HET MEISJE VAN NYGAARD.

Niemand kent die plek aan den voet van den berg, waar de dennen het

dichtst groeien en waar een dikke laag zacht mos de aarde dekt. Hoe

zou iemand die kennen? Dit is nooit te voren betreden door een

menschenvoet; geen menschentong heeft haar een naam gegeven; geen

voetpad voert naar die verborgen plaatsen. Rotsblokken zijn er om

heen opgestapeld, gedoornde braamranken sluiten haar af, afgewaaide

takken versperren den weg, de herder kan haar niet vinden, de vos

veracht haar. Het is de eenzaamste plek in 't bosch, en nu zoeken

duizenden menschen er naar!

Wat een eindelooze stoet van zoekenden! Zij zouden de kerk van Bro

kunnen vullen, en niet alleen die van Bro, maar die van Löfvik en

Svartsjö. Wat een eindelooze stoet van zoekenden!

Kinderen, die niet met den stoet mee mogen, staan aan den weg of

hangen over 't hek, overal waar hij voorbijkomt. De kleinen hebben

niet gedacht, dat er zulk een massa menschen in de wereld waren,

zulk een eindelooze massa. Als ze groot worden, zullen ze zich dien

langen, golvenden menschenstoet herinneren.

Hun oogen zullen vol tranen staan bij de herinnering aan den

overweldigenden indruk, dien het maakte, dien eindeloozen stoet langs

wegen te zien trekken, waar men dagen lang niemand zag dan een paar

eenzame wandelaars, eenige groepjes bedelaars of een boerenwagen.

Allen, die aan den weg wonen, springen op en vragen: "Is er een ongeluk

gebeurd in het land? Komen de vijanden? Waar gaat ge heen? Waar gaat

ge toch heen?"

"Wij zoeken," antwoordden zij: "we hebben al twee dagen lang

gezocht. Wij zullen ook vandaag nog zoeken, en dan kunnen wij het

niet langer uithouden. Wij willen het Björnebosch doorzoeken en de

met dennen begroeide heuvels ten westen van Ekeby."

De stoet is van Nygaard uitgegaan, een armoedig dorpje tusschen de

oostelijke bergen. Het mooie, jonge meisje, met het dikke, zwarte

haar en de roode wangen, is al acht dagen lang weg. Het meisje met de

bezems, dat Gösta Berling tot zijn bruid wilde maken, is in de groote

bosschen verdwaald. In acht dagen heeft niemand haar gezien. Toen

gingen menschen uit Nygaard uit om haar te zoeken, en alle menschen,

die hen zagen voorbij komen, gingen mee om te zoeken. Uit ieder huis

kwamen menschen, om zich bij den stoet aan te sluiten.

Dan gebeurde het vaak, dat een nieuw aangekomene vroeg: "Mannen

van Nygaard, waarom is dit alles? Waarom liet men dit mooie meisje

alleen gaan op eenzame wegen? 't Bosch is groot en God had haar het

verstand ontnomen."

"Er is niemand, die haar kwaad doet," antwoordden ze dan, "en zij

doet niemand kwaad. Zij gaat veilig als een kind. Wie is wel beter

bewaard dan die door God zelf bewaard wordt! Vroeger is zij altijd

teruggekomen."

Zoo is de stoet der zoekenden door de bosschen ten oosten getrokken,

die Nygaard van de vlakte scheiden. Nu, den derden dag, trekken zij

voorbij de kerk van Bro, naar de bosschen ten westen van Ekeby.

Maar waar de stoet heentrekt, wekt hij de grootste verbazing; telkens

moet een der mannen achterblijven, om te antwoorden op de vraag:

"Wat wilt ge, wat zoekt ge?"

"Wij zoeken het meisje met de donkere haren en de blauwe oogen. Zij is

naar 't bosch gegaan om te sterven. Zij is al acht dagen weg geweest."

"Waarom is zij naar het bosch gegaan, om te sterven? Had zij

honger? Was zij ongelukkig?"

