't Was lang vóór 't jaar, waarin de kavaliers Ekeby bestuurden.
De herdersjongen en 't herderinnetje speelden samen in 't bosch,
bouwden huizen van steenen, plukten boschbessen en maakten
herdersfluitjes. Beiden waren in 't bosch geboren. 't Woud was hun
tehuis en hun zomerweide. Zij leefden er in vrede met hun omgeving,
zooals men in vrede leeft met zijn bedienden en huisdieren.
De kinders noemden de los en de vos hun hofhonden, de wezel hun kat;
hazen en eekhorens maakten hun veestapel uit. Uilen en korhoenders
zaten in hun vogelkooi; de dennen waren hun dienaars en de jonge
berken gasten op hun feesten. Zij kenden de holen wel, waar de adder
lag ineengekruld voor den winterslaap en als zij baadden, zagen zij de
ringslang door 't klare water aankomen; maar zij waren voor slangen
en kabouters niet bang. Die hoorden nu eenmaal in 't bosch en daar
voelden zij zich tehuis. Daar waren zij nergens bang voor.
Diep in 't bosch lag het huisje, waar de jongen woonde. Een boschweg
leidde over heuvels daarheen; bergen stonden er om heen en sloten
de zon buiten; bodemlooze moerassen lagen in de nabijheid en zonden
't heele jaar ijskoude dampen uit. Weinig bekoorlijk was zulk een
woonplaats voor stedelingen.
De herdersjongen en 't herderinnetje zouden eenmaal trouwen, daar
op die kleine hoeve wonen en van hun handenwerk leven. Maar eer ze
trouwden, kwam de ellende van den oorlog over 't land en de jongen
werd soldaat. Hij kwam heelhuids en ongedeerd terug, maar zijn ziel
behield een lidteeken door dien tocht. Al te veel van het kwaad der
wereld en der menschen wreedheid had hij gezien. Hij was niet meer
in staat het goede te vinden.
In 't begin merkte niemand eenige verandering aan hem. Hij ging met
zijn meisje naar den predikant en hun huwelijk werd ingezegend. De
kleine hoeve in 't bosch bij Ekeby werd hun tehuis, zooals zij al
lang geleden afspraken, maar in dat huisje vonden zij het geluk niet.
De vrouw liep daar rond en zag haar man als een vreemde aan. Sinds
hij uit den oorlog teruggekomen was, herkende ze hem niet meer. Ze
lachte hard en luid en sprak weinig. Ze was bang voor hem.
Hij deed niemand kwaad en was een vlijtig werkman. Toch was hij niet
bemind, want hij geloofde van ieder kwaad. Zelf voelde hij zich als een
gehate vreemdeling. Nu waren de dieren in 't bosch zijn vijanden. De
berg, die de zon verborg en 't moeras, dat dampen uitzond waren zijn
tegenstanders.--'t Bosch is een gevaarlijke woonplaats voor hem,
die booze gedachten in zich omdraagt.
Wie in de wildernis wonen wil, verwerve zich vriendelijke
herinneringen. Anders ziet hij enkel moord en verdrukking bij planten
en dieren, zooals hij die vroeger onder de menschen zag. Hij verwacht
kwaad van allen, die hij ontmoet.
Jan Hök, de soldaat kon zelf niet verklaren wat hem scheelde. Hij
voelde alleen, dat niets hem goed ging. Zijn tehuis bood hem geen
vrede. Zijn zonen die daar opgroeiden werden sterk, maar woest. Geharde
en moedige mannen werden het; maar ook zij leefden in oneenigheid
met allen.
Zijn vrouw begon in haar verdriet de geheimen van de wildernis
te bespieden. In 't moeras en 't kreupelbosch zocht zij heelende
kruiden. Zij peinsde over 't doen en laten der onderaardsche machten
en zij wist welk offer hun welgevallig was. Zij kon ziekten genezen
en hun, die door liefde leden, goeden raad geven. Zij kreeg de naam
van een heks te zijn, en men schuwde haar, hoewel zij veel menschen
tot groot nut was.
Eens begon de vrouw tegen haar man over haar kommer te spreken:
"Sinds je naar den oorlog ging," zei ze, "ben je heelemaal
veranderd. Wat hebben ze je daar toch gedaan?"
Maar hij stoof op en had haar bijna geslagen, en zoo ging het ieder
keer, als zij over den oorlog sprak. Dan werd hij bijna waanzinnig
van drift. Van niemand kon hij het woord "oorlog" hooren; spoedig
werd het bekend, dat hij niet kon verdragen, dat men daarvan sprak,
en dus vermeden de menschen dit onderwerp.
Maar geen van zijn kameraden wist er iets van, dat hij meer kwaad zou
gedaan hebben dan anderen. Hij had gevochten als een goed soldaat. 't
Was alleen al dat vreeselijke wat hij gezien had, dat hem zóó
verschrikt had, dat hij sinds dien tijd niets anders zien kon. Aan
den oorlog had hij al zijn verdriet te danken. Hij meende dat heel
de natuur hem haatte, omdat hij aan zulke dingen had meêgedaan. Zij,
die ontwikkelder zijn, kunnen zich troosten met de gedachte, dat zij
voor hun vaderland en hun eer streden. Maar wat wist hij daarvan? Hij
voelde alleen, dat alles hem haten moest, omdat hij bloed vergoten
had en anderen geschaad.
