Marianne Sinclaire zat op een stillen namiddag in 't eind van Augustus
in haar kamer en maakte haar brieven en oude papieren in orde.
Van alles lag om haar heen. Groote leeren tasschen en kistjes met ijzer
beslagen, waren in haar kamer gebracht. Haar kleeren lagen uitgespreid
op stoelen en sofa's. Van den zolder en uit kasten en uit de laden der
commodes was alles voor den dag gehaald: zijde en fijn linnen; sieraden
om te poetsen, shawls en bontwerk om te onderzoeken en uit te kiezen.
Marianne was bezig alles klaar te maken voor een lange reis. 't
Was niet zeker of ze ooit weer thuis zou komen. Ze stond voor een
keerpunt in haar leven en verbrandde daarom een menigte oude brieven
en dagboeken. Zij wilde niet langer gedrukt worden door herinneringen
aan 't verleden.
Zooals ze daar nu zit, krijgt ze een bundel oude liedjes in handen. 't
Waren copieën van oude volksliedjes, die haar moeder voor haar placht
te zingen toen ze klein was. Zij maakte het lint los, dat er om heen
gebonden was en begon te lezen.
Ze glimlachte weemoedig, toen ze een poosje gelezen had; het was een
wonderlijke wijsheid, die de oude liedjes verkondigden.
Geloof niet aan 't geluk, niet aan voorteekenen van geluk, geloof
niet aan rozen en liefelijke bloemen.
Geloof niet aan een lach, zeiden ze. Zie Valberg de schoone Jonkvrouw
rijdt in een gouden koets en toch is ze zoo bedroefd, alsof de
paardenhoeven en de wielen haar geluk zullen verbrijzelen.
Geloof niet aan den dans, zeiden ze. Menig voet glijdt licht over den
gewreven dansvloer, terwijl het hart zwaar is als lood. Kleine Kirsten
danste zoo vroolijk en blij en toch verdanste zij haar jong leven.
Geloof niet aan scherts. Menigeen gaat aan den feestdisch met
schertsende woorden en zou graag willen sterven van droefheid. Daar
zit schoone Adelheid en laat zich 't hart van hertog Frydenborg in
negen stukken voordienen, omdat ze er zeker van is, dat ze na dat
gezien te hebben kracht tot sterven zal krijgen.--
Och gij oude liedjes, waar mag men dan aan gelooven. Aan tranen
en lijden?
Zelden zucht een vroolijk hart; maar vaak lacht een bedroefde mond. Aan
tranen en zuchten gelooven de oude liedjes, aan smart en voorteekenen
van verdriet. Smart is werkelijkheid, de vaste rots onder het zand. Aan
smart en aan haar kenteekenen kan men gelooven.
Hoe troosteloos zijt ge, zeide Marianne, hoe schiet uw oude wijsheid
te kort bij 's levens volheid.
Zij ging naar het venster en keek uit in den tuin waarin haar ouders
wandelden. Zij liepen op en neer op de breede paden en spraken over
alles wat zij zagen, over al wat hun oogen trof, over 't gras op het
veld en de vogelen des hemels.
"Zie," zeide Marianne, "daar gaat nu een hart, dat zucht van smart,
hoewel 't nooit vroeger zoo gelukkig is geweest." En plotseling viel
haar de gedachte in, dat misschien ten slotte alles aan de menschen
zelf lag, dat vreugde en smart maar afhing van hun verschillende
wijzen van zien. Zij vroeg zich af of het vreugde of smart was,
wat ze dit jaar doorgemaakt had. Ze wist het zelf bijna niet.
Ze had bitter lijden beleefd. Haar ziel was ziek geweest, ze was ter
aarde gebogen door diepe vernedering. Want toen ze weer thuis gekomen
was, had ze in zich zelf gezegd: "ik wil me niets kwaads van mijn
vader herinneren"
Maar haar hart sprak anders. "Hij heeft mij het bitterst leed
aangedaan," zeide het, "hij heeft mij gescheiden van hem dien ik
liefheb, hij heeft me tot vertwijfeling gebracht toen hij moeder
sloeg. Ik wensch hem niets kwaads; maar ik ben bang voor hem."