"Neen, nood heeft ze niet geleden, maar een ongeluk heeft haar dit

voorjaar getroffen. Zij heeft Gösta Berling, den gekken predikant,

gezien en hem vele jaren lang liefgehad. Zij wist niet beter. God

heeft haar het verstand ontnomen."

"Ja, dan heeft God haar zeker van het verstand beroofd, mannen van

Nygaard."

"In dit voorjaar kwam het ongeluk--vroeger heeft hij nooit naar haar

omgezien. Toen heeft hij haar gezegd, dat zij zijn bruid zou zijn. 't

Was maar een grap;--hij liet haar weer gaan; maar zij kon zich niet

troosten. Zij kwam aanhoudend naar Ekeby terug. Zij volgde hem op de

hielen, waar hij ook heen ging. Zij verveelde hem. Toen zij er het

laatst was, hebben zij de honden op haar aangehitst. Sinds dien tijd

heeft niemand haar gezien."

Op, alle mannen! 't Geldt een menschenleven.

Een mensch is de bosschen ingegaan, om te sterven. Misschien is zij

al dood. Of misschien zwerft ze nog om, zonder den weg te vinden. 't

Bosch is groot en haar verstand is bij God.

Ga mee met den stoet, ga mee! Laat de haver in schoven staan, tot

de dunne korrel uit de aar valt; laat den aardappel in den grond

verrotten; laat de paarden los, opdat ze niet in den stal verdorsten;

laat de deur van den koestal open staan, zoodat de koeien des nachts

onder dak kunnen komen; neem de kinderen mee, want de kinderen behooren

aan God. God is met hen. Hij leidt hun schreden.

Zij zullen helpen, waar het menschelijk verstand te kort komt.

Komt allen mee, mannen, vrouwen en kinderen. Wie durft thuis te

blijven? Wie weet of God niet juist van plan is hem als werktuig te

gebruiken? Komt, allen die barmhartigheid behoeft, opdat niet eenmaal

uw ziel hulpeloos rond zal zwerven op eenzame plaatsen, rust zoeken

en ze niet vinden zal. Komt, God heeft haar het verstand ontnomen,

en 't bosch is groot.

Ach! Wie kan de plek vinden, waar de dennen het dichtst groeien

en 't mos het zachtst is? Ligt daar iets donkers, dicht onder den

bergwand? Ach, 't is een mierenhoop. Geloofd zij Hij, die den voet

der zinneloozen bestuurt; 't is anders niet!

Welk een tocht! Niet de feestlijk versierde feeststoet, die den

overwinnaar begroet, die bloemen strooit op zijn wegen en zijn

ooren met gejubel vult; niet de pelgrimsstoet met psalmgezang en de

zwiepende geeselslagen, op weg naar het heilige graf; niet de stoet

der landverhuizers op krakende, zwaar beladen wagens, die uittrekken

om een nieuw tehuis te zoeken voor menschen, die nood lijden; niet een

leger met trommen en wapens; het zijn maar boeren, in baaien werkpakken

en versleten schootsvellen; 't zijn maar hun vrouwen, met breikousen

in de hand, en de kinderen op den rug of hangend aan de rokken.

't Is grootsch menschen bijeen te zien voor een groot doel. Laat

ze uittrekken om hun weldoeners te huldigen, om hun vaderland te

verdedigen, laat ze uittrekken! Maar noch honger, noch godsvrucht, noch

oorlog heeft deze menschen op weg gedreven. Hun moeite is vergeefsch,

hun arbeid zonder loon, zij zoeken alleen een zinnelooze. Hoeveel

zweetdroppels, hoeveel uren gaans, angst en gebeden het hun ook kost,

het wordt toch alleen maar beloond door 't weervinden van een arme

verdwaalde, wier verstand bij God is. Kan men anders dan dit volk

liefhebben?

Moet niet wie aan den weg staat en hen voorbij ziet trekken, tranen

in de oogen krijgen, als hij 't zich herinnert: mannen met scherpe

trekken en harde handen, vrouwen met vroeggerimpelde voorhoofden en

vermoeide kinderen, die God zou leiden naar de rechte plaats?