In den tijd, dat de Majoorske van Ekeby verdreven werd,
woonde hij alleen in zijn huisje. Zijn vrouw was dood en zijn
zonen heengegaan. Maar op markttijden was toch zijn kamer vol
gasten. Zwartharige, donkergekleurde landloopers kwamen daar
binnen. Zij voelen zich 't meest op hun plaats bij hen, die de
menschen schuwen. Kleine, langharige paardjes klauteren 't boschpad
op, en trekken karretjes met vertinde pannen, met kinderen en hoopen
vodden. Vrouwen, oud vóór hun tijd, met gezichten door rooken en
drinken opgezwollen, en mannen met bleeke, scherpe gezichten en
gespierde lichamen volgen de karren. Als de landloopers aan de kleine
hoeve komen, begint daar een vroolijk leven. Brandewijn en kaartspel
en vreugdegedruisch brengen ze mee. En ze spreken van dieverijen en
paardenhandel en van bloedige vechtpartijen weten ze te vertellen.
Op Vrijdag begon de jaarmarkt in Broby en toen werd kapitein Lennart
gedood. Sterke Mons, die den doodelijken slag toebracht, was de zoon
van den grijsaard in de boschhut. Toen dus de landloopers Zondagmiddag
daar bijeenzaten, reikten ze Jan Hök de brandewijnflesch vaker
dan gewoonlijk en spraken met hem over 't leven in de gevangenis,
over gevangeniskost en huisonderzoek, want dat alles kenden zij bij
ondervinding.
De oude zat op het aambeeld in 't hoekje bij den haard en sprak
weinig. Zijn groote, glanslooze oogen staarden heen over dien wilden
troep in de kamer. De schemering was gevallen, maar 't turfvuur
gaf licht.
Lompen, ellende en nood verlichtte het!
Heel zacht werd de deur geopend en twee vrouwen traden binnen,
't Was de jonge gravin Elisabeth, gevolgd door de dochter van den
predikant van Broby.
Wonderlijk scheen zij den oude toe, toen zij beminlijk en stralend in
haar liefelijke schoonheid in den lichtkring van 't vuur trad. Zij
vertelde hun, dat Gösta Berling sinds den dood van kapitein Lennart
niet meer op Ekeby gezien was. Zij en haar dienstmeisje hadden in
't bosch heen en weer geloopen en hem dien heelen middag gezocht. Nu
zag zij, dat hier binnen mannen waren, die veel gezworven hadden en
alle paden kenden. Hadden zij hem gezien? Zij was hier gekomen om
wat te rusten en te vragen of zij hem gezien hadden.
't Was vruchteloos vragen. Niemand van hen had hem gezien.
Zij boden haar een stoel. Zij zonk er op neer en bleef een poosje
zwijgend zitten. 't Gedruisch in de kamer was verstomd. Allen zagen
haar verwonderd aan. Toen schrikte ze van de stilte om zich heen en
zocht een onverschillig onderwerp om over te spreken.
Zij wendde zich tot den grijsaard in den hoek. "Ik meen gehoord te
hebben dat u soldaat geweest zijt, vadertje," begon ze. "Vertel me
eens iets van den oorlog."
Maar toen werd 't nog stiller. De grijsaard bleef zitten, alsof hij
niets gehoord had.
"Ik zou heel graag eens van den oorlog hooren vertellen, door iemand
die er zelf bij geweest was," ging de gravin voort.
Maar ze hield plotseling op; want de dochter van den predikant van
Broby zag haar aan en schudde met het hoofd. Zij moest iets gezegd
hebben wat ongepast was. Alle menschen in de kamer keken haar aan,
alsof ze tegen de allereerste regelen van wellevendheid gezondigd
had. Plotseling vroeg een landloopster met harde, scherpe stem:
"Is zij dat niet, die vroeger gravin op Borg was?"
"Ja, dat is ze."
"Dat was toch heel wat anders, dan in 't bosch naar den gekken dominé
te loopen zoeken. Wel foei wat een ruil!"
De gravin stond op en nam afscheid. Zij had genoeg gerust. De vrouw,
die gesproken had ging met haar mee tot buiten de deur.
"Mevrouw de gravin, u begrijpt wel, dat ik wat zeggen moest. Want
't gaat niet aan met den oude over den oorlog te praten. Hij kan niet
verdragen dat woord te hooren. Ik meende het goed."
Gravin Elisabeth haastte zich voort; maar spoedig bleef ze staan. Zij
zag het dreigende, donkre bosch, de groote berg en het dampend
moeras. Akelig moest het wezen hier te wonen voor hem, die 't hart
vol booze herinneringen had. Zij kreeg medelijden met den oude,
die daar binnen zat met de donkergekleurde landloopers tot gezelschap.
"Anna Lize," zeide ze, "laat ons omkeeren. Die menschen daarbinnen
waren vriendelijk voor ons; maar ik heb mij leelijk gedragen. Ik wil
den oude over prettiger dingen praten."