En ze merkte, dat zij zich moest dwingen om stil te blijven zitten,
als haar vader zich naast haar zette; ze had lust van hem weg
te loopen. Ze beproefde zich te vermannen, ze sprak met hem als
gewoonlijk en was bijna altijd bij hem. Zij kon zich beheerschen,
maar zij leed onuitsprekelijk. En eindelijk kwam het zoover dat ze
alles aan hem verafschuwde; zijn zware, grove stem, zijn zwaren stap,
zijn groote handen, zijn reusachtige gestalte. Zij wenschte hem geen
kwaad, zij wilde hem niet schaden, maar ze kon hem niet naderen zonder
angst en afschuw. Haar onderdrukt hart wreekte zich. "Ge liet me niet
liefhebben," zei het, "maar ik ben toch uw meester. Ge zult eindigen
met te haten."
Gewend als ze was, alles waar te nemen wat zich in haar ziel bewoog,
merkte ze dat die afschuw van dag tot dag toenam. En tegelijkertijd
was ze voor goed aan huis gebonden. Zij zag in dat het het beste zou
zijn als ze weg kon gaan naar andere menschen; maar daar kon ze na
haar ziekte niet toe komen. Er zou nooit eenige verlichting in dit
alles komen. Ze zou altijd meer gepijnigd worden, en eindelijk zou
haar zelfbeheersching tekort schieten, en ze zou uitbarsten tegenover
haar vader en hem de verbittering van haar hart toonen, en er zou
strijd en ellende van komen.
Zoo was het voorjaar en de voorzomer voorbij gegaan. In Juli had zij
zich verloofd met baron Adriaan om een eigen tehuis te hebben.
Op een schoonen dag was baron Adriaan 't landgoed op komen rijden op
een prachtig paard. Zijn huzarenrok schitterde in de zon, zijn sporen,
sabel en tuig straalden en vonkelden, om niet te spreken van zijn
eigen frisch gezicht en stralende oogen. Melchior Sinclaire had zelf
op de stoep gestaan en hem ontvangen toen hij kwam. Marianne had aan
't venster zitten naaien. Ze had hem zien komen en hoorde nu ieder
woord, dat ze samen spraken.
"Goeden dag, ridder Zonneschijn," riep de grondeigenaar. "Wel drommel,
wat ben je mooi. Je bent toch niet op een vrouw uit."
"Ja oom, dat is 't juist," antwoordde hij lachend.
"Maar schaam je je niet kerel! Wat heb jij om een vrouw van te
onderhouden?"
"Geen cent, oom. Had ik wat dan mocht de duivel gaan trouwen, voor
mijn part."
"En dat zeg jij, ridder Zonneschijn, dat zeg jij? Maar die geborduurde
jas heb je toch kunnen koopen."
"Op krediet, oom!"
"En je paard dan? Dat is een kostbaar beestje, jongetje. Waar heb je
dat dan vandaan."
"Geleend, oom!"
Daar kon de groote grondeigenaar niet tegen. "God zegen je, jongen,"
zei hij, "je hebt wel een vrouw met een zakduitje noodig. Als je
Marianne kunt krijgen, neem haar dan."
En zoo was de zaak al in orde, eer de baron van zijn paard gekomen
was. Maar Melchior Sinclaire wist wel wat hij deed, want baron Adriaan
was een flinke man.
Daarop was de jonge man bij Marianne gekomen en was onmiddellijk met
zijn boodschap voor den dag gekomen.
"Och Marianne, lieve Marianne, ik heb al met je vader gesproken. Ik
zou je zoo graag tot vrouw hebben. Zeg dat je wilt, Marianne."
Ze had al gauw de waarheid uit hem gekregen.
De oude baron, zijn vader, had zich weer laten verleiden tot het koopen
van eenige leege mijnen. De oude baron had zijn heele leven mijnen
gekocht en er was nooit iets in geweest. Zijn moeder was in zorgen;
hij zelf had schulden gemaakt en nu vroeg hij haar om daarmeê zijn
vaderlijk huis en zijn huzarenrok te redden. Zijn tehuis was Hekeby,
het lag aan den andren kant van het meer vlak over Björne. Ze kende
hem goed, ze waren even oud en speelkameraden.
