HET FORT.

Toen Annie den volgenden morgen wakker werd, scheen de zon vroolijk

haar kamer binnen. Het eerste oogenblik was het haar wel vreemd, dat

zij niet thuis in haar eigen bedje lag, maar toen zij goed wakker was,

herinnerde zij zich alles, vooral ook, dat Tom haar beloofd had met

haar te gaan fietsen. Zij hoopte nu maar, dat tante het goed zou

vinden, want zij verlangde om het fort te zien.

„Ik zal het zelf aan moeder vragen,” had Tom haar gezegd. „Je zult

zien, dat het dan wel mag.”

Aan het ontbijt zeide hij dan ook; „Moesje, als ik u iets vraag, zegt u

dan ja?”

„Hoe kan je zulke dwaze dingen zeggen, Thomas, ik moet toch eerst

weten, wat je te vragen hebt.”

„O, het is heel onschuldig, u kunt er geen neen op zeggen.”

„Thomas, doe nu niet zoo kinderachtig,” bracht zijn vader in het

midden, „vraag nu kalm aan mama, wat je te vragen hebt en draai er niet

zoo omheen.”

„Nu, dan, ma, mag ik met Annie gaan fietsen?”

„Moet je daar nu zooveel omwegen voor gebruiken, malle jongen?”

antwoordde zijn moeder, „daar steekt toch geen kwaad in, als je maar

zorgt, dat je op tijd aan de koffietafel bent. Maar, vóór alles moet ik

natuurlijk weten waar jelui heengaat.”

„Ik wilde Annie het fort laten zien. Zij mag later ook meespelen, hé,

ma?”

„Wat de meisjes mogen, mag Annie ook, maar denk er nu om, om half één

thuis, hoor.”

„Je ijzeren paard staat klaar, Annie,” riep Tom een half uur later aan

de trap, toen Annie naar boven was gegaan om zich klaar te maken.

Toen zij eindelijk beneden kwam, bekende zij verlegen; „ik moet je nog

wat zeggen, Tom, ik kan het nog niet héél goed. Ik kan nog niet alleen

opstappen.”

„Dat is niets hoor,” merkte hij goedig op, „ik zal je wel helpen en je

door de drukte heenbrengen. Je kunt immers wel los rijden?”

„Ja, dat wel, maar ik slinger nog zoo.”

„Nu, wij zullen wel zien. Je hebt immers een man bij je om je te

beschermen.”

Hij hielp haar opstappen en toen zij op gang was, sprong hij op zijn

eigen fiets en vroolijk reed het tweetal weg. Annie’s rijkunst viel Tom

na haar bekentenis nogal mee en toen zij ongeveer drie kwartier over

een open landweg hadden gereden, kwamen zij aan een heerlijke

beschaduwde laan.

„Wij zijn er dadelijk,” zeide Tom. „Die boomen daar aan je rechterhand

zijn van het buiten van mijnheer Boots, die naast ons woont, de papa

van Beppie en dat is Rustoord, ons buiten, waar wij iederen zomer

heengaan tot de scholen weer beginnen.”

Zij reden een prachtig hek binnen, waarbij Tom Annie moest vasthouden

om te beletten, dat zij tegen de zware steenen pilasters zou aan

rijden, en daarna door een breede oprijlaan naar het huis.

„Hier zullen wij afstappen,” riep Tom van zijn fiets springende, om

daarna Annie te helpen. „Straks, als wij nog tijd hebben, zal ik je

leeren op- en afstappen, maar nu eerst naar het fort. Zullen wij er om

het hardst heen loopen, of ben je moe?”

„Wel een beetje,” bekende Annie met tegenzin, want zij was bang, dat

Tom het flauw van haar zou vinden, dat zij zoo gauw moe was.

„Dan weet ik wat, wacht hier maar even.” En hij verdween achter het

huis.

Een oogenblik later kwam hij terug met een aardig, licht wagentje,

voorzien van twee disselboomen, waar hij als paard tusschenin liep.

„Wil mevrouw maar instappen? Ziet u, mevrouw, het is nog een heel

eindje loopen en aangezien u moe bent van uw ongewoon langen fietstocht

zal ik u hierin naar het fort brengen. Dit was vroeger mijn bokkewagen,

maar nu ben ik natuurlijk te groot om mij door een bok te laten

trekken.”

„Wat aardig van je, Tom,” zeide Annie instappende, en zij voelde zich

wat deftig, toen zij door hem over de goed onderhouden paden van

Rustoord werd voortgetrokken.

Eindelijk hield Tom stil en keerde zich om. „Zie je daar tusschen die

boomen door die vlag?” vroeg hij. „Dat is de vlag van het fort.”

Annie stapte uit haar wagentje en te ongeduldig om het pad te volgen,

baanden de kinderen zich een weg door het kreupelhout tot zij aan een

groote open ruimte kwamen, waar middenop het fort stond.

„Nu, waarom zeg je niets?” vroeg Tom teleurgesteld, toen Annie zweeg.

„Vind je het niet mooi?”

„Het is prachtig, Tom, ik had nooit gedacht dat het zoo echt zou zijn,

met een echte poort! en het is zoo groot! wie heeft het gemaakt?”

„Mijn vrienden en ik en een enkelen keer heeft de tuinman geholpen en

toen het klaar was, is papa komen kijken en heeft hij ons die mooie

vlag gegeven.”

Het fort, dat de jongens van zand en de steenen van een afgebroken

schuur vervaardigd hadden, was werkelijk alleraardigst en zoo groot,

dat zij er gemakkelijk met hun zessen in konden, terwijl er dan zelfs

nog plaats overbleef voor de meisjes.

