„Bespottelijk van je, Annie, dat jij je zoo bij Bertha van Scheik
opdringt, die zooveel ouder is dan jij,” zeide Coba Stubbens op zekeren
dag, toen zij pas uit school waren gekomen.
Coba was een beetje jaloersch op Annie; tot nu toe was zijzelf Bertha’s
speciale vriendin geweest, maar sedert de komst van Annie, had Bertha
zich meer met deze bemoeid, dan Coba lief was. „Waarom loop je niet
liever met Clara, die in jouw klasse zit, in plaats, dat je de meisjes
uit de zevende opzoekt,” voegde Coba er nog bij.
„Ik dring mij niet bij Bertha op, dat is heelemaal niet waar,” riep
Annie boos. „Maar Bertha loopt graag met mij, omdat ik de vriendin ben
van haar nichtje, Paula Tillens, en dan praten wij samen over Paula.”
„Wat zeg je,” bracht mevrouw Stubbens, die toevallig in de kamer was,
in het midden, „is dat meisje van Tillens een nichtje van de Van
Scheiks? Ik dacht dat die mevrouw Tillens en haar dochter menschen
waren, die, nu, ja, die niet in onze kringen thuishooren.”
„Ik weet niet, of zij in uw kringen thuis hooren; ik weet niet wat u
bedoelt, tante, maar mevrouw Tillens is altijd even snoezig voor mij
geweest en Pau is mijn vriendin en papa vond het best, dat ik met haar
omging. Mevrouw Tillens is de zuster van mevrouw Van Scheik.”
„Hoe is het mogelijk! dan heeft men mij heelemaal verkeerd ingelicht.
Mijnheer en mevrouw Van Scheik behooren tot de aanzienlijkste families
van de stad. Nu, Annie, als Paula eens bij Bertha komt logeeren, dan
moet je haar ook maar eens een dagje hier vragen.”
„Zij komt nooit hier, tante, haar ma is niet goed met mevrouw Van
Scheik.”
„Maar, kind, hoe weet je dat alles?”
„Dat heeft Bertha mij allemaal verteld.”
„Zoo, zoo; misschien zal ik haar dan eens van Zaterdag tot Maandag hier
vragen. Dat zou je zeker wel prettig vinden, is het niet?”
„Meent u het tante? maar dat is dolletjes!” en Annie zou haar tante op
een van haar onstuimige omhelzingen vergast hebben, als zij niet juist
bijtijds bedacht had, dat mevrouw Stubbens daar niet van hield. Zij
begreep niet goed, waarom tante Dora zoo plotseling veranderd was ten
opzichte van Paula en haar moeder; zij was daarvoor nog te jong, maar
kind als zij was dacht zij er ook niet verder over na en verheugde zij
zich slechts in het vooruitzicht dat haar vriendinnetje bij haar zou
mogen komen logeeren.
Zij was nu reeds veertien dagen bij de familie Stubbens en begon zich
nu langzamerhand zoowel bij hen als op school nogal thuis te voelen.
Tante Dora bleef, zooals zij geweest was koel in haar manieren, maar
Annie wist dat zij in haar hart toch goedig was, want zij verzon van
alles om het moederlooze kind genoegen te doen en bovendien had Annie
nu zooveel kennisjes om zich heen, die hartelijk en aardig voor haar
waren, dat zij zich niet in het minst verlaten voelde. Ook was zij zeer
vlug in het leeren en maakte het dan ook goed op school. Maar er was
één ding, waardoor zij daar altijd in ongelegenheid kwam. Zij was erg
goedig en kon niet laten om Louise Bronsma, het meisje, dat naast haar
zat, voor te zeggen, wanneer Louise er om vroeg.
Louise was een erge stumper, die de grootste moeite had om mee te komen
en soms, wanneer zij thuis werkelijk had zitten blokken op de
geschiedenisles, die zij moesten leeren, was zij deze, als zij den
volgenden dag op school kwam, weer geheel vergeten.
„Annie,” zeide zij weer op zekeren morgen, voordat de school begon,
„zeg je mij voor, als ik een beurt krijg bij de geschiedenisles?”