En blij, dat ze iemand gevonden had, wien ze troosten kon, ging zij
de kamer weer binnen.
"Ik geloof," zei ze, "dat Gösta Berling hier in 't bosch rondzwerft
en er over denkt zich van kant te maken. Hij moet dus gauw gezocht
en daarin verhinderd worden. Juffrouw Anna Lize en ik hebben gemeend
hem nu en dan te zien; maar dan verdween hij weer. Hij houdt zich
in die streek bij den berg op, waar 't meisje van Nygaard gevonden
is. En nu kwam ik op de gedachte, dat ik niet naar Ekeby hoef te
gaan om hulp te halen. Hier zitten zooveel flinke mannen, die hem
gemakkelijk zullen vinden."
"Ga dan toch heen, kerels!" barstte de landloopster uit. "Als de
gravin zich niet te goed rekent om jelui een dienst te vragen, moet
jelui dadelijk gaan!"
De mannen stonden onmiddellijk op en gingen uit om te zoeken.
De oude Jan Hök zat stil voor zich uit te staren met zijn doffe
oogen. Afschrikwekkend, somber en hard zat hij daar. De jonge vrouw
vond geen woorden om hem aan te spreken. Toen zag ze, dat een kind ziek
lag op een bos stroo en dat een vrouw een gekwetste hand had. Dadelijk
begon zij hen te helpen. Zij was spoedig goede vrienden met de
babbelende vrouwen en vroeg om de kleinste kinderen te mogen zien.
Een uur later kwamen de mannen terug. Zij brachten Gösta Berling
gebonden in de kamer. Op den vloer voor het vuur legden zij hem
neer. Zijn kleeren waren gescheurd en vuil, zijn gezicht uitgeteerd
en zijn oogen woest. Vreeslijke dagen had hij gehad. Op de vochtige
aarde had hij gelegen, met gezicht en handen in 't mos gewroet, zich
langs steenhellingen en door 't dichtst van 't bosch voortgesleept. Hij
wilde de mannen niet goedwillig volgen; daarom hadden zij hem overmand
en gebonden.
Toen zijn vrouw hem zoo weerzag werd zij boos. Ze maakte zijn banden
niet los, maar liet hem op den grond liggen. Met verachting wendde
ze zich van hem af.
"Wat zie je er uit," zei ze.
"Ik had niet meer onder je oogen willen komen," antwoordde hij.
"Ben ik dan je vrouw niet? Heb ik dan geen recht te verwachten, dat
je bij mij zult komen met je verdriet? Met bittre angst heb ik deze
twee dagen op je gewacht."
"Ik heb immers kapitein Lennart ongelukkig gemaakt. Hoe zou ik bij
je durven komen. Hoe kon ik dat?"
"Je bent nooit bang geweest, Gösta."
"De eenige dienst, dien ik je bewijzen kan, Elisabeth, is je van mij
te bevrijden."
Onuitsprekelijke verachting vonkelde in haar oogen.
"Wil je me dan tot de vrouw van een zelfmoordenaar maken?"
Zijn gezicht vertrok zich smartelijk.
"Elisabeth, laat ons samen 't stille bosch ingaan en daar met elkander
spreken."
"Waarom zouden deze menschen ons niet mogen hooren?" barstte ze
uit, met harde, verbitterde stem sprekend. "Zijn wij dan beter dan
zij? Heeft één van hen zooveel verdriet en ellende in de wereld
gebracht dan wij? Zij zijn de kindren van 't bosch en den grooten
weg; ieder haat hen. Laten zij 't hooren, hoe zonde en smart ook
den heerscher over Ekeby vervolgt, den door allen beminden Gösta
Berling. Meen je, dat je vrouw zich voor beter houdt dan zij? Of doe
jij dat?"
Hij hief zich met moeite op de ellebogen op en zag haar met opvlammende
fierheid aan: "Ik ben zoo'n ellendeling niet als je wel meent."
En toen hoorde ze wat er in de laatste twee dagen gebeurd was.
't Eerste etmaal had Gösta in 't bosch rondgeloopen, door
gewetenswroeging voortgejaagd. Hij kon niet verdragen, dat de menschen
hem aanzagen. Maar aan sterven had hij niet gedacht. Hij wilde ver
weg trekken, naar een ander land. Maar op den Zondagmorgen kwam hij
neer van de heuvels en ging naar de kerk te Broby. Nog ééns wilde hij
't volk zien, het arme, hongerige volk van Löfsjö, dat hij verlangd
had te helpen, toen hij bij den schandeheuvel zat van den predikant
van Broby, en dat hij had liefgehad toen hij het in den nacht had
zien wegtrekken met 't doode meisje van Nygaard.
De godsdienstoefening was begonnen, toen hij bij de kerk kwam. Hij
sloop naar boven naar de galerij en zag neer op het volk. Bittre
smart greep hem aan. Hij had tot hen willen spreken, hen troosten
in hun armoede en hulpeloosheid. Had hij maar mogen spreken in Gods
huis! Hij zou--zoo hopeloos als hij zelf was, wel woorden van hoop
en redding voor hen allen gevonden hebben.
