„Annie,” zei mevrouw Stubbens den volgenden dag, „ik heb aan je
grootmama geschreven, dat wij haar Woensdagmiddag een bezoek komen
brengen. Wij gaan dan met de automobiel, dan kunnen wij nog vóór het
eten terug zijn.”
„In de auto, tante? heerlijk!” riep Annie, „mag Tine ook mee?”
„Daar had ik zelf al over gedacht, ik zal er eens met oom over spreken.
Wij gaan in ieder geval, als er geen tegenbericht komt, om half twee
van hier.”
Den volgenden dag, toen mevrouw Hermsen aan de ontbijttafel zat, bracht
Mina haar de brieven, welke met de eerste post gekomen waren.
„Dank je, Mina,” zeide de oude mevrouw, ze van het blaadje nemende,
waarop Mina ze haar toereikte. „Vier brieven,” zeide zij bij zichzelve,
toen Mina de kamer uit was. „Eén van Van Walen; één van den dokter, die
vraagt zeker een bijdrage voor dat sanatorium, dat hij wil oprichten,
en die zal hij hebben; één van het Hôtel du Nord in Keulen, waar ik
kamers had besteld, die zijn nu niet meer noodig; en ... hé, van wie
kan deze brief zijn? van Annie is hij niet en hij komt toch daar van
daan, het is een dameshand, gauw eens zien, ik ben er toch benieuwd
naar.”
Grootmama veegde weer zorgvuldig haar brilleglazen schoon, zette de
bril toen voorzichtig op en scheurde de enveloppe open van den brief
van mevrouw Stubbens, want deze was het.
„Neen maar, daar had ik nu toch niet op gerekend, dat vind ik nu eens
aardig van mevrouw Stubbens,” mompelde de oude mevrouw onder het lezen.
„Mina, Mina,” riep zij, toen zij Mina Holst door de gang hoorde loopen.
„Wat blief, mevrouw?” vroeg Mina, die toevallig op weg was naar de
huiskamer om te zien, of zij het ontbijt al kon wegruimen; misschien
ook was zij een beetje nieuwsgierig om te weten, of er soms eenig
nieuws over Annie was gekomen; en Mina kwam binnen.
„Mina, Woensdag krijg ik visite, mevrouw Stubbens komt mij een bezoek
brengen.”
„Met Annie, mevrouw?”
„Ja,” antwoordde de oude mevrouw met een blijden glimlach, „zij komt
mee. Nu, wij hebben lang genoeg naar het kind verlangd. Maar, ik wilde
je zeggen, Mina, als Annie er nu is, moet je maar niet over dat
mislukte bezoek van haar spreken. Misschien heeft mevrouw Stubbens er
haar niets van gezegd en dan zou het maar moeite en last geven.”
„Het is goed, mevrouw; gut, gut, ik ben toch zoo blij!”
„Ik ook, Mina, ik verlang onuitsprekelijk naar het kind, zooals je wel
zult begrijpen.”
„Nu, dat spreekt, ik weet het aan mezelve, hé, en u bent haar eigen
grootmoe. Dus, Woensdag,” mompelde Mina verheugd, terwijl zij de kamer
verliet.
Mevrouw Hermsen schreef vlug een briefje aan mevrouw Stubbens om haar
te zeggen, dat zij en Annie haar van harte welkom waren en zond, toen
zij dit verstuurd had tevens een boodschap aan den jongen Stokman om te
vragen of hij van kantoor komende, even bij haar wilde aanloopen.
Tegen twaalf uur verscheen hij.
„Dag, mevrouw Hermsen, wat is er van uw dienst?” vroeg hij, „moet ik
het nu alweer probeeren, vindt u den tijd niet wat kort?”
„Zoo dom ben ik niet, Willem,” antwoordde de oude mevrouw, nadat zij
hem begroet had, „dat ik nu alweer een tweede poging zou wagen. Neen,
ik heb je alleen maar laten komen, om je te zeggen, dat Annie Woensdag
komt.”
„Wat! hoe hebt u dat klaar gespeeld?”