"Je kon best met mij trouwen Marianne, ik heb nu een ellendig
leven. Ik moet op geleende paarden rijden en kan mijn kleermaker niet
betalen. Dat kan immers op den duur niet. Ik zal mijn ontslag moeten
vragen, en dan schiet ik mij voor den kop."
"Maar Adriaan, wat moet dat nu voor een huwelijk worden. We zijn
immers in 't minst niet op elkaar verliefd."
"Nu ja, wat liefde betreft, om dien onzin geef ik geen steek," had
hij toen gezegd, "Ik rijd graag op een goed paard, en ga op de jacht;
maar ik ben geen kavalier; ik wil werken. Als ik maar geld krijgen kon,
zoodat ik de hoeve thuis overnemen kon en mijn moeder een rustigen
ouden dag bezorgen kon, dan zou ik al heel tevreden zijn. Ik kan wel
zaaien en ploegen, want ik houd van flink werken.
En hij had haar met zijn goedige oogen aangezien, en ze wist, dat hij
waarheid sprak en dat hij een man was, waar ze op vertrouwen kon. Ze
verloofde zich met hem, voor 't grootste gedeelte om van huis te komen,
maar ook omdat ze hem wel lijden mocht.
Maar nooit zou ze die maand vergeten, die nu volgde, dien Augustusavond
dat hun engagement publiek werd, heel dien waanzinnigen tijd.
Baron Adriaan was elken dag gedrukter en stiller geworden. Hij kwam
dikwijls genoeg naar Björne, soms tweemaal per dag, maar ze merkte hoe
ontstemd hij was. Als hij bij anderen was kon hij lachen en schertsen,
maar als hij met haar samen was, werd hij onmogelijk! Zwijgend en
vervelend. Zij begreep wel wat er aan scheelde: het was zoo gemakkelijk
niet als hij gedacht had, met een leelijk meisje te gaan trouwen. Nu
had hij iets tegen haar. Niemand wist beter dan zij zelf hoe leelijk
ze was. Ze had hem dadelijk getoond, dat zij niet van liefkozingen
of betuigingen van liefde hield, maar hij leed natuurlijk onder
de gedachte, dat zij zijn vrouw zou worden en dat werd bij den dag
erger. Maar waarom liep hij zichzelf te plagen? Waarom verbrak hij
zijn engagement niet. Ze had hem toch duidelijk wenken in die richting
gegeven. Zelf kon ze niets doen, want haar vader had haar ronduit
gezegd, dat haar naam geen extravagances wat engagementen betreft meer
lijden kon. Toen had zij hen beiden diep veracht, en elke uitweg om
deze beide meesters te ontsnappen, kwam haar geoorloofd voor. En toen,
maar een paar dagen na hun verlovingsfeest was een verandering gekomen,
plotseling en wonderlijk!
Op 't pad van Björne voor de stoep lag een groote steen, die veel
moeite en ergernis gaf. Wagens kantelden er door om, paarden en
menschen vielen er over, meisjes die met zware melkvaten kwamen,
struikelden er over en morsten met melk, maar de steen bleef toch
liggen, omdat hij er al zoolang gelegen had; hij had er al gelegen
in den tijd van Sinclaires vader, lang voor dat iemand er aan had
gedacht Björne te bouwen. De grondeigenaar kon niet inzien, waarom
hij nu opeens weg moest.
Maar op een van de laatste dagen in Augustus gebeurde het, dat twee
meisjes, die met een zware tobbe aan kwamen dragen, over den steen
vielen. Zij bezeerden zich leelijk en de ontevredenheid over den
steen was groot.
't Was tegen twaalf uur. De grondeigenaar was op zijn morgenwandeling,
maar daar het werkvolk juist op de hoeve was tusschen acht en negen,
beval Mevrouw Gustava een paar knechts den steen los te graven. Zij
kwamen met spaden en hefboomen, groeven en zwoegden en eindelijk
kregen zij den steen des aanstoots weg van zijn plaats. Zij droegen
hem naar den tuin, zes man hadden er genoeg werk aan.