Toen verliet hij de kerk, ging in de sakristy en schreef het bericht,
dat zijn vrouw ontvangen had. Hij had geloofd, dat de arbeid zou hervat
worden op Ekeby en koren uitgedeeld, aan die er 't meest behoefte aan
hadden. Hij had gehoopt, dat zijn vrouw en de kavaliers zijn beloften
zouden vervullen als hij weg was.
Toen hij uit de kerk kwam, zag hij een kist staan voor de
sakristy. Die was grof en haastig in elkaar geslagen, maar met
rouwfloers en bloemkransen versierd, hij begreep, dat het de kist
van kapitein Lennart was. Men had zeker de kapiteinsvrouw verzocht,
de begrafenis te verhaasten, zoodat de groote menigte marktbezoekers
aan de plechtigheid deel kon nemen.
Hij stond naar de kist te zien, toen hij een zware hand op zijn
schouders voelde. Sintram stond achter hem.
"Gösta," zei hij, "als je iemand goed plagen wilt ga dan heen en
sterf. Er is niets wat zóó een eerlijk man, die geen kwaad vermoedt,
in de war kan brengen. Ga heen en sterf, zeg ik je."
Ontzet luisterde Gösta naar wat de booze sprak. Hij klaagde er over,
dat zijn goed beraamde plannen in de war gestuurd waren. Verlaten
dorpen had hij willen zien aan het strand van het Löfvenmeer. Daarom
had hij de kavaliers tot Heeren van Ekeby gemaakt; daarom had hij
de predikant van Broby de gemeente laten uitmergelen; daarom had
hij droogte en honger over het land gebracht. Op de markt te Broby
zou de beslissende slag zijn gevallen. Door ellende aangehitst zou
't volk tot moord en diefstal zijn overgegaan. Daarna zou 't gerecht
zijn gekomen en 't volk nog ellendiger gemaakt hebben. Hongersnood,
oproer en allerlei ellende zouden het geteisterd hebben. Zoo akelig en
gehaat zou op 't laatst dit land geworden zijn, dat niemand er meer
wilde wonen en dat alles zou dan Sintrams werk geweest zijn. En dat
zou zijn vreugde en trots geweest zijn, want hij was boos! Hij had
verlaten streken en onbebouwde velden lief. Maar deze man, die op
't juiste oogenblik gestorven was, had hem 't spel bedorven.
Toen vroeg Gösta hem, waartoe dit alles gediend zou hebben.
"'t Zou mij genot gegeven hebben, Gösta. Want ik ben boos! Ik ben
de wilde beer op de rotsen, de sneeuwstorm op de vlakte. Moorden en
vervolgen is mijn lust. Weg met de menschen en hun werk! Ik houd niet
van menschen. Ik kan ze wel een poosje laten loopen en met hen spelen
als een kat met de muis, dat is wel eens aardig voor een poosje! maar
nu was ik 't spelletje moe, Gösta, nu wilde ik toebijten, dood en
verderf brengen!"
Hij was krankzinnig, volslagen krankzinnig. Hij was lang geleden
voor de grap met deze duivelskunstenarijen begonnen en nu had de
boosheid macht over zijn ziel gekregen en hij meende een booze geest
uit de hel te zijn. Zóólang had hij het booze in zijn ziel gekweekt en
gevoed, dat het zijn geest verduisterde. Zoo kan de boosheid menschen
krankzinnig maken, zoo goed als de liefde en smart.
De booze mijneigenaar was razend. En in zijn woede begon hij aan de
kransen en 't rouwfloers van de kist te rukken, maar toen riep Gösta:
"Raak die kist niet aan!"
"Zie eens hier! Zou ik die niet aanraken? Ja zeker, ik zal mijn vriend
Lennart op 't veld gooien en zijn kransen vertrappen. Zie je dan niet,
wat hij mij heeft gedaan? Zie je niet in welk een mooie grauwe koets
ik rijd?"
En toen zag Gösta, dat een paar gevangenwagens met politiedienaars
en veldwachters buiten den kerkhofmuur stonden te wachten.
"Zie eens hier! Moet ik de vrouw van den rechter niet bedanken, omdat
zij gisteren in oude papieren is gaan zitten pluizen om bewijzen
tegen mij te vinden in die oude kruithistorie? Moet ik haar dan niet
vertellen, dat ze zich liever had moeten bezighouden met brouwen
en bakken, dan mij 't recht op den hals te sturen? Moet ik niet
wat hebben voor al de tranen, die ik geschreid heb om Scharling te
bewegen mij hierheen te laten gaan om te bidden bij 't lijk van mijn
goeden vriend?"
En weer begon hij aan 't rouwfloers te rukken.
Toen ging Gösta dicht bij hem staan en hield zijn armen vast.
"Alles wil ik er voor geven als u die kist niet aanraakt," zei hij.
"Doe wat je wilt!" zei de krankzinnige, "en roep wie je wilt! Ik zal
toch nog wel iets gedaan krijgen eer de leensman hier is. Vecht maar
met me als je lust hebt. 't Zal mooi staan als we hier bij de kerk
vechten. Laten we eens vechten bij al die kransen en het rouwkleed."
