„Staan jullie nooit op?” klonk Toms stem aan de deur van de kamer der
beide meisjes. Paula was den vorigen dag aangekomen en had weer bij
Annie op de kamer mogen slapen en toen Tom hen kwam roepen waren zij
reeds geheel gekleed en was Annie juist bezig een pakje open te maken,
dat Paula haar zooeven gegeven had.
„Kom maar binnen, Tom, dan kan je zien, wat ik van Paula gekregen heb,”
riep Annie.
„Goeden morgen, dames,” zeide de jongen, terwijl hij de kamer binnen
stapte. „Annie, ik feliciteer je wel met je verjaardag en hier heb je
wat van mij.”
Hij zocht in al zijn zakken en bracht eindelijk een pakje te voorschijn
dat hij van zakgeld voor Annie had gekocht.
„Dank je hartelijk, Tom,” zeide Annie blij, „maar vinden jullie het
eigenlijk niet aardiger als ik de pakjes beneden openmaak? dan zien de
anderen het ook.”
„Zooals je wilt,” antwoordde haar neef, „maar het mijne is niet veel
bijzonders, hoor.”
De kinderen gingen naar beneden, waar zij in de huiskamer de geheele
familie reeds bijeen vonden. Men had van Annie’s verjaardag een waar
feest gemaakt. Haar stoel was met groen versierd, op de ontbijttafel
prijkten bloemen en op een tafeltje in een hoek van de kamer lagen de
verjaargeschenken, terwijl een groot pak, dat zij den vorigen dag had
zien binnen brengen en dat te groot was, om op de tafel te staan, er
naast op den grond was neergezet.
„Wat een boel cadeaux!” riep het meisje opgewonden, „mag ik ze nu
openmaken, tante?”
„Ik zou het maar doen,” antwoordde haar tante, „het is Zondag, dus
hebben wij geen haast.”
„Maar, waarmee zal ik beginnen? er is zooveel!”
„Je was immers al bezig dat van Paula open te maken, dan zou ik daar
maar eerst mee voort gaan,” ried tante Dora haar aan.
Annie liet het zich geen tweemaal zeggen, het had haar al moeite genoeg
gekost om haar nieuwsgierigheid te bedwingen totdat zij beneden was, en
het volgende oogenblik bracht zij een allerliefst pluche werkdoosje te
voorschijn, juist als dat van Paula, dat zij altijd zoo bewonderd had.
„O, Pau, hoe snoezig!” riep zij in verrukking, „dank je wel, hoor,” en
zij gaf haar vriendinnetje een hartelijken kus.
„Zeg, Annie, je zult heel wat te zoenen hebben, als ik die tafel zoo
zie, één, twee, drie, vier, vijf, zes en dan dat groote pak nog, daar
moet je er natuurlijk nog veel meer voor geven.”
Annie begon te lachen. „Flauwe jongen, jij krijgt er alvast geen!”
zeide zij.
„Ga nu door, Annie, ik wil zien,” klonk de stem van Tine, die
ongeduldig werd over die stoornis. „Dit heb je van mij,” voegde het
kleintje erbij.
„En wat van oom en tante?” vroeg Annie.
Haar oom wees op het groote pak en Annie wilde er aan beginnen, maar
haar tante zeide: „dat zou ik maar voor het laatst bewaren, Annie, daar
is zooveel aan te zien.”
„Van grootma Hermsen,” las Annie nu op een van de pakjes en dit nam zij
op.
„Het is zwaar,” zeide zij onder het openmaken, „o, kijk eens hoe mooi!”
en nu hield zij een fraaien zilveren servetring in de hoogte.
„Wat zou daarin zitten?” vroeg Tom op een langwerpig pak wijzende. „Dit
komt heelemaal uit Engeland.”
„Natuurlijk van papa, dit heeft papa geschreven,” antwoordde Annie op
het adres wijzende.
Tine hielp Annie trouw bij het uitpakken en juichte even hard als deze
bij ieder mooi geschenk dat uit het papier te voorschijn kwam.
„Kijk eens wat een prachtig briefkaarten-album!” riep Annie blij, „dat
treft heerlijk, de mijne is juist vol. Er kunnen er vijf honderd in,
daar staat het en er ligt een heel dikke brief van papa bij.”
„De doos is nog niet leeg,” liet Tine zich nu hooren, „er is nog een
pak in, Annie.”
„Dat dacht ik wel,” zeide Tom, „de doos is veel te groot voor het album
alleen.”
Annie haalde er het tweede pak ook uit. Voor Annie van Mary Ackfield,
stond erop geschreven.
