„Nu, kind,” vroeg haar tante, toen Annie den brief had uitgelezen, „heb
ik te veel gezegd, is het niet een heel lief briefje van Mary?”
„Ja, tante,” antwoordde Annie, maar zij vond de gedachte een nieuwe
moeder te zullen krijgen maar half prettig. Bovendien had zij aan
brieven schrijven een hekel, behalve natuurlijk aan die welke zij aan
haar vader schreef, want daarin kon zij alles vertellen, wat zij op
school en bij oom en tante Stubbens beleefde. Om nu aan juffrouw
Ackfield te moeten schrijven, die zij in het geheel niet kende, vond
zij echter vreeselijk, zij was er zelfs, o wonder, aan tafel stil van.
Haar oom had medelijden met haar en stelde haar daarom voor om na het
eten met hem en Flok een wandeling te gaan maken. „Tine kan van avond
niet mee, omdat het dan te laat voor haar zou worden,” voegde de heer
Stubbens erbij, toen hij zag dat het gezicht van de kleine betrok,
„maar zij gaat morgen heel alleen met papa uit. Vind je dat niet
deftig, Tine, met papa en Flik te gaan wandelen? Dan mag je Flik aan
den ketting vasthouden.”
Tine klapte van blijdschap in haar handjes. „Dan kan hij niet
wegloopen, paatje.”
„Als je hem maar goed vasthoudt, kan hij niet weg.”
Annie vond het ook heerlijk met oom Stubbens uit te mogen gaan en
snelde na tafel dadelijk naar boven om zich klaar te maken en Flok zijn
halsband om te doen.
„Waar zullen wij heengaan?” vroeg haar oom, toen zij op straat waren.
„Heb jij al bedacht, waar je graag heen zou gaan, Annie?”
„Neen, oom.”
„Nu, wat zou je dan zeggen van een bezoek aan „het Koetje?”” („Het
Koetje” was een uitspanning even buiten de stad gelegen.)
„Heerlijk, oom, mag Flok daar komen?”
„Natuurlijk, anders zou ik het toch niet voorstellen. Wij zouden het
kleine mormel immers niet buiten kunnen laten. Hij zou onmiddellijk
verdwalen.”
Annie stapte deftig naast haar oom voort, terwijl Flok aan zijn ketting
voor hen uit trippelde en van tijd tot tijd, als het te druk werd,
tusschen hen in kwam loopen, alsof hij bij hen bescherming zocht.
Alles ging goed. Een minuut of tien, nadat zij de laatste huizen van de
stad achter zich hadden gelaten, bereikten zij „het Koetje” en Annie
zat daar heel deftig met haar oom in den tuin iets te gebruiken.
„O, daar is meneer Stokman!” riep Annie eensklaps en in de aangeduide
richting kijkende, zag de heer Stubbens een lange jongeman het hek
binnenkomen.
„Dag, meneer!” riep Annie, zoodra het jongmensch dicht genoeg genaderd
was om haar te kunnen hooren. „Dag, meneer, kijk eens, heeft Flok geen
mooien halsband aan?”
Stokman keek verwonderd op en kreeg een kleur, toen hij het meisje zag.
Zij moest eens weten, dacht hij, welke plannen de oude mevrouw en ik
tegenover haar gekoesterd hebben, maar als mijnheer Stubbens mij aan
die mooie betrekking helpt, dan kan mevrouw Hermsen dat zaakje zelf
opknappen; zij zegt wel dat er geen kwaad in steekt, maar recht pluis
is het toch niet en hier heb ik een prachtige gelegenheid om kennis te
maken met mijnheer Stubbens.
„Oom,” zeide Annie, toen Stokman met een diepe buiging zijn hoed voor
den heer Stubbens afnam, „dit is nu meneer Stokman, die bij grootma met
ons gespeeld heeft. Komt u bij ons zitten, mijnheer?”
„Als mijnheer Stubbens het mij veroorlooft, zeer graag,” antwoordde
Stokman.
„Het zal mij zeer aangenaam zijn, nader kennis met u te maken, mijnheer
Stokman,” zeide de heer Stubbens. „Ik heb door de kinderen al veel over
u gehoord. U is, meen ik, werkzaam bij de firma Hermsen?”
„Om u te dienen, mijnheer,” antwoordde Stokman plaats nemende.
„Het heeft mij altijd verwonderd,” hervatte de heer Stubbens, „hoe in
dat kleine dorp, dat ook nog betrekkelijk dicht bij de stad ligt, die
zaak zulk een omvang heeft kunnen aannemen.”