"Ik wil de rust van dezen doode koopen tegen welken prijs u wilt,"
zei Gösta; "neem alles wat ik heb, neem mijn leven!"
"Dat zijn groote woorden, jongetje!"
"U kunt 't immers probeeren."
"Nu maak je dan van kant."
"Dat wil ik graag doen; maar eerst moet deze kist ongedeerd in 't
graf staan."
En hierbij bleef het. Sintram liet Gösta zweren, dat hij 12 uren na
de begrafenis van kapitein Lennart er niet meer zou zijn. Want dan
weet ik ten minste, dat je geen brave kerel meer worden kunt."
Dat was gemakkelijk te beloven voor Gösta Berling. Hij was er blij om
dat hij zijn vrouw de vrijheid hergeven kon. Zijn wroeging had hem
voortgejaagd, tot hij doodmoe was. 't Eenige wat hem bezorgd maakte
was, dat hij aan de Majoorske beloofd had niet te sterven, zoolang
de dochter van den predikant van Broby op Ekeby diende. Maar Sintram
zei, dat ze nu niet meer als een dienstmeisje kon beschouwd worden,
nu ze haar vaders schatten geërfd had.
Gösta bracht daartegen in, dat hij zijn schatten zoo goed verstopt
had, dat niemand ze had kunnen vinden; maar Sintram lachte en zei,
dat ze tusschen de duivennesten in den toren van Broby verborgen
waren. Toen ging hij heen.
Gösta ging toen het bosch in. 't Liefst wilde hij sterven op de plaats,
waar het meisje van Nygaard gestorven was. Hij had daar den heelen
middag rondgezworven. Hij had zijn vrouw in 't bosch gezien. En daarom
had hij zich nog niet van kant kunnen maken.
Dit alles vertelde hij aan zijn vrouw, terwijl hij daar gebonden lag
op de vloer in de boschhut.
"Ach," zeide ze treurig, toen hij had uitgesproken, "hoe goed ken ik
dat alles.
"Heldenmanieren, heldenfeiten! Altijd gereed om handen in 't vuur te
steken, Gösta! altijd bereid je zelf weg te gooien. Hoe groot leek
me dat eens! En nu--hoe waardeer ik kalmte en bezonnenheid. Wat nut
deedt je den doode met die belofte! Al had nu Sintram die kist eens
omgegooid en er 't rouwfloers afgerukt. Die zou wel weer opgezet zijn
en met nieuw floers en nieuwe kransen bedekt. Als je nu je hand op de
kist van dien goeden man hadt gelegd en daar, voor Sintrams oogen hadt
gezworen te leven om dat arme volk te helpen--dan zou ik je geprezen
hebben. Als je nu, toen je 't volk in de kerk gezien hadt, tegen je
zelf hadt gezegd: "Ik zal het helpen, ik zelf zal al mijn krachten
besteden om het te helpen," en niet dien last op de schouders van je
zwakke vrouw en van oude mannen met weinig kracht gelegd hadt--dan
zou ik je geprezen hebben."--
Gösta Berling lag een poos zwijgend vóór zich te kijken.
"Wij, kavaliers zijn vrije mannen," zei hij toen. "Wij hebben elkaar
beloofd te leven voor de vreugde, en voor vreugde alleen! Wee ons
allen als een die belofte ontrouw wordt."
De gravin vertelde toen op haar beurt wat zij de laatste dagen gezien
en gehoord had.
't Was stil in de woning van de kavaliers. De kromme waldhoorns,
die ter eere van den marktdag gepoetst en met nieuwe groene koorden
en kwasten versierd waren, hingen ongebruikt aan de haken aan den
wand. De violen lagen in ruwe zijde gewikkeld, elk in haar kist,
met den strijkstok er naast, met de harst en een paar snaren aan 't
hoofdeind. De fluiten werden niet uit het bad genomen, waar zij in
gelegd waren, om dicht te worden. Men hoorde geen Bellmansliedjes,
geen scherts of lachen. Op de groote tafel, die vol witte kringen
was van de toddyglazen, stond het blaadje nog, maar niemand mengde
den dampenden drank. Beerencreutz zat met de kaarten te spelen,
maar niemand maakten aanstalten om het spel te beginnen.
Deze kavaliers, die de koningen der vreugd zouden zijn--wat waren
ze nu? Zij leken wel halfbevroren wintervliegen, die een warm hoekje
zochten achter de kachel in 't donker. 't Was eenzaam en koud om hen
heen geworden. Den vorigen dag was de doodsdag van kapitein Lennart
geweest.
Toen had Gösta Berling gehoord, dat de kavaliers onwillekeurig door
een hunner drinkgelagen aanleiding geweest waren, dat er in 't laatste
jaar misverstand en scheiding gekomen was tusschen den kapitein en
zijn vrouw. Van zijn sterfbed was Gösta in de bosschen en velden
gevlucht, zooals hij gewoon was te doen, zoo vaak zijn geweten een
diepe, smartelijke wonde kreeg. Zij wisten, dat hij lang, misschien
wel weken lang, weg zou blijven, tot de tijd zijn ellende zou verzacht
hebben. De jonge gravin bleef op haar kamer en wilde geen van hen zien.
