DE HEER STUBBENS DOET EEN GOED WOORD VOOR FRANS.

Toen de auto eindelijk voor het huis stilhield, stond Tom het

gezelschap aan de deur op te wachten.

„Thomas wat zie je er uit!” riep zijn vader, toen hij hem zag. Hij

mocht dit wel zeggen.

Tom had een paar bemodderde voetbalschoenen aan; de kleur van zijn

korte, roode broek was onherkenbaar en dit kleedingstuk had een groote

scheur boven een der knieën, terwijl tot overmaat van ramp Toms eigen

knieën bebloed waren, en hij verder nog een blauw oog had.

„Heeft mama je al zoo gezien, jongmensch?”

„Neen, pa, ik kwam juist aan.”

„Hoe kom je aan dat blauwe oog?”

„Een van de lui heeft er mij bij ongeluk een stomp tegen gegeven, toen

wij om de bal vochten. Mijn partij heeft van middag prachtig gewonnen,

pa.”

„Dat kan ik zien,” antwoordde zijn vader droogjes, „en dit is nog niet

eens de wedstrijd. Hoe moet je er wel uitzien, als je daar vandaan

komt? Zal ik maar vast een brancard voor je bestellen?”

„Nou, het ging toch wat mooi. Ik hoop, dat het morgen net zoo gaat,”

mompelde Tom verontwaardigd.

„Ik niet, want dan hebben wij kans je niet levend terug te zien,” zeide

zijn vader. „Enfin, je moet het zelf weten, als jij plezier hebt je

half dood te laten ranselen. Maar je moeder zal wel boos zijn, wanneer

zij die kleeren ziet.”

„O, die breng ik wel gauw bij Suze, die maakt ze wel voor mij schoon,”

antwoordde de jeugdige kampvechter, die teleurgesteld was, omdat zijn

vader niet méér verblijd was over zijn overwinning.

„Vindt je pa het niet goed, dat je meespeelt?” vroeg Paula, nadat zij

elkaar begroet hadden, bij het naar binnen gaan aan Tom.

„Ach, jawel, maar pa zegt altijd: „die voetbalnonsens kan mij niet

schelen, als je maar voor een goed rapport op het gymnasium zorgt.””

Annie nam Paula mee naar binnen naar mevrouw Stubbens, die het meisje

op de koele manier, die zij altijd tegenover vreemden aan den dag

legde, begroette. Toch voegde zij erbij: „ik hoop, dat wij je nog

dikwijls hier zullen zien, Paula, en dat je, als Annie weer naar huis

is, de meisjes nog wel eens zult willen komen opzoeken.”

„Heel graag, mevrouw,” antwoordde Paula.

„Geloof jij, Annie,” zeide zij een oogenblik later tot haar vriendin,

toen zij en Annie samen naar boven gingen, „dat Coba en Laura mij ooit

zullen vragen? Weet je nog, hoe trotsch zij dien keer op Wilgenhorst

tegen mij waren, toen zij met je tante waren meegekomen?”

„Ja, dat herinner ik mij nog wel. Ik weet niet, of ze je zullen vragen,

misschien wel.”

Annie brandde van verlangen, om Paula alles te vertellen van mevrouw

Van Scheik en de meisjes, maar haar oom had het haar toch nog verboden.

„Niet doen hoor,” had hij gezegd, „mevrouw Van Scheik wil het niet

hebben en tante en ik ook niet.”

Annie moest dus nog zwijgen. Zij vond het heel vervelend, eerst had oom

gezegd, wacht tot je thuis bent en nu toen zij thuis was, had hij haar

in de gang toegefluisterd het niet te doen en zij begreep maar niet,

waarom.

Op Annie’s dringend verzoek had mevrouw Stubbens toegelaten, dat Paula

dien nacht bij haar vriendinnetje op de kamer mocht slapen en toen de

meisjes daar nu bezig waren, zich wat op te knappen, voordat zij aan

tafel gingen, kwam Tom, na luid op de deur gebonsd te hebben de kamer

in.

„Mag ik binnen komen?”

„Je vraagt het wel bijtijds,” antwoordde de meisjes, „maar je mag wel.”

„Zeg, jullie komen morgen toch kijken? Die twee flauwe nuffen willen

niet.”

„Wie bedoel je?”

„Die twee stijve preten, Coba en Laura, maar ik zal ze wel hebben.”

„Dat moest je ma eens hooren,” zeide Annie. „Hoor je dat Paula?”

„Hij is boos, hè, Tom,” antwoordde Paula goedig. „Maar, als je ma het

goed vindt, zullen wij komen, hoor, dat beloof ik je. Maar, wat heb je

een buil op je oog.”

„Ja, zou hij morgen weg zijn?”

„Weg? morgen is hij blauw, geel, groen en paars,” plaagde Annie.

„Denk je dat heusch?” klonk het blij, „dat zou leuk zijn.”

„Leuk?”

„Natuurlijk, dat is iets, waarop je trotsch moet zijn, zegt Frits, het

is een teeken, dat je echt gevochten hebt voor de overwinning. Dus

jullie komen, hè? dat is patent,” en fluitend verliet hij de kamer.

Toen de meisjes beneden kwamen, vonden zij Tom’s drie zusjes, die bij

Paula’s aankomst nog niet thuis waren geweest van de wandeling. Zij

begroetten Paula wel wat verlegen, want beiden dachten zij aan de

vorige ontmoeting op Wilgenhorst, toen zij zoo onaardig waren geweest.

Zij begrepen wel, dat Paula dit nog niet vergeten was en lieten haar

dus geheel aan Annie over.

Dien avond tegen zeven uur, toen hij wist, dat de dokter thuis zou

zijn, ging de heer Stubbens den heer Van Meerel opzoeken.

„Goeden avond, Stubbens, daar doe je goed aan,” zeide de dokter, toen

zijn vriend Stubbens de kamer van den dokter binnentrad, waar deze

juist de krant zat te lezen. „Wil je eens opsteken?”

De heer Stubbens nam een sigaar uit den welvoorzienen koker, dien de

dokter hem aanbood en nam plaats op den armstoel, welke deze voor hem

bijschoof.

„Je raadt nooit, waarover ik je kom spreken,” begon de heer Stubbens.

„Als ik het toch niet kan raden, zeg het dan maar, dat spaart tijd,”

merkte de dokter op.

„Over je zoon.”

„Wat heeft hij nu weer uitgehaald? Die jongen is een nagel aan mijn

doodkist.”

„Zeg dat nu niet te gauw. Wil ik je eens wat zeggen, Van Meerel? jij

kent je eigen zoon niet.”

„Neen, dat lijkt maar zoo! Maanden achter elkaar niets dan slechte

cijfers op school; eindelijk komt hij met kunst en vliegwerk op het

gymnasium, natuurlijk veel te laat, en dan haalt hij weer kattekwaad

uit.”

„Het staat natuurlijk niet aan mij, het te beoordeelen,” merkte de heer

Stubbens op, „maar je weet, wij hebben het er vroeger al eens over

gehad en toen heb je gezegd: de jongen deugt niet voor de studie;

overigens is hij flink en slim genoeg. Maar dat doet niets ter zake;

waar ik nu eigenlijk voor kom, dat is om je te verzoeken, den jongen

zijn vrije middagen terug te geven, om mij plezier te doen.”

„Om jou plezier te doen! maar hoe heb ik het met je? wat kan het jou nu

schelen, of de jongen vrij heeft of niet?”

„Alleen maar dit: dat ik het aan hem te danken heb, dat ik mijn kleine

Tine nog bezit.”

„Wat bedoel je in vredesnaam; ik weet van die heele historie niets af.”

„Dat wil ik wel gelooven. Hij vertelt je alleen zijn ondeugende

streken, het goede en flinke, wat hij doet, houdt hij voor zich.” En nu

vertelde mijnheer Stubbens wat er met Tine was voorgevallen en hoe

Frans haar gered had.

„Hoe is het mogelijk,” antwoordde de dokter, „dat had ik nooit achter

hem gezocht. Ja, zie je Stubbens, het is eigenlijk zoo ongelukkig. Als

dokter heb ik zoo bitter weinig tijd om mij met den jongen te bemoeien,

eigenlijk moet ik hem heelemaal aan mijn vrouw overlaten en die verwent

hem, terwijl ik hem daarentegen misschien te streng aanpak, telkens als

ik klachten over hem krijg. Ik ben blij, dat je het mij verteld hebt.

Stelde de jongen toch maar meer vertrouwen in mij, zoodat ik wist, wat

hij eigenlijk graag zou worden. Ik heb het altijd als de natuurlijkste

zaak van de wereld beschouwd, dat er uit hem een dokter zou groeien als

zijn vader en grootvader. Hij heeft er nooit tegen geprutteld. Maar, ik

geloof toch ook niet dat hij ooit zoover komt.”

„Nu, daar spreken wij later nog wel eens over, ik zal er mijn gedachten

eens over laten gaan, of ik je niet wat aan de hand kan doen, als ik nu

maar eerst weet, dat je hem niet langer op zijn vrije middagen

opgesloten houdt, dan zal ik je niet langer ophouden.”

„Neen, ik zal hem zijn vrijheid niet langer onthouden,” antwoordde de

dokter. „Ik geloof zelf niet, dat het goed voor hem is; hij klaagt dan

niet, maar wordt dan alleen zoo akelig stil, dat ik er zelf zenuwachtig

van word.”

„Zoo; nu, dan ben ik blij, dat ik niet vergeefs bij je heb aangeklopt,

dat zou mij werkelijk gespeten hebben, ik mag den jongen zoo graag.”

„Ik dank je nog wel dat je mij dat alles verteld hebt,” merkte de

dokter op.

„Niets te danken, saluut, mijn groeten aan je vrouw,” antwoordde de

heer Stubbens en begaf zich opgewekt naar huis.

Annie van Walen · 第 19 / 42 题