„Hé, Lou, juffrouw Merks merkt het altijd en ik loop er straf voor op.
Oom heeft gezegd dat ik, als ik het weer doe op de vrije middagen niet
meer mee mag naar Rustoord en als oom zooiets zegt, gebeurt het ook,
dat verzeker ik je.”
„Dan moet je het natuurlijk niet doen, maar ik ken er niets van,” zeide
Lou met een erg ongelukkig stemmetje, „en als ik vandaag mijn les niet
ken, moet ik Woensdagmiddag school blijven.”
„En ik erbij voor het voorzeggen, dat zal je zien! Heb je de les dan
niet geleerd?”
„Jawel, heusch waar, maar ik kan die namen niet onthouden en dan die
nare jaartallen!”
„Misschien krijg je geen beurt.”
Annie had zich vast voorgenomen dezen keer niet toe te geven en zeide
dit ook aan Louise.
De les begon en reeds hadden verscheidene meisjes een beurt gehad,
zoodat Louise hoop kreeg, dat de vragen niet aan haar toe zouden komen,
voordat het uur om was, toen de juffrouw eensklaps vroeg:
„Vertel jij me nu eens Louise Bronsma...”
Voordat de juffrouw nog zoover gekomen was, had Annie al gefluisterd
„beef maar niet zoo, ik zal je wel helpen als je het niet weet.”
„Vertel mij eens, Louise, wanneer begon de tachtigjarige oorlog?”
Dat wist zij gelukkig. „In vijftien honderd acht en zestig, juffrouw,”
antwoordde zij dadelijk.
„Heel goed; en wanneer en waar werd de vrede gesloten?”
Louise dacht na.
„Acht en veertig,” fluisterde Annie.
„In vijftien honderd acht en veertig,” antwoordde Louise.
„Maar meisje, hoe kan dat nu? en hij begon in vijftien honderd acht en
zestig.”
„Zestien,” fluisterde Annie weer.
Louise was nu echter weer geheel in de war. „In vijftien honderd
zestien,” antwoordde zij.
„Maar kind, hoe is het toch mogelijk,” zeide de juffrouw, die haar
geduld begon te verliezen, „hij begon in vijftien honderd acht en
zestig hoe kan hij dan eindigen in vijftien honderd zestien?”
„Zestien honderd acht en veertig,” fluisterde Annie opnieuw, maar,
zooals zij wel gevreesd had, was deze zin te lang, vooral daar Louise
niet zoo heel gemakkelijk hoorde en zij dus niet al te zacht kon
fluisteren.
„Is Annie weer aan het voorzeggen?” vroeg de juffrouw. „Het spijt mij,
Annie, maar dan moet je nu maar de klasse uitgaan. Het is je al
dikwijls genoeg verboden. Woensdagmiddag moet je maar een uurtje
schoolblijven. Ik zal Louise nu nog een paar vragen doen en als zij die
zonder jouw hulp niet weet, moet zij ook hier blijven. Maar ga jij nu
maar eerst naar de directrice en zeg, dat ik je heb weggestuurd, omdat
je weer voorgezegd hebt.”
Zonder een woord te zeggen verliet Annie het lokaal. Zij wist dat Lou
toch nooit zou durven bekennen, dat zij (Annie) het op haar verzoek
gedaan had; het kind was trouwens te veel overstuur en zat te beven als
een riet.
Annie vond het heel vervelend om naar de directrice toe te gaan, want
deze gaf op dat uur Duitsche les in de zevende klas, dus zouden Bertha
en Coba nu merken, dat zij weggestuurd was. Maar het moest natuurlijk
gebeuren en zij klopte aan.
„Binnen,” klonk de stem van de juffrouw en met loode schoenen trad
Annie het lokaal in. Gelukkig hadden de meisjes schriftelijk werk, dus
kon de juffrouw haar dadelijk te woord staan en behoefde zij niet voor
de geheele klasse te staan wachten.
„Zoo, Annie, wat kom je doen?”
„Ik ben weggestuurd, juffrouw, omdat ik heb voorgezegd.”