De rozen waren verwelkt, de bladeren vielen af, het gras was geel
geworden, de herfst was gekomen. En de kavaliers begonnen te gelooven,
dat het leven zelf uitgebloeid was. Örneclou zag op eens, dat hij oud
en leelijk was. Oom Eberhard had zijn groot wetenschappelijk werk af,
't geweten van patroon Julius wilde niet meer slapen, Liljecrona
verlangde naar huis.
En zij vroegen zichzelf af, waarmee ze verdiend hadden, dat de wijn
niet meer smaakte, het kaartspel niet vermakelijk meer was en muziek
hen niet meer opwekte. Waarom was de blijdschap van hen geweken? Wat
hadden zij voor kwaad gedaan, die arme stumpers van kavaliers?
Daar ging de deur open, en de dochter van den predikant van Broby kwam
binnen. Zij was een vlijtig meisje, die dit heele jaar een hopeloozen
strijd gestreden had tegen wanorde en verkwisting. Er was iets zoo
strengs en plichtmatigs over haar, dat de kavaliers altijd een zeker
respect voor haar gehad hadden, ofschoon ze niet veel meer dan een
kind was.
"Ik ben vandaag weer naar huis geweest en heb naar mijn vaders geld
gezocht," zei ze tegen de kavaliers; "maar ik heb niets gevonden. Alle
schuldbekentenissen zijn doorgeschrapt, en laden en kasten zijn leeg."
"Dat is jammer voor u, juffrouw," antwoordde Beerencreutz.
"Toen de Majoorske van Ekeby wegging," ging de dochter van den
predikant van Broby voort, "vroeg ze mij haar huis te besturen. En
als ik nu 't geld van mijn vader gevonden had, zou ik Ekeby weer
opgebouwd hebben. Maar toen ik niets anders vond om mee te nemen,
nam ik een paar takjes mee van mijn vaders schandeheuvel; want mij
wacht groote schande, als mijn meesteres thuiskomt en mij vraagt wat
er van Ekeby geworden is."
"U moet u geen dingen aantrekken, waar u geen schuld aan hebt,"
antwoordde Beerencreutz.
"Maar ik heb niet alleen takjes voor mij meegenomen," zei de dochter
van den predikant, "ik heb ook een paar voor de heeren meegebracht. Als
het u belieft, heeren. Mijn vader is toch de eenige niet, die schade
en schande in de wereld gebracht heeft."
En zij ging van den een naar den ander en legde eenige van de dorre
takjes voor elk van hen neer. Enkelen vloekten; maar de meesten lieten
haar begaan. Eindelijk zeide Beerencreutz met de waardigheid van een
voornaam heer: "Het is goed, ik dank u, juffrouw. U kunt gaan."
Toen zij weg was, sloeg hij met de gebalde vuist op de tafel, zoodat
de glazen rammelden. "Van dit oogenblik af," zei hij, "drink ik nooit
meer. Zoo iets zal de brandewijn mij geen tweede keer leveren!"
Daarop stond hij op en ging heen. En weer werd het drukkend stil in
de woning van de kavaliers.
Maar voor ieder van hen lagen een paar takjes van den
"schandeheuvel". En van die takjes klonken allerlei akelige vragen:
"Waar is de Majoorske? Wat is er van Ekeby's eer en macht
geworden? Waarom is kapitein Lennart vermoord? Waar is de rijkdom
van Löfsjö?"
En plotseling was het, alsof het huis vol stemmen was, die allen
antwoordden. Het was den ouden heeren te moede alsof ze midden in een
gonzenden, stekenden bijenzwerm zaten. Want op al die vragen kwamen
antwoorden, die staken en brandden.
De kavaliers hebben hun weldoenster verdreven.
De kavaliers, aan wie zij een tehuis gegeven had, hebben haar laten
rondzwerven. Zij gaf hun voedsel en vreugde; zij gaven haar honger
en smart.
De kavaliers hebben het schoonste landgoed in Wermeland bedorven. De
kavaliers hebben voor kapitein Lennart de deur van zijn huis
gesloten. De kavaliers hebben zorgeloosheid en dronkenschap onder de
armen verspreid, zij hebben de gemeente van Löfsjö bedorven.
De stemmen hadden nog niet lang gegonsd en gestoken, voor de een na
den ander van de kavaliers opstond en heenging. En toevallig kwamen
ze langzamerhand allen bij elkaar aan de beek, daar waar de smidse
en de molen gestaan hadden.
Daar zag men overal de sporen van de verwoesting, door de vlammen
aangericht. De groote hamer stak uit een grooten hoop balken en staken;
de zware buitenmuren stonden nog; maar daaromheen was alles verwoest,
en beneden op den grond zag men nog de zwarte stookplaats met haar
wijden muil gapen.
En ziet, ziet! In al die wanorde liep de overste al heen en weer,
en werkte! Hij ruimde een plaats leeg voor een nieuwen molen en een
nieuwe smidse. En naarmate de anderen kwamen, haastten ook zij zich
aan het werk. Spoedig waren zij er allen. Zij sleepten balken weg,
groeven steenen uit en hieuwen en staken. En spoedig klonken er weer
liedjes; lachen en schertsen werd gehoord. Zij waren weer moedig en
sterk; zij zouden Ekeby wel weer opbouwen. Zij zouden de Majoorske
naar huis halen: zoo gauw mogelijk wilden zij de dochter van den
predikant van Broby zenden om haar te halen. De armen in de gemeente
Löfsjö zouden weer werk krijgen.
Maar het contract dan? Het zwarte, met bloed geschreven contract van
den Kerstnacht?
Ach, zij handelden nu meer kavaliersachtig dan vroeger! Zij werkten,
en zij zouden blijven werken; maar hun loon zou uit eer, niet uit
geld bestaan.
"En wat zul je nu doen, Gösta?" vroeg de gravin toen ze dit alles
verteld had.
"Wat wil je van mij--een afgezet predikant, door de menschen verworpen,
door God gehaat!" antwoordde hij droevig.
"Ik ben vandaag ook in de kerk van Bro geweest, Gösta. Ik moet je de
groeten overbrengen van twee vrouwen. "Zeg aan Gösta," zeide Marianne
Sinclaire, "dat een vrouw zich niet schamen wil over hem dien ze
heeft liefgehad." "Zeg aan Gösta," zei Anna Stjärnhök, "dat ik het nu
goed heb. Ik bestuur zelf mijn hoeven. De menschen zeggen van mij,
dat ik een tweede Majoorske worden zal. Ik denk niet aan liefde,
enkel aan werken. Ook op Berga is de eerste bitterheid van de smart
overwonnen. Maar we treuren alleen over Gösta. We gelooven in hem en
bidden voor hem; maar wanneer,--wanneer wordt hij toch een man!"
"Ben jij nu door de menschen verworpen?" ging de gravin voort. "Al
te veel liefde heb je genoten--dat was je ongeluk. Vrouwen en mannen
hebben je liefgehad. Als je maar schertste en lachte, als je maar
zong en speelde, vergaf men je alles. Wat je in den zin kreeg te doen
was hun goed. En je durft je een verworpeling noemen. En je noemt
je van God gehaat?--Waarom bleef je kapitein Lennarts begrafenis
niet bijwonen?
Omdat hij stierf op een marktdag, was het gerucht van zijn dood
ver verbreid geworden. Na de godsdienstoefening kwamen duizenden
menschen naar de kerk. 't Geheele kerkhof en de muur en 't veld
er om heen was zwart van menschen. De lijkstoet werd geordend voor
de consistoriekamer. Men wachtte nog maar op den ouden Proost. Hij
was ziek en had niet gepreekt. Maar op de begrafenis van kapitein
Lennart had hij beloofd te komen. En hij kwam met gebogen hoofd,
in zijn eigen droomen verdiept, zooals hij nu pleegt te doen in zijn
ouderdom en stelde zich aan 't hoofd van den stoet. Hij bemerkte niets
bijzonders. De oude man had al zóóveel lijkstoeten voorgegaan. Hij
ging voort op de bekende wegen zonder op te zien. Hij las de gebeden
en wierp aarde op de kist en merkte nog steeds niets.
Toen hief de koster een psalm aan. Nog geloof ik niet, dat zijn grove
stem, die anders altijd alleen zingt den ouden Proost uit zijn droomen
zou hebben gewekt.
Maar nu zong de koster niet alleen. Honderden en honderden stemmen
vielen in! Mannen, vrouwen en kinderen zongen. Toen ontwaakte
de Proost. Hij streek zich over de oogen en klom op de opgeworpen
aardhoop om te zien, waar al die stemmen vandaan kwamen. Nooit had
hij zulk een treurende schare gezien.
De mannen hadden de oude versleten begrafenishoeden op; de vrouwen
de witte boezelaars met de breede zoomen voor. Allen zongen, allen
hadden tranen in de oogen, allen droegen rouw in hun hart.
Toen begon de oude Proost te beven van ontroering. Wat moest hij aan
dit rouwdragende volk zeggen?--Hij moest ze zien te troosten.
Toen het zingen had opgehouden, strekte hij de armen uit.
"Ik zie dat het volk in rouw is," sprak hij "en smart is zwaarder te
dragen voor hen, die nog lang deze aarde zullen betreden, dan voor mij,
die spoedig van hier zal gaan."
Hij zweeg verschrikt. Zijn stem was te zwak en hij aarzelde in de
keus van zijn woorden. Maar spoedig begon hij opnieuw. Zijn stem had
de kracht harer jeugd terug gekregen en zijn oogen straalden.
Hij hield een heerlijke toespraak, Gösta. Eerst vertelde hij, wat
hij wist van Gods gezant. Toen herinnerde hij er ons aan, dat geen
uiterlijke glans of groot vermogen dien man zóó bemind had gemaakt;
maar alleen dit, dat hij altijd Gods wegen ging. En nu smeekte hij
ons om Gods en Christus wille te doen als hij. Ieder moest den
ander liefhebben en helpen, ieder moest van den ander het goede
gelooven. Ieder moest handelen als kapitein Lennart, want daarvoor
had men geen groote gave noodig; maar alleen een vroom hart. En hij
verklaarde ons allen, wat er dit jaar gebeurd was. Hij zei, dat het
een voorbereiding was voor een jaar van liefde en geluk, dat nu zeer
zeker te wachten was. Hij had vaak menschelijke goedheid zien schijnen
in verspreide stralen. Nu zou ze schitteren als een heerlijke zon.
