LIEFDE OVERWINT ALLES.

Onder de trap naar de galerij in de kerk te Svartsjö is een groote

kast, vol versleten spaden van de doodgravers, van gebroken kerkbanken,

oude stukken blik en andere prullen.

Daarin, onder een dikke laag stof, voor de oogen der menschen

verborgen, staat een kist met prachtig mozaiek van paarlemoer

ingelegd. Veegt men 't stof weg dan glimt en glinstert zij als

de bergwand in een sage. De kist is gesloten en de sleutel is goed

bewaard en wordt niet gebruikt. Geen sterveling mag een oog in die kist

slaan. Niemand weet wat er in is. Eerst als de negentiende eeuw haar

einde nadert wordt de sleutel in 't slot gestoken, de deksel opgelicht

en de schatten die daar verborgen zijn aan menschenoogen vertoond.

Zoo heeft de eigenaar van de kist het beschikt.

Op de koperen plaat op den deksel staat: Labor vincit omnia. (De

arbeid overwint alles). Maar een ander opschrift zou beter gepast

hebben. Er had moeten staan: Amor vincit omnia. (De liefde overwint

alles). Ook die oude kist in de kast onder de trap in de kerk is een

bewijs voor de almacht der liefde.

O Eros, alles beheerschende God!

Voorwaar! Gij, o Liefde zijt eeuwig. Oud is het menschengeslacht op

aarde; maar gij hebt het gevolgd door alle eeuwen heen. Waar zijn

de goden van 't Oosten, de sterke helden, die den bliksem als wapen

voerden, zij die aan de oevers van den heiligen stroom offers aannamen

van melk en honing?

Dood zijn ze! Dood is Bel, de sterke krijgsman, dood Thot, de reus

met de havikskop; dood zijn de heerlijke goden, die rustten op bedden

van wolken van den Olympus, dood zij, die heldendaden deden en in

het wel versterkte Walhalla woonden. Al de goden der ouden zijn dood,

behalve Eros, Eros de alles beheerschende.

Zijn werk is alles wat ge ziet. Hij houdt de geslachten in stand. Hem

ziet ge overal. Waar kunt gij gaan, dat ge zijn voetspoor niet

ziet? Wat hooren uw ooren, waar ge niet den wiekslag van zijn suizende

vleuglen in hoort. Hij woont in de harten der menschen en in den

kiemenden zaadkorrel. Voel zijn hartslag trillen in de dooden dingen

en beef!

Wat woont er op aarde, dat niet verlangen voelt naar hem en zijn

lokstem hoort. Niets ontkomt aan zijn macht. Alle oude wraakgoden

zullen vallen, alle kracht en geweld voorbij gaan. Maar voorwaar! Gij,

o liefde, zijt eeuwig!

De oude Eberhard zit aan zijn schrijftafel, een prachtig meubel, met

ontelbare laden, met marmeren blad en beslagen met oud koper. Hij werkt

met vlijt en ijver, alleen boven in den kavaliersvleugel. O, Eberhard,

waarom zwerft ge niet rond in bosch en veld in de laatste dagen van den

stervenden zomer, zooals de andere kavaliers doen. Ge weet het toch,

dat niemand ongestraft de godin der wijsheid dient. Gebogen is uw rug,

al zijt ge ook maar even zestig jaar; het haar dat uw schedel dekt is

uw eigen niet, rimpels zijn gegroefd in uw voorhoofd, dat zich over

uw ingezonken oogen welft, en het verval van den ouderdom vertoont

zich in de vele plooien om uw tandeloozen mond.

O Eberhard! Waarom zwerft gij niet door bosschen en velden? De dood

zal U zooveel te eerder van uw schrijftafel halen, omdat ge u door

't leven er niet van weg hebt laten lokken.

Oom Eberhard haalt een dikke streep onder zijn laatsten regel. Uit

de ontelbare laden van zijn schrijftafel haalt hij de geelgeworden,

gekreukelde vellen te voorschijn, al de ongelijke deelen van zijn

groot werk, dat werk, dat den naam van Eberhard Berggren door de

tijden heen zal dragen. Maar juist als hij 't eene pak op 't andere

heeft gestapeld en er in stille verrukking op zit te staren, gaat de

deur open en de jonge gravin treedt binnen.