„De oude heer Hermsen had veel relaties en daar profiteert de
tegenwoordige eigenaar van de zaak nu van, maar ik voor mij zou toch
veel liever in de stad werkzaam zijn; ik geloof, dat een jongmensch
daar meer vooruitzichten heeft, daarom wil ik ook moeite doen voor die
vacature hier in de stad bij Mr. Van Dungen.”
„Daar wordt een chef-boekhouder gezocht, is het niet?”
„Jawel, mijnheer.”
„Zoo, en zou u daar graag geplaatst willen worden? u heeft zeker goede
getuigschriften?”
„Zeker, mijnheer, de firma Hermsen kan niet anders dan goed van mij
zeggen. Ik ben er al van af mijn twaalfde jaar en heb altijd mijn
plicht gedaan.”
„Kan mevrouw Hermsen u daar nu niet in helpen? Ik denk dat er wel veel
sollicitanten zullen zijn en dan doet voorspraak veel goed.”
„Dat is het juist, mijnheer, daarom heb ik zoo weinig hoop. Mevrouw zou
mij graag helpen, maar zij kent die heeren niet. Nu sprak mevrouw er
wel van, dat zij er eens met u over zou praten, omdat u Mr. Van Dungen
wel zal kennen, maar hoe zou u mij nu kunnen aanbevelen, die niets van
mij afweet.”
„Ik zal u eens wat zeggen, mijnheer Stokman, ik help graag een
jongmensch voort, wanneer hij het verdient. Ik zal naar u informeeren
en als de informaties goed zijn, zal ik met Mr. Van Dungen over u
spreken. Ik ken hem heel goed en zal er zoo spoedig mogelijk werk van
maken.”
„Mijnheer is al te goed,” riep Stokman dankbaar.
„Bedank mij nu nog maar niet, mijnheer, u heeft de betrekking nog
niet.”
Intusschen was Annie, die veel te woelig was, om ergens lang te blijven
zitten en wie het ernstige gesprek van de heeren verveelde, van haar
stoel opgestaan en met Flok door den tuin gaan wandelen.
Nu kwam zij naar het tafeltje terugrennen. „Oom,” riep zij, „Flok trekt
zoo, zou ik hem durven loslaten?”
„Ik geloof, dat het hier wel veilig kan, maar pas op, dat je hem niet
uit het oog verliest.”
Annie maakte den ketting van den halsband los en Flok sprong dartel
rond, terwijl Annie achter hem aan holde.
Eensklaps hoorden de heeren een gil. „Oom, oom, hij is weg!” klonk
Annie’s stem doodelijk verschrikt.
De heer Stubbens en Stokman sprongen op en liepen naar het meisje toe
en nu wees Annie hun huilend, dat Flok onder het struikgewas en het hek
was door gekropen.
„Het is niets,” zeide Stokman, „ik zal hem wel terughalen,” en hij liep
om het hek heen en den weg op, gevolgd door Annie en haar oom.
Annie huilde nog steeds als een wanhopende.
„Stil, kindje,” troostte de heer Stubbens haar, „wij zullen hem wel
vinden,” maar aan den overkant van den weg lag een bosch, zoodat het
groote moeite zou kosten om het hondje terug te vinden. De heeren
riepen en floten, maar geen Flok.
„Had ik Hector maar hier,” zeide Stokman, „maar die is thuis, hij zou
Flok wel dadelijk opsporen. Maar, wacht eens, ik heb een idee, de
kastelein hier heeft ook een grooten hond, misschien kan die het ook.”
Hij liep terug naar de uitspanning en vroeg aan den kastelein: „Van
Wolderen, is Vik thuis?”
„Jawel, mijnheer.”
„Zou Vik in staat zijn een ander hondje op te sporen, zooals mijn
Hector dat doet?”
„Hij vindt hem onmiddellijk, mijnheer, als u hem iets van het hondje
laat ruiken.”
„Wij hebben niets dan een ketting.”
„Het is niet veel, mijnheer, maar wij kunnen het probeeren.”
Van Wolderen ging Vik halen, een grooten, mooien hond met spitsen kop
en staande ooren, en bracht hem naar buiten, waar Annie en haar oom
wanhopige pogingen deden om Flok te zoeken, en vroegen Annie om den
ketting.
„Het is niet veel. Heeft u niets anders van hem?” vroeg Van Wolderen.
„Neen,” antwoordde Annie bedrukt, maar eensklaps klaarde haar gezicht
op, en haalde zij haar zakdoek uit haar zak. „Hier heb ik hem vóór wij
uitgingen mee gewreven, dan wordt hij zoo mooi glad,” zeide het kind.
„Dat is beter, geef dien zakdoek ook maar hier, jongejuffrouw,” merkte
Van Wolderen op en liet nu den hond eerst den ketting ruiken. Vik snoof
en snuffelde, maar scheen onbevredigd. Toen hem echter den zakdoek werd
voorgehouden en hij dien geroken had en zijn baas zeide: „zoeken, Vik!”
toen begon hij te kwispelen en te trekken om los te komen. Stokman nam
hem mee aan een langen ketting en nadat hij den kastelein had
toegeroepen: „ik breng hem je zoo dadelijk terug, Van Wolderen,”
verdween hij in het bosch, waarheen de hond hem meetrok.
„Kom,” zeide de heer Stubbens, Annie bij de hand nemende, „wij zullen
maar binnen gaan wachten tot hij terugkomt. Annie, je kunt nu gerust
zijn, ik ben overtuigd dat Vik den kleinen Flok heel gauw vinden zal. U
schijnt mijnheer Stokman goed te kennen,” voegde hij er tot den
kastelein bij, „mijnheer komt zeker nog al eens hier?”
„Ja, mijnheer, en ik ken hem al jarenlang. Een net jongmensch, vindt u
niet?”
„Ik ken hem eigenlijk niet,” antwoordde de heer Stubbens; „zoo, zoo, er
is dus niets op hem te zeggen?”
„Voor zoover ik weet, niet. Hij is heel anders dan zijn vader; dien heb
ik ook nog wel gekend, die was ook bij Hermsen op kantoor, maar dien
vertrouwde ik niet erg, die had vond ik, zoo’n valsch gezicht en dat
heeft de jonge mijnheer nu heelemaal niet, die lijkt meer op zijn
moeder. Een gunstig uiterlijk, dunkt u ook niet?”
„Ja zeker. Hij is zeker ook al lang bij de firma Hermsen werkzaam?”
„Hij was er al te gelijk met zijn vader. Ik kom daar dikwijls in het
dorp, ik heb er familie wonen, ziet u. Willem Stokman is eigenlijk ook
nog een verre neef van me, door zijn moeder, maar dat is bijna niet
meer uit te rekenen en zijn vader wou het nooit weten. Maar, wat ik
zeggen wilde, hij, de jonge Willem, was al op het kantoor, toen
mijnheer Tillens er nog was. U heeft er misschien wel van gehoord, dat
er toen zoo’n herrie is geweest over weggeraakte papieren? Zij hielden
het wel stil, maar zooiets lekt toch uit.”
„Ja zeker, ik heb er ook van gehoord,” antwoordde mijnheer Stubbens,
die er meer van wilde weten. „Mijnheer Tillens is toen weggegaan, niet
waar?”
„Juist, mijnheer, omdat men hem er de schuld van gaf, maar ik geloof er
niets van, de man was veel te eerlijk en had er niets geen belang bij,
de stukken zoek te maken. Wil ik u eens wat zeggen, mijnheer,” voegde
Van Wolderen er geheimzinnig fluisterend bij, „ik laat mij hangen, als
mijn waarde neef het niet gedaan heeft.”
„De jonge?”
„Neen, die was nog bijna een kind, die wist van niets, neen, de oude.
Je durft zooiets niet hardop zeggen, maar je moogt het daarom toch wel
denken.”
„Kon hij er voordeel mee hebben?”
„Dat weet ik niet, ik weet niet wat het voor papieren waren, maar ik
durf er mijn hoofd onder verwedden, dat mijnheer Tillens er werkelijk
niet van wist. Ik heb altijd zoo’n vermoeden gehad, dat die stukken
iets te maken hadden met het huis, waarin de oude Stokman woonde, ik
weet toevallig dat dit aan mijnheer Van Scheik behoort. Maar het is
zoo’n oude geschiedenis, dat er nu wel niets meer van zal uitkomen.”
„Oom,” zeide Annie, die ongeduldig werd, „laten wij nog eens gaan
kijken.”
„Goed, kom dan maar mee, kleine meid,” antwoordde haar oom, die
medelijden met haar had.
Zoodra zij het hek uit waren, liet Annie een vreugdekreet hooren.
„Daar komen zij!” gilde zij bijna en snelde Stokman te gemoet, die
werkelijk in de verte aankwam, terwijl Vik vóór hem uit naar huis
holde.
„Hebt u hem?” riep Annie en nu hield Stokman een klein wit balletje in
de hoogte.
Uitgelaten van blijdschap klapte het meisje in de handen. „Ben je daar,
mijn Flokje, mijn zoete Flokje?” riep zij, zoodra Stokman naderbij
gekomen was, en het hondje van hem overnemende, zeide zij: „dank u wel,
mijnheer, dat u hem voor mij hebt opgezocht.”