„Maar niet voor goed.”
„Dat hangt toch maar van uzelve af, als zij nu toch uit zichzelve hier
komt, dan zou ik haar ook maar ineens houden, als u daar dan zoo
bijster op gesteld is.”
„Het kan niet, mevrouw Stubbens komt met haar mee.”
„Ja, dan wordt het een moeilijker geval, maar toch niet onmogelijk,”
antwoordde hij nadenkend. „Blijven ze hier eten?”
„Neen, mevrouw moet vóór het eten weer thuis zijn.”
„Prachtig! mevrouw moet weer thuis zijn, maar Annie toch niet. U vraagt
natuurlijk of uw kleinkind mag blijven, dan zal u haar om negen uur met
de automobiel thuis laten brengen. Welnu, laat ze daar dan maar op
wachten. Het kind houdt veel van u en zal dus geen moeilijkheden maken,
vooral omdat zij nu niet zoo bijzonder op haar tante gesteld is, zooals
u mij laatst zeide. In uw plaats deed ik het zeker, maar dan krijg ik
toch wat van u, omdat ik u dit plannetje aan de hand heb gedaan, want,
ziet u, ik denk er sterk over van dat andere plan af te zien, het is
voor mij te gevaarlijk en het zou toch ook niet mooi zijn zooiets te
ondernemen, terwijl ik mijnheer Stubbens’ voorspraak wil inroepen voor
het verkrijgen van die nieuwe betrekking.”
„Je beschouwt de zaak heelemaal verkeerd,” antwoordde de oude dame. „Je
vergeet, Willem, dat ik als grootmoeder toch meer recht op het kind heb
dan de familie Stubbens; ik ben toch haar eigen grootmoeder. Hoe kan er
nu iets verkeerds in steken, dat jij het kind bij haar grootmoeder
brengt, die zoo zielsveel van haar houdt.”
„Ik denk toch niet, dat ik het doe en dit plan is werkelijk niet zoo
verkeerd,” antwoordde Stokman. „Zij weten dan tenminste bij wie het
kind is en u kan hun schrijven, dat u het kind verder bij u houdt.”
„Als ik had kunnen weten, dat je mij in den steek wilt laten, had ik
mij de moeite kunnen besparen je te laten roepen, want dat heb ik
alleen gedaan om je te waarschuwen, dat Annie Woensdag hier komt,
zoodat je dan een goede gelegenheid hebt om haar te bekijken en je kunt
behoeden voor een tweede vergissing.”
„Nu, het kan geen kwaad het kind nog eens te bekijken; ik zeg ook niet
beslist, dat ik het niet doen wil: als mijnheer Stubbens bij voorbeeld
bepaald weigert mij te helpen, dan zou het er misschien toch nog van
kunnen komen. Misschien heeft u gelijk en is het niet zoo verkeerd, ik
weet het zelf niet. Ik dank u intusschen voor de waarschuwing.” En
hiermede nam Stokman afscheid van de oude dame en verliet het huis.
Zoodra mevrouw Hermsen alleen was, verborg zij het gelaat in beide
handen. „Is het niet vreeselijk!” mompelde zij, „dat ik tot allerlei
lage listen mijn toevlucht moet nemen om mijn eigen dierbaar kleinkind
tegen die vreemde vrouw te beschermen! Ik ken die juffrouw Ackfield
niet, maar ik heb van dien éénen Engelschman in mijn jeugd genoeg
slechts ondervonden, om van deze vrouw het ergste te vreezen. Het eenig
kind van mijn Annie in handen van zoo’n vreemde vrouw, die haar niet
zal kunnen verstaan, nooit eens vertrouwelijk met het schatje zal
spreken, haar niet zal begrijpen! neen, het is te afschuwelijk, ik mag
het niet toelaten! Ik geloof, dat het laatste plan van Willem niet
kwaad is, ik zal het nog eens overwegen.”
De Woensdag kwam, een donkere, regenachtige dag, zoodat mevrouw
Stubbens er eerst over dacht Tine, die nogal vatbaar was, maar thuis te
laten. De automobiel kon echter gesloten worden, dus meende mijnheer
Stubbens, dat er in het geheel geen gevaar in was en dat het hard zou
zijn het kind zonder reden thuis te laten nu zij er zich zoo’n feest
van had gemaakt om mee te gaan.
De juffrouw had dien morgen een lastige leerling aan Annie die
buitengewoon rusteloos was en niets deed dan met haar buurmeisje, Clara
van Scheik, praten.
„Annie, als je zoo door gaat, laat ik je van middag school blijven,”
zeide de juffrouw wanhopig.
„Ik moet van middag met tante uit de stad, juffrouw,” antwoordde Annie,
die dit deftig vond.
„Dan schrijf ik een briefje aan je tante, dat je den heelen morgen zoo
lastig bent geweest, dat ik je van middag hier houd.”
Dit hielp en Annie lette verder goed op.
Mevrouw Hermsen had al wel een kwartier lang op den uitkijk gestaan,
terwijl Mina herhaaldelijk naar de deur was geloopen om te zien of zij
nog niet kwamen.
Dien morgen had de oude dame het besluit gevat, het plan ten uitvoer te
brengen. Zij zou het meisje ten eten vragen en zeggen dat zij het dien
avond zou laten thuisbrengen. Zoodra mevrouw Stubbens dan weg was,
zouden zij vlug dineeren, met de automobiel naar de stad rijden en daar
den trein nemen naar Keulen. Stokman had reeds voor haar biljetten
gezorgd, zoodat zij daar geen moeite mee zou hebben.
Daar zag Mina, die wel voor de twintigste maal in het laatste half uur
naar de deur was geloopen, de auto aan komen en nu stormde zij de kamer
in, waar de oude mevrouw vol ongeduld zat te wachten.
„Mevrouw, mevrouw, daar komen zij!” riep zij en Mina snelde weer naar
buiten om de bezoeksters binnen te laten.
Het voertuig stond stil en voordat de chauffeur zijn plaats had kunnen
verlaten, had Mina het portier reeds geopend; het volgende oogenblik
hing Annie aan haar hals.
„Tante, dit is nu juffrouw Mina,” riep zij, terwijl zij het oudje
hartelijk kuste.
„Kind, kind, wat doet het mijn oude hart goed je weer eens te zien,”
antwoordde Mina met tranen in de oogen, terwijl zij Annie’s omhelzing
met evenveel warmte beantwoordde, „maar, ik mag niet zoo onbeleefd
zijn. Ik heb je tante nog niet eens gegroet en daar komt mevrouw ook al
naar buiten, ga maar gauw naar haar toe, zij verlangt zoo naar je.”
Annie holde naar haar grootmoeder toe, die haar met uitgebreide armen
te gemoet trad. „Mijn Annie, mijn eigen lieveling!” riep mevrouw
Hermsen, „kindje, ik ben toch zoo blij dat je weer bij mij bent! en
vind jij het nu ook prettig, weer bij grootma te zijn?”
„Dolletjes, grootma!” antwoordde het meisje, „kijk, daar zijn tante en
Tineke.”
„Tineke!” herhaalde mevrouw Hermsen verbaasd.
„Ja, mijn jongste nichtje, ik heb u wel eens over haar geschreven.”
Nu trad mevrouw Stubbens naar de oude dame toe en begroetten zij
elkaar, terwijl Tine met groote oogen in die voor haar vreemde omgeving
stond rond te kijken.
„Mevrouw Hermsen, ik ben zoo vrij geweest mijn jongste dochter mee te
brengen,” zeide mevrouw Stubbens nu, „daar had u toch zeker niet
tegen?”
„Maar mevrouw, verbeeld u,” antwoordde mevrouw Hermsen, die in het kind
nog geen beletsel zag voor het ten uitvoer brengen van haar plan, daar
het kleintje natuurlijk niet zonder haar moeder zou achterblijven. „Kom
eens hier, kleine meid,” vervolgde zij tot Tine, „en vertel mij eens
hoe je heet.”
„Christine, Dorothea, Stubbens van de Keizersgracht drie en tachtig,”
was het antwoord.
