„Kinderen ik heb iets bedacht, dat een goed slot zal zijn voor deze
zomervacantie,” zeide de heer Stubbens den volgenden dag. „Morgen
zullen wij den geheelen dag op Rustoord gaan doorbrengen. Jullie moet
de noodige vrienden en vriendinnetjes meevragen en dan blijven wij daar
dineeren zoodat jelui den geheelen dag vóór je hebt.”
„Heerlijk, heerlijk, pa,” riepen de kinderen om het hardst.
„O, Tom, wat leuk, nu kan ik meespelen in het fort!” liet Annie zich
hooren en zij waren alle vijf dol blij.
„Mogen wij Bertha en Clara en Emmy en Marie meevragen?” vroegen Coba en
Laura.
„En mag Bep mee?” klonk Tine’s stemmetje.
„Hoort eens, daar bemoei ik mij niet mee, dat moeten jullie met mama
uitmaken. Jullie vriendinnen ken ik niet. Maar wie wil jij meenemen,
Thomas?”
„De jongens, die altijd mee naar Rustoord zijn geweest, pa.”
„De vijf onafscheidelijke vrienden? best, en zorg maar dat er evenveel
jongens als meisjes zijn, dan kunnen jelui, wanneer je niet te moe
bent, ’s avonds nog een dansje doen in de zaal van Rustoord. Mama of ik
zullen wel piano spelen.”
De kinderen waren opgetogen en de drie zusjes vlogen de kamer uit om
haar mama te gaan zoeken en aan haar te vragen of zij de genoemde
vriendinnetjes mochten meenemen.
Mevrouw Stubbens had er niets tegen. Coba en Laura waren zelf veel te
trotsch om met meisjes om te gaan, die niet van gelijken stand waren
als zijzelf.
„En wil Tineke Beppie zoo graag meevragen?” vroeg tante Dora aan het
kleintje.
„Mag het?”
„Zeker, maar dan moet je haar zelf gaan vragen, als een knap groot
meisje.”
Vroolijk danste de kleine rond. „Ik mag ook een vriendinnetje vragen,
net als Co en Laura!”
„Ga nu maar gauw,” zeide haar moeder en Tine liep den tuin in, waar zij
Annie zag.
„Annie, Annie!” riep zij en deze keerde zich om en ving de kleine in
haar armen op. „Annie, ik mag Beppie meevragen; ik ga nu naar haar toe;
maatje zeide, dat ik haar zelf moest gaan vragen.” En het kind huppelde
vroolijk weg.
Toen Annie het huis in kwam, gaf haar tante, die juist op weg naar
boven was, haar een brief.
„O, die is van grootma Hermsen,” zeide Annie, zoodra zij de enveloppe
zag. „Wil u hooren wat grootma schrijft, tante?”
„Ik moet nu naar boven, maar straks moet je mij al het nieuws maar
vertellen,” antwoordde mevrouw Stubbens.
Annie nam den brief mee naar boven om hem in haar kamer op haar gemak
te kunnen lezen.
Zij hield veel van haar grootmoeder (van moeders zijde), een
vriendelijke oude dame, bij wie Annie iederen zomer in de vacantie een
paar weken ging doorbrengen, daar haar grootmoeder zich te oud vond om
zelf te reizen en er toch op gesteld was haar kleinkind ten minste ééns
in het jaar een poosje te zien. In deze laatste vacantie was er echter
niets van gekomen, want nu de heer Van Walen voor zoo langen tijd
wegging—het was nu bepaald dat hij eerst kort vóór Kerstmis zou
terugkomen—had hij nog zoo lang mogelijk van Annie’s bijzijn willen
genieten.
„Nu, Annie,” vroeg mevrouw Stubbens, toen zij Annie later op den middag
in de huiskamer aantrof, „had grootma veel nieuws?”
„Ja, verbeeld u, juffrouw Mina gaat niet naar haar zuster, maar naar
grootma, om zoolang papa weg is voor grootma het huishouden te doen.
Grootma zegt, dat zijzelf te oud wordt om dat te doen. En zij schrijft
ook, dat zij hoopt, dat ik haar eens zal komen opzoeken, omdat de reis
van hieruit niet zoo ver is als wanneer ik thuis ben.”
„Nu, dan zullen wij er eens op een Zondag heengaan; ik wil graag
mevrouw Hermsen een bezoek brengen.”
Den volgenden dag was het prachtig weer en om negen uur kwamen de door
Tom en zijn zusjes uitgenoodigde vrienden en vriendinnetjes. Zij hadden
allen aangenomen en met tante Dora’s viertal en Annie meegerekend,
waren er twintig kinderen bij elkaar. Iedereen was even vroolijk en
Annie was blij, nu reeds met haar nieuwe klasgenooten te kunnen
kennismaken—zij was in de vijfde klasse toegelaten—dan zou zij morgen
niet zoo vreemd op school komen.