Hij vult den weg, die stoet van bedroefde zoekenden. Met ernstige

blikken zien zij naar het bosch; zij gaan voort met sombere gezichten,

want zij weten, dat zij eerder een doode, dan een levende zullen

vinden.

Ach, dat zwarte onder aan den bergwand! Het is toch geen mierenhoop,

maar een omgevallen boom! De Hemel zij geloofd, 't is maar een

omgevallen boom. Maar zoo precies kan men 't ook niet zien, want de

dennen staan zoo dicht bij elkaar.

Zóó lang is de stoet, dat de voorsten, de sterke mannen, heel bij het

bosch ten Westen van Björne zijn, als de achtersten, de mismaakten,

de zwakke ouden en de vrouwen, die hun kleine kinderen dragen,

nauwelijks de kerk te Broby voorbij zijn.

En dan verdwijnt de heele stoet in het donkere bosch. De vóórmiddagzon

beschijnt hen tusschen de dennen door--de avondzon zal de schare

beschijnen, als zij uit het bosch komt.

't Is de derde dag van 't zoeken; zij zijn aan 't werk gewend. Ze

zoeken onder aan den steilen bergwand, waar de voet licht uitglijdt,

onder de omgevallen boomen, waar men armen en beenen kan breken,

onder de dichte dennentakken, die over het zachte mos hangen en tot

rusten uitnoodigen.

Het leger van den beer, het hol van den vos, de onderaardsche woning

van den das, de zwarte grond van de kolenbranderij, de dennen met

de witte naalden, de berg, die door den boschbrand geteisterd is een

maand geleden, de steen, die door den reus weggeworpen is, dat alles is

gevonden; maar niet de plek onder den bergwand, waar dat zwarte ligt.

Niemand is er geweest om te zien of het een mierenhoop of een

omgevallen boomstam of een mensch is. Ach! het is wel een mensch;

maar niemand is er geweest en heeft haar gezien!

De avondzon ziet op hen neer aan den anderen kant van het bosch,

maar de jonge vrouw, wier verstand God heeft weggenomen, is niet

gevonden. Wat zullen ze nu doen? Zullen ze het bosch nog eens

doorzoeken? 't Bosch is gevaarlijk in 't donker; daar zijn bodemlooze

moerassen en steile kloven. En wat kunnen zij, die niets vonden,

toen de zon scheen, nu vinden, daar het donker is?

"Laat ons naar Ekeby gaan!" roept éen onder de menigte.

"Laat ons naar Ekeby gaan!" roepen dan allen samen: "Laat ons naar

Ekeby gaan!"

"Laat ons die kavaliers vragen, waarom ze de honden op iemand

hebben aangehitst, wier verstand God had weggenomen; waarom ze een

zinnelooze tot vertwijfeling hebben gebracht. Onze arme, hongerige

kinderen schreien, onze kleeren zijn gescheurd, het koren staat in

schoven, tot de korrels uit de aren vallen, de aardappelen verrotten

in den grond, onze paarden loopen wild rond, onze koeien worden niet

verzorgd, wijzelf vergaan bijna van vermoeienis--en dat alles is hun

schuld. Laat ons naar Ekeby gaan en gericht over hen houden. Laat

ons naar Ekeby gaan!"

"In dit vervloekte jaar komt alles op ons, boeren, neer. God's hand

drukt zwaar op ons. De winter zal hongersnood brengen. Wie is het dien

Gods straf zoekt? Niet den predikant van Broby. Zijn gebeden rijzen

nog op tot God. Wie kan het anders zijn dan deze kavaliers. Laat ons

naar Ekeby gaan!"

"Zij hebben de hoeve bedorven. Zij hebben de Majoorske op den weg

laten zwerven als bedelares. Het is hun schuld, dat we geen werk

hebben. Het is hun schuld, dat we honger moeten lijden. De nood is

hun werk. Laat ons naar Ekeby gaan!"

En daar snellen sombere, verbitterde mannen naar de groote hoeve;

hongerige vrouwen met schreiende kinderen op den arm volgen

hen. Achteraan komen de mismaakten en de afgematte ouden. En als een

zwellende stroom gaat de verbittering door de rijen, van de ouden

naar de vrouwen, van de vrouwen naar de sterke mannen vooraan.