„Zoo, zoo, dat is flink, dat jij je adres erbij weet. Als je ooit
wegraakt, dan weet iedereen waar je teruggebracht moet worden,” merkte
de oude dame op, terwijl zij het kind op haar schoot trok.
„Ja, stel u voor,” begon mevrouw Stubbens en nu deed zij zeer
breedvoerig het geheele verhaal van de mislukte ontvoering van kleine
Tine.
Mevrouw Hermsen luisterde met aandacht. Verbeeld je toch, dacht zij,
dat ik dit kleine popje had thuis gekregen.
„Oom is weggegaan, maar ik ben toch naar den dierentuin geweest met
maatje,” voegde Tine aan het verhaal van haar moeder toe.
„Was het een lieve oom, Tine?” vroeg mevrouw Hermsen.
„Neen, Tom zegt, dat hij mij verkocht zou hebben aan den man met de
zweep.”
„De man met de zweep, wie is dat?”
„De man, die mij zou laten koorddansen en als ik het niet kon, zou hij
een groote zweep nemen, zegt Tommie en dan zou hij mij daarmee slaan.”
„Foei, dat zou toch heel slecht van hem zijn, je moet maar nooit meer
met hem meegaan,” antwoordde mevrouw Hermsen. „Maar de regen is
opgehouden en de zon komt door, zou je nu misschien wat in den tuin
willen spelen, kleine? Wat ik zeggen wilde, mevrouw Stubbens,” voegde
zij erbij, „u schreef mij, dat u vóór het eten weer thuis moest zijn,
maar zou u er iets tegen hebben, dat ik Annie tot vanavond hier houd?”
„Ik wil ook blijven,” liet Tine zich hooren, voordat haar moeder iets
had kunnen zeggen.
„Hè, ja, tante,” voegde Annie er aan toe, „mogen Tine en ik bij
grootmama blijven eten?”
„Zoo, Tine,” antwoordde mevrouw Stubbens, „laat je maatje nu heel
alleen naar huis gaan, wil je wel blijven zonder maatje?”
„Ja, maatje, met Annie,” riep Tine niet in het minst verlegen.
Mevrouw Hermsen was wanhopend. Wat moest zij nu beginnen? zij kon toch
niet met de beide kinderen op reis gaan! zij had er geen oogenblik over
gedacht, dat mevrouw Stubbens het kleintje alleen met haar nichtje zou
laten achterblijven. Zij antwoordde dus maar:
„De meisjes mogen dus blijven, mevrouw, dan zal ik haar van avond laten
thuis brengen.”
Toen dit was afgesproken, gingen de kinderen den tuin in. Tine hield er
veel van kransjes te vlechten van bloemen, iets dat Annie haar geleerd
had, en wat zij al heel aardig kon. Annie plukte dus voor haar allerlei
grasbloempjes en een tijd lang zaten de kinderen zich daarmee te
vermaken, terwijl Mina telkens even van haar werk wegwipte, om naar hen
te komen kijken. Eindelijk zei Tine, „Annie, ik begin mij een klein
beetje te vervelen. Ga je mee wat anders doen?”
„Wat dan?”
„Krijgertje.”
„Goed, jij bent hem, pak mij maar als je kunt. Eén, twee, drie!” en
Annie liep een eindje weg. Tine holde zoo hard zij kon, haar nichtje
achterna, totdat Annie zich eindelijk onder vroolijk gelach van Tine
liet vangen.
„Nu moet jij mij pakken,” riep het kleintje en snelde voor Annie uit
een zijpad in, waar zij eensklaps tegen een heer aanbonsde, die haar
juist bijtijds vastgreep, anders zou zij gevallen zijn. Toen hij zag,
dat zij geschrikt was, tilde hij het teere, kleine ding hoog in de
lucht en riep: „Hoe groot ben je nu?” waarna hij haar lachend weer op
den grond liet zakken.
„Wie bent u?” vroeg Annie, toen zij zag dat hij haar aankeek.