Intusschen waren er twee „Jan pleziers” voorgereden en onder blij
gejubel en gezang reed men naar Rustoord.
Daar aangekomen hielpen Tom en zijn vrienden de meisjes uitstappen en
alsof het afgesproken was, sloegen de kinderen allen terstond den weg
naar het fort in.
„Ziezoo,” zeide Tom, toen zij dit bereikt hadden. „Nu moet er
natuurlijk een aanvoerder zijn. Wat zeggen jullie ervan, vinden jullie
niet dat Frans van Meerel als de oudste het meeste recht daarop heeft?”
„Ja, ja, natuurlijk!” klonk het uit verschillende monden, „Leve onze
kommandant Van Meerel!”
„Goed, ik wil het graag zijn,” zeide Frans. Hij was een lang
opgeschoten jongen van dertien jaren, de zoon van de in die stad
algemeen bekenden dokter Van Meerel, die het voortdurend betreurde, dat
Frans zooveel meer uitmuntte in sport dan in zijn leervakken, want
niettegenstaande zijn dertien jaren zou Frans nu pas met Tom en zijn
klasgenooten op het gymnasium komen.
„Eerst moeten wij beginnen ons te verdeelen,” zeide Frans nu. „De dames
wonen natuurlijk weer in haar burcht.”
„Ik niet,” riep Annie eensklaps, „Tom heeft mij beloofd, dat ik
marketentster op het fort mocht zijn.”
„Dat kan je later worden, als wij je hebben gevangengenomen.”
„Dan zou ik het nooit worden, want ik laat mij niet gevangen nemen en
ik zal de burcht zoo helpen verdedigen, dat geen van de vrouwen in
jullie handen valt.”
„Wees nu niet flauw, Annie,” riep Coba Stubbens. „Het is altijd zoo
gegaan; wij kunnen toch niet als jongens gaan meevechten, wij hebben
immers onze beste jurken aan. Kom, je gaat nu maar mee, hoor.”
Annie kon natuurlijk niet over zooiets met een van haar nichtjes
kibbelen, dus zweeg zij maar.
„Nu dan,” vervolgde Frans, toen de orde hersteld was, „de dames moeten
verdedigers hebben. Wij zijn met ons tienen mannen, daarvan zullen wij
er haar vier geven, dan blijven wij met ons zessen.”
Hij koos nu vier van de jongens en zond deze met de meisjes naar de
zoogenaamde burcht.
Annie had deze nog niet van binnen gezien, daar de koepel den vorigen
keer, toen zij en Tom daar waren, op slot was geweest. Maar nu was de
deur open en zag zij tot haar verbazing dat hij als een buitengewoon
gezellige kamer was ingericht, terwijl er nog een tweede, klein
vertrekje aan grensde, waar de verdedigers der burchtvrouwen konden
slapen. Bertha van Scheik, het oudste meisje, werd tot burchtvrouw
verheven, Tine en Beppie waren de kinderen, terwijl de overige meisjes
de dienaressen waren.
De twee kleine kinderen waren den geheelen dag onafscheidelijk en zoo
voelde Annie zich bijzonder tot Bertha aangetrokken, die haar
voortdurend aan haar eigen vriendinnetje, Paula Tillens, herinnerde.
Toen zij een oogenblik later naast Bertha over de leuning naar beneden
stond te kijken, kon zij ook niet nalaten haar dit te zeggen.
„Paula Tillens,” antwoordde Bertha, „ik wil wel gelooven, dat ik je aan
haar herinner. Zij is mijn eigen nichtje, haar ma is een zuster van de
mijne.”
„O, wat heerlijk!” riep Annie, „dan komt zij zeker wel eens bij je. Ik
begrijp niet, dat zij mij nooit over je gesproken heeft.”
„Ik wel. Ik zal het je maar zeggen, ma en tante zijn niet goed met
elkaar. Er is iets gebeurd, waardoor ma erg boos was op oom Tillens en
toen werd tante natuurlijk boos op ma en nu komen zij nooit meer bij
elkaar. Paula en ik waren nog niet eens geboren, toen het gebeurde, dus
misschien heeft tante haar nooit over ons gesproken en weet zij niet
eens dat zij hier familie heeft. Het is anders wel jammer, want Paula
en ik zijn even oud en het was natuurlijk gezellig geweest, wanneer zij
bij mij had kunnen logeeren.”
„Ja, wel jammer, hé, maar misschien wordt het nog wel goed tusschen je
ma en je tante.”
Voordat Bertha weer iets kon zeggen, werden de meisjes gestoord door
den aanvoerder hunner verdedigers, Frits van Scheik, die met een diepe
buiging op Bertha toetrad.
„Mevrouw,” begon hij, „wij moeten u berichten, dat wij in het verschiet
een stofwolk zien naderen. Wij vermoeden dat het de vijand is en dus
geven wij u in overweging of het niet beter is dat u zich met de
kinderen en de overige vrouwen in het kasteel terugtrekt.”
Beppie en Tineke, die in de buurt stonden en deze redevoering mede
hadden aangehoord, stietten nu zeer natuurlijke angstkreten uit. Hoewel
zij wist, dat het maar spelen was, bekroop Tine altijd een bang gevoel,
wanneer zij die jongens met houten en blikken sabels gewapend, zoo door
het kreupelhout naar boven zag klauteren. Zij werd dan zoo bang, dat
zij zich al ging verstoppen, voordat de jongens nog boven waren.
Blijkbaar had zij Beppie reeds van al die vreeselijkheden verteld, want
deze had even angstig gegild als zij en klemde zich stijf aan Tine
vast.
Annie, die voor het eerst dit spelletje meemaakte, keek verbaasd naar
de twee kleintjes en vroeg toen aan Coba:
„Zeg, Coba, heb je wel gezien hoe bang Tine is? Zij ziet er bleek van.
Vindt tante het wel goed dat zij meespeelt?”
„Natuurlijk, ma vindt het best. Ma zegt, dat zij een veel te angstig
poppetje is; dat moet eruit zegt ma en daarom gaat zij morgen ook
alleen naar school. Het is toch immers onzin, dat zij zoo bang zou
zijn. De jongens zullen haar toch niet opeten.”
Annie ging naar binnen om de kinderen te zoeken, die zij verstopt vond
achter een canapee.
„Tine,” zeide zij, „en jij ook, Bep, wat zijn jullie flauw om zoo bang
te zijn. Wat denken jullie eigenlijk dat er gebeuren zal? het zijn
immers maar Tom en zijn vrienden! Die zullen jullie toch geen kwaad
doen.”
Beppie keek Annie eens aan; Tom en zijn vrienden, dat klonk heel anders
dan een vijand met sabels, waarvan Tine haar verteld had.
„Ja, Annie, dat weet ik wel,” stamelde Tine, „maar als ik ze zoo naar
boven zie klimmen, dan vergeet ik dat het maar de jongens zijn en dan
zie ik alleen die vreeselijke sabels en dan word ik zoo bang. Maar nu
ben ik niet meer bang,” voegde zij er dapper bij.
„En toch zit je nog achter de canapee, zoo’n flauw kind!” riep Annie en
op datzelfde oogenblik ging de deur open en kwamen de overige meisjes
binnen.
„Zij komen!” riep Bertha, „je kunt ze al goed zien. Wij vrouwen blijven
dus hier in het kasteel en laten ons door onze manschappen verdedigen.”
Annie had daar niets geen zin in, maar zij wilde er niet meer om
kibbelen; zij wist wel een middel om ongemerkt buiten te komen.
Toen de meisjes allen binnen waren, sloop zij naar het kleine kamertje,
dat een openslaand venster had. De jongens hingen alle vier over de
leuning om naar den naderenden vijand te kijken, zoodat Annie ongemerkt
het venster kon openen en naar buiten klimmen. Een dikke tak, dien zij
vóór den koepel op den grond vond, nam zij als wapen in de hand. Nu
bleef zij wachten op het teeken, dat de vijand genaderd zou zijn. Daar,
waar zij stond, konden de jongens haar niet zien, want zij was aan den
anderen kant van den koepel, en de meisjes schenen haar niet te missen.
Juist hoorde zij Tineke angstig vragen: „waar is Annie?” toen een luide
oorlogskreet van de jongens haar waarschuwde, dat het groote oogenblik
gekomen was. Even keek Annie naar haar witte jurk, waarop bij het uit
het venster klimmen reeds een vuile streep was gekomen, en zij
aarzelde. Maar daar hoorde zij het gekletter der houten en blikken
sabels, waarmede ook hunne verdedigers gewapend waren en toen dacht
Annie aan geen jurk meer. Haar tak zwaaiende liep zij met een
juichkreet op de jongens toe en streed dapper mee. Frits was wel
verbaasd en zelfs boos geweest, toen hij haar zag, doch hij had het te
druk om op haar te letten, of er haar iets van te kunnen zeggen, want
de vijand naderde reeds den koepel.
„Weg van dat venster! Moeten jullie doodgestoken worden?” riep hij
tegen een paar meisjes, die voor het open venster verschenen, waar
Annie uitgeklommen was. Door haar voorbeeld aangestoken, kwamen echter
nog drie van de meisjes, naar buiten. Zij verdedigden met de jongens
samen met zulk een heldenmoed de burcht, dat voor het eerst, zoolang
het fort bestond, de vijand werd teruggedreven; maar toch niet geheel
zonder buit. Zij hadden een gevangene gemaakt.
Tine was naar het open venster geloopen om de anderen na te kijken,
toen zij plotseling vlak bij zich hoorde zeggen:
„Gauw, Tine, ga met mij mee,” en daar zag zij Karel van Scheik, een van
de vijanden, die haar nu over de vensterbank tilde en wegvoerde naar
het fort.
„Je bent zwaar hoor,” zeide Karel, haar op den grond zettende. „Ik had
het niet lang meer kunnen volhouden. Ziezoo, nu ben je mijn gevangene,
maar omdat je zoo zoet bent meegegaan en mij heelemaal niet geschopt of
gebeten hebt, krijg je wat lekkers van mij. Heb je dorst?”
Het was een warme dag en Tine antwoordde, dat zij heel veel dorst had.
„Hier dan,” zeide Karel en schroefde den beker van zijn veldflesch los,
waarin hij heerlijke limonade had meegebracht. Hij schonk den beker vol
en reikte haar dien over.
„Dat is lekker,” riep Tine, toen zij den beker had leeg gedronken en
veelbeteekenend keek zij naar de flesch. Karel begon te lachen en
schonk haar nog eens in.
„Zeg, Tine” zeide hij nu, „als de anderen straks komen, zal je dan niet
bang of verlegen zijn, maar heel mooi flauw liggen? Het is zoo leuk; de
jongens weten heelemaal niet, dat ik je heb gevangengenomen.”
„Ik ben voor jou niets bang, Karel.”
„Bang! dat mankeert er nog maar aan! zoo’n groot meisje bang! dat zou
toch al te gek zijn! maar daar komen zij, wees nu lief en ga flauw
liggen. Hier is een zacht kleedje.” Hij spreidde dit op den grond uit
en Tine ging erop liggen.
Onder luid gepraat naderden nu de vijf andere jongens.
„Jij bent ook een mooie om ons zoo in den steek te laten!” riep Frans.
„Was je soms bang en ben je daarom weggeloopen?”
„Ik ben niet weggeloopen. Ik heb een gevangene gemaakt; kom maar eens
kijken, wie ik hier heb!” antwoordde Karel.
En daar zagen de jongens Tine op het kleedje liggen. Zij deed wat zij
Karel beloofd had en hield zich, alsof zij in zwijm lag.
„Hoera, hoera, hoera!” riepen allen, toen zij het meisje zagen en zij
voerden om haar heen een krijgsdans uit.
„Wij moeten eerst de gevangen jonkvrouw weer tot bewustzijn brengen,”
sprak de aanvoerder, „maar niet te veel water, hoor, denk aan haar
Zondagsche jurk, mannen.”
Zeer voorzichtig werden haar nu eenige druppels water in het gezicht
gesprenkeld en hierop sloeg Tine de oogen op.
„Voelt gij u nu weer gezond?” vroeg de kommandant.
„Ja, ik wil weg,” antwoordde Tine, opstaande. „Ik wil naar Bep.”
„Wij hopen u ten spoedigste naar de burcht te kunnen terugzenden,”
hernam Frans. „Zoo dadelijk vertrekt een ijlbode naar het slot om den
losprijs te noemen, waarvoor wij u weer in vrijheid zullen stellen.”
Nauwelijks had hij uitgesproken of, voordat de jongens recht wisten,
wat er gebeurde, slopen twee gedaanten het fort binnen, namen ieder een
hand van Tine vast en snelden met haar weg. Het waren Annie en Frits,
die, toen zij ontdekten, dat Tine verdwenen was, samen waren
uitgetrokken om haar terug te halen, en zij waren reeds met haar
halverwege den heuvel op, voordat de mannen in het fort van hun
verbazing bekomen waren.
„Neen, maar, zooiets is ons toch nog nooit overkomen!” riep Tom, nadat
hij een oogenblik verbluft had gestaan. „Zullen wij hen achterna gaan,
kommandant?”
„Ik ben zoo warm,” klaagde Frans.
„En het is toch te laat, ook,” voegde Tom erbij. „Luister maar.”
Er klonk nu een bel, die geluid werd om de jongens en meisjes binnen te
roepen, waar een welvoorziene koffietafel hen wachtte.
Het was een luid door elkaar gepraat en gekibbel, toen het geheele
twintigtal in de eetkamer bij elkaar was. De bewoners van het fort
verweten de verdedigers van de burcht, dat zij niet zoo flauw hadden
mogen zijn om hen te verslaan, waartegen de anderen weer luide
tegenwerpingen maakten. Frans van Meerel en Frits van Scheik stonden
zelfs zoo dreigend tegenover elkaar, dat mevrouw Stubbens zich haastte,
ieder een plaatsje aan tafel te geven.