebben? zij zou dan een betere toekomst te gemoet gaan,
dan als eenvoudig onderwijzeres.”
„Of zij het prettig zou vinden? dat zou ik meenen!” antwoordde mevrouw
Tillens.
„Wij zijn van plan Bertha het volgend jaar op het gymnasium te doen.
Misschien kan zij dan met bijwerken van Grieksch en Latijn in de tweede
klasse komen en nu had ik het volgende bedacht: Jij komt met Paula bij
ons in de stad wonen, de meisjes nemen samen privaatles en volgend jaar
gaan zij naar het gymnasium. Wat zeg je daarvan? Je zoudt Paula
natuurlijk bij ons in huis kunnen doen, terwijl jij hier bleef wonen,
maar ik begrijp, dat het je te zwaar zou vallen van haar te scheiden en
het kind zou jou te veel missen. Ik heb al een aardig huis voor je op
het oog, niet duurder dan dit en met een flinken tuin, en de opvoeding
van Paula is natuurlijk voor mijn rekening, dat mag je mij niet
weigeren, Paula, anders denk ik, dat je nog boos bent. De cursus is nog
geen twee maanden aan den gang, dus kan zij gemakkelijk invallen en de
school hier is goed zoodat ik niet bang ben, dat zij niet in de zevende
zal komen.”
„Het komt zoo plotseling, Johan, mag ik er een paar dagen over denken?”
„Natuurlijk, maar niet te lang, want het zou het beste wezen, dat Paula
over een week op school kwam.”
„Maar, ik heb hier nog een jaar huur.”
„Dat breng ik wel voor je met den huisheer in orde, laat dat maar aan
mij over, wanneer zoo iemand met een man te doen heeft, zal hij veel
welwillender zijn, dan wanneer jij dat zaakje met hem afhandelt. Nu,
Zondag verwacht ik je antwoord. Wil je ons het genoegen doen, dien dag
bij ons te komen doorbrengen? dan kom ik je om tien uur per rijtuig
halen, je doet er ons allen een groot genoegen mee, dat begrijp je.”
„Zeg aan Mina, dat ik graag zal komen, want dat ik erg verlang haar
terug te zien,” antwoordde mevrouw Tillens.
De meisjes kwamen arm in arm de kamer in en waren dol blij, toen zij
hoorden, dat zij elkaar den volgenden Zondag weer terug zouden zien.
„Ik mag meerijden om tante en Paula te halen, hé pa?” vroeg Bertha.
„Wij zullen het aan mama vragen, als die het goed vindt, heb ik er ook
niets tegen,” antwoordde haar vader. „Maar nu wordt het onze tijd,
jonge dame, neem dus afscheid van tante en Paula.”
Dezen deden hen nog uitgeleide tot aan het hek en een oogenblik later
reden vader en dochter weg.
„Ik heb heel groot nieuws voor je, Pautje,” zeide mevrouw Tillens,
zoodra zij en haar dochter weer alleen waren. „Oom heeft mij een
voorstel gedaan, maar ik heb gezegd, dat ik er nog een paar dagen over
moest denken, want als jij het al te akelig vindt, dan wil ik het niet
aannemen.”
„Wat is het dan toch, moesje?”
„Als het doorgaat zou je van hier weg moeten, zou je dat héél naar
vinden?”
„Ik weet het niet, ma, nu Annie weg is, heb ik het hier zoo stil.”
„Nu, oom kwam vragen of jij er zin in zou hebben met Bertha samen
privaatlessen te nemen, om daarna met haar naar het gymnasium te gaan
en later te studeeren.”
Paula’s oogen glinsterden van blijdschap. „Meent u het? O, moes, het is
bijna te heerlijk!”
„Maar je moet niet vergeten, dat je dan nooit meer hier komt, want wij
moeten dan in de stad gaan wonen en je bent zoo aan het buitenleven
gewend.”
„Ja, moesje, dat is wel zoo, maar u weet niet hoe heerlijk het daar is
met al die andere meisjes. Hier ben ik altijd alleen.”
„Wij waren toch samen, Pautje, maar je hebt misschien gelijk,” merkte
mevrouw Tillens met een zucht op, „jong hoort bij jong en een oude
moeder is geen vroolijk gezelschap voor een meisje van dertien jaar.”