„Zie je,” vertelde Tom, „als de meisjes erbij zijn, maken wij voor haar

een zonnetent en dan leggen wij kleedjes op den grond, omdat anders hun

jurken vuil worden, maar je zult het wel zien, als wij hier met de

anderen terugkomen. Het is alleen vervelend, dat Co en Lau zulke stijve

nuffen zijn; zij zijn altijd bang om hun handen vuil te maken en je

moet niet denken, dat zij ooit eens zullen helpen als er gauw, voordat

de vijand komt, een bres in den muur hersteld moet worden. Dat zou jij

wel doen, hè?”

„Natuurlijk, maar tante wil niet hebben, dat zij zich vuil maken en dat

mag ik natuurlijk ook niet, maar als het noodig was, zou ik je toch wel

helpen.”

Annie was verrukt over het fort, dat zij zich lang niet zoo mooi had

voorgesteld. Zij vond het dan ook een waar kunststuk.

„Ja,” hervatte Tom, die met trots Annie’s uitingen van bewondering had

aangehoord, „het is een heel werk geweest, maar natuurlijk gaat er wel

eens iets stuk. Nu zal ik je nog meer vertellen. Zie je daar dien

koepel bovenop die hoogte? Papa noemt het de belvédère, maar voor ons

is het een oud ridderslot, waar de burchtvrouwen Laura en Coba met het

kind Tineke wonen. En dan komen wij, roofridders de burcht overrompelen

en voeren de vrouwen weg naar ons fort, maar soms ontvoeren wij alleen

het kind en dan bieden wij de bewoonsters van de burcht aan een

losprijs te betalen en als zij dat gedaan hebben krijgen zij dadelijk

het kind terug.”

„Hè, Tom, je weet niet hoe ik verlang om mee te doen, maar ik zou je

dien losprijs niet geven hoor.”

„Zoo, wat zou je dan doen, het kind in onze handen laten?”

„Neen, ik zou mijn getrouwen oproepen en met hen samen het fort

overvallen en Tine bevrijden. Zeg, Tom,” voegde zij erbij, „laten wij

nu eens die hoogte opklimmen naar den koepel, ik zou het zoo aardig

vinden om vandaar naar beneden te kijken.”

Tom keek op zijn horloge, een zilveren, dat hij met zijn laatsten

verjaardag had gekregen en knikte toestemmend. „Wij hebben nog wel

tijd, vooruit dan maar, wie het eerst boven is. Eén, twee, drie!”

Zij stormden het pad op, dat in een spiraal om de hoogte heen naar

boven leidde en hijgend kwamen zij aan. Tom met zijn lange

jongensbeenen natuurlijk het eerste.

„Dat scheelde toch weinig, hé?” riep Annie op een bank vóór den koepel

neervallende, „bijna had ik je ingehaald.”

„Ja, je kunt goed loopen, maar kom nu eens hier kijken,” antwoordde Tom

op het stevige hek leunende, dat boven was aangebracht om naar beneden

vallen te verhoeden. „Zie eens wat een mooi uitzicht je van hier hebt.”

„Wat is dat mooi en wat is het fort van hier gezien klein,” riep Annie

in verrukking.

„Sst,” zeide Tom eensklaps, zijn vinger op zijn mond leggende, „kijk

eens daar rechts tusschen de boomen, zie je daar niemand bewegen?”

Annie keek in de bedoelde richting en zag nu ook tusschen de takken en

bladeren door de gedaante van een man, maar zij kon niet zien, wat hij

daar deed.

„Wie is dat, Tom?” vroeg zij, „er mag hier toch niemand in, of is het

de huisbewaarder?”

„Neen, kijk, daar gaat hij weg. Het was Koos, de zoon van den tuinman,

die nu huisbewaarder is. Ik weet best, wat hij gedaan heeft en papa

heeft gezegd, dat hij weggejaagd zou worden, als papa het ooit weer van

hem merkte en dat zou vreeselijk zijn, heeft zijn moeder mij gezegd,

want zij weet niet wat zij dan met hem beginnen moet, want op school

wilde hij ook al niet oppassen. Zijn moeder huilde zoo, toen zij het

mij vertelde. Kom gauw mee dan kunnen wij ze nog wegnemen, voordat papa

ze gezien heeft.”

„Maar wat dan toch. Je hebt mij niet eens gezegd, wat hij eigenlijk

gedaan heeft.”

„Wel, hij zet lijmstokken uit om vogels te vangen. Gemeen, hé? Hij

verdiende eigenlijk, dat ik hem door papa liet betrappen, maar zijn

moeder huilde zoo.” Zij liepen het pad af naar beneden, waar zij Koos

gezien hadden en Tom vond dadelijk den lijmstok, dien hij wegnam en in

den grooten vijver wierp, die zich daar in de buurt bevond.

„Die arme vogeltjes, gelukkig dat er nog geen een opzat,” zeide Annie.

„Weet je zeker, dat dit de eenige stok was, Tom?”

„Hier zie ik er geen meer en wij moeten maar hopen, dat er geen meer

zijn, want wij hebben geen tijd om het heele park door te zoeken en dat

is ook geen doen. Maar, Annie, je moet er thuis maar niets van zeggen,

dat wij dat stokje gevonden hebben, want dan stuurt papa Koos stellig

weg.”

Annie beloofde hem te zullen zwijgen, waarna de twee kinderen naar huis

terugkeerden.

Annie van Walen · 第 7 / 42 题