Daar moesten toch allen 't wel eens over zijn: dat het kind een vader
moest hebben.
't Kind was 't erbarmelijkste kleine wezentje, dat men zich kon
voorstellen, klein en rood, met duizend plooien in de huid. 't Was een
wurmpje, dat altijd schreeuwde en stuipen had van de geboorte af aan,
een arme zwerveling, die in 't leven gekomen was zes of zeven weken
voor hij er permissie toe had, en daarom zich niet recht schikken
kon in deze wereld.
't Kind woog zoo weinig, dat het niet eens de moeite waard is te
zeggen hoeveel. Men moest het in een lamsvelletje naaien, en 't wilde
niet drinken, noch slapen. Maar 't leefde. Niemand begreep hoe 't in
leven bleef; maar 't leefde!
't Kind was geboren in een boerenhuisje ten oosten van de Klarelv. De
moeder van 't kind was daar gekomen en had er haar dienst aangeboden
op een dag, in 't begin van Juni. Zij was ongelukkig gemaakt, had ze
tegen de bewoners van het huis gezegd, en haar moeder was toen zoo
hard tegen haar geweest, dat ze genoodzaakt was te vluchten. Zij heette
Elisabeth Karls dochter, maar ze wou niet zeggen waar ze vandaan was,
want dan zouden haar ouders misschien te weten komen waar ze was, en
als zij haar vonden, zouden zij haar dood plagen, daar was ze zeker
van. Zij verlangde geen loon, alleen voedsel en een dak boven haar
hoofd. Zij kon werken, weven of spinnen of voor de koeien zorgen--wat
ze maar wilden. Als zij 't verlangden, kon ze ook wel wat betalen.
Zij was zoo verstandig geweest met bloote voeten op de plaats te komen,
met de schoenen onder den arm; ze had grove handen, ze sprak de taal
van het land en was als een boerenmeisje gekleed.
Zij geloofden haar.
De man vond dat ze er zwak uitzag, en had niet veel vertrouwen in
haar werkkracht. Maar ergens moest ze toch wezen, de stumper. En zoo
stonden ze haar toe te blijven.
Zij had iets over zich, dat maakte, dat allen op de boerderij
vriendelijk voor haar waren. Zij had het goed getroffen. De menschen
daar waren rustig en kalm.
De huismoeder hield van haar, sinds ze had ontdekt, dat ze weven
kon. Zij leende een weefgetouw van den proost, en de moeder van het
kind had den heelen zomer aan het weefgetouw gezeten.
Niemand dacht er aan, dat zij gespaard moest worden. Zij moest als
een boerin werken, al dien tijd. Zij wilde dat zelf ook het liefst
en was niet bijzonder ongelukkig. Het leven onder de boeren trok
haar aan, ofschoon zij alle comfort, waar ze aan gewend was, moest
ontberen. Maar men nam hier alles zoo eenvoudig en kalm op. Aller
gedachten draaiden zich om het werk, en de dagen gleden zoo eentonig
voorbij, dat men er zich door vergiste en meende midden in de week
te zijn, als de Zondag kwam.
Op een dag in 't eind van Augustus hadden zij 't druk gehad met den
haveroogst en de moeder van het kind was mee naar het veld gegaan,
om schoven te binden. Toen had zij zich te veel vermoeid en het kind
was geboren, maar te vroeg. Zij wachtte het eerst in October.
Nu stond de huismoeder met het kind in de armen en warmde het bij
't vuur, want het stumpertje had het koud in de warmste dagen van
Augustus. De moeder lag in 't kamertje daar binnen en luisterde naar
wat er van het kind gezegd werd. Zij kon zich voorstellen hoe de
knechts en de meisjes er heen gingen en het bekeken.
"Zoo'n klein stumpertje!" zeiden zij altijd, en dan volgde: "arm
klein ding, dat je geen vader hebt."
Deze en gene verwonderde er zich over, dat het zoo rood en gerimpeld
was; maar dan was er altijd een, die antwoordde, dat alle kindren
zoo waren.