Daar is zij, de jonge heerscheres. Zij die allen vereeren en dienen,

meer dan grootouders den kleinzoon. Zij, die ze als een arme zieke

gevonden hebben en alle heerlijkheid der aarde schonken, zoo als een

Sagenkoning de arme schoone, die hij vond in het woud.

Voor haar klinken waldhoorn en viool op Ekeby. Voor haar roert zich

alles, voor haar leven en werken allen op het groote landgoed.

Zij is nu gezond; maar nog zeer zwak. De eenzaamheid in dit groote huis

valt haar lang, en nu ze weet dat de kavaliers weg zijn, wil ze eens

zien hoe het er in den kavaliersvleugel uitziet, dat beruchte vertrek.

Zoo komt ze zacht binnen en ziet naar de gewitte muren en de

geelgeruite bedgordijnen; maar ze wordt verlegen, nu ze merkt dat er

iemand in de kamer is.

Oom Eberhard gaat haar plechtig te gemoet en voert haar naar den

grooten stapel papieren.

"Zie eens, Mevrouw de gravin, zegt hij, "nu is mijn werk gereed. Nu

zal het de wereld in gaan. Nu zullen groote dingen geschieden."

"Wat zal er dan gebeuren, Oom Eberhard?"

"Och Mevrouw de gravin! als een bliksemstraal zal dit werk

inslaan in de wereld, licht brengen en dooden! Sedert Mozes hem

van uit Sinaïs donderwolk deed neêrdalen en hem in 't heilige

der heilige van den Tempel plaatste,--al dien tijd is hij veilig

geweest, de oude Jehova! Nu zal het ieder duidelijk worden wie hij

is! Inbeelding! leegte! damp! het doodgeboren kind van onze eigen,

arme hersens!--Hij zal in 't niet verzinken," zei de grijsaard en

legde zijn gerimpelde hand op de papieren. "Hier staat het en als de

menschen dat lezen, moeten zij 't gelooven. Zij zullen verschrikt

opstaan en hun domheid inzien; zij zullen de kruisen stukslaan en

voor brandhout gebruiken, de kerken voor korenbeurzen en de priesters

zullen de aarde gaan bebouwen."

"Ach, oom Eberhard," zei de jonge gravin met een lichte rilling,

"is u zulk een verschrikkelijk mensch? staan er zulke vreeselijke

dingen in dat boek?"

"Vreeslijk?" herhaalde de oude man--"het is immers de waarheid!--Maar

wij zijn als kinderen die hun gezicht in den schoot van een vrouw

verbergen, zoodra ze een vreemdeling zien. Wij zijn gewoon ons voor

de waarheid te verbergen, voor de eeuwig vreemde! Maar nu zal zij

komen en haar tenten onder ons opslaan, nu zullen allen haar kennen."

"Allen?"

"Niet alleen de filosofen, maar allen, Mevrouw de Gravin, allen!"

"En zal dan Jehova sterven?"

"Hij en alle engelen, alle heiligen, alle duivelen, alle leugens!"

"En wie zal dan de wereld besturen?"

"Gelooft u dan werkelijk dat iemand die vroeger bestuurde? Gelooft u

dan aan een voorzienigheid, die de menschen en de haren der menschen

telde? Niemand heeft de wereld bestuurd en niemand zal het voortaan

doen."

"Maar wat zal er dan van ons, arme menschen, worden?"

"Wat we geweest zijn! Stof! Hij die uitgebrand is, kan niet meer

branden. Hij is dood! Wat zijn wij, die door 't leven fladderen? De

vonken des levens spatten van den een op den ander. Wij worden

ontstoken, vlammen op en worden uitgebluscht. Dat is het leven!"

"Ach Eberhard, is er dan geen leven na dit?"

"Neen!"

"Niets aan de andere zijde van 't graf?"

"Niets!"

