Toen Tine, die reeds half sliep, door haar moeder werd uitgekleed,
zeide het kleintje met een slaperig stemmetje: „Maatje, mag ik het
hondje hebben?”
„Eerst lief slapen, dan zullen wij het morgen aan papa vragen,”
antwoordde haar moeder en kuste haar, toen zij eindelijk in bed lag,
goeden nacht.
Den volgenden morgen, zeide mevrouw Stubbens: „Tine mag dit briefje
voor mama in de bus doen. Zal je het heel netjes doen?”
„Wat voor briefje?” vroeg de kleine, nieuwsgierig naar de enveloppe
kijkend. Eenige drukletters kon zij al lezen, maar geschreven schrift
was haar nog te moeilijk.
„Kleine meisjes mogen niet vragen, dat heb ik Tine van morgen al meer
gezegd,” antwoordde haar moeder, want de kleine had haar van het
oogenblik dat zij was opgestaan, tot dat zij naar haar fröbelles zou
gaan voortdurend achtervolgd met de vraag of zij het hondje mocht
hebben.
In het briefje, dat zij weg moest brengen, gaf mevrouw Stubbens juist
daartoe haar toestemming. Ze vroeg daarin, of Mina Holst den volgenden
dag het hondje zou mogen komen brengen.
Zoodra zij om twaalf uur thuis kwam, snelde Tine naar haar moeder toe.
„Heeft maatje al aan papa gevraagd of ik het hondje mag hebben?” vroeg
zij dadelijk.
„Tine, luister nu goed,” zeide mevrouw Stubbens streng, „als je er nu
nog ééns om vraagt, komt het hondje niet.”
Het kind begon te huilen.
„En als je huilt ook niet. Ga nu spelen.”
Pruilend verliet Tine de kamer en ging haar troost zoeken bij Tom en
Annie, die juist waren thuis gekomen.
„Wat scheelt eraan, Tine, waarom huil je?” vroeg Tom.
„Ik wou zoo graag het hondje hebben, maar maatje zegt, als ik er nog
ééns om vraag, dan krijg ik het hondje niet.”
„Heeft moes dat gezegd? nou wees dan maar stil, want dan geloof ik
stellig, dat je het krijgt.”
„Zou je denken, Tom?” vroeg Annie, „nu, dat zou dol zijn, een kleine
hond! Ik wou dat ik er een had.”
„Hebben jullie dan geen hond op Wilgenhorst?” vroeg Tom.
„Niets dan een heel ouden waakhond, maar papa zegt altijd: „als er ooit
een dief komt, zal Bruno kwispelstaartend naar hem toe loopen en hem
een poot geven.””
Tom begon luidkeels te lachen. „Nou, zeg, dat is ook een mooie
waakhond,” zeide hij.
„Zeg, Tine,” voegde hij er een oogenblik later bij, „als jij dat hondje
krijgt, zullen wij hem leeren om door een hoepel te springen en op te
zitten en pootje te geven en allerlei kunstjes meer en...”
„Je weet niet eens of zij hem hebben mag, Tom,” viel Coba, die
intusschen was binnengekomen, haar broer in de rede, „praat er nu niet
zoo over anders geeft het weer een zondvloed van tranen, als Tine dien
hond niet krijgt.”
„Als Tine hem niet hebben mag,” antwoordde Tom, „dan moet zij maar
wachten, tot ik groot ben en mijn eigen geld verdien, dan kan zij bij
mij komen wonen en dan nemen wij net zooveel honden als Tine maar
hebben wil.”
„Een mooie rommel zal dat bij jullie worden,” merkte Coba op, „ik heb
een hekel aan honden, zij bijten alles stuk.”
Toen de kinderen den volgenden dag om twaalf uur uit school kwamen,
vonden zij in de huiskamer Mina, die een groote sluitmand op de schoot
had. Annie snelde verheugd op het oude menschje toe en toen Mina zich
eindelijk uit haar onstuimige omhelzing had losgemaakt, zeide zij: „Wat
denken jullie nu wel, dat ik hier in deze mand heb? Mag ik het hun
laten zien, mevrouw?”
