„Verbeeld je, Dora,” zeide de heer Stubbens dien middag aan tafel, „nu
heb ik van middag op Rustoord toch weer lijmstokken gevonden. Bij het
weggaan viel toevallig mijn oog op den grooten kastanjeboom en daar had
die kwajongen er weer een paar in vastgezet. Ik had geen tijd meer om
terug te loopen en hem te zeggen, waar het op stond, maar nu is het
uit; morgen zal ik aan Barend zeggen, dat ik den jongen niet langer in
het park wil zien. Hij moet weg.”
„Pa,” begon Tom verlegen.
„Wat is er, jongen?”
„Pa, Koos heeft die lijmstokken er dezen keer niet ingezet, ik heb het
gedaan.”
„Wat zeg je daar!” stoof mijnheer op. „Jij, een welopgevoede jongen
voert zulk kattekwaad uit, terwijl je weet, dat ik het aan de bedienden
streng verboden heb? Ga onmiddellijk naar je kamer en blijf daar tot ik
je permissie geef er weer uit te komen. Over die zaak zullen wij nog
wel eens nader spreken; je moest je schamen!”
Tom stond stil op en verliet de kamer, terwijl hij onderweg Annie, die
wat zeggen wilde een wenk gaf om te zwijgen.
„Neen, Annie,” vervolgde de heer Stubbens, toen hij dit zag, tegen
haar, „het geeft niet of je nu al een goed woord voor Thomas wil doen,
hij zal, hoop ik, zelf voelen, dat ik dit niet ongestraft kan laten.”
Een paar dikke tranen rolden langs Annie’s wangen, maar zij zeide
niets. Ook tante Dora en de meisjes durfden niets in te brengen, want
zij wisten evenals Annie, wanneer de heer Stubbens eenmaal iets gezegd
had, dan bleef hij er bij.
Toen deze een half uur later in zijn studeervertrek zat, werd er zacht
op de deur getikt en op zijn „binnen” trad Annie beschroomd de kamer
in.
„Zoo, kleine meid,” zeide haar oom vriendelijk, „kom je toch nog eens
probeeren een goed woordje te doen voor Thomas. Het is heel lief van
je, kindje, maar je weet toch, dat als ik eenmaal iets gezegd heb, dan
moet het ook gebeuren. Thomas is heel ondeugend geweest en daarvoor
moet hij gestraft worden.”
Terwijl zij haar oom zoo hoorde spreken, had Annie langzamerhand haar
verlegenheid verloren, zoodat zij nu moedig naar de tafel stapte,
waaraan haar oom zat, en zeide:
„Tom is heelemaal niet ondeugend geweest, hij is juist heel goed
geweest.”
„Wat zeg je daar?”
„Ach ja, oom, ziet u, ik had Tom, ik bedoel Thomas, beloofd het niet te
vertellen, maar nu moet ik het toch doen, is het niet zoo?”
„Ik weet niet wat het is, wat je te vertellen hebt.”
„Thomas heeft het niet gedaan, oom, Koos deed het.”
„Koos! Maar waarom heeft Thomas dan gezegd dat hij het gedaan had?”
„Omdat Koos zijn moeder zoo gehuild had.”
Onder het spreken was Annie dichterbij gekomen, totdat zij nu vlak
naast haar oom stond. „Oompje,” vleide zij, „ik zal u alles vertellen,
maar dan moet u ook niet boos op hem zijn, hè? en ook niet op Koos, nu
Thomas dit gedaan heeft om hem te helpen?” en zij keek zoo smeekend
naar den heer Stubbens op, dat deze niet kon nalaten te glimlachen.
„Klein vleistertje,” zeide hij, „vertel mij nu eerst maar eens alles
wat er gebeurd is, dan zullen wij wel verder zien.”
Nu vertelde Annie naar waarheid hoe de zaak zich had toegedragen en wat
Thomas haar verteld had van de moeder van Koos, die toch al zooveel
verdriet had van haar zoon en nu doodsbang was, dat de heer Stubbens
hem zou wegsturen.
„Zoo, zoo,” zeide oom, toen Annie had uitgesproken, „is dat de
geschiedenis. Ik ben heel blij, dat je mij alles verteld hebt, Annie,
want nu weet ik, dat Thomas die lage streek niet heeft uitgevoerd. En
dat hij de schuld ervan op zich heeft genomen, om een ander te helpen
was wel heel goed van hem, dat zouden niet veel jongens met zoo’n
strengen papa hem hebben nagedaan, maar, kleine, om dat te doen, heeft
hij mij voorgejokt en dat was niet goed van hem en dat zal ik hem wel
degelijk onder het oog brengen. En maak jij je nu maar niet ongerust
dat Thomas boos zal zijn, omdat jij zijn heldendaad verklapt hebt, want
daar behoeft hij niets van te weten; hij zal mij zelf de waarheid
zeggen.”
„Dat zal hij nooit doen, oom, als hij Koos daardoor in gevaar brengt.”
„Hij moet wel, Annie. Het was heel dom van mij, dat ik er niet eerder
aan gedacht heb, maar ik kan Thomas bewijzen, dat hij het niet gedaan
heeft.”
„En Koos, nu, oom?”
„Koos moet weg. Ik heb hem genoeg gewaarschuwd.”
„Dat is dan mijn schuld; dat heb ik gedaan!” en Annie begon te huilen.
„Neen, neen, Annie, jouw bekentenis heeft er niets mee te maken, hij
zou toch gegaan zijn. Maar zijn moeder zal er geen verdriet van hebben,
hoor, wees maar niet bang. Ik heb al een goede plaats voor hem
gezocht.”