„Wou je dat graag weten? Luister dan, ik heet: Willem, Karel, Frederik,
Alfred, Jeremias Stokman.”
„O, wat een boel namen!” riep Tine.
„Maar, nu moet ik toch ook weten, wie jullie zijn? wil ik het eens
raden?” vroeg Stokman.
„Ja, dat is leuk,” antwoordde Annie.
„Ik wed dat jij Annie heet.”
„Hè, hoe weet u dat?”
„Dat kan ik zoo maar raden.”
„En ik?” vroeg Tine.
„Jij? nu moet ik eens even denken. Jij bent... Tine Stubbens. Is het
zoo niet?”
De kinderen stonden hem met open mond aan te kijken.
„Ja, ik ben Tine,” zeide eindelijk de kleine. „Wat komt u hier doen?”
„Met jullie meespelen, als ik mag.”
„Ik blijf hier eten met Annie,” liet Tine zich weer hooren.
„Blijven jullie allebei hier eten?” vroeg Stokman verbaasd. Dat is een
mooie geschiedenis, dacht hij bij zichzelf, nu ligt het mooie plan in
duigen. Maar, misschien is het ook wel beter, het is toch te erg het
kind zoo weg te nemen, zonder dat de familie er iets van weet.
„Zullen wij nu gaan spelen?” vroeg hij. „Wil ik jullie krijgen?”
„Ja, pak mij maar!” riep Annie en holde alvast weg.
Zoo speelden zij een heelen tijd met hem, en de kinderen hadden dolle
pret. Hij liet goedig met zich sollen en vond het zelfs goed dat Tine
hem de krans opzette, die zij gevlochten had. Juist toen zij hem
hiermede getooid had, kwamen de dames naar buiten om te zeggen dat de
automobiel voor stond en dat mevrouw Stubbens naar huis ging.
Met een kleur van verlegenheid, omdat de dames hem met die versiering
gezien hadden, schudde hij het kransje af en trad op mevrouw Stubbens
toe.
„Mijn naam is Stokman,” zeide hij.
„Het is mij aangenaam kennis met u te maken, mijnheer Stokman, ik zie,
dat u zoo vriendelijk is geweest de kinderen wat bezig te houden,”
antwoordde tante Dora en vervolgde toen tegen de meisjes: „nu,
kinderen, ik ga naar huis, veel plezier verder en niet te wild zijn,
hoor, zorg dat je het mevrouw Hermsen niet lastig maakt.”
„Neen, dat zullen zij niet en voor alle zekerheid zal ik mijnheer
Stokman erbij vragen, misschien wil hij mij wel helpen om te maken dat
de meisjes zich niet vervelen?” merkte mevrouw Hermsen op.
„Heel graag, mevrouw Hermsen, het zal mij een waar feest zijn te mogen
blijven,” antwoordde Stokman. Toen de auto wegreed, nam hij de kinderen
ieder bij een hand en nam hen mee naar den tuin, waar hij beloofd had
haar te zullen schommelen, terwijl de oude mevrouw vóór het eten nog
even ging rusten. Het duurde echter niet lang of de oude dame kwam in
den tuin bij hen.
„Kom, Annie, mijn schat,” zeide zij, „ik heb nog zoo weinig aan je
gehad, ga je met grootma mee naar binnen? ik heb een mooi boek voor je
gekocht, dat wil ik je laten zien. Het is een prachtuitgave van de
sprookjes van Moeder de Gans. Wil je het zien?”
„Ja, graag,” antwoordde het kind en huppelde aan den arm van haar
grootmoeder naar binnen.
„Vind je het niet akelig, dat je straks weer van grootma weg moet,
Annie?” vroeg de oude dame verdrietig.
„Ja, grootma, maar ik kom weer terug.”
„Ach, kind, wie weet wanneer dat zijn zal! niemand houdt zooveel van je
als ik, na je papa, natuurlijk; wil je dat wel gelooven?”
„O, maar grootma,” riep Annie verbaasd, en telde toen op haar vingers
op: „oom en tante en Tom en Paula en Tine en Bertha, die houden
allemaal van mij.”
„Maar jij hieldt toch niet van tante Dora, is het wel?”
„Nu wel, bij ons thuis was tante altijd stijf, maar nu niet meer; ik
krijg wel eens standjes als ik te wild ben, maar tante is toch aardig
tegen mij.”
„Zoo, je voelt je daar dus thuis?” hervatte de oude dame, en haar stem
klonk treurig, alsof haar dit werkelijk speet.
Het kind merkte dat echter natuurlijk niet op en antwoordde vroolijk:
„O, ja, ik vind het erg prettig bij oom en tante.”
„Maar zou je niet liever bij mij willen zijn? ik ben zoo alleen.”
„Arme grootma,” zeide Annie en streek met haar handje over grootmama’s
rimpelige wang, maar zij dacht aan haar vriendinnetjes en aan al die
vroolijke jongens, Toms vrienden, en aangezien zij een oprecht kind
was, antwoordde zij bedeesd: „ik ben liever bij tante Dora, grootma,
maar ik kom wel meer bij u terug.”
Mevrouw Hermsen zweeg. Daar had zij niet op gerekend na al die
verhalen, die het kind haar vroeger van haar tante had gedaan.
Intusschen was het schommelen Tine gaan vervelen en was zij met Stokman
den tuin door geloopen naar de tuinmanswoning, waar hij haar bij een
nest met allerliefste jonge hondjes bracht. Zij waren echter niet zoo
heel jong meer, zij telden al tien weken.
„Wat zeg je daar nu van?” vroeg Stokman.
„O, wat een lieve hondjes!” riep de kleine en klapte in haar handen,
„mag ik ze vasthouden?”
Stokman legde er een in haar armen. „Voorzichtig, hoor,” zeide hij,
„niet laten vallen, dan huilt zijn moedertje.”
„Zou de jongejuffrouw er misschien een willen hebben?” vroeg de vrouw
van den tuinman.
„Nu, Tine, zou je willen?” vroeg Stokman op zijn beurt, „en zou je ma
het goed vinden?”
„Ja, Tine mag er wel een hebben en Tine wil graag,” antwoordde het kind
blij.
„Wij zullen voor alle zekerheid eerst aan mama vragen of het mag,”
zeide Stokman.
„Ja, ga mee, aan maatje vragen,” riep Tine ongeduldig.
„Kijk,” dacht Stokman, „nu zou mevrouw toch gelegenheid hebben haar
plan ten uitvoer te brengen, wanneer het kleintje nu met mij naar huis
gaat, kan zij Annie houden,” en binnen komende in de kamer, waar Annie
met haar grootmoeder zat, zeide hij tot de oude dame: „Tine wil naar
huis, zij wil aan haar mama gaan vragen of zij een van die aardige
hondjes van den tuinman mag hebben. Wil ik haar even thuis brengen, dan
kan ik wel ergens in de stad eten.”
Na haar gesprek met Annie, was de oude dame echter tot andere gedachten
gekomen. Het kind was liever bij haar oom en tante, dan wilde zij haar
nu ook niet tegen haar zin houden. Later, misschien, als er geen andere
uitweg was, maar eerst wilde zij zien of Annie niet van zelf bij haar
zou willen blijven, wanneer men haar verteld had dat zij een nieuwe
mama kreeg, een vreemde dame, die zij heelemaal niet kende. Daarom
zeide zij: „Neen, wij gaan eerst eten en dan rijden de meisjes naar
huis en kan Tine aan haar mama vragen of zij het hondje hebben mag, dan
zal ik het dadelijk laten brengen, als haar mama het toestaat.”
„Vandaag dus niet,” fluisterde Stokman de oude dame in het oor.
„Neen, vandaag niet, Willem, maar ik dank je intusschen wel dat je Tine
zoo lang hebt bezig gehouden, ik heb daardoor nog een rustig
oogenblikje met Annie kunnen hebben,” antwoordde mevrouw Hermsen.
Onmiddellijk na het eten nam Stokman afscheid en om half acht reed de
auto vóór, waarin Mina de kinderen naar huis bracht.