„Zeker, Mina.”
De meisjes gingen ieder aan een kant van Mina staan om goed te kunnen
zien en toen tilde de oude juffrouw voorzichtig het deksel op.
„O!” riepen de kinderen beiden in verrukking, want in de mand bevonden
zich twee allerliefste kleine fox-terriërs met ronde kopjes, lompe
pootjes en schitterende oogjes.
Dadelijk vroeg Tine: „mag ik er een van hebben?”
„Ja,” antwoordde haar moeder, „en het andere is voor Annie.”
„Haal jij ze er nu eens netjes uit, Annie, zonder ze te laten vallen,”
zeide Mina. „Zij zijn al tien weken oud en kamer-zindelijk, mevrouw,”
voegde zij er tot mevrouw Stubbens bij, terwijl zij Annie hielp om de
witte molletjes op den grond te zetten.
„O, Tine, zijn ze niet schattig?” riep Annie in verrukking.
„Kijk,” hervatte Mina, „zoodra ik ze zag, dacht ik dat is nu een aardig
hondje voor Annie en ik had het haar met haar verjaardag willen geven
maar nu ik er toch een voor Tine moest brengen, heb ik Flokje ook maar
meegebracht.”
„Mag ik hem houden, tante?” vroeg Annie, het hondje opnemende.
„Wel zeker, Annie, het huis is groot genoeg.”
„Heerlijk, heerlijk, heerlijk!” riep Annie om de tafel heendansend,
nadat zij Flok weer op den grond had gezet, en door haar vroolijkheid
aangestoken, holden de twee witte hondjes haar achterna en rolden
daarbij over elkaar heen.
Flokje was geheel wit met een bruin snoetje en bruine wenkbrauwen,
terwijl Tines hondje een zwarten neus en een zwarte vlek op den rug
had.
„Wel, heb ik ooit, twee, dat is leuk!” klonk eensklaps een vroolijke
stem en Tom, die altijd als een bom een kamer in kwam vallen, trad
binnen.
„Dag, Thomas,” zeide zijn moeder op terechtwijzenden toon.
„O, ja, dag moes,” en op Mina toestappende, gaf hij haar een hand en
zeide; „dag, juffrouw.” Toen streelde hij de hondjes en vroeg: „heb jij
er ook een gekregen, Ans? hoe heeten zij?”
„Ja, deze is van mij,” antwoordde Annie op haar hondje wijzende, „en
hij heet Flok.”
„Dan heet de andere natuurlijk Flik,” zeide Tom. „Vind je dat goed,
Tine, het is geen moeilijke naam om te zeggen, is het niet?”
„Waarom Flik?” vroeg Tine.
„Flik en Flok is de naam van een boek,” legde haar moeder uit. „Ken jij
het, Thomas, heb jij het gelezen?” vroeg zij aan Tom.
„Ja, moes, Frans heeft het; het is zoo leuk, er staan zulke aardige
platen in, de mooiste vind ik die, waar Flik en Flok onder water op den
telegraafkabel zitten. Ik zal het nog eens aan Frans te leen vragen,
dan kunnen Annie en Tine de platen ook eens zien.”
„Hè, ja,” zeide Annie, die Flok had opgenomen om hem aan Coba en Laura
te laten zien, die op dat oogenblik binnenkwamen.
„Coba en Laura, dit is juffrouw Holst, over wie Annie je zoo dikwijls
gesproken heeft,” zeide mevrouw Stubbens, toen de meisjes haar begroet
hadden. „Je weet wel, juffrouw Mina, die het huishouden doet bij oom
Van Walen en nu bij Annie’s grootmama is.”