't Is de najaarsstroom, die komt. Weet ge nog wel hoe de

voorjaarsstroom kwam, kavaliers? Nu komen de golven van de bergen,

nu gaat er opnieuw een adem van verwoesting over Ekeby's macht en eer.

Een arbeider, die het veld beploegt langs den boschkant, hoort het

woeste geschreeuw van het volk. Hij spant éen van de paarden af,

springt er op en draaft naar Ekeby. "Er komt een ongeluk!" roept

hij: "de beren komen, de wolven komen, de heksen komen en nemen

Ekeby in." Hij rijdt door de hoeve, buiten zichzelf van schrik:

"alle spoken uit het bosch zijn losgebroken!" roept hij, "de booze

geesten komen en steken de hoeve in brand en slaan de kavaliers dood."

En achter hem hoort men leven en gehuil van de aanstormende menigte. De

najaarsstroom bruist op Ekeby toe!

Weten ze wat ze willen, die daar vol verbittering aanstormen? Willen

ze brand? moord? plundering?

Het zijn geen menschen, die daar aankomen; 't zijn de spoken uit het

bosch, de wilde dieren van de velden. Wij, duistere machten, die ons

onder de aarde verborgen moeten houden, wij zijn vrij voor éen zalig

uur. De wraak heeft ons vrijgemaakt.

Het zijn de geesten van de bergen, die het erts gebroken hebben, de

geesten van het woud, die boomen geveld en de kolen gebrand hebben,

de geesten van het veld, die het koren lieten groeien; zij zijn vrij,

zij gebruiken hun kracht om te verwoesten. Dood over Ekeby, dood over

de kavaliers!

Hier vloeit de brandewijn in stroomen. Hier ligt het goud in de

kelder-gewelven opgestapeld. Hier is de voorraadschuur vol koren en

vleesch. Waarom zullen de kinderen der rechtvaardigen honger lijden

en de boosdoeners volop hebben?

Maar nu is hun tijd voorbij, de maat is vol, kavaliers! Leliën, die

nooit gesponnen hebt, vogels, die nooit vergaderd hebt in de schuren,

de maat is vol! In het woud ligt zij, die u oordeelt; wij zijn haar

boden. Het zijn geen rechters, die uw vonnis vellen. Zij, die in het

woud ligt, heeft u geoordeeld.

De kavaliers staan in het hoofdgebouw en zien het volk komen. Zij

weten al, waarvoor zij aangeklaagd worden. Voor deze éene keer zijn

zij onschuldig. Als het arme meisje naar het bosch gegaan is om

te sterven, dan is dat niet omdat zij de honden op haar afgejaagd

hebben--dat hebben zij nooit gedaan,--maar omdat Gösta Berling voor

acht dagen met gravin Elisabeth getrouwd is.

Maar wat baat het met deze razende menschen te spreken? Zij zijn

moe, zij zijn hongerig; de wraak hitst hen op; de roofzucht verlokt

hen. Zij komen aanrennen met woest geschreeuw, en voor hen uit rijdt de

arbeider, die van den schrik waanzinnig is geworden: "de beren komen,

de wolven komen, de heksen komen en nemen Ekeby in.

De kavaliers hebben de jonge gravin verborgen in 't binnenste

kamertje. Löwenborg en oom Eberhard zullen daar zitten en op haar

passen; de anderen gaan de schare te gemoet. Zij staan op de stoep

voor het hoofdgebouw, ongewapend en glimlachende, als de eerste

schreeuwende bende aankomt.

En het volk blijft staan voor die kleine schaar rustige mannen. Er

zijn er wel, die in hun gloeiende verbittering ze graag op den grond

geworpen en met hun met ijzer beslagen hielen vertrapt hadden, zooals

het volk van de ijzermijn te Sund met den chef en den inspecteur vóor

vijftig jaar gedaan hebben; maar zij hadden gesloten deuren verwacht,

opgeheven wapens, weerstand en gevecht.

"Beste vrienden," zeggen de kavaliers, "besten vrienden, jullie zijn

moe en hongerig, laat ons je wat te eten geven en proeft eerst van

Ekeby's eigengemaakten brandewijn."

De menigte wil er niet van hooren. Zij huilt en dreigt. Maar de

kavaliers worden niet boos.

"Wacht maar," antwoorden ze, "wacht maar even. Zie, Ekeby is open. De

kelderdeur, de provisiekamer, de melkkamer, alles is open. Jullie

vrouwen vallen bijna om van vermoeienis; de kinderen schreien. Laat

ons ze eerst eten geven. Dan kun jelui ons laten doodslaan. Wij zullen

niet wegloopen. Maar we hebben den zolder vol appelen. Laat ons even

appels voor de kinderen halen."

Een uur later is het feest in vollen gang op Ekeby. Het grootste feest,

dat de groote hoeve ooit heeft gezien, wordt in den herfstnacht, in

't schijnsel van de groote, heldere, volle maan, gevierd.

De stapels brandhout zijn aangestoken; over de heele hoeve vlammen

groote vuren. Het volk zit in groepjes en geniet warmte en rust,

terwijl alle goede gaven over hen uitgestort worden.

Kloeke mannen zijn in de schuur gegaan en hebben genomen wat

noodig was. Kalven en schapen zijn geslacht, ook een paar grootere

stukken vee. De dieren werden in stukken gehouwen en in een oogenblik

gebraden. Deze honderden hongerige menschen verslinden de spijzen. Het

eene dier na het andere wordt naar buiten gebracht en geslacht. Het

schijnt alsof de heele schuur op één nacht geledigd zal worden.

Juist dien middag was het bakken voor den winter klaar gekomen. Nadat

de jonge gravin op Ekeby was, waren de lieden weer aan 't werk

gegaan. Het was alsof de jonge vrouw er geen oogenblik aan dacht,

dat zij nu de vrouw van Gösta Berling was. Noch hij, noch zij spraken

daar ooit over; maar daarentegen nam zij de plaats in van huisvrouw op

Ekeby. Zij beproefde, zooals een goede en bekwame vrouw altijd doet,

met vurigen ijver de wanorde en verkwisting tegen te gaan, die op

de hoeve heerschten. En zij werd gehoorzaamd. De dienstboden voelden

met een zeker welbehagen, dat er weer een huisvrouw boven hen stond.

Maar wat hielp dat nu, dat zij den keukenzolder met brood had laten

vullen, dat zij had laten karnen en brouwen en kaas maken heel de

lange Septembermaand, die zij daar geweest was? Wat hielp het?

Naar buiten, naar 't volk, met alles wat er is, opdat ze Ekeby niet

verbranden en de kavaliers doodslaan. Naar buiten met brood en boter

en kaas? Naar buiten met tonnen en vaten, met hammen van den zolder,

met de brandewijnflesschen en appels!

Hoe kan al wat er op Ekeby is den toorn van de boeren verzachten! Zij

mogen blij zijn, als zij ze daar vandaan krijgen, zonder dat er een

of andere misdaad gebeurt.

Alles wat er gebeurt is toch ten slotte om harentwille--ter wille van

de huisvrouw van Ekeby. De kavaliers zijn moedige en in de wapenen

geoefende mannen. Zij zouden zich verdedigd hebben, als zij hun eigen

zin gedaan hadden. Zij zouden liever die roofzuchtige scharen met

een paar schoten hebben verjaagd, als zij er niet geweest was, zij,

die zacht en goed was en voor het volk gesproken had.

Hoe later het in den nacht wordt, hoe zachter de schare gestemd

wordt. De warmte en de rust en het eten en de brandewijn doen

hun geweldige opgewondenheid bedaren. Zij beginnen te lachen en

te schertsen; zij vieren het begrafenisfeest van het meisje uit

Nygaard. Wee hem, die niet drinkt en schertst bij het begrafenisfeest;

dat is in de eerste plaats noodig.

Kinderen vallen aan op de massa's vruchten, die hen gebracht

worden. Arme dagloonerskinderen, die blauwbessen en boschbessen voor

lekkernij aanzien, bijten nu in blanke glasappels, die in den mond

smelten, langwerpige, zoete paradijsappels, geelachtige citroenappels,

peren met roode wangen en pruimen van allerlei soort: gele, roode

en blauwe. Ach, niets is te goed voor het volk, dat zijn macht durft

te toonen.

Tegen middernacht is het, alsof de menigte aan naar huis gaan denkt. De

kavaliers houden op spijzen en wijn te brengen, flesschen open te

trekken en bier af te tappen. Zij slaken een zucht van verlichting,

in het gevoel, dat het gevaar voorbij is.

Maar juist op dat oogenblik komt er een licht te voorschijn aan een

venster in het hoofdgebouw. Allen, die het zien, schreeuwen luid. Het

is een jonge vrouw, die 't licht draagt.

't Duurt maar een oogenblik; dan is ze weer weg; maar het volk meent,

dat zij haar herkend hebben.

"Ze had dik, zwart haar en roode wangen!" roepen ze. "Ze is hier. Ze

houden haar hier verborgen!"

"Ach, kavaliers! Heb jullie haar hier? Heb jullie ons kind, van wie God

het verstand weggenomen heeft, hier op Ekeby? Goddeloozen, wat doe je

met haar? Nu laat je ons in angst over haar de heele week lang, en we

zoeken haar drie dagen! Weg met wijn en spijzen! Nu willen we haar hier

buiten hebben. Later zul je wel zien wat we met jelui doen zullen."

De getemde wilde dieren huilen en brullen. Met woeste sprongen vallen

ze op Ekeby aan.

Ze zijn vlug; maar de kavaliers zijn nog vlugger. Zij vliegen op en

slaan de grendels voor de deur naar de vestibule. Maar wat kunnen

zij uitrichten tegen de vooruitdringende schare? De eene deur na de

andere wordt opengerukt. De kavaliers worden teruggedrongen; zij zijn

ongewapend. Zij worden in de dichte menigte ingesloten, zoodat zij

zich niet kunnen bewegen. Het volk wil naar binnen en het meisje van

Nygaard zoeken.

Zij vinden haar in het binnenste kamertje.

Niemand heeft tijd om toe te zien of ze blond of donker is. Zij lichten

haar op en dragen haar naar buiten. Ze moet niet bang zijn, zeggen

ze. Ze wilden alleen maar de kavaliers te lijf. Zij zijn gekomen om

haar te redden.

Maar als zij naar buiten stroomen uit het gebouw, komen zij een

anderen stoet tegen.

Op de eenzame plek in het bosch rust nu niet meer het lijk van een

vrouw, die van de hooge helling neerstortte en stierf door den val. Een

kind heeft haar gevonden. Enkele zoekenden, die nog in het bosch

waren achtergebleven, hebben haar opgenomen op hun schouders. Zie,

daar komen zij.

Zij is schooner in den dood dan zij in het leven was. Schoon is zij,

zooals zij daar ligt met haar lang, donker haar. Het is een prachtige

gestalte, nu de eeuwige vrede op haar neergedaald is.

Op de schouders van de mannen wordt zij door de volksmenigte

gedragen. Het wordt heel stil, waar ze voorbij gaat. Met gebogen

hoofden huldigen allen de majesteit van den dood.

"Zij is pas gestorven," fluisteren de mannen. "Zij heeft zeker door

't bosch geloopen tot vandaag toe. Ze heeft zeker voor ons willen

vluchten en is toen van de rots gestort."

Maar als dit het meisje van Nygaard is, wie is dan zij, die uit Ekeby

naar buiten gedragen wordt?

De stoet uit het bosch ontmoet den stoet uit het huis. De vuren op

de hoeve vlammen nog. Het volk kan de twee vrouwen zien en herkent

ze. Die andere is immers de jonge gravin van Borg!

Maar wat beteekent dat? Zijn we nu een nieuwe misdaad op 't

spoor? Waarom is de jonge gravin hier, op Ekeby? Waarom heeft men

ons verteld, dat ze ver weg of dood was? In naam van de eeuwige

rechtvaardigheid, zullen we nu de kavaliers niet aanvallen en ze tot

pulver stampen onder onze, met ijzer beslagen hielen?

Daar hoort men een ver klinkende stem.

Gösta Berling is op de leuning van de stoep geklommen en spreekt:

"Luister naar mij, jullie ondieren! jullie duivels! Meen je, dat er

geen geweren en kruit op Ekeby zijn, jullie dwazen? Meen je dat ik

geen lust gehad heb jelui neer te schieten als dolle honden;--maar

zij daar heeft voor jelui gesproken! O! als ik geweten had, dat je

haar zoudt aanraken, dan was geen van jelui er levend afgekomen.

"Waarom kom jelui hier spektakel maken van avond, als roovers,--en

dreigt ons met moord en brand? Wat heb ik met jelui krankzinnige

meisjes te maken? Weet ik, waar ze heen loopen? Ik ben te vriendelijk

voor haar geweest, dat is de zaak. Ik zou de honden op haar aangehitst

hebben! 't Was beter voor ons beiden geweest, als ik het gedaan

had--maar ik heb het niet gedaan. Ik heb nooit beloofd met haar te

trouwen, dat heb ik nooit gedaan. Onthoud dat wel!

"Maar nu zeg ik jelui, dat je haar los zult laten, die je hier uit huis

gesleept hebt. Laat haar los, zeg ik je, en dat de handen, die haar

hebben aangeraakt, in 't eeuwige vuur mogen branden! Begrijp je niet,

dat ze even ver boven jelui staat als de hemel boven de aarde is? Zij

is even fijn als jelui grof zijn, even goed als jelui slecht zijn!

"Nu zal ik je zeggen wie ze is. Ten eerste is ze een engel uit den

hemel; ten tweede is zij het, die met den graaf van Borg is getrouwd

geweest. Maar haar schoonmoeder plaagde haar dag en nacht. Zij

moest aan het meer staan en goed wasschen als een dienstmeid. Ze

werd geslagen en gepijnigd, zoodat geen van jelui vrouwen het erger

hebben kan. Ja 't scheelde niet veel of ze was in de beek gesprongen,

want ze plaagden haar bijna dood. Ik zou wel eens willen weten wie

van jelui, ellendige kerels, toen bij de hand geweest zijt om haar

leven te redden. Niemand van jelui was er; maar wij, kavaliers,

hebben het gedaan. Ja, wij hebben het gedaan.

"En toen later haar kind geboren werd op een boerderij, en de graaf

haar groeten liet en zeggen: "wij trouwden in een vreemd land, wij

deden 't niet volgens de wetten en 't gebruik; je bent mijn vrouw niet,

ik ben je man niet, en je kind kan me niet schelen"--ja, toen de zaken

zóo stonden, en ze niet hebben wou, dat haar kind als vaderloos in

't doopboek komen zou--toen zou jelui wel trotsch geweest zijn, als

ze toen tegen een van jelui gezegd had: "kom hier en trouw met mij;

ik moet een vader voor mijn kind hebben." Maar zij koos geen van

jelui; zij nam Gösta Berling, den gekken predikant, die nooit meer

Gods woord verkondigen mag. Ja, dat zeg ik jelui, boeren, zwaarder

dingen heb ik nooit gedaan. Want ik was haar zóó weinig waard, dat ik

haar niet in de oogen durfde zien; maar ik durfde ook niet weigeren,

want zij was wanhopend.

"En nu mag jelui van ons, kavaliers, al het kwaad gelooven wat

je maar wilt, maar haar daar hebben wij zooveel goed gedaan als

we maar konden. En aan haar heb jelui te danken, dat we je niet

allemaal hebben neergeschoten van nacht. En nu zeg ik jelui: laat

haar los en gaat heen; anders geloof ik, dat de aarde zich openen

zal, om je te verzwelgen. En als je van hier gaat, bidt dan God,

dat Hij je vergeeft, dat je haar verschrikt en bedroefd hebt, haar,

die zoo goed en onschuldig is. En maakt nu dat je weg komt. We hebben

genoeg van jelui."