„Hm, zoo, dat is al meer gebeurd, niet waar?”
„Neen, juffrouw ik ben nog nooit weggestuurd; dit is de eerste keer.”
„Neen, dat bedoel ik niet. Ik meen het voorzeggen.”
„O, ja,” bekende Annie nu, „ik heb er al driemaal thema’s voor gehad.”
„Maar meisje, hoe is het dan mogelijk, dat je er niet mee ophoudt?
Enfin, ik heb nu geen tijd, ik zal er je nog wel eens over spreken.” Op
haar horloge kijkende, voegde de juffrouw erbij:
„Het is nu kwart voor twaalf, dus te laat om nog iets te beginnen. Ga
dus nu naar huis, maar Woensdagmiddag moet je natuurlijk school
blijven.”
„Ja, juffrouw, dag, juffrouw.”
„Dag, Annie.”
Zonder naar de meisjes om te zien, die over hun werk gebogen zaten,
verliet Annie het lokaal.
Zij wilde niet vroeger thuis komen, dan de anderen, want dan zou oom,
als hij toevallig thuis was, natuurlijk vragen, hoe zij zoo vroeg van
school kwam en zij had den moed nog niet om het te vertellen. Zij zou
maar een eindje loopen.
Langs het gymnasium komende, hoorde zij eensklaps haar naam roepen en
omkijkende, zag zij Frans van Meerel.
„Is het gymnasium al uit, Frans?” vroeg Annie.
„Neen, ik ben weggestuurd. Lam, hè?”
„Jij ook?”
„Wat! je wilt toch niet zeggen, dat jij ook...”
„Ja, ik ben ook weggestuurd,” zeide Annie, „omdat ik heb voorgezegd.
Vind je dat niet flauw?”
„Nou, of ik. Ik wou, dat ik kon voorzeggen, maar ik weet zelf nooit een
antwoord. Neen, weet je wat ik gedaan heb,” vervolgde hij, terwijl hij
naast haar voortliep. „Ik had het portret van Smilder met twee lange
ezelsooren eraan op het achterste bord geteekend. De lui vonden het
prachtig en het schijnt ook wel geleken te hebben, want anders zou hij
niet zoo woedend geweest zijn. Je hadt zijn gezicht moeten zien, toen
hij het voorste bord opschoof en zijn portret zag! Hij vroeg natuurlijk
dadelijk, wie het gedaan had. Die Smilder is ook zoo’n ezel!”
„Dat moest oom eens hooren, dat je Smilder zeide in plaats van mijnheer
Smilder. Tom krijgt altijd zoo’n standje als hij het doet.”
„Ach, wat, al de lui doen het natuurlijk; maar, zeg, vind je het geen
leuke mop?”
„Ik had er wel bij willen zijn.”
„Dat dacht ik wel. Nou het was ook wel de moeite waard. Ik heb er de
straf graag voor over. Maar hoe kom je hier, durf je niet naar huis?”
„Oom is zoo streng,” antwoordde Annie, „en dan had ik natuurlijk alles
moeten vertellen, als oom gevraagd had, hoe ik zoo vroeg thuis kwam.”
„Laten wij nog een straatje omloopen, totdat het twaalf slaat.”
Al pratend kwamen de kinderen langs het huis van de familie, waar Tine
fröbelles had. Juist kwamen een paar van de kleintjes naar buiten met
de dienstmeisjes, die hen waren komen halen.
„De kinderen gaan geen van allen nog alleen; Tine is de eenige,” zeide
Annie en vroeg toen aan een van de kleintjes: „Is Tine Stubbens nog
binnen?”
„Neen, Tine is net door haar oom gehaald,” antwoordde het kind. „Tineke
was zoo blij, haar oom ging met haar naar den dierentuin. Zij is net
weg.”
Annie begreep er niets van.
„Wie is die oom van Tine, Annie?” vroeg Frans.
„Ik weet het niet. Zij heeft, geloof ik, geen anderen oom dan papa en
die is in Engeland.”
„Ga mee kijken,” riep Frans; „wij halen ze nog wel in. Zij zijn net
weg.”