Mevrouw Stubbens was wel trotsch, maar zij zou toch nooit willen, dat
de meisjes, tegen wie ook, onbeleefd waren.
De beide jonge juffrouwen waren echter nog een graadje trotscher dan
haar moeder. Vanwaar zij stonden, knikten zij Mina dus uit de hoogte
toe en deden verder, alsof zij er niet was.
„Annie,” vroeg juffrouw Mina, die van Coba en Laura geen andere
behandeling verwacht had, want zij kende hen wel, zij had ze het vorige
jaar nog op Wilgenhorst gezien, „heb je onlangs ook een brief van
mijnheer gehad?”
„Van papa? neen, juffrouw Mina, waarom vraagt u dat zoo?”
„Dan zal je er wel gauw een krijgen met groot nieuws er in. Je grootma
heeft er een ontvangen, dus zal je papa jou ook wel gauw schrijven.”
„Wat voor nieuws?” vroeg Annie natuurlijk nieuwsgierig, „komt papa
terug?”
„Ik zeg niets, hoor, je pa zal je wel heel gauw schrijven.”
„U maakt mij zoo nieuwsgierig. Heeft papa dan aan grootma dat groote
nieuws geschreven?”
„Ik geloof het wel, maar je pa zeide in dien brief, dat hij meteen aan
jou zou schrijven, dus zal je niet te lang behoeven te wachten.”
„De koffietafel is klaar,” kwam mevrouw nu zeggen. „Juffrouw Holst wil
u tusschen Annie en Tine gaan zitten? dat zullen zij, denk ik, wel
prettig vinden.”
Coba en Laura keken knorrig.
Wat had dat nu te beteekenen, meenden zij, Mina Holst was toch maar een
gewoon kindermeisje geweest, moest die mee aan tafel zitten? Zij
ergerden zich zoozeer, dat zij geen woord spraken. Dit viel echter niet
op door het drukke gebabbel van Annie en Tine en hoewel tante Dora
altijd aan Annie had gezegd, dat kinderen aan tafel niet het hoogste
woord mochten hebben, liet zij hen vandaag maar begaan. Verbieden zou
trouwens toch niet veel geholpen hebben, daarvoor waren de kinderen
veel te opgewonden.
„Wij zullen onze kamerdeur maar goed dicht houden, Laura,” zeide Coba,
toen zij na de koffie samen naar boven gingen om niet langer
genoodzaakt te zijn het gezelschap te genieten van „die dienstmeid,”
zooals Coba haar met minachting noemde.
„Waarom, Co?” vroeg Laura verbaasd.
„Wel, omdat ik geen zin heb al mijn mooie dingen door die jonge honden
te laten vernielen. Zij bijten natuurlijk alles stuk. Zoo vervelend
ook, dat ma heeft toegestaan, dat die dieren hier zouden komen, ik
begrijp het niet van ma en nu nog die Mina aan de koffie, ik zou je
danken om juffrouw Mina of juffrouw Holst te zeggen tegen dat mensch!”
Laura was uit zichzelve eigenlijk niet zoo bespottelijk trotsch en
onaardig als Coba, maar zij voelde groote bewondering voor haar oudere
zuster en volgde haar in alles na tot niet geringe ergernis van haar
vader.
„Je weet, Dora,” zeide deze toen de kinderen naar school waren en Mina
weer vertrokken was, „dat ik je geheel vrij laat in de opvoeding van de
meisjes, maar het was toch wel wat bar, zooals Coba en Laura zich
vandaag tegenover die arme Mina aanstelden. Coba wordt bij den dag
trotscher en onverdragelijker en als dat niet verandert, zal ik
ingrijpende maatregelen moeten nemen en haar naar een strenge
kostschool sturen, waar die malle kuren haar wel afgeleerd zullen
worden. Het is niet alleen voor haarzelve, maar zij heeft ook een zeer
verkeerden invloed op Laura, die haar in alles nadoet. De manier,
waarop die twee de dienstboden behandelen, is eenvoudig ongehoord, maar
nu moet het uit zijn.”
Mevrouw Stubbens zuchtte. Zij wist wel, dat zijzelf veel schuld had aan
Coba’s onaardig optreden; het kind volgde slechts in het overdrevene de
lessen die haar moeder haar had ingeprent.
„Ik zal eens ernstig met Coba spreken,” antwoordde zij eindelijk, „maar
Coba heeft een eigen wil, die moeilijk te buigen is.”
„Zeg haar dan maar gerust, dat ik ook een wil heb. Ik weet dat zij een
heilzamen afschrik van kostscholen heeft, ook al weer door de angst om
daar in aanraking te komen met meisjes, die minder zijn dan zij. Het
zou veel beter geweest zijn, als wij de meisjes, op de gewone openbare
school gedaan hadden in plaats van op deze bijzondere, dan hadden zij
vandaar naar de jongens hoogereburgerschool of het gymnasium kunnen
gaan en later kunnen studeeren.”
„Ik ben er beslist tegen, meisjes met jongens samen te laten leeren; ik
vind het heel goed, dat zij met Thomas en zijn vrienden spelen, maar ik
zou het niet goed vinden, dat zij den geheelen dag met jongens samen
waren en daar zou jij toch ook niet voor zijn.”
„Ach, ik weet het niet, zooals zij nu opgroeien is het toch ook niet
goed. Met welk recht zien onze kinderen uit de hoogte neer op andere
meisjes, die even beschaafd en misschien nog wel knapper zijn dan zij?”
„Ik heb je al gezegd, dat ik er met Coba over spreken zou,” antwoordde
mevrouw Stubbens een weinig ongeduldig, „en ik beloof je, dat ik het
doen zal.”
„Om eens op iets anders te komen,” zeide de heer Stubbens nu, „ik heb
aan Annie beloofd, dat ik haar om vier uur met Tine zou komen halen om
voor Flik en Flok ieder een halsband en ketting te koopen. Dat zal
later een vroolijke wandeling geven met twee kinderen en twee jonge
honden!” En lachend verliet de heer Stubbens de kamer.
Toen zij naar school moest, had Annie Flok aan de zorg van Suze
toevertrouwd, die de taak vol vreugde aanvaardde—want zij hield veel
van honden—en Flokje meenam naar de kleine spreekkamer, waar zij ging
zitten verstellen, terwijl mevrouw Stubbens Flik bij zich zou houden in
de huiskamer.
In het eerst ging in de spreekkamer alles naar wensch. Flok had een
wollen bal gekregen om mee te spelen en holde daarmee het vertrek rond,
nu en dan in een hoek van de kamer of onder de tafel stil liggende om
op zijn speelgoed te knabbelen. Alles ging zelfs nog best, toen mevrouw
een half uur later binnenkwam om te vragen of Suze zich vooral met de
beste kousen van jongeheer Thomas wilde haasten, daar hij dien avond
uit moest en ze dan aan moest hebben. „Is Flok zoet, Suze?” vroeg
mevrouw ten slotte, „Flikje speelt allerliefst met een leege klos.”
„O, Flok is een schat, mevrouw,” was Suze’s antwoord, terwijl zij het
hondje opnam om het eens te knuffelen.
Het was alsof Flok op die loftuitingen gewacht had. Toen mevrouw
Stubbens de kamer had verlaten, zat hij vanaf een stoel Suze met zijn
donkere oogjes slim aan te kijken. Nog vermoedde zij geen kwaad; zij
zette het maasmandje met de verschillende kluwen wol en katoen op tafel
en verdiepte zich in Toms kous.
Flokjes oogen dwaalden van Suze naar het mandje en van zijn stoel naar
de tafel; het was alsof hij den afstand berekende. Van den grond op de
tafel was voor een jong hondenkind als hij een ondoenbare sprong, maar
die stoel dáár stond nogal dicht bij de tafel en in dat mandje bevonden
zich allerlei verleidelijke dingen.
Suze vermoedde niets van wat er blijkbaar in dat kleine hondenkopje
omging, zoodat zij zelfs niet opkeek, toen zij achter zich een zacht
geritsel en gefriemel hoorde. Wat speelt het diertje toch zoet! dacht
zij onder het afhechten van haar draad. Nu moest zij een nieuwe nemen,
maar waar was haar mandje; zij had het toch naast zich op tafel gezet!
Zij keek om.
„Heere mijn tijd hond, ben je bezeten?” klonk Suze’s stem diep
verontwaardigd, „wat heb je nou uitgevoerd en dat juist nu ik zoo’n
haast heb!” Suze huilde half en had daar ook wel reden toe.—Heel zacht
had Flok het mandje, dat maar zeer licht was, met zijn poot telkens een
eindje verder weggetrokken; het was alsof de kleine deugniet wist dat
Suze niet mocht zien wat hij deed.
Toen had hij er eerst een van die heerlijke kluwen uitgehaald en deze
met alle vier zijn pootjes en zijn bekje uit elkaar zitten plukken.
Spoedig was hier de aardigheid af geweest en had hij een tweede en
daarna een derde kluwen onder handen genomen, waaronder ook die, welke
Suze noodig had, zoodat het meisje in haar keurig maasmandje niets meer
zag dan den naaldenkoker, waar Flok gelukkig nog niet aan toe gekomen
was—de kluwen waren zoo heerlijk zacht, daarom had hij die het eerst
onder handen genomen—en naast het mandje op tafel een hoop verwarde
massa wol en katoen van verschillende kleur.
Toen Flok zag dat zijn wandaad ontdekt was, sprong hij onmiddellijk van
de tafel op den stoel en zoo op den grond.
„Ik zal in vredesnaam alles maar eerst zoo terug leggen in het mandje,”
sprak Suze wanhopend bij zichzelve, „ik heb nu geen tijd om het op te
ruimen.” Haar ellende was echter nog niet ten einde, want daar viel
haar maasbal uit de kous, waaraan zij bezig was.
Heerlijk, dacht Flok, zij schijnt toch niet boos te zijn, want zij
begint met mij te spelen; zij gooit mij zelfs die mooie bal toe. Ik
vind die wel wat hard voor mijn jonge tanden, maar ze is toch mooi, en
na deze overpeinzingen nam Flok de bal in de bek, waarna een wilde
jacht om de tafel heen begon. Flok verkeerde nog altijd in de meening
dat Suze met hem speelde, hij wachtte telkens tot zij vlak bij hem was
en rende dan weer met de bal weg. Soms viel deze daarbij uit zijn bek,
maar juist als het meisje haar dan wilde oprapen, had Flok haar dan
weer in de bek genomen en was hij er mee weggehold.
„Al half vier!” riep Suze wanhopend, „mevrouw zal denken, dat ik mijn
tijd aan het venster verbeuzeld heb. O, Flok, ik zal die kous in ’s
hemelsnaam maar zonder maasbal afmaken.”
Dat deed zij, maar zij vatte tevens het vaste besluit zoodra de kous
klaar was, Flok voor dien middag verder uit de kamer te verwijderen.
Maar waar zou zij hem brengen? Daar kreeg zij een goeden inval. In de
zitkamer van de oudste meisjes stond in de muurkast nog een oude
hondenmand van mevrouws vroeger hondje, Vikje, dat indertijd zoo zielig
door een automobiel overreden was; in die mand zou zij Flokje leggen
met zijn wollen bal tot speelgoed.
Flok was moe van al dat hollen, zoodat Suze hem nu gemakkelijk kon
krijgen. Zij nam hem op—de ongelukkige maasbal lag naast hem, hij had
daar ook alweer genoeg van gekregen—en droeg hem naar boven. Juist, het
mandje lag nog in de kast. Suze nam het eruit, legde het op een zonnig
plekje, zette Flok erin, met zijn bal naast hem en verliet de kamer.
Ziezoo, nu kan een mensch weer opschieten, merkte Suze bij zichzelve op
en deed in een half uur nog zooveel af, dat haar boosheid op Flok
geheel verdwenen was en zij de verwarde wol reeds weer had opgekluwd,
toen om kwart over vier de deur van het kamertje driftig geopend werd
en Coba rood van kwaadheid kwam binnenstormen. „Suze,” riep zij, „ben
jij zoo verregaand brutaal geweest, om die hond in mijn kamer te
brengen?”
„Ja, ziet u, jongejuffrouw—Coba had haar gezegd, dat zij te oud was om
door de dienstboden bij den naam genoemd te worden—hij was hier zoo
lastig; maar is hij dan ondeugend geweest?”
„Ondeugend! dat moest je maar eens zien, het is een schandaal! je hadt
moeten begrijpen, dat ik dien hond niet in mijn kamer wou hebben, je
bent maar een dienstmeid, dus kan je doen wat men je zegt!”
Suze was ook niet op haar mondje gevallen. „En al ben ik maar een
dienstmeid, jongejuffrouw Coba,” gaf zij ten antwoord, „dan laat ik mij
toch niet onrechtvaardig behandelen. U heeft mij nooit gezegd, dat de
hond niet in uw kamer mocht, dus kon ik dat ook niet weten, al ben ik
maar een dienstmeid!”
„Natuurlijk ben je maar een meid, verbeeld je maar niet, dat je iets
meer bent, hoor!” riep Coba zoo luid, dat haar moeder het in de
huiskamer hoorde.
Met een zucht stond mevrouw Stubbens op en ging eens kijken, wat er aan
de hand was.
„Mevrouw,” begon Suze, zoodra mevrouw Stubbens binnenkwam, „ik laat mij
niet zoomaar beleedigen! Is het niet genoeg, dat een mensch nooit een
fatsoenlijk woord van jongejuffrouw Coba krijgt, moet ze mij nu nog
uitmaken voor „een dienstmeid!”
„Coba was wat driftig, Suze,” zeide mevrouw Stubbens vergoelijkend;
„kom eens mee, Coba, ik moet je spreken!”
Schoorvoetend volgde Coba haar moeder naar het salon, waar op dat
oogenblik niemand was.
„Coba,” begon haar moeder, zoodra zij binnen waren, „ook uit naam van
papa moet ik je verzoeken een anderen toon tegen de bedienden aan te
slaan.”
„Bah, de bedienden! maar mama, u hebt mij toch zelf altijd gezegd, dat
ik niet te familiaar met de dienstboden moest zijn, omdat zij zoo ver
beneden ons staan.”
„Ik heb je nooit geleerd om onbeleefd te zijn en vandaag ben je eerst
schandelijk onhebbelijk geweest tegen Mina Holst en zoo straks weer
tegen Suze. Papa was van middag zoo boos, dat hij er sterk over denkt
je naar de kostschool van juffrouw Mons te zenden. Nu weet je dus, waar
het op staat.”
„De school van juffrouw Mons!” riep Coba vol minachting, „weet u wel,
wie daarop gaan? het kind van den slager en Johanna van uw vroegeren
kruidenier! Ik zou u lekker danken, om met die kinderen op één school
te gaan.”
„Papa zal je niet vragen of je ervoor bedankt of niet, je kent papa, je
weet als hij eenmaal iets besloten heeft, dan gebeurt het ook; je bent
dus gewaarschuwd.”
Intusschen was Annie, zoodra zij uit school kwam naar haar kamer
gesneld om haar hoed weg te hangen, hetgeen zij altijd dadelijk moest
doen en daarna ging zij naar Suze om Flok te halen.
„Is Flok zoet geweest, Suze?” vroeg zij al aan de deur van de
spreekkamer. „Wij hebben zulke mooie halsbanden voor de hondjes
gekocht, kijk eens deze is voor Flokje.”
„O, Annie,” riep Suze, die nog verontwaardigd was over het gebeurde met
Coba, „je hadt mijn maasmandje eens moeten zien en kijk mijn nieuwe
maasbal eens. Neen, hoor, Flok verdient eigenlijk niet dat u hem dien
mooien halsband geeft. En jongejuffrouw Coba heeft hier zoo’n leven
gemaakt, omdat ik Flok in haar kamer gebracht heb,” en nu liet Suze een
omstandig verhaal volgen van haar avonturen met Flok.
„O, wat is hij stout geweest, Suze, daar moet hij klappen voor hebben.”
„Neen, Annie, je moet hem niet slaan, het stomme dier begrijpt immers
niet, dat hij kwaad gedaan heeft, alle jonge honden doen zoo, hij dacht
zeker, dat ik met hem spelen wou. Maar, ik weet nog niet, wat hij boven
uitgevoerd heeft, ik heb nog niet naar boven durven gaan om te kijken.”
„Wat zal Coba boos zijn als hij iets van haar vernield heeft,” riep
Annie, „ga gauw mee kijken, Suze.”
Zij gingen naar boven, maar Flok was nergens te zien, alleen lag er een
oud kleedje op den grond, dat Coba reeds lang had afgedankt en dat Flok
nu blijkbaar van de tafel had getrokken om er mee te spelen, want het
vertoonde kenteekenen, dat het hem tot speelgoed had gediend. Maar al
zagen zij hem niet, zoo liet Flok zich toch hooren, uit de muurkast,
waarin de mand gestaan had, drong een zacht gekef tot hen door, terwijl
er van binnen aan de kastdeur werd gekrabd.
„Goeie grutten nog toe, ze heeft hem in de kast opgesloten, als het
beest er nu maar niets in gedaan heeft!” riep Suze geërgerd, en zij
wilde de kast open maken, maar er stak geen sleutel in het slot.
„O, wat gemeen!” barstte Annie verontwaardigd los, „dat doet zij alleen
maar om mij te plagen!” en het meisje holde de kamer uit.
„Laura, heb jij soms den sleutel van de kast in jullie kamer?” vroeg
zij aan haar nichtje, dat zij op de trap tegenkwam.
„De sleutel? die steekt in het slot.”
„Neen, hij is weggenomen en Flok zit in de kast opgesloten!” riep Annie
half huilend. „Coba,” riep zij nu, toen haar oudste nichtje in de gang
verscheen, „Coba, wat valsch van je om Flok op te sluiten, geef mij
gauw den sleutel van de kast!”
Coba, die juist van het onderhoud met haar moeder af kwam en bang was,
dat deze zou hooren wat zij met den hond gedaan had, liep vlug naar
Annie toe en gaf haar den sleutel. „Roep toch niet het heele huis bij
elkaar,” zeide zij, „hier heb je den sleutel, maar ik wil dien akeligen
hond niet meer in mijn kamer hebben, hoor!”
„Akelig spook!” riep Annie haar nog toe en snelde toen naar boven om
het arme diertje uit de kast te bevrijden, waarvan de bodem niet meer
zoo droog was, als toen Flok erin ging.
„O,” riep kleine Tine, die met Flik in haar armen achter Annie stond,
toen deze de kast opende, „Flok heeft een plasje gedaan.”
„Het is zonde!” zoo liet Suze zich verontwaardigd hooren, „zoo zouden
zij zoo’n dier nu toch onzindelijk maken, door hem in een kast op te
sluiten!”
Annie zeide niets meer, maar zij en Tine liepen met hun hondjes naar
beneden om hun de mooie nieuwe halsbanden aan te passen, die mijnheer
Stubbens met hen was gaan koopen.