„U bent een best oompje,” zeide Annie en gaf den heer Stubbens een
hartelijken kus. „Mag ik nu aan Thomas gaan zeggen, dat hij weer van
zijn kamer mag?”
„Neen, wacht maar, ik zal wel naar hem toegaan, ik moet met hem
spreken.”
Annie ging heen en een oogenblik later begaf de heer Stubbens zich naar
de kamer van zijn zoon.
Tom zat zijn vacantiewerk te maken en keek verwonderd op, toen zijn
vader binnenkwam.
„Ik kom eens met je spreken, Thomas,” begon deze, „vertel mij nu eens,
wat er eigenlijk vandaag gebeurd is.”
Tom kreeg een kleur als vuur en zweeg. Hij voelde, dat het hem niet
gemakkelijk zou vallen een geheel verzonnen verhaal op te disschen.
„Zie je, Thomas,” vervolgde zijn vader, „ik weet, dat jij die stokjes
niet in den boom vastgezet kan hebben. Zoo straks dacht ik daar niet
aan, maar het is zoo klaar als de dag. Ben je vanmiddag nog op Rustoord
geweest?”
„Neen, pa.”
„Nu, hoe kan jij dan in den kastanjeboom lijmstokken gezet hebben, die
er nog niet in waren, toen ik om drie uur op Rustoord kwam?”
Tom wist niets te antwoorden.
„Luister eens, Thomas,” zeide de heer Stubbens een hand op den schouder
van den jongen leggend, „het was heel goedhartig van je dat je om Koos
te helpen zijn schuld op je nam, maar toch had je moeten bedenken, dat
het nooit, onder welke omstandigheden ook, goed kon zijn, dat je mij
voorjokte. Je hebt daar niets meer mee bereikt en zou daar ook nooit
iets meer mee bereiken, dan wanneer je mij vertrouwd hadt. Ik was toch
niet van plan om Koos hier te houden, maar ken jij je vader nu zoo
weinig, dat je kon denken, dat ik zijn ouders, die goede oppassende
menschen zijn, het verdriet zou aandoen om dien jongen zoo maar weg te
zenden, zonder meer?”
„Daar was ik bang voor, pa.”
„Nu, stel je dan maar gerust; ik heb voor Koos een goede betrekking
gezocht en als hij wil, kan hij daar vooruitkomen. Maar, jij mag niet
meer jokken, hoor, jongmensch.”
„Neen, pa, nooit meer,” beloofde Tom merkbaar opgelucht, dat alles zoo
goed was afgeloopen en dat hij er zoo goed afkwam.
De heer Stubbens ging weer naar beneden en Tom ging Annie zoeken om
haar alles te vertellen.
Toen Annie bij haar oom geweest was, ging zij naar de zitkamer van haar
nichtjes. Zoodra zij binnenkwam, zeide Coba:
„Wat laag van Tom, hè, net zoo’n straatjongen, om daar lijmstokken neer
te zetten. Wat had hij nu met die vogels willen doen? hij heeft er toch
al genoeg. Met zoo’n jongen wil ik niet meer spelen. Wie weet, wat hij
nog zou uithalen, als wij er bij waren. Ik ga niet meer mee naar het
fort.”
„Nu, ik zou je ook wel danken,” voegde Laura erbij, „ik doe ook niet
meer mee. Hij moest zich schamen.”
Annie werd vuurrood van drift en stampvoetend riep zij heftig: „Jullie
moest je schamen, Tom niet. Hij heeft het niet eens gedaan. Hij heeft
dat maar gezegd om Koos te helpen. Die heeft het gedaan en Tom wist,
dat je pa Koos zou wegzenden als hij het nog eens deed.”
„Kind, houd je kalm,” zeide Coba, het oudste van de twee zusjes, „wat
hebben de buren ermee noodig. Als Tom toch zelf zegt, dat hij het
gedaan heeft, hoe kunnen wij dan ruiken, dat het niet zoo is? Wat zeg
jij, Laura?”
Laura antwoordde niet, maar keek verlegen voor zich, terwijl Annie
zonder verder iets te zeggen de kamer verliet om aan haar vader en aan
Paula te schrijven. Op de trap ontmoette zij echter Tom, die haar juist
was gaan zoeken en haar nu alles vertelde, wat zijn vader aan hem
gezegd had.
„Leuk, dat ik er zoo af kom, hè,” merkte hij op. „Het zou toch saai
geweest zijn als ik bij voorbeeld op de vrije middagen niet meer naar
Rustoord had mogen gaan, want zooiets zou het geweest zijn, dat weet ik
zeker.”
„Zeg, Tom,” bekende Annie nu, „ik heb het toch aan oom verteld, ben je
nu erg boos?”
„Ach het komt er nu immers niet meer op aan. Laten wij er maar niet
meer over praten. Ik ga mijn werk afmaken.”
„En ik ga aan papa en aan Paula schrijven,” riep Annie, terwijl zij de
trap opging naar haar kamer.
Behalve aan haar vader en haar vriendin schreef zij ook nog een briefje
aan Mina, die nog een paar dagen in het huis zou blijven om een en
ander op te ruimen en daarna bij haar zuster zou gaan logeeren, die
ergens buiten een boerderij had.
In haar brieven vertelde Annie breedvoerig haar wedervaren van de twee
laatste dagen en zij moest bekennen, dat zij, hoewel zij natuurlijk wel
naar huis terug verlangd had, tot nu toe nog niet veel tijd had gehad
om daarover te denken.