„Voel eens, Tom,” riep het meisje met een stralend gezichtje, „ik wed,
dat je kunt voelen wat het is.”
„Een raket, dat ’s leuk voor je.”
„Nou òf het, de mijne is juist stuk; dat is heel toevallig vindt u
niet, tante?”
Tante Dora glimlachte. Zij wist wel dat het geen toeval was, want Mary
Ackfield had aan haar geschreven, of zij ook wist wat Annie graag zou
willen hebben.
Annie legde al de brieven bij elkaar en maakte nu achtereenvolgens de
andere pakjes open. Met alles was zij even blij. Van Tom kreeg zij een
zilveren potlood, van Coba een beeldje, zooals dat, wat deze gebroken
had, van Laura een mooien armband en van Tine een inktkoker met een
porceleinen fox-hondje erop, dat sprekend op Flok geleek, en van Suze
en de andere bedienden, die allen veel van Annie hielden, een grooten
bouquet bloemen.
„Nu nog het groote pak, help je me weer, Tine?” vroeg Annie goedig,
want zij wist dat de kleine het heerlijk vond.
„Wat een boel papier,” zeide Tine met een zucht. Maar aan alles komt
een eind, dus ook aan de verpakking van het geschenk van oom en tante
dat bleek te bestaan uit een zeer mooi notenhouten boekenkastje met
glazen deuren, waarachter Annie drie rijen keurig gebonden boeken zag.
„O!” riep zij en toen was zij er stil van. Zoo iets had zij niet durven
verwachten. Zij omhelsde oom en tante dankbaar en keek toen weer vol
bewondering naar het fraaie geschenk.
„Mama begint Annie al net zoo te verwennen als Tom,” fluisterde Coba
tot Laura, die met haar van uit den anderen hoek van de kamer dit
tooneel hadden aangezien. „Wat ’n ruwe manieren heeft dat kind toch,
zag je wel hoe woest ze mama omhelsde en ma werd niet eens boos, dat
hadden wij eens moeten doen!”
„Wat kan het ma ook schelen, zij gaat immers toch weg, dan kan zij
manieren leeren van die Engelsche dame, die haar mama wordt, die zal
wel strenger tegen haar zijn!” meende Laura.
„Nu eerst ontbijten, kinderen,” zeide mevrouw Stubbens, „dan kan Annie
daarna haar brieven lezen en haar boeken bekijken.”
„Als er bij zijn, die je al kent, dan mag je ze ruilen, Annie,” voegde
haar oom erbij, „er is een lijstje bij en daarvan moet je maar
uitzoeken welke boeken je ervoor in de plaats wilt hebben.”
Om half twee begaven de kinderen zich met den heer en mevrouw Stubbens
naar het voetbalveld om den grooten wedstrijd te zien.
Tom’s vrees voor een natten grond was, zooals wij weten, niet
bewaarheid geworden, want na dien enkelen bui van den vorigen dag had
het niet meer geregend en nu was het zelfs prachtig weer met een
vroolijken zonneschijn.
„Wat boffen wij met het weer, hè,” zeide Tom blij, toen zij op het veld
waren aangekomen, „kijk, het veld is kurkdroog,” en daarna liet hij hen
alleen om zijn voetbalschoenen te gaan aantrekken.
Er was reeds een groot aantal toeschouwers bijeen, zoodat het Tom’s
familie moeite kostte zich een goed plaatsje te veroveren, maar
eindelijk gelukte het hun toch.
De jongens speelden vol vuur en beide partijen waren goed tegen elkaar
opgewassen, terwijl het een oogenblik scheen, alsof de Engelschen
zouden winnen; maar na de rust haalde Tom’s elftal het zoo mooi op, dat
zij tenslotte een glansrijke overwinning behaalden. Aan het gejuich
scheen geen einde te komen en Frans, de aanvoerder, werd op de
schouders der anderen over het veld gedragen.
„Dat zal een gedrang geven bij den uitgang,” zeide de heer Stubbens,
„het zal trouwens overal hier in de buurt druk zijn door de
volksfeesten, die hier van middag gegeven worden. Je moet weten, Paula,
dat wij hier een soort najaarskermis hebben, waarvan het vandaag de
laatste dag is, daarom is het zoo druk.”
„Kermis op Zondag, hoe grappig,” merkte Paula op, „bij ons op het dorp
mag het niet.”
