Mevrouw Hermsen, een vriendelijke oude dame van zeven en zestig jaar
zat met een haakwerkje voor het venster van haar huiskamer, terwijl
Mina Holst het koffiegoed wegruimde.
Zij woonde op een groot buiten, dat gelegen was nabij het dorp, waar
zich het advocatenkantoor van de firma Hermsen bevond, vroeger had dit
kantoor aan den heer Hermsen, den echtgenoot der oude dame behoord. Na
diens dood was het in andere handen overgegaan, doch had men het den
ouden firma naam laten houden.
De oude mevrouw had een zeer vriendelijk voorkomen en droeg een koket
kanten mutsje op het grijze haar. Zij verafgoodde haar kleindochter en
verwende het meisje op een hoogst onverstandige manier, wanneer het
zomers bij haar logeerde.
„Mina,” merkte zij op, terwijl zij nadenkend met een wollen lapje de
glazen van haar bril schoonveegde; „wie denk je dat straks hier komt?”
„Gunst, mevrouw, hoe zou ik dat weten?”
„Nu, dan zal ik het je maar zeggen, Annie. Mijnheer Stokman is haar
voor mij gaan halen.”
„Heeft zij vacantie, mevrouw?”
„Neen, maar zij mag wel een paar daagjes verzuimen, voor haar
gezondheid moet zij wat rust hebben, begrijp je?”
„Heere mijn tijd, mevrouw, als u toch wist, hoe ik al dien tijd
verlangd heb om het lieve kind terug te zien. Het is ook wel te
begrijpen, hè, hoeveel jaren heb ik al niet voor haar gezorgd? Zal ik
maar gauw haar kamer in orde gaan brengen? zij krijgt zeker de
logeerkamer naast de uwe?”
„Ja, Mina, dat is goed, doe jij dat maar zelf; jij kent haar goed en je
weet hoe zij alles graag heeft. Maar ik moet je nog wat zeggen, Mina,
ik denk erover met Annie een klein reisje te gaan maken. Wij gaan
morgen weg, maar dat moet een verrassing voor haar zijn; zeg het dus
aan niemand, anders hoort zij het misschien van een van de bedienden en
dat zou ik jammer vinden. Pak jij dus zelf, als je zoo goed wilt zijn,
voor mij den grooten handkoffer met het hoog noodige.”
„Best, mevrouw,” antwoordde Mina en voegde er eensklaps bij:
„Mevrouw, mevrouw, daar komt mijnheer Stokman alleen aan!”
Willem Stokman was reeds bij het leven van den ouden heer Hermsen klerk
geweest op diens kantoor, waarover wij zoo straks al spraken, en na den
dood van Annie’s grootvader was hij bij diens opvolger in betrekking
gebleven. Hij was een nog vrij jonge man en niemand zou in hem den
deftigen heer met den langen baard en den gouden bril herkend hebben,
want zoowel bril als baard waren verdwenen, toen hij bij mevrouw
Hermsen aanschelde, en den hoogen hoed had hij verwisseld tegen een
slap vilten. Men zou hem niet herkennen en toch was hij dezelfde als
Tine’s nieuwe oom.
„Zoo, Willem, waar is het kind?” was het eerste wat mevrouw Hermsen
zeide, zoodra de jonge man de kamer inkwam.
„Ja, het is jammer,” hij keek even om zich heen om te zien of zij
alleen in de kamer waren, „het is mislukt, maar ik zal u alles liever
geregeld vertellen. Men zal ons toch niet kunnen hooren en wij zullen
toch niet gestoord worden?”
„Neen, wij zijn alleen.”
„Nu, zooals wij hadden afgesproken, profiteerde ik van de gelegenheid,
dat ik voor mijn patroon naar de stad moest. Ik deed eerst mijn zaken
af, bracht toen een kleine, onschuldige verandering in mijn
uiterlijk—een bril, een baard en een hoogen zijden deden wonderen—en
drentelde zoo naar de Hoogstraat, waar de kleine school gaat. Dat had
ik bij een vorige gelegenheid al uitgevonden. Het kwam zoo: toen ik de
laatste maal, nu een veertien dagen geleden, langs het huis van de
familie Stubbens liep, ging juist de deur open en kwam de kleine naar
buiten. Ik volgde haar en zag toen, waar zij heen ging. Dat trof
bijzonder goed, want in de Hoogstraat, tegenover haar school staat een
café en daar heb ik gewacht om te zien hoe laat de kinderen weer naar
huis gingen. Nu, om even vóór twaalf ging het schooltje uit.”
„Op de Hoogstraat, maar daar is toch geen meisjesschool.”
„Een meisjesschool, dat weet ik niet, maar ik zag er haar zelf ingaan
en om twaalf uur weer naar buiten komen. Er waren ook nog drie kleine
jongens bij.”
„Jongens! maar Annie gaat niet met jongens naar school.”
Nu was het Stokmans beurt om verbaasd te zijn. „Annie!” riep hij, „zij
heet toch geen Annie? ik hoorde de kinderen duidelijk Tine tegen haar
zeggen en zoo heb ik haar ook genoemd en zij luisterde naar dien naam,”
voegde hij erbij, alsof hij van een jong hondje sprak.
„Man, wat heb je gedaan? weet je wie die Tine is? dat is het jongste
dochtertje van mijnheer Stubbens. Mijn kleindochter heet Annie, dat heb
ik je toch duidelijk gezegd, Annie heet zij.”
„Hemel beware mij, hoe kon ik zoo dom wezen. Ik zal het u maar zeggen,
ik was den naam, dien u mij genoemd had, vergeten en toen ik haar nu
door die andere kinderen Tine hoorde noemen, dacht ik bij mezelf;
„juist, dat was de naam, nu herinner ik het mij duidelijk.” Wel,
mevrouw, Annie is het juist geweest, die haar van mij heeft
afgetroggeld, zij en een jongen van een jaar of veertien, met wien zij
liep. Had ik toch maar geweten, dat zij het meisje was, dat ik hebben
moest, dan had ik haar nog wel met een zoet lijntje meegekregen. Annie
dus en niet Tine,” besloot hij nadenkend.
„Ja, Annie en het is een zegen, dat Annie je belet heeft Tine mee te
nemen. Wat had ik met dat kind moeten doen en wat had ik aan mijnheer
en mevrouw Stubbens moeten zeggen?”
„Ja, wat u eigenlijk met dat kind wil doen is mij een raadsel.”
„Kan je je dan niet voorstellen, dat ik mijn kleinkind, het kind van
mijn arme, vroeg gestorven dochter, bij mij wil hebben nu haar vader
naar Engeland is om met zoo’n Engelsche te trouwen? Annie weet daar
niets van; dat heb ik uit haar brieven wel gemerkt, zij denkt dat haar
vader voor zaken op reis is en ik wil niet hebben dat het lieve kind
door zoo’n vreemde en dan nog wel een Engelsche—een volk waar ik zoo’n
hekel aan heb—opgevoed zal worden, dat wil ik liever zelf dan doen!”
„Ik dacht ook dat mijnheer Van Walen voor zaken op reis was.”
„Nu ja, gedeeltelijk is dat ook zoo, maar hij trouwt daar te
gelijkertijd. Toen Annie verleden jaar en het jaar te voren hier
logeerde, was haar vader ook in Engeland en toen heeft hij juffrouw
Ackfield leeren kennen. Het is wel toevallig Willem,” voegde de oude
dame erbij, „dat jij juist nooit thuis was, als Annie hier bij mij
kwam, als dat niet het geval was geweest, zou die domme vergissing
nooit hebben plaats gehad.”
„Ja, ze kwam ook altijd in den slappen tijd en dan ging ik zelf met
vacantie uit.”
„Maar hoe heeft Annie het ongeluk verhoed, dat je mij Tine Stubbens
hier gebracht zoudt hebben!”
„Zij heeft het eigenlijk niet zoozeer gedaan als wel die jongen, van
wien ik u vertelde. Frans noemde ze hem, welnu, toen ik goed en wel met
Tine op weg was naar het station, kwamen er een paar kinderen aan en
daar begon de kleine ineens „Annie, Annie!” te roepen en daar hadt je
de poppen aan het dansen. Zij holden naar haar toe, ik noemde Tine bij
ongeluk Annie’s zusje—ik wist toen natuurlijk ook niet wie die Annie
was—en daar hadt je het gezanik! Toen begreep dat kleine nest, dat er
iets niet in den haak was. Ik had haar ook nog beleedigd door haar
„klein meisje” te noemen, maar dat „zusje” deed de deur dicht. En wat
doet nu die jongen? Hij kijkt ineens vol oplettendheid de straat af en
roept: „o, daar komt je pa aan!” Nu, u begrijpt, dat ik niet bleef
wachten om te zien of het waar was of dat hij mij bij den neus nam, en
ik weet nu nog niet of hij mij gefopt heeft of niet. Wel weet ik, dat
ik het hazenpad koos en in het eerste beste rijtuig sprong, dat voorbij
kwam.”
„Ik kan niet anders zeggen dan „goddank” dat die domheid van je mislukt
is, Willem, en ik heb grooten lust je geen cent te betalen.”
„Maar mevrouw, ik heb toch mijn reiskosten gehad. De groote som hoeft u
mij natuurlijk nog niet te geven, die betaalt u mij, als ik u het kind
veilig en wel gebracht heb. U begrijpt dat ik het nog niet opgeef, maar
wij zullen eerst wat moeten wachten, tot dat zaakje een beetje in het
vergeetboek is geraakt.”
„Wij zullen nu in vredesnaam tot den winter moeten wachten, vóór dien
tijd zou het te gevaarlijk zijn.”
„Maar ik moet u nog iets zeggen, mevrouw, nu ik die Annie gezien heb,
ben ik voor mij overtuigd, dat het lang niet zoo gemakkelijk zal gaan
haar mee te krijgen. Zij is niet zoo’n lammetje als die kleine en zij
lijkt wel een jaar of twaalf. Als ik dat geweten had, zou ik het u
dadelijk gezegd hebben, dat ik het niet voor vijf honderd gulden doen
kon. Ik waag er te veel mee, vooral omdat het meisje bij mijnheer
Stubbens in huis is, wiens voorspraak ik eenmaal hoop te vragen voor
die nieuwe betrekking. Zou u er geen zevenhonderd vijftig van willen
maken?”
„Je bent een inhalig wezen. Ik zal erover denken.”