Nog onder het spreken had hij Annie reeds weggetrokken en nu holden de
kinderen samen voort.
„Ga je naar den dierentuin?” vroeg Annie.
„Welneen; ik geloof er niets van, dat zij daarheen zijn. Wij zullen
juist den anderen kant opgaan. Den weg, dien wij gekomen zijn, heeft
hij niet genomen, anders hadden wij hen natuurlijk gezien. O, daar
staat de tram nog, gauw!”
„Wat wil je doen?”
„Op de tram stappen, dan halen wij hen stellig in. Hij vertrekt
dadelijk.”
De kinderen stapten in en het was of de tram daarop gewacht had; hij
vertrok bijna onmiddellijk. Frans liet Annie binnen zitten, want hij
was veel te bang, dat zij onder het rijden uit de tram zou springen,
wanneer zij Tine zag, en ging zelf buitenop staan.
„Kijk jij rechts,” had hij aan haar gezegd, „dan zal ik aan den
linkerkant uitkijken.”
„En u, jongeheer?” vroeg de conducteur.
Frans betaalde voor twee en bleef nu naar buiten turen. Zijn
voorspelling kwam uit, want nog geen minuut hadden zij gereden, toen
hij een kleine gedaante aan de hand van een keurig gekleed heer zag
loopen. Er viel niet aan te twijfelen, het was Tine met den nieuwen
oom. Niets kwaads vermoedend liep het tweetal voort.
„Stop je bij de volgende halte?” vroeg Frans aan den conducteur. Hij
wilde hen eerst voorbij laten gaan en hen dan te gemoet loopen, dan kon
Annie zien, of zij dien heer kende.
Met opzet ging hij naar binnen, zoodat Tine hem niet herkennen zou en
toen hij naast Annie zat, die nog strak naar buiten keek uit angst dat
Tine haar ongemerkt voorbij zou loopen, zeide hij: „Laat dat maar, wij
zijn er al. Wij stappen dadelijk uit.”
„O, ga mee, gauw,” riep Annie hem meetrekkende, „anders zijn zij weg!”
„Welneen, zij loopen ook dezen kant op, dáár, nu gaan wij hen juist
voorbij. Kijk nu niet zoo, anders ziet Tine je en dan gaat hij die
zijstraat in.”
Hoewel het in werkelijkheid geen minuut duurde, leek het Annie wel een
uur, voordat de tram stilhield. Zij had bijna geen geduld om te wachten
tot hij stilstond en de conducteur moest haar bij den arm vasthouden,
anders was zij er nog onder het rijden uitgesprongen.
„Nu mag je eruit,” zeide Frans eindelijk en nadat hij zelf was
uitgestapt, hielp hij Annie uit de tram.
„Kijk nu eens goed,” fluisterde hij, „ken je dien mijnheer?”
„Neen,” antwoordde Annie, „wie is dat? Ik heb hem nooit gezien.”
Daar kreeg Tine hen in het oog. „Annie, Annie!” riep zij vroolijk. „Ga
je mee? oom gaat met mij naar den dierentuin!”
Oom keek woedend, toen hij ontdekte, dat Tine kennissen gezien had. Als
het kind hem bijtijds gezegd had, dat er iemand aankwam, die zij kende,
dan had hij die zijstraat in kunnen slaan, die zij juist voorbij waren
gekomen. En als het nu nog maar alleen dat kleine meisje was geweest,
dan had hij er nog wel wat op gevonden, maar met dien grooten jongen
erbij werd het toch te gevaarlijk. Hij leek een jaar of vijftien en zou
zich niet om den tuin laten leiden. Hij zou toch nog zijn best doen.
„Is dat Annie,” zeide oom. „Dag Annie, ga je ook mee? dat is aardig. En
wie is dat jongmensch, is dat een vriendje? hij zal er zeker wel geen
zin in hebben om met twee kleine meisjes mee te gaan, dat zeide ik zoo
juist aan je zusje, toen ik jullie zag aankomen.”