"Geen goed of kwaad, geen hoop, geen doel?"

"Niets."

De jonge vrouw trad naar 't venster. Zij zag uit over 't gele loof van

den herfst, over de dahlias en asters, die hun hoofden lieten hangen

op de door den wind gebroken stengels. Zij zag de zwarte golven van

't Löfvenmeer, en een oogenblik geeft ze toe aan den twijfel.

"Oom Eberhard," zegt ze, "wat is de wereld grauw en leelijk! Wat is

alles hoopeloos. Ik wil graag sterven!"

Maar op hetzelfde oogenblik was het haar als hoorde zij een jammerkreet

diep in haar ziel. Haar sterke levenskracht, haar warm voelen riepen

luide om 't geluk te mogen leven!

"Is er dan niets, dat 't leven schoonheid geven kan, nu u me God en

onsterfelijkheid afneemt?" barstte ze uit.

"Arbeid!" antwoordde de grijsaard.

Maar op haar gezicht komt een uitdrukking van verachting voor deze

arme wijsheid. Het ondoorgrondelijke rijst voor haar op! Zij voelt

den geest, die in alles leeft. Zij voelt de macht, die gebonden

neerligt in alle schijnbaar doode stof, maar die zich ontwikkelen kan

tot eindloos wisselend leven. Met duizelend hoofd zoekt zij een naam

voor het goddelijk leven in de natuur.

"Ach, Eberhard!" zegt zij. "Wat is arbeid? Is dat een God? Heeft dat

een doel in zich zelf? Noem iets anders!"

"Ik weet niets anders," antwoordde de grijsaard.

Daar heeft zij den naam gevonden, dien ze zoekt, een armen, vaak

bezoedelden naam.

"Oom Eberhard, waarom noemt u de liefde niet?"

Daar glijdt een glimlach langs den tandenloozen mond door rimpels en

plooien omgeven.

"Hier," antwoordt de filosoof en slaat met de gebalde vuist op het

zware pak, "hier worden alle goden vermoord. En ik heb Eros niet

vergeten. Wat is liefde anders dan een drang van het lichaam? Waarom

zou ze hooger staan dan andere lichamelijke behoeften? Maakt de honger

ons tot een God? Of de vermoeidheid? Zij zijn even veel waard. Het

moet nu uit zijn met die dwaasheid. Leve de waarheid!"

De jonge gravin buigt het hoofd. Dat is niet waar! Dat kan niet waar

zijn. Maar zij weet er niets tegen te zeggen.

"Uw woorden hebben mijn ziel gewond," antwoordde ze, "maar nog geloof

ik u niet. De goden van wraak en geweld kunt ge dooden. Meer kunt ge

niet doen!"

Maar de grijsaard vat haar hand en legt die op zijn boek en antwoordt

met al het fanatisme van het ongeloof.

"Als u dit gelezen hebt, moet u mij wel gelooven!"

"Dan hoop ik, dat het mij nooit onder de oogen komt!" antwoordt

ze. "Want als ik dat gelooven moet, kan ik niet langer leven."

En diep bedroefd gaat ze heen.

Maar hij blijft lang zitten peinzen, nadat zij is weggegaan.

Die oude papieren met godslasterlijk schrift bedekt, zijn de wereld

nog niet ingegaan. Nog heeft de naam van oom Eberhard niet door de

wereld geklonken.

Zijn groot werk ligt wel bewaard in de kist in de kerkkast onder

de trap te Svartsjö, en zal eerst aan 't eind van deze eeuw het

licht zien.

Maar waarom heeft hij dat gedaan? Vreesde hij voor de kracht van

zijn bewijzen? Was hij bang voor vervolging? Ach hoe weinig kent ge

oom Eberhard. Begrijp dit nu goed! Hij heeft de waarheid liefgehad,

niet zijn eigen eer! En daarom heeft hij de laatste opgeofferd, niet

de eerste, opdat een kind, dat hij als een vader liefhad zou kunnen

sterven in het geloof aan wat haar heilig was.

O liefde, gij zijt eeuwig!

Gösta Berling · 第 71 / 86 题