Lang vóordat hij uitgesproken had, hadden zij, die de jonge gravin

naar buiten hadden gedragen, haar op éen der treden van de stoep

neergezet, en nu kwam een groote boer kalm naar haar toe en reikte

haar zijn groote hand.

"Nacht, mevrouw, ik dank u wel," zei hij; "wij meenen het goed met u."

Na hem kwam een ander en drukte haar voorzichtig de hand: "Nacht,

mevrouw, dank u wel, wees u maar niet boos."

Gösta sprong naar beneden en kwam naast haar staan. Toen gaven ze

ook hem de hand.

En zoo kwamen ze langzaam en kalm, de een na den ander, om hen goeden

nacht te zeggen vóor ze heen gingen. Zij waren weer getemd; zij

waren weer menschen zooals zij waren, toen zij dien morgen hun huis

verlieten, eer honger en wraaklust hen tot wilde dieren gemaakt had.

Zij zagen de gravin vlak in 't gezicht, en Gösta merkte, dat het

gezicht van al de onschuld en vroomheid, die zij zagen, tranen in

veler oogen deden opwellen. Bij allen was een stille aanbidding van het

edelste, wat zij gezien hadden: het waren menschen, die er zich over

verheugden, dat éen van hen zoo'n groote liefde voor het goede had.

Allen konden ze haar de hand niet reiken. Er waren er zooveel, en de

jonge vrouw was moe en zwak. Maar allen moesten zij haar toch zien,

en dan konden ze Gösta de hand drukken. Hij kon wel velen, dat ze

zijn arm schudden.

Gösta stond als in een droom. Op dien avond ging er een nieuwe liefde

in zijn hart op.

"O, mijn volk," dacht hij, "o, mijn volk, hoe heb ik je lief!" Hij

voelde, dat hij heel die schare liefhad, die daar voorttrok in de

duisternis van den nacht, met het doode meisje vooraan gedragen in den

stoel; al die menschen met hun grove kleeren en hun kwalijk riekende

schoenen; al die menschen die in de grauwe huizen aan den boschkant

woonden, die geen pen konden voeren en vaak ook niet konden lezen,

die 's levens vollen rijkdom niet kenden, maar alleen het zwoegen

voor het dagelijksch brood. Was het toch niet een kloek volk, een

heerlijk volk? Waren ze niet moedig en volhardend, waren ze niet

handig en ondernemend? Was de arme niet vaak goed voor den arme? Was

niet op de meeste gezichten kracht en verstand te lezen? Was er niet

een tintelende humor in hun gesprekken?

Hij had ze lief met een smartelijke, brandende teerheid, die hem de

tranen in de oogen deed springen. Hij wist niet wat hij voor hen wilde

doen, maar hij had ze lief, allen, met al hun gebreken en zwakheden. O,

God! als eens de dag kwam, dat zij ook hem liefhadden!

Hij werd uit zijn droomerijen gewekt doordat zijn vrouw de hand op

zijn arm legde. Het volk was weg. Ze stonden geheel alleen op de stoep.

"Ach, Gösta, Gösta, hoe kon je zoo doen!"

Zij hield de handen voor het gezicht en schreide.

"Het is waar wat ik gezegd heb!" barstte hij uit. "Ik heb het meisje

van Nygaard nooit beloofd met haar te trouwen. Kom hier Vrijdagavond,

heb ik gezegd, dan zal je wat grappigs zien. Dat was alles. Ik kan

het niet helpen dat zij verliefd op mij was."

"Ach, dat meen ik niet. Maar hoe kon je toch zeggen, dat ik goed

en rein was? Gösta, Gösta, weet je dan niet, dat ik je al liefhad,

toen ik het nog niet mocht? Ik schaamde me voor die menschen. O,

ik stierf bijna van schaamte!"

En zij barstte in snikken uit.

Hij stond haar aan te zien. "O, mijn lieveling," zei hij zacht. "Wat

ben je gelukkig, omdat je zoo goed bent. Wat ben je gelukkig, omdat

je zoo'n mooie ziel hebt."

Gösta Berling · 第 73 / 86 题