„Ik ben geen klein meisje,” antwoordde Annie beleedigd, „en Tine is
mijn zusje niet! Maar wie bent u?”
„Oom is van morgen pas gekomen,” vertelde Tine nu. „Laat ons nu gaan,
Annie, anders wordt het zoo laat. Wij gaan in den dierentuin
koffiedrinken; papa is er ook.”
„O!” riep Annie, want nu begreep zij, dat er niets van waar was, „dat
kan niet, want je pa moet om half één naar Amsterdam.”
„Daar komt je pa aan, Tine,” zeide Frans eensklaps en voordat hij nog
had uitgesproken, had de zoogenaamde oom Tine’s hand losgelaten, hen
den rug toegekeerd en was hij in de zijstraat verdwenen.
Tine begon te huilen. „Nu is oom weg; nu kan ik niet naar den
dierentuin!”
„Stil, Tine, een ander keertje ga je er heen, hoor,” troostte Annie.
„Waar zag je oom, Frans?”
„Wel, nergens, maar ik wilde dien anderen oom weg hebben; ik begreep
wel dat hij daarvoor op den loop zou gaan, en nu ga ik hem achterna om
te zien waar hij blijft. Annie, ga gauw met Tine naar huis.”
„Huil toch niet zoo, Tine,” zeide Annie, toen Frans weg was, „die
mijnheer was heelemaal geen oom van je. Hij had Tineke mee willen nemen
en dan was Tine nooit meer thuis gekomen. Maar nu gaan wij naar maatje,
hoor, hard loopen! kan je mij krijgen?”
En om het kleintje vlugger mee te krijgen, deed Annie, alsof zij voor
haar wegliep. De list gelukte. Tine rende haar achterna, zoo vlug als
haar kleine beenen haar dragen konden en juist als zij Annie bijna had,
liep deze weer weg, totdat zij zich eindelijk liet pakken. „Nu zal ik
jou pakken, loop, loop, gauw, maar niet vallen.” Op hetzelfde oogenblik
dat Annie Tine gepakt had—zij waren reeds niet ver meer van huis—kwam
Frans hen buiten adem achterop.
„Hij is weg,” zeide hij. „Juist toen ik in de Zandstraat (de reeds meer
genoemde zijstraat) kwam, stapte hij in een rijtuig en reed in volle
vaart weg. Nog een oogenblik heb ik geprobeerd het te volgen, maar hij
reed zoo hard, er was geen denken aan. Hoe vinden wij dien kerel nu
terug? je moet maar gauw alles aan je oom vertellen.”
„Ja,” antwoordde Annie verstrooid. Naarmate zij het huis naderden,
drong het gebeurde van dien morgen op school zich weer bij haar op den
voorgrond, want zij begreep, dat Coba nu al wel thuis alles verteld zou
hebben, dat zij weggestuurd was en zij wist, wat er opstond. Zijzelf
zou het in Coba’s plaats natuurlijk nooit doen, zij vond klikken laag,
maar Coba was al zoo afgunstig op haar, om Bertha, dat zij stellig niet
zwijgen zou. Het zou haar trouwens toch niets helpen; oom moest het
toch weten, want hij zou haar natuurlijk vragen, waarom zij op een
vrijen middag naar school moest.
Op de stoep nam Frans afscheid en met kloppend hart schelde Annie aan.
„Gut, waar benne jullie geweest? mevrouw heb al een angst uitgestaan
van belang, weet je wel, dat het al over half één is, Annie?” met deze
woorden werden zij ontvangen door het oude keukenmeisje, dat reeds
jarenlang bij de familie was en dat nu de deur voor hen opende.
„Je bent anders toch vroeg genoeg van school gegaan,” plaagde Coba, die
met haar moeder de gang in kwam om te zien of het de kinderen waren.
„Stil nu, Coba,” riep mevrouw Stubbens, „ik moet eerst weten, waar Tine
zoo laat vandaan komt.”
„Oom wou met mij naar den dierentuin en toen kwamen Annie en Frans en
oom vroeg of Annie ook mee ging,” vertelde Tine, „en toen zei Frans:
„daar komt je pa aan,” en toen ging oom weg en het was niet eens waar,
paatje kwam niet aan en nu heb ik niet naar den dierentuin kunnen gaan
en oom had beloofd, dat ik de apen apennootjes mocht geven en dat ik
een cent in de snuit van den olifant mocht doen en nu is oom weg en kan
ik niet naar den dierentuin gaan!” en bij de herinnering aan al de
heerlijkheden, die nu voor haar waren verloren gegaan, begon de kleine
opnieuw te huilen.
Tante Dora was doodsbleek geworden.
„Ik begrijp niets van dat verhaal, Annie,” zeide zij. „Vertel mij eens
duidelijk, wie is die oom, waar zij het over heeft? zij heeft geen
anderen oom, dan mijn broer, jouw vader, en die kan het natuurlijk niet
geweest zijn, jij zoudt je eigen vader wel gekend hebben.”
„Oom, die van morgen pas gekomen is,” antwoordde Tine voor Annie, „en
nu is oom weg!”
„Kind, kind, ben je zoo maar met dien vreemden man meegeloopen? het is
verschrikkelijk! Ik begrijp niet, dat mevrouw je heeft laten gaan.”
„Mevrouw weet er geloof ik niets van,” zeide Annie. „Die mijnheer heeft
buiten gewacht, tot Tine het huis uit kwam. Een van de meisjes werd
juist gehaald, toen Tine wegging en zij is weer naar binnen gegaan om
het aan de andere kinderen te vertellen, en die zeiden het aan ons,
toen wij kwamen.”
„Het is vreeselijk,” zeide mevrouw Stubbens. „Was papa nu maar thuis,
maar die komt eerst om vijf uur terug. Wees nu stil, Tine, dan kan
Annie mij precies vertellen, wat er gebeurd is.”
Mevrouw was blijkbaar zoozeer vervuld van het voorgevallene met Tine,
dat zij er in het geheel niet meer aan dacht dat Annie weggestuurd was.
„Ik ging om kwart voor twaalf uit school,” begon Annie haperend en met
een erge kleur, „en... toen... wou ik... nog niet dadelijk naar huis...
en toen... liep ik een eindje om... en toen kwam ik Frans tegen... en
toen kwamen wij langs Tinekes les...” en nu vervolgde Annie achter
elkaar met vuur haar verhaal, want het moeilijke ervan was nu voor haar
voorbij.
„En hoe zag die man eruit?” vroeg haar tante.
„Een groote man met een langen baard, en met een bril op en met een
hoogen hoed.”
„Annie, kind, zeide eensklaps mevrouw Stubbens, terwijl zij, voor het
eerst zoolang Annie haar kende, het meisje naar zich toetrok en
hartelijk kuste. „God weet waar mijn kleine Tine nu zou zijn, als jij
en Frans niet toevallig op dat oogenblik langs dat huis gekomen waren,
waar zij leert.”
„Bent u niet meer boos, tante, omdat ik weggestuurd ben?”
„Ik weet niet, waar het voor was Annie; straks als wij alleen zijn,
moet je er mij alles maar eens van vertellen. Nu ga ik eerst met de
politie telefoneeren. Het was dus een langen man met een baard, met een
bril en met een hoogen hoed?”
„Zoo’n mooie oom!” riep Tine nog verdrietig. „Ik was niets bang voor
hem.”
„Het was toch beter dat je bang was voor hem in plaats van voor de
jongens en voor mij,” merkte Tom wijsgeerig op. „Als Annie en Frans
niet gekomen waren, moest je nu misschien al bij een kermistroep leeren
koorddansen. Ik heb juist gisteren eenige woonwagens langs den weg zien
staan. Zeg, moes, wat zegt u nu wel van Frans?” voegde hij er tot zijn
moeder bij, die juist terugkwam van het telefoneeren.