„Hier was het eerst ook verboden maar om de een of andere reden hebben
zij permissie gekregen om vanmiddag na kerktijd nog voor het laatst
feest te vieren,” antwoordde de heer Stubbens. „Als wij van elkaar
afraken moeten wij maar niet op elkander wachten, want iedereen kent
toch den weg naar huis, nietwaar Paula jij weet hem immers ook?” vroeg
hij aan het meisje. „In ieder geval zullen de jongens en Annie wel op
jou passen en Tine mag hier bij papa komen loopen.”
„O, meneer, ik weet den weg nog wel, ik ben al meer hier geweest,”
antwoordde Paula, die zich toch te oud vond dan dat de jongens op haar
zouden moeten passen.
In het eerst ging het goed, maar nu moest men door het nauwe hek aan
den uitgang en daar was een vreeselijke opstopping. Paula heeft nooit
geweten, hoe zij er eigenlijk door was gekomen. Juist toen zij heel erg
in de klem raakte, en geen enkel bekend gezicht meer zag, had zij op
haar schouder een stevigen arm gevoeld, die haar langzaam maar zeker
door de drukte heenschoof. Zij dacht dat het mijnheer Stubbens was,
maar toen zij weer kon ademhalen zag zij in plaats van haar gastheer,
iemand dien zij in het geheel niet kende.
„Ziezoo, jonge dame, nu ben je veilig uit het gedrang, ik dacht op een
gegeven oogenblik heusch, dat je dood gedrukt zou worden,” zeide de
vreemde heer vriendelijk en zonder een bedankje af te wachten, verdween
hij onder de menschen. Paula keek om zich heen, niets dan onbekende
gezichten, maar een eind voor zich uit meende zij tusschen die zee van
hoofden den hoed van mevrouw Stubbens te onderscheiden. Zij baande zich
een weg daarheen, maar toen zij vlak bij de bedoelde dame was gekomen,
zag zij dat zij deze nooit te voren gezien had.
Welnu, daarom niet getreurd, dacht zij, zij zou alleen den weg wel
vinden, zij meende zich nog wel te herinneren, hoe zij op den
Keizersgracht moest komen. Toen zij echter een kwartier geloopen had,
kwam zij aan een plantsoen, dat zij nog nooit gezien had. Zij bleef
besluiteloos staan, maar daar zag zij een dame aankomen, aan haar zou
zij den weg naar den Keizersgracht vragen.
„Mevrouw,” zeide zij beleefd, „zou u mij ook kunnen zeggen hoe ik van
hier naar den Keizersgracht kan komen?”
„De Keizersgracht?” herhaalde de dame, die niemand anders was, dan
mevrouw Van Scheik, peinzend, want het meisje had iets in haar gezicht,
dat haar bekend voorkwam, „die is nogal ver van hier, maar als je even
wilt wachten tot ik hier aan het dienstmeisje een boodschap heb
gegeven, dan kan ik je een heel eind brengen, want ik woon er vlak
bij.”
„Als het u blieft, mevrouw,” antwoordde Paula en bleef wachten, terwijl
mevrouw Van Scheik bij haar kennissen aanschelde en daar een boodschap
afgaf. Een oogenblik later wandelde zij naast haar tante voort, zonder
te weten, dat die vriendelijke dame de eigen zuster van haar moeder
was.
„Moet je ver op de Keizersgracht zijn?” vroeg mevrouw Van Scheik.
„Bij mevrouw Stubbens, daar heb ik vannacht gelogeerd, van avond ga ik
weer weg,” vertelde Paula, die nooit verlegen was.
„Mevrouw Stubbens ken ik heel goed,” hernam mevrouw Van Scheik,
onmiddellijk begrijpende, wie het meisje was, „maar hoe kom je hier dan
zoo alleen?”
„Wij zijn naar den voetbalwedstrijd geweest en bij het uitgaan was het
zoo’n gedrang, dat ik van de anderen afgeraakt ben.”
„Jij bent zeker Paula Tillens, de vriendin van Annie van Walen?”
„Ja mevrouw,” antwoordde Paula verbaasd, „kent u Annie ook?”
„Ja, en ik vind haar een heel aardig meisje; ken jij Annie’s
vriendinnetjes, de meisjes van Scheik ook?”
„Neen mevrouw.”
Mevrouw Van Scheik keek het meisje aan.
„Je lijkt op je moeder, maar nog meer op je vader, Paula.”
„Maar u kent iedereen,” riep het meisje verwonderd, „mama en papa ook
al!”
„Ja, kind, ik ken je moeder, maar wij hebben elkaar in geen jaren
gezien.”
