„Kan ik al niet mooi los rijden, Paula?” riep Annie van Walen, terwijl
zij over de breede oprijlaan kwam aan fietsen.
„Kranig, hoor,” antwoordde Paula lachend, want Annie slingerde nog als
een dronkenman over den weg.
Paula Tillens en Annie waren vriendinnen en buurmeisjes; Annie was tien
jaar en Paula, die dertien jaren telde, had Annie leeren fietsen, toen
deze op haar laatsten verjaardag een mooie fiets gekregen had.
De heer Van Walen was zeer rijk en woonde met zijn dochtertje op een
groot buiten, dat grensde aan den tuin van de villa, die door Paula en
haar moeder bewoond werd.
„Zeg, Pau,” zeide Annie vertrouwelijk, „misschien was het toch beter
geweest als ik op je gewacht had in plaats van het alleen te probeeren
want ik ben al driemaal gevallen en.... kijk eens!”
Zij tilde haar schort op en nu zag Paula een groote scheur in Annie’s
jurk.
„Is het heel erg?” vroeg Paula. „Je papa let toch niet op zulke
dingen?”
„Papa niet, maar juffrouw Mina wel. Zij zal zoo brommen, want gisteren
heeft zij er ook al een moeten naaien, hier, kijk maar” en Annie wees
op een keurig gestopte scheur.
Mina Holst of juffrouw Mina, zooals Annie haar noemde, was het
kindermeisje geweest van Annie’s moeder en toen deze opgroeide en later
met den heer Van Walen trouwde, was Mina bij haar gebleven. Een paar
jaar na Annie’s geboorte was mevrouw Van Walen gestorven en van dat
oogenblik af had Mina voor het kind gezorgd en het huishouden
waargenomen. Zij hield dan ook veel van Annie en deze was op haar beurt
zeer aan juffrouw Mina gehecht.
„Weet je wat?” zei Paula goedig, „kom maar even mee naar huis, dan zal
ik het wel voor je naaien.”
„Pau, je bent een schat!” riep Annie blij. „Je weet niet hoe vervelend
het is altijd standjes te krijgen dat je te wild bent. Wat moet het
toch heerlijk zijn, hè, om een jongen te wezen, een jongenspak te mogen
dragen en te mogen bokspringen, leuningglijden, fluiten en al die
prettige dingen meer, zonder altijd te moeten hooren: „Annie, wees toch
niet zoo wild, vergeet toch niet, dat je een meisje bent!””
Annie had Mina’s stem zoo precies nagebootst, dat Paula hartelijk begon
te lachen.
„Ik dacht dat je zooveel van juffrouw Mina hield,” merkte zij op.
„Natuurlijk, zij is een schat en ik ben dol op haar, maar die eeuwige
standjes zijn zoo onuitstaanbaar.”
Intusschen waren de meisjes voor Paula’s woning aangekomen. Zij leunden
de fiets tegen het huis en gingen binnen door een achterdeur, die
overdag meestal open stond.
„Ga maar gauw mee naar mijn kamer,” zeide Paula, „moeder kan je straks
wel goedendag zeggen, als ik de jurk genaaid heb.”
Zij nam Annie mee naar een allerliefste kamer, die wel niet groot en
rijk gemeubeld, maar met veel smaak ingericht was, een echte
jongemeisjes kamer met licht behang met rose rozen, met kanten
gordijnen, die met rose linten werden opgenomen, voor het venster, en,
wat vooral steeds Annie’s bewondering had opgewekt, dat was de keurige
toilettafel met de strook van wit neteldoek over rose satinet, terwijl
de neteldoekschen gordijnen, die den spiegel omlijstten, van boven door
een groote rose strik werden vastgehouden.
„Heeft je ma dit nu heelemaal voor je gemaakt?” vroeg zij met haar hand
over het neteldoek strijkende.
„Ja, en het kleedje op tafel ook, wat verwent moes mij, he? maar wij
zijn ook maar met ons beidjes, dus heeft moeder wel tijd om nu en dan
wat voor mij te maken en dat doet ze zoo graag, die beste moes.”
Al pratend had Paula een naaidoosje voor den dag gehaald en nu begon
zij handig Annie’s jurk te naaien.
„Er valt gelukkig juist een plooi over,” zeide Paula; „je zult er niets
van zien.”
„Dank je duizend maal, hoor!” riep Annie dankbaar, „je hebt mij een
heele preek bespaard.” Op de klok kijkende, voegde zij er verschrikt
bij: „maar ik moet weg; ik had al thuis moeten zijn, tante Dora komt om
elf uur.”
„Je tante Dora! de mama van die twee trotsche kinderen, die verleden
jaar hier waren en zich niet met mij wilden bemoeien, omdat ik niet in
een groot huis woon, zooals jij?”
„O, het zijn zulke nesten, ik kan ze niet uitstaan!” antwoordde Annie.
In de gang ontmoetten zij mevrouw Tillens.
„Zoo, is daar onze kleine Annie?” riep zij en toen het meisje naar haar
toevloog, kuste zij Annie hartelijk. „Ik hoorde je zeggen dat je haast
hadt, kindje,” merkte mevrouw Tillens op, „maak dus maar vlug dat je
weg komt, anders laat je papa wachten en dat mag niet.”
„Mag ik dan gauw terugkomen?” vleide Annie, „het is hier bij u zoo
gezellig.”
„Natuurlijk, kindje, je weet immers, dat je altijd welkom bent,”
antwoordde Paula’s mama, die steeds medelijden had met het moederlooze
meisje, dat ondanks haar rijkdom zooveel miste.
Paula hielp Annie op de fiets en liep naast haar voort, het rijwiel bij
het stuur vasthoudende.
„Zie je wel, ik ben al te laat,” zeide Annie, toen zij midden in de
oprijlaan waren en het huis reeds konden zien. „Daar komt juffrouw Mina
naar buiten om te zien waar ik blijf.”
„Nu, dan keer ik maar om, dan kan je vlug door rijden,” antwoordde
Paula, „tot ziens dan.”
„Dag, Pau, dank je nog wel!” riep Annie terug en nu begon zij zoo hard
te trappen als zij maar kon.
Zooals meer gebeurt met menschen die pas hebben leeren fietsen, reed
ook Annie meestal tegen iedereen en alles op, waarvoor zij juist wilde
uitwijken. Op het oogenblik wilde zij uit den weg gaan voor juffrouw
Mina, maar zonder het te willen stuurde zij regelrecht op de goede ziel
aan.
„Kind, wat doe je? ga toch op zij!” riep Mina en sprong verschrikt
achter een boom.
„Ik kan niet!” antwoordde Annie hijgend en het volgende oogenblik kwam
zij in onzachte aanraking met den boom, waarachter Mina een
schuilplaats had gezocht. Natuurlijk viel Annie met fiets en al om,
doch gelukkig liep het zonder ongelukken af.
„Foei, wat doe je mij toch altijd schrikken,” stamelde Mina, terwijl
zij het meisje ophielp. „En deed je dat nu heusch niet met opzet?”
„He, hoe kan u dat nu denken!” riep Annie verontwaardigd. „Weet u wat
het is,” merkte zij een oogenblik later op, terwijl Mina bezig was het
zand van haar jurk te kloppen. „Als ik voor iets uit den weg wil gaan,
dan kijk ik er zoo strak naar, dat ik er juist naar toe rijd. Maar het
zal wel overgaan, denkt u ook niet?”
„Het is te hopen, anders is het een gevaarlijk spelletje. Wat zal je
doen, als je een automobiel of een rijtuig tegenkomt?”
„O, Paula wil niet, dat ik zonder haar op den straatweg rijd, voordat
ik het heel goed kan en als ik met haar rijd en er komt zooiets aan,
dan houdt zij mij vast en trekt mij uit den weg.”
„Een lief, verstandig meisje, die jongejuffrouw Tillens en zoo netjes,
was jij maar zoo,” zeide Mina met een zucht, „dan had ik niet half
zooveel moeite met je. Kom nu maar gauw mee, dat ik je wat help
opknappen, want je tante is al wel een kwartier binnen en mijnheer
zeide, dat je, zoodra je thuis was, in het salon moest komen.”
Annie vloog naar boven naar haar kamer en terwijl zij zich met behulp
van Mina wat meer toonbaar maakte, vroeg zij: „juffrouw Mina, wat komt
tante Dora hier doen, terwijl er toch niemand jarig is?”
Tante Dora, de zuster van den heer Van Walen, kwam gewoonlijk slechts
ééns in het jaar, namelijk met den verjaardag van haar broer. Dan werd
het beste tafelzilver voor den dag gehaald, Annie moest haar mooie jurk
aantrekken en klokslag elf uur hield tante’s rijtuig, of soms
automobiel voor het huis stil. Meestal was zij alleen, doch een enkel
maal kwamen haar dochtertjes mee om haar oom geluk te wenschen. Annie
was bang voor de deftige, trotsche dame, die nooit recht hartelijk was.
„Hoe wil ik dat nu weten, Annie,” antwoordde Mina op Annies vraag: „je
tante zal het mij niet vertellen. Ik denk dat mevrouw komt kijken,
hoeveel scheuren je deze week in je nieuwe jurk hebt gemaakt en of je
altijd nog even wild bent als vroeger, ziezoo, nu zit je haar netjes,
ga nu maar gauw naar beneden, je hebt mijnheer al lang genoeg laten
wachten.”
Annie liep veel langzamer naar beneden dan zoo straks naar boven en
toen zij den knop van de salondeur omdraaide, bonsde haar hartje als
een hamer.
„Ah, daar is onze kleine wildzang eindelijk,” zeide haar vader, toen
zij binnenkwam en naar haar tante toeging om deze te begroeten. „Kom
eens hier, kleine meid en hoor eens, wat wij je te vertellen hebben.
Het is groot nieuws en ik vond het beter je er nog niets van te zeggen,
vóórdat ik alles met tante Dora had afgesproken.”
„Maar wat dan toch, papa? Wat is het nieuws, is het prettig?” vroeg
Annie, terwijl zij op de leuning van mijnheer Van Walens stoel ging
zitten.
„Annie,” merkte haar tante op, „is het bepaald noodig, dat je op de
leuning van een stoel zit? Hier naast mij staat anders nog een stoel en
geheel leeg, zou je daar niet liever op plaats nemen?”
„Ja, kleine, ga naast tante zitten, dan zullen wij je alles vertellen.”
„Zoo dikwijls ik hier ben geweest,” liet tante er nog op volgen, „heb
ik Annie nog nooit vijf minuten achtereen als een gewoon mensch op een
stoel zien zitten. Altijd klom zij op de leuning of op de tafel, iets,
dat ik mijn meisjes streng verboden heb.”
Annie kreeg een kleur, zette zich op het puntje van den door tante
aangewezen stoel, en keek haar vader vragend aan.
„Het nieuws is, Annie, dat je een poos bij tante gaat logeeren, omdat
ik voor zaken naar Engeland moet. Je begrijpt dat ik je niet kan
meenemen, want jij mag de school niet verzuimen.”
„U weg en ik naar tante, voor hoelang?” riep Annie zoo verschrikt, dat
tante niet kon nalaten te zeggen:
„Hm, je bent wel beleefd. Ik heb mijn meisjes altijd geleerd de
beleefdheid in acht te nemen.”
„O, ja, tante, ik vind het heel aardig om bij u te gaan logeeren,”
zeide het arme kind. Eensklaps scheen zij echter op een inval te komen.
„Zou het niet beter zijn, pa, als ik zoolang bij mevrouw Tillens ging,
dan hoefde ik niet van school te veranderen. Het is immers niet voor
lang, pa?”
Voordat de heer Van Walen kon antwoorden, liet tante Dora zich hooren:
„Neen, Annie, dat gaat niet; het is beter, dat je bij mij komt. Ik heb
altijd aan je papa gezegd, dat die jongejuffrouw Tillens geen goed
gezelschap voor je is; wij weten niets van die menschen af en dat
meisje wordt belachelijk door haar moeder verwend, bovendien is zij
veel te oud voor je, terwijl Coba en Laura zoowat van je eigen leeftijd
zijn. Het is ook heel goed voor je dat je eens voor een poosje van die
dorpsschool afkomt.”
Annie durfde niets meer te zeggen, maar zij keek zoo ongelukkig, dat
haar vader troostend zeide: „In ieder geval blijf ik nog tot September
thuis, hoor kleine, dus zijn wij nog een heele maand samen. Ga nu maar
spelen, want ik heb nog veel met tante te bespreken en aan de koffie
zal ik je alles vertellen, wat je nog weten wilt.”
„Een goed meisje, maar nog erg ongemanierd,” merkte mevrouw Stubbens
(zoo heette tante Dora) op, toen Annie de kamer uit was. „Zij zal nog
veel moeten leeren.”
„Je moet niet vergeten, dat zij vanaf haar derden jaar de moederlijke
leiding gemist heeft,” antwoordde haar broer. „Mina Holst is een best
meisje,” voegde hij erbij, „maar niet de geschikte opvoedster voor een
meisje van Annie’s leeftijd. Daarom ben ik zoo blij, Dora, dat jij
zoolang de zorg voor het kind op je wilt nemen en ik hoop, dat je een
tweede moeder voor haar zult zijn.”
„Zij zal in alles gelijk opgaan met mijn meisjes,” zeide mevrouw
Stubbens, „ik zal geen onderscheid maken, dat beloof ik je.”
Intusschen was Annie het huis uitgesneld om nog gauw vóór koffietijd
alles aan haar vriendin te gaan vertellen. Paula zag haar reeds uit de
verte aankomen en benieuwd om te weten wat zij te vertellen zou hebben,
liep zij Annie te gemoet.
„Hè, Annie, je hebt gehuild. Waarom? wat scheelt eraan?” riep zij toen
haar vriendinnetje bij haar was.
„O Pau,” antwoordde Annie, die werkelijk geschreid had, maar nu moedig
haar tranen terugdrong; „ik moet van hier weg, ik moet bij tante Dora
gaan logeeren. Papa gaat naar Engeland en het schijnt voor langen tijd
te zijn, want ik ga met Coba en Laura naar school.”
Paula wist niet goed, wat zij zeggen moest om haar vriendinnetje te
troosten. Zij vond het zelf heel akelig haar te moeten missen en ook
vooral voor Annie, omdat zij wist, dat deze niet van haar nichtjes
hield.
„Kom mee naar mama,” zeide zij, haar arm om Annie’s hals slaande, „mama
zal je wel weten te troosten.”
„Het spijt mij heel erg, dat je weggaat, Annie,” zeide mevrouw Tillens
toen haar alles verteld was, „en Paula zal je vreeselijk missen, maar
voor jou is het toch niet zoo héél erg, kindje. Het is wel akelig voor
je van je papa af te moeten, maar je gaat naar een mooie groote stad
waar alles nieuw voor je is en dan is er nog iets, dat je vergeet, ik
bedoel je jongste nichtje, waarvan je mij verteld hebt en waarvan je
zooveel houdt. Zal het nu niet zoo prettig voor je zijn, langen tijd
bij haar te kunnen logeeren? Ik wed dat het je nog wel meevalt en dan,
je papa zal toch niet zoo heel lang wegblijven, zoodat wij je met
Kerstmis wel weer thuis zullen hebben en dan kan je ons alles
vertellen.”
Annie voelde zich werkelijk getroost, vooral door de gedachte, dat zij
waarschijnlijk met Kerstmis wel weer thuis zou zijn en ook hield zij
werkelijk van kleine Tine, haar jongste nichtje, een zwak kindje van
vijf jaar, zoodat zij niet meer met zooveel schrik aan haar verblijf
bij oom en tante Stubbens dacht en ten slotte met een vroolijk
gezichtje aan de koffietafel verscheen.