Zij koesterde haar lieveling in haar armen en Stokman moest haar
precies vertellen, hoe het gegaan was.
„Wel,” antwoordde deze, „Vik trok mij dadelijk mee het bosch in en liep
zoo hard, dat ik hem bijna niet kon bijhouden. Eens rende hij dwars
door het kreupelhout, zoodat ik op een gegeven oogenblik vlak op mijn
neus viel. Hij doet er nog pijn van,” voegde hij er lachend bij.
Annie keek hem aan. „U hebt toch geen buil, dat spijt mij voor u.”
„Wat! spijt het je? jij bent ook een mooie!”
„Ja, vindt u het dan niet kranig om er een te hebben? Tom was zoo blij,
dat hij er een had, hij zeide dat het zoo kranig stond, want dat
iedereen nu kon zien, dat hij zoo flink gevochten had.”
„Wie is Tom?”
„Mijn neef.”
„En heeft die zoo gevochten, tegen wien?”
„Met voetballen. Een van de jongens heeft hem bij ongeluk een stomp
boven zijn oog gegeven en toen had hij een groote buil. Maar hij was er
blij mee.”
„Nu, ieder zijn smaak, ik heb er liever geen,” antwoordde Stokman.
Al pratend waren zij bij den heer Stubbens en Van Wolderen gekomen en
Stokman nam afscheid, nadat Annie’s oom hem nog eens vriendelijk voor
zijn hulp bedankt had. „Ik beloof u, ik zal mijn best doen voor u,”
riep de heer Stubbens hem nog toe.
Annie riep Vik bij zich, die zich door haar liet streelen en aanhalen,
terwijl zij Flok nog in haar arm geklemd hield.
„Knappe Vik, brave Vik,” zeide het meisje en Vik keek vereerd en drukte
zijn kop tegen het meisje aan.
Toen de heer Stubbens Van Wolderen een vergoeding wilde geven voor het
leenen van zijn hond, wilde deze er niets van hooren.
„Zeker niet, mijnheer,” zeide de kastelein, „ik ben altijd blij als Vik
een gelegenheid heeft om zich te oefenen, daar heb ik later nut van als
hij eens iets voor mij moet opsporen.”
„Nu dan mogen wij er Vik toch zeker wel iets voor geven?” vroeg de heer
Stubbens. „Annie, wij zullen Vik een mooien halsband geven.”
„Wil u wel gelooven, meneer,” merkte Van Wolderen op, „dat hij het
prettig vind als hij iets moois heeft? Laatst bond de kleine meid hem
een rood lint om den hals en toen riep zij: „wat is Vik mooi, wat ’n
mooie Vik,” en werkelijk, jongejuffrouw, je kon zien, dat hij blij
was.”
Annie genoot van die verhalen; zij hield dol veel van honden en lachte
vroolijk over Viks ijdelheid.
Flok werd nu weer aan den ketting genomen en de heer Stubbens en Annie
begaven zich op weg naar huis, waar zij zonder verdere ongelukken
aankwamen.
Thuis gekomen, stormde Annie met Flok de huiskamer binnen, waar Tom en
zijn moeder zaten. „O, tante, verbeeld u, Flok is weggeloopen en
mijnheer Stokman heeft hem met Vik teruggehaald. Gelukkig dat hij er
weer is, hè, ik was zoo bang, dat hij voor goed weg was!” en nu volgde
het geheele verhaal van Floks redding en lachend voegde Annie erbij:
„en meneer Stokman is zoo op zijn neus gevallen!”
Tom lachte luidkeels mede, maar zijn moeder werd boos.
„Hoe is het nu mogelijk, kinderen, dat je daarom lachen kunt; je
begrijpt toch wel, dat mijnheer Stokman zich daarbij bezeerd heeft, en
daar lach je nu om, terwijl mijnheer nog wel je hondje voor je heeft
opgezocht, Annie, hoe onaardig!”
Hun lachen verstomde dadelijk.
„Hij lachte er zelf om, tante, en daarom dacht ik, dat ik het ook wel
doen mocht,” merkte Annie verlegen op.
„Hij zeide toch dat hij zich pijn had gedaan, daar mag je dan toch niet
om lachen.”
Annie zweeg.
„Nu, kinderen,” zeide mevrouw Stubbens, „het is voor Annie tijd om naar
bed te gaan, vlug dus een boterham eten en naar boven, kleine meid,
Tine ligt al wel een uur in de veeren.”