„Frans heeft zich hierin zeer flink gedragen, dat moet ik zeggen,”
antwoordde mevrouw Stubbens. „Maar kinderen,” vervolgde zij, „laat ons
nu gauw gaan koffiedrinken, want om half twee komt de commissaris van
politie hier om nadere inlichtingen te vragen en ik zou graag zien,
Thomas, dat jij dadelijk na de koffie even bij Frans aanliep en vroeg
of hij zoo lief zou willen zijn om ook om half twee hier te willen
komen. Hij is zooveel ouder dan de meisjes, dat hij misschien meer zal
kunnen vertellen.”
Klokslag half twee werd er gescheld.
„Gaat mee naar de voorkamer, Tine en Annie,” zeide mevrouw Stubbens,
„dat is zeker de commissaris of Frans.”
Het was Frans, die door Tines moeder allerhartelijkst ontvangen werd.
Zij kon haast geen woorden vinden om haar dankbaarheid uit te spreken,
maar Frans hield er ook niets van om bedankt te worden; hij werd er
verlegen onder en zeide maar aldoor: „het is niets mevrouw; het had
niets te beteekenen, de andere jongens zouden het ook gedaan hebben.”
Een oogenblik later verscheen ook de commissaris van politie en Tine,
die bang voor hem was, wilde eerst niets vertellen, maar toen haar
moeder haar beloofde nog dienzelfden middag met haar naar den
dierentuin te zullen gaan, toen kwam haar tongetje los en antwoordde
zij op alle vragen.
Het was ook gelukkig dat Frans erbij was, want deze wist tot in de
kleinste bijzonderheden het uiterlijk van den zoogenaamden oom te
beschrijven. Hij had alles nauwkeurig opgemerkt.
„Nu, mevrouw Stubbens,” zeide de commissaris eindelijk, toen hij alles
gehoord had, wat er te vertellen was. „Er is, zoodra u telefoneerde,
natuurlijk werk van de zaak gemaakt, maar nu kunnen wij nauwkeuriger
maatregelen treffen. Wij zullen de zaak onmiddellijk in de beste handen
geven. Ik zou u echter wel in beraad willen geven, mevrouw,” voegde hij
erbij, toen de kinderen de kamer hadden verlaten, „om de kleine niet
meer alleen op straat te laten komen. Zij is nog zoo’n klein, teer kind
en hij zou een tweede poging kunnen wagen, die beter lukte. U heeft
zeker geen vermoeden, wie hij zijn kan?”
„Niet in het minst; ik begrijp er niets van,” antwoordde mevrouw
Stubbens.
Toen Annie om vier uur uit school kwam, riep tante Dora het meisje bij
zich in haar kamer.
„Vertel mij nu eens, Annie, wat er van morgen op school gebeurd is,”
zeide zij.
„Ik kon het heusch niet helpen, tante, werkelijk niet; ik had haar niet
willen voorzeggen,” antwoordde Annie, „maar als zij toch zoo vraagt om
het te doen en in zoo’n angst zit, dan kan ik het toch niet laten?”
„Je verhaal is niet erg duidelijk, maar ik moet eruit opmaken, dat een
van de meisjes aan je vroeg om haar voor te zeggen en dat je dat deedt,
omdat zij zoo bang was geen antwoord te kunnen geven?”
„Ja, tante, het is Louise Bronsma, die naast mij zit. Zij kent nooit
haar les en telkens vraagt zij mij om haar voor te zeggen. Maar u weet,
dat ik er al een paar maal strafthema’s voor heb opgekregen en vandaag
zeide ik, dat ik het niet meer doen wou. En toen zeide zij dat ik het
dan maar niet meer moest doen, maar zij was zoo ongelukkig en zat zoo
te beven, toen zij een beurt kreeg, dat ik het toch maar gedaan heb.
Het is zoo vervelend, zij hoort zoo slecht, dat de juffrouw het altijd
nog eerder verstaat, dan zij.”
„Maar er is toch gemakkelijk genoeg een eind aan te maken; ik begrijp
niet, dat de juffrouw je niet dadelijk een andere plaats heeft gegeven.
Ik zal je morgen ochtend een briefje voor de juffrouw meegeven.”
„En bent u niet meer boos?”
„Nu ik er alles van weet niet meer,” antwoordde mevrouw Stubbens en gaf
het meisje een kus.