Zij klaagden niet over 't schreien van het kind. Zij waren overtuigd
dat kinderen moeten schreien, en alles samen genomen, was het kind
vrij krachtig voor zijn leeftijd. 't Scheen, dat alles in orde geweest
zou zijn--als het kind maar een vader had gehad.
De moeder lag naar dat alles te luisteren en was verwonderd. De zaak
kwam haar plotseling zoo heel gewichtig voor. Hoe zou dat stumpertje,
dat geen vader had, door het leven komen?
Zij had van te voren haar plan gemaakt. Zij wilde het eerste jaar op
de boerderij blijven. Later zou zij een kamer huren en haar brood
met weven verdienen. Zelf zou zij 't noodige verdienen om het kind
te voeden en te kleeden. Haar man kon gerust blijven denken, dat
zij hem onwaardig was. Zij had gedacht, dat het kind misschien een
beter mensch zou worden, als het door haar alleen werd opgevoed,
dan wanneer een domme, trotsche vader het leiden zou.
Maar nu het kind geboren was, kon zij niet meer zoo over dat alles
denken. Nu kwam het haar voor, dat ze egoïst geweest was. "'t Kind
moest een vader hebben," zei ze in zichzelf.
Was de kleine niet zoo'n stumpertje geweest, had hij maar gedronken
en geslapen als andere kinderen, had zijn hoofd maar niet altijd op
den eenen schouder gehangen, en was hij niet telkens den dood nabij
geweest door een stuip, dan zou die questie haar niet zóó gewichtig
geschenen hebben. Maar deze hulpelooze stumper moest een vader hebben.
't Was niet gemakkelijk een besluit te nemen; maar dat moest zij toch
doen, en dat wel dadelijk. Het kind was drie dagen oud en de boeren in
Wermeland wachten zelden langer met hun kind te laten doopen. Onder
welken naam moest nu 't kind in 't doopboek ingeschreven worden? En
wat moest de dominé van de moeder van 't kind weten? 't Was toch
zeker niet goed tegenover 't kind het als een vaderlooze te doen
inschrijven. 't Was nu eenmaal in deze wereld vol ellende gekomen;
maar het scheen er naar te verlangen weer heen te gaan. Misschien zou
't beter tieren als het een vader had. Als dit kind nu een zwak en
ziekelijk man werd, hoe kon zij dan verantwoorden, dat zij hem van
de voordeelen van een hooge geboorte en rijkdom beroofd had?
De moeder wist immers wel, dat het een gewichtige gebeurtenis en
een groote vreugde is, als er een kind ter wereld komt. Nu scheen
het haar toe, dat het zwaar moest zijn te leven voor dien kleine,
waar allen medelijden mee hadden.
Zij zou hem graag willen zien slapen op zijde en kant. Zij wilde
hem zien omgeven met blijdschap en trots. Ja, het kind moest een
vader hebben.
De moeder begon er ook over te denken, dat zij een al te groot onrecht
beging tegenover den vader van het kind. Had zij het recht het voor
zich alleen te behouden? Dat kon zij toch niet. Zulk een dierbaar,
klein wezentje, wiens waarde door geen mensch te bepalen is, zou zij
zich toeëigenen?
Dat kon toch niet eerlijk zijn.
De moeder wilde niet gaarne naar haar man terug. Zij was bang, dat
zij dat niet overleven zou.
Maar de kleine was in grooter gevaar dan zij. Hij kon ieder oogenblik
sterven, en hij was niet gedoopt.
Dat, wat haar van huis gedreven had, haar groote zonde, was weg. Nu
voelde zij waarlijk geen liefde voor iemand anders dan dien kleinen
vaderlooze, die een vader moest hebben.
De moeder liet den man en de vrouw van het huis bij zich komen en zeide
hun alles. De man reed toen naar Borg, om graaf Dohna te vertellen,
dat zijn vrouw leefde en dat er een kind geboren was, dat een vader
moest hebben.
De boer kwam 's avonds laat tehuis. Hij had den graaf niet tehuis
gevonden, want die was op reis; maar toen was hij naar den predikant
te Svartsjö gegaan en had met hem over de zaak gesproken. Zoo hoorde
de gravin, dat haar huwelijk onwettig verklaard was en zij geen man
meer had.
De predikant schreef haar een vriendelijken brief en bood haar zijn
huis aan. Er werd haar ook een brief van haar eigen vader aan graaf
Dohna gezonden, die een paar dagen na haar vlucht op Borg moest zijn
aangekomen. Het was misschien juist die brief, waarin de oude den
graaf verzocht, zich te haasten met het wettigen van zijn huwelijk,
die den graaf den kortsten weg gewezen had, om van zijn vrouw af
te komen. Men kan zich wel voorstellen, dat de moeder van het kind
nog meer boos dan bedroefd werd, toen zij het verhaal van den boer
hoorde. De moeder van een sterk, mooi kind kon zulk een bericht
met verachting hebben ontvangen en er trotsch op geweest zijn, dat
zij het kind alleen mocht behouden. Maar de moeder van dit arme,
hulpelooze kindje had bijna een gevoel, alsof ze haar man zou hebben
kunnen vermoorden. Zij had geen trots om zich mee te troosten.
Dien nacht kwam er geen slaap in haar oogen. 't Kind moest een vader
hebben, dacht zij telkens weer.
Den volgenden morgen moest de boer op haar verzoek naar Ekeby rijden
en Gösta Berling halen.
Gösta deed den zwijgenden man vele vragen, maar kwam niets te
weten. Ja, de gravin was den heelen zomer in zijn huis geweest. Zij
was gezond geweest en had gewerkt. Nu was er een kind geboren,
't Kind was zwak, maar de moeder zou gauw weer beter zijn.
Gösta vroeg of de gravin wist, dat haar huwelijk ontbonden was.
Ja, nu wist zij het. Zij had het gisteravond gehoord.
Op dien geheelen tocht had Gösta nu eens een gevoel van koortshitte,
dan weer koude rillingen. Wat wilde zij van hem? Waarom liet zij
hem roepen?
Hij dacht aan het leven in dien zomer aan de oevers van het
Löfvenmeer. Zij hadden de dagen met scherts en spel en met
pleiziertochtjes doorgebracht, en in dien tijd had zij gewerkt en
geleden. Nooit had hij zich de mogelijkheid voorgesteld haar weer te
zien. Ach, had hij dat maar durven hopen! Dan zou hij als een beter
man voor haar gestaan hebben. Nu had hij alleen zijn gewone dwaasheden
om op terug te zien.
Tegen acht uur des avonds bereikte hij de boerderij en werd dadelijk
bij de moeder van het kind gebracht. 't Was halfdonker in de kamer;
hij kon haar nauwelijks zien zooals zij daar lag. De man en de vrouw
kwamen ook binnen.
Nu moet men niet vergeten, dat zij, wier bleek gezichtje hem in 't
donker te gemoet scheen, steeds het reinste en hoogste was, wat hij
kende, de schoonste ziel, die een aardschen vorm had aangenomen. Toen
hij nu weer den zegen van haar tegenwoordigheid voelde, had hij
behoefte zich op de knieën te werpen en haar te danken, omdat zij
zich opnieuw aan hem openbaarde; maar hij was zóó ontroerd, dat hij
niets kon zeggen of doen.
"Lieve gravin Elisabeth," zei hij alleen.
"Goeden avond, Gösta."
Zij reikte hem de hand, die weer wit en doorschijnend geworden was. Zij
lag stil, terwijl hij zijne ontroering trachtte te bedwingen.
De moeder werd niet door een heftig gevoel geschokt toen zij Gösta
zag. Het verwonderde haar alleen, dat hij 't meest aan haar scheen
te denken. Hij kon toch wel begrijpen, dat het nu de hoofdzaak was,
dat het kind een vader moest hebben.
"Gösta," zei ze zacht. "Nu moet je me helpen, zooals je me eens
beloofd hebt. Je weet, dat mijn man mij verlaten heeft, mijn kind
geen vader heeft."
"Ja, Mevrouw de gravin, maar dat moet veranderd kunnen worden. Nu
er een kind is moet de graaf gedwongen kunnen worden het huwelijk te
wettigen. U kunt er op aan, dat ik u helpen zal."
De moeder glimlachte: "Geloof je, dat ik mij weêr aan graaf Dohna
opdringen wil?"
't Bloed steeg Gösta naar 't hoofd. Wat wilde ze dan? Wat verlangde
zij van hem?
"Kom eens hier, Gösta," zeide zij en reikte hem opnieuw de hand. "Je
moet niet boos worden om wat ik nu zeggen wil: maar ik dacht, dat jij,
die.... die...."
"Een afgezette predikant zijt, een zwierbol, een kavalier, de
moordenaar van Ebba Dohna...." "Ik ken al mijn verdiensten op mijn
duim!" viel Gösta haar in de rede.
"Ben je nu al boos, Gösta?"
"Ik zou het liefst willen, dat Mevrouw de gravin niets meer zei."
Maar de moeder van het kind ging voort: "Er is er meer dan éen, Gösta,
die je vrouw zou willen worden uit liefde; maar zoo is het niet met
mij. Als ik je liefhad, zou ik geen moed hebben te spreken zooals
ik nu doe. Voor mijzelf zou ik zoo iets niet vragen, Gösta; maar,
zie je, het kind moet toch een vader hebben. Nu begrijp je zeker wel,
wat ik je vragen wou. 't Is wel een groote vernedering voor je, omdat
ik een vrouw zonder man ben en een kind heb. Ik dacht er niet aan,
dat je het misschien wel zoudt willen doen, omdat je minder bent dan
anderen--ofschoon, ja, daar dacht ik ook aan. Maar het meest dacht ik
er aan, dat je 't misschien zoudt willen doen omdat je zoo goed bent,
Gösta, omdat je een held bent en je kunt opofferen. Maar misschien
is het te veel gevergd. Misschien kan een man zooveel niet doen. Als
je me te veel veracht, als het je te veel tegen de borst stuit, vader
van het kind van een ander genoemd te worden, zeg het dan maar. Ik zal
er niet boos om worden. Ik zie wel dat het te veel verlangd is. Maar
mijn kind is zoo ziek, Gösta. Het is zoo hard, dat men bij zijn doop
den naam van zijn vader niet noemen kan."
Terwijl hij naar haar luisterde, voelde hij hetzelfde, als toen hij
op dien voorjaarsmorgen haar aan land moest zetten en haar aan haar
lot overlaten. Nu moest hij haar helpen om haar toekomst,--haar heele
toekomst te verwoesten. Hij moest het doen, hij, die haar liefhad.
"Ik wil alles doen wat gij wilt," antwoordde hij.
Den volgenden dag sprak hij er over met den Proost in Bro, want
Svartsjö is met Bro gecombineerd, en daar moest het huwelijk
afgekondigd worden. De goede, oude Proost werd geroerd door zijn
verhaal, en beloofde alle noodige maatregelen te nemen.
"Ja," zeide hij, "je moet haar helpen, Gösta, dat moet je. Zij zou
anders waanzinnig kunnen worden. Zij gelooft, dat het haar kind
schaden zal, als ze zijn vader niet noemen kan. Zij heeft een heel
teer geweten."
"Maar ik weet, dat ik haar ongelukkig zal maken," barstte Gösta uit.
"Dat mag je volstrekt niet, Gösta! Nu moet je zien een verstandig
man te worden nu je vrouw en kind hebt om voor te zorgen."
Intusschen zou de Proost naar Svartsjö gaan om met den predikant en
rechter te spreken. En ten slotte werd in de kerk van Svartsjö het
huwelijk van Gösta Berling en Elisabeth van Thurn afgekondigd.
Toen werd de moeder van het kind met de grootste voorzichtigheid naar
Ekeby gebracht, en daar werd het kind gedoopt.
De Proost sprak toen met haar en wees er haar op, dat ze nog op
haar besluit terugkomen kon. Ze moest bedenken wat zij deed, als ze
trouwde met een man als Gösta Berling. Zij moest tenminste eerst aan
haar vader schrijven.
"Ik kan er geen spijt van hebben," antwoordde zij; "denk eens, dat
mijn kind stierf eer het een vader had."
Toen het huwelijk voor de derde maal werd afgekondigd, was de moeder
hersteld en al verscheidene dagen op geweest. Des middags kwam
de Proost naar Ekeby en sloot het huwelijk tusschen haar en Gösta
Berling. Maar niemand dacht er aan, dat dit een bruiloft was. Er
waren geen gasten genoodigd. Men gaf alleen het kind een vader;
dat was alles.
De moeder straalde van stille vreugd, alsof zij een groot doel bereikt
had. De bruidegom was bedroefd. Hij dacht er aan, hoe ze haar toekomst
bedierf door haar huwelijk met hem. Hij merkte met ontzetting, dat hij
nauwelijks voor haar bestond. Al haar gedachten waren voor het kind.
Een paar dagen later hadden de vader en de moeder een groot
verdriet. Het kind stierf in een stuip.
't Kwam menigeen voor, dat de moeder niet zóo heftig en bitter bedroefd
was als men verwacht had: er lag een waas van triomf over haar. Het was
alsof zij er in juichte, dat zij haar toekomst had bedorven ter wille
van het kind. Als de kleine bij de engelen in den hemel kwam, zou hij
het toch weten, dat hij op aarde een moeder had gehad, die hem liefhad.
Dit alles gebeurde stil en ongemerkt. Toen het huwelijk van Gösta
Berling en Elisabeth von Thurn in Svartsjö werd afgekondigd, wisten de
meesten niet eens wie de bruid was. De geestelijken en het personeel
van de hoeven, die wisten hoe alles was toegegaan, spraken er zoo
min mogelijk over. Het was alsof ze er bang voor waren, dat de
een of ander, die niet meer geloofde aan de macht van het geweten,
aan het gedrag van de jonge vrouw een boosaardige verklaring zou
geven. Men was zoo bang, dat iemand zeggen zou: "Nu kan je wel zien,
dat zij haar liefde voor Gösta niet heeft kunnen overwinnen. Nu is ze
met hem getrouwd, onder een voorwendsel, dat zoo mooi lijkt." Ach, de
ouden waren zoo teer voor die jonge vrouw. Nooit konden ze verdragen,
dat men wat kwaads van haar zei. Zij wilden nauwelijks toegeven,
dat zij gezondigd had. Zij wilden niet inzien, dat eenig kwaad die
ziel bevlekte, die zoo bang voor het booze was.
Een andere gewichtige gebeurtenis, die juist in dien tijd plaats had,
maakte ook, dat Gösta's huwelijk maar weinig besproken werd. Majoor
Samzelius werd door een ongeluk getroffen. Hij was meer en meer
zonderling en menschenschuw geworden. Hij ging 't meest met dieren
om en had een heelen dierentuin gemaakt op Sjö. Gevaarlijk was het
ook, want hij had gedurig zijn geladen geweer bij zich en schoot
dat telkens af, zonder op te passen, waar hij op mikte. Op een dag
werd hij door een tammen beer gebeten, waar hij zonder nadenken op
geschoten had. Het gewonde dier viel op hem aan, terwijl hij dicht
bij de tralies stond, en beet hem vreeselijk in den arm. Daarop brak
het los en liep het bosch in.
De Majoor werd bedlegerig en stierf aan de wond, maar eerst kort vóór
Kerstmis. Als de Majoorske geweten had, dat hij ziek was, had zij
het bestuur op Ekeby weer in handen kunnen nemen. Maar de kavaliers
dachten aan het contract met den Booze op Kerstavond in de smidse. Zij
wisten wel, dat zij niet komen zou, eer hun jaar om was.