Zij durfde niet meer te zeggen. Nu zij haar nichtje ontmoet had, in
wier gezicht zij hoe langer hoe duidelijker dat van haar zuster
terugzag, kwam een vurig verlangen in haar op om zich met die eenige
zuster te verzoenen, maar zij wilde niets doen zonder voorkennis van
haar man en wanneer deze onverbiddelijk bleef, was het maar beter, dat
het meisje niet wist, wie zij was.
Aan den hoek van den Keizersgracht gekomen, zeide mevrouw Van Scheik:
„Hier zijn wij aan den Keizersgracht, Paula, nu kan je den weg zeker
wel alleen vinden?”
„O, ja, mevrouw, hier de brug over en dan maar rechtuit, is het niet
zoo?”
„Juist, dus kan ik je hier veilig alleen laten? dan ga ik hier de
straat in.”
„Dag mevrouw, ik dank u wel, dat u mij den weg gewezen hebt,” zeide
Paula.
„Dag Paula, ik hoop, dat je verder goed thuis zult komen,” antwoordde
mevrouw Van Scheik, toen lachte zij het meisje nog eens toe en ging
haars weegs.
Vijf minuten later stapte Paula de stoep op bij de familie Stubbens,
waar Tom voordat zij nog had aangescheld, de deur reeds voor haar
opende.
„Wij dachten al dat je verdwaald was,” riep hij, „wij zijn al wel een
kwartier thuis, kom maar gauw binnen, Annie maakte zich al ongerust
over je.”
„Daar is het verloren schaap eindelijk,” liet Coba zich onvriendelijk
hooren, toen Tom en Paula binnenkwamen, „waar ben jij heen gedwaald, je
hadt toch wel bij ons kunnen blijven?”
„Ben je verdwaald geraakt, Paula?” vroeg mevrouw Stubbens vriendelijk.
„Ja, mevrouw,” antwoordde Paula, „eerst werd ik door een heer door het
gedrang heen geholpen, ik dacht dat u het was, mijnheer, maar toen ik
uit de drukte kwam, zag ik dat het een vreemde was.”
Nu vertelde Paula alles wat er gebeurd was, hoe zij eerst gemeend had
den hoed van mevrouw Stubbens te zien, hoe zij later op een plantsoen
gekomen was, waar zij nog nooit geweest was en hoe zij daar toen die
vriendelijke dame ontmoet had, die heelemaal met haar was meegeloopen
tot aan den Keizersgracht.
„Zeker mevrouw Van Meerel, die woont vlak op den hoek van den gracht”
merkte mevrouw Stubbens op. „Maar het doet er niet toe, meisje, wij
zijn blij dat je weer veilig en wel terug bent. Wij hadden juist Thomas
uit willen sturen om te zien waar je bleef, want wij zijn al een minuut
of tien thuis.”
„O, tien minuten maar? hij zeide een kwartier.”
„Ik denk, dat hij zoo naar je verlangde, dat die tien minuten hem meer
dan een kwartier schenen,” zeide mijnheer Stubbens.
Paula begon te lachen en op hetzelfde oogenblik ging de deur open en
bracht Suze een briefje binnen voor Paula.
„Jongejuffrouw Paula Tillens,” stond op het adres.
„Van wie kan dat zijn?” riep Paula verwonderd, „het is een dikke
brief.”
„Lees hem maar even, Paula,” zeide mevrouw Stubbens, „wordt er op
antwoord gewacht, Suze?”
„Neen, mevrouw.”
Paula scheurde de enveloppe open en nu kwam daar nog een kleinere uit
te voorschijn, geadresseerd aan mevrouw Tillens en een kort briefje aan
Paula zelve:
„Lieve Paula,
Om verschillende reden kon ik je van middag, toen ik je ontmoette,
niet zeggen wie ik was. Wil je nu voor mij aan je moeder inliggend
briefje geven? Daarmee zal je ten zeerste verplichten
je
M. van Scheik.”
„Hoe grappig, dat mevrouw Van Scheik mij dat van middag niet heeft
gezegd,” zeide Paula, terwijl zij het briefje aan mevrouw Stubbens
overhandigde.
„Mag ik het lezen, Paula?”
„Ja, mevrouw, vindt u het ook niet grappig?”
„Je hoort het, het staat hier; mevrouw had er haar redenen voor. Die
zal zij wel in dat andere briefje aan je mama schrijven. Pas maar goed
op, dat je het niet verliest.”
Daar het dien avond later was geworden dan den vorigen keer, kon Annie
niet meegaan om Paula weg te brengen; de vriendinnetjes namen dus, toen
de auto voorreed, afscheid van elkaar en de heer Stubbens bracht Paula
naar huis.