En 't was ons allen, als hoorden wij een profeet spreken. Allen wilden
wij elkaar liefhebben en weldoen.
Hij hief de oogen en de handen op en bad vrede af over ons allen. "In
Gods naam," zei hij, "zal de onrust ophouden. Vrede wone in uwe harten
en in de geheele natuur. Mogen ook de doode dingen, de dieren en de
planten rust voelen en ophouden schade aan te richten."
En 't was alsof een heilige rust neerdaalde over de geheele streek. Het
was alsof de hoogten schitterden in 't licht, en de dalen lachten en
de herfstnevelen werden rozenrood.
Toen riep hij een helper voor 't volk aan.
"Er moet iemand komen," zeide hij, "Het is Gods wil niet, dat gij
zult te gronde gaan. God zal iemand opwekken, die de hongerigen zal
verzadigen en u op Zijn wegen zal leiden."
Toen dachten we allen aan jou, Gösta. We wisten dat de Proost over je
sprak. 't Volk dat deze verkondiging hoorde, ging naar huis en sprak
over je. En toen Gösta, toen liep je in 't bosch rond en wilde sterven!
't Volk wacht op je! In de hutten ver in 't rond zitten ze er over
te praten, dat de gekke dominé van Ekeby hen nu wil helpen, en dat
nu alles goed zal worden. Je ben aller held, aller redder kun je
worden. Ja, Gösta, 't is zeker dat de oude over jou sprak. En dat
moet je toch wel doen verlangen te leven. Maar ik, die je vrouw ben,
ik zeg je dit: dat je nu in allen eenvoud je plicht moet doen. Ga
nu niet droomen, dat je Gods gezant ben. Dat zijn we allen, begrijp
je? Je moet werken zonder heldendaden, je moet niet schitteren en
de wereld verbazen, je moet zóó leven, dat je naam niet al te vaak
op de lippen der menschen komt. Bedenk je wèl, voor je je belofte
aan Sintram terugneemt. Nu heb je een soort recht te sterven, en
't leven kon je wel eens weinig heerlijks aanbieden.
Een tijd lang ben ik voornemens geweest naar 't zuiden terug te gaan,
Gösta. Mij, de met schuld beladene, scheen het een al te groot geluk
toe, je vrouw te zijn en naast je door 't leven te gaan. Maar nu
zal ik blijven. Als je durft te leven, zal ik hier blijven. Maar
verwacht daar geen geluk van. Ik zal je den weg wijzen van strenge
plichtsbetrachting. Wacht van mij geen woorden van vreugde en
hoop. Al de smart en de rampen, die wij beiden veroorzaakt hebben,
zal ik als wachten aan onzen haard zetten. Kan een hart, dat zóó veel
geleden heeft als het mijne, nog liefhebben? Zonder tranen en zonder
blijdschap zal ik naast je voortgaan. Bedenk je wel Gösta, voor je
't leven kiest. Wij moeten den weg der boeten gaan."
Zij wachtte zijn antwoord niet af. Zij wenkte de dochter van den
predikant en ging heen. Toen zij in 't bosch gekomen was, begon ze
bitter te schreien en schreide tot zij op Ekeby aankwam.
En eerst toen bedacht zij, dat zij vergeten had met Jan Hök, den
soldaat, over vroolijker dingen te praten.
In de boschhut bleef het doodstil, nadat ze was heengegaan.
"God, de Heer zij geloofd en geprezen!" sprak plotseling de oude
soldaat.
Zij zagen hem aan. Hij was opgestaan en zag met geestdrift om zich
heen.
"Boos en slecht is alles geweest!" zei hij. "Al wat ik gezien heb,
sinds mij de oogen geopend werden, was slecht! Slechte mannen en
slechte vrouwen! Haat en boosheid in bosch en veld! Maar zij is
goed. Een goed mensch heeft in mijn huis gestaan. Als ik hier alleen
zit, zal ik aan haar denken. Zij zal met mij zijn op mijne wandelingen
in 't bosch."
Hij boog zich over Gösta heen; maakte zijn banden los, richtte hem
op en nam zijn hand in de zijnen.
"Door God gehaat," zei hij zacht en knikte nadenkend. "Ja, dat is
het juist. Maar nu is dat voorbij. Ik ben het ook niet meer, nu zij
in mijn huis heeft gestaan. Zij is goed!"
Den volgenden dag kwam de oude Jan bij den leensman Scharling.
"Ik wil mijn kruis opnemen," zei hij. "Ik ben een boos man geweest;
daarom kreeg ik booze zonen."
En hij vroeg of hij niet voor zijn zoon in de gevangenis mocht
gaan. Maar dat kon immers niet toegestaan worden?