„Neen, ma, dat moet u niet zeggen,” riep Paula verdrietig, terwijl zij
een arm om den hals van haar moeder sloeg, „maar u weet niet hoe
prettig het daar bij mevrouw Stubbens was.”
„Zeker, kindje, ik begrijp het best; dus zal ik dan Zondag maar aan oom
zeggen, dat ik zijn voorstel aanneem?”
„Verrukkelijk, moesje, met Bertha en nu eerst ook nog met Annie op
dezelfde school!” en de anders zoo kalme Paula danste in haar
blijdschap de kamer rond.
Mevrouw Tillens verlangde bijna even sterk naar den Zondag als haar
dochtertje en toen Paula, die den Zondagmorgen al een half uur met den
neus tegen de ruiten gedrukt had gezeten, haar eindelijk opgetogen van
blijdschap toeriep, dat het rijtuig aankwam, stond zij al geheel gereed
te wachten.
Bertha had van haar moeder toestemming gekregen om mee te gaan om haar
tante en nichtje te halen, en het duurde niet lang of mevrouw Tillens
en Paula zaten bij hen in het rijtuig.
„Oom,” zeide Paula, onder het rijden, „als ik dien vorigen Zondag niet
verdwaald was, dan had ik tante niet ontmoet en dan zou u niet bij ons
gekomen zijn.”
„Dat denk je maar,” antwoordde de heer Van Scheik, „ik was het al lang
van plan, maar ik was bang, dat je moeder niets van mij wilde weten en
daarom heb ik niet eerder durven komen.”
„Foei, Johan, hoe kan je zoo spreken, dat weet je wel beter!” riep
mevrouw Tillens verontwaardigd.
„Daar staat mama aan het raam naar ons uit te kijken,” zeide Bertha en
het volgende oogenblik hield het rijtuig voor het huis der familie Van
Scheik stil.
Onmiddellijk werd van binnen de deur geopend en nu had er een innige
begroeting tusschen de beide zusters plaats.
„Ach, Paula, ik heb zoo naar je verlangd,” zeide mevrouw Van Scheik met
tranen in de oogen.
„En ik dan, Mina,” was het antwoord van haar zuster. „Weet je wel dat
het al vijftien jaar geleden is, dat wij elkaar voor het laatst zagen?”
„Spreek er me niet van, het lijkt me een eeuw,” riep mevrouw Tillens,
„maar nu zal het anders worden, want wij komen hier wonen.”
„Ik had wel hoop dat je het voorstel zou aannemen, Paula,” merkte de
heer Van Scheik op, „daarom heb ik alvast den sleutel gevraagd van het
huis, waarvan ik je sprak, dan kan je het van middag gaan zien. Het is
hier schuin tegenover, je kunt het van hier zien, dat huis met het
bordje „te huur.””
„Wat, dat groote huis! zijn de huizen hier allemaal zoo goedkoop?”
vroeg mevrouw Tillens.
„O, je zoudt er versteld van staan als je die prijzen hoorde,”
antwoordde mijnheer Van Scheik met een knipoogje tegen zijn vrouw.
Na de koffie gingen zij gezamenlijk naar den overkant, want de meisjes
wilden natuurlijk ook graag mee en daarna zouden deze Annie gaan
opzoeken en haar voor dien middag ten eten vragen.
De bedoelde woning was wel niet zoo groot als mevrouw Tillens eerst
dacht, maar ze was ruim en gezellig en het heerlijkst van alles was de
groote tuin, die zich achter het huis uitstrekte.
„Als je liever buiten de stad woont om het gevoel te hebben van toch
nog buiten te zijn,” zeide de heer van Scheik, „dan kan je even buiten
de stad ook nog een huis krijgen; je hebt maar te kiezen.”
„Neen, dank je,” antwoordde mevrouw Tillens, „dat buitenleven kan ons
niet schelen, wij zijn veel liever in de buurt van tante, nietwaar,
Pautje?”
„Ja, ma, dat is veel prettiger.”
„Dat is dan in orde,” hernam mijnheer Van Scheik, „dan zal ik dit huis
morgen dadelijk voor je huren en Dinsdag stuur ik je Mina voor een paar
dagen om je met de verhuizing te helpen.”