Nauwelijks was de steen weg of de grondeigenaar kwam thuis en dadelijk
zag hij wat er gebeurd was. 't Is wel mogelijk dat hij boos was. 't
Was alsof het 't zelfde huis niet meer was, vond hij. Wie had gewaagd
den steen weg te nemen? O zoo! had Mevrouw Gustava het bevolen. Die
vrouwen hebben ook geen hart. Wist zijn vrouw dan niet hoe lief hij
dien steen had.
En hij ging op den steen af en droeg hem van den tuin weg over de
hoeve, heelemaal naar de plaats waar hij gelegen had en gooide hem
daar weer neer. En 't was een steen, die zes man met moeite verdragen
hadden. Die daad werd zeer bewonderd in Wermeland.
Terwijl hij den steen over de plaats droeg, had Marianne aan het
venster in de eetzaal gestaan en naar hem gezien. Zij had hem
nooit zóó verschrikkelijk gezien. En hij was haar heer en meester,
die vreeselijke man met zijn grenzenlooze kracht, een onredelijke,
grillige meester, die nooit naar iets anders dan zijn eigen lust vroeg.
Zij zouden juist aan het tweede ontbijt gaan en zij stond met het
broodmes in de hand. Onwillekeurig lichtte zij het op.
Mevrouw Gustava greep haar bij de pols.
"Marianne!"
"Wat is er, moeder!"
"Ach Marianne, je ziet er zoo vreemd uit. Ik word er bang van."
Marianne zag haar lang aan. Zij was een kleine, uitgedroogde vrouw,
met grijs haar en gerimpeld. En ze was pas vijftig jaar. Ze had lief
als een hond, trots schoppen en slagen. Ze was meestal opgewekt en
maakte toch zulk een treurigen indruk. Ze was als een boom die door
storm geteisterd is, ze had nooit tijd tot groeien gehad.
Ze had geleerd langs omwegen te gaan, loog als het noodig was en
hield zich vaak dommer dan ze was om verwijten te ontgaan. Zij was
alles te zamen genomen, geheel door haar man gevormd.
"Zou u heel bedroefd zijn als vader stierf, moeder?" vroeg Marianne.
"Marianne, je bent boos op je vader, je bent altijd boos op hem. Waarom
kan alles niet weer goed worden, nu je een anderen verloofde hebt."
"Ach, moeder, ik kan er niets aan doen. Ik kan 't niet helpen,
dat ik voor hem ril. Weet u dan niet hoe hij is. Hoe kan ik van hem
houden. Hij is driftig en ruw, hij heeft u geplaagd zoodat u oud is
geworden vóór uw tijd. Waarom moet hij onze meester zijn! Hij doet
immers alsof hij gek is. Waarom moet ik hem eeren en achten? Hij is
niet goed, niet barmhartig. Ik weet dat hij sterk is; hij kan ons
doodslaan, wanneer hij maar wil. Hij kan ons uit het huis zetten als
hij wil. Moet ik hem daarom liefhebben?"
Maar toen werd mevrouw Gustava heel anders dan ze gewoonlijk
was. Ze werd sterk en moedig en sprak op een toon van gezag: "Pas op,
Marianne! Ik begin bijna te gelooven dat je vader gelijk had, toen hij
je van den winter buiten de deur sloot. Je zult zien, dat je hiervoor
gestraft zult worden. Je moet leeren te verdragen zonder te haten,
te lijden zonder je te willen wreken."
"Ach moeder, ik ben zoo ongelukkig."
En onmiddellijk volgde de straf. Uit de vestibule klonk een dof
dreunen, alsof er iets zwaars viel.
Niemand kwam ooit te weten of Melchior Sinclaire op den stoep gestaan
had en door de open deur van de eetkamer Mariannes woorden gehoord had,
of dat alleen de lichamelijke overspanning hem een aanval van beroerte
bezorgd had. Toen zij buiten kwamen was hij bewusteloos. Zij waagden
later niet hem naar de aanleiding te vragen. Zelf liet hij nooit
merken, dat hij iets gehoord had. Marianne waagde nooit te denken,
dat hij zich onwillekeurig gewroken had. Maar toen zij haar vader
daar zag liggen op dezelfde plek waar zij geleerd had hem te haten,
verdween plotseling de bitterheid uit haar hart.
Hij kwam spoedig bij en nadat hij zich een paar dagen rustig gehouden
had, was hij weer beter;--maar heel anders dan vroeger.
Marianne zag haar ouders in den tuin wandelen. Dat deden ze nu
vaak. Hij ging nooit alleen uit, ging niet van huis, werd knorrig als
er gasten kwamen of als iets anders hem van zijn vrouw scheidde. Hij
was plotseling oud geworden. Hij kon er niet toe komen een brief te
schrijven; zijn vrouw moest het doen; hij besliste nooit meer iets
alleen, maar vroeg haar opinie overal over en liet alles gebeuren
zooals zij wenschte. En hij was altijd zacht en vriendelijk. Hij zelf
merkte de verandering, die over hem gekomen was en zag hoe gelukkig
zijn vrouw was. "Nu heeft ze het goed," zei hij eens tegen Marianne
en wees op mevrouw Gustava.
"Och, lieve Melchior," barstte ze uit, "je weet wel dat ik veel liever
had, dat je weer beter werdt."
En dat had ze werkelijk liever gehad. 't Was haar een genot te
vertellen hoe de groote grondeigenaar in zijn sterke dagen was. Ze
vertelde hoe hij alles verdragen kon, zoo goed als de kavaliers
van Ekeby, hoe hij zaken deed en veel geld verdiende, juist als zij
meende, dat zijn woestheid hun huis en hof ontnemen zou. Maar Marianne
wist dat ze gelukkig was niettegenstaande al die klachten. Alles
voor hem te zijn, was haar genoeg. Beiden zagen zij er oud uit,
afgeleefd vóór hun tijd. Marianne kon zich wel voorstellen hoe hun
leven zou worden. Hij zou langzamerhand zwakker en zwakker worden;
de eene attaque na de andere zou hem steeds meer hulpeloos maken en
zij zou hem oppassen tot de dood hen scheidde, maar dat kon nog lang
duren. Mevrouw Gustava kon haar geluk nog lang behouden. "En dat is
billijk," dacht Marianne, "want het leven is haar nog veel schuldig.'"
Ook zij zelf had het nu beter. Ze voelde niet meer die hopelooze
vertwijfeling, die haar tot een huwelijk dwong om ten minste een andere
heer en meester te krijgen. Haar gewond hart had rust gevonden. Haat
en liefde hadden het geslingerd; maar nu dacht ze niet meer aan alles
wat ze geleden had. Ze moest erkennen dat haar zieleleven meer waard,
grooter en rijker geworden was dan vroeger, hoe zou ze dan kunnen
wenschen dat dit alles niet gebeurd was. Was het misschien waar,
dat alle leed iets goeds bracht? Kon alles medewerken ten goede? Ze
was begonnen alles goed te noemen, wat haar als mensch op hooger
ontwikkelingstrap bracht. De oude liedjes hadden geen gelijk. De
smart was niet de eenige werkelijkheid. Nu wilde ze op reis gaan en
een betrekking zoeken, waarin ze nuttig zou kunnen zijn. Was haar
vader nog de oude geweest, dan had hij haar nooit toegelaten haar
verloving te verbreken. Nu had mevrouw Gustava voorzichtig de zaak
in orde gebracht. Marianne mocht zelf Baron Adriaan helpen met het
geld wat hij noodig had.
Ook aan hem kon ze nu met vreugde denken; nu was hij immers vrij! In
zijn frisschen moed en levenslust had hij haar altijd aan Gösta Berling
doen denken; nu zou ze hem weer blij zien. Hij zou opnieuw de Ridder
Zonneschijn zijn, die stralend was komen aanrijden op haars vaders
landgoed. Ze zou hem grond bezorgen, waar hij kon graven en ploegen,
zooveel zijn hart maar begeerde en zou hem een mooie jonge bruid naar
het altaar zien voeren.
Onder zulke gedachten zet zij zich neer om aan hem te schrijven en hem
zijn vrijheid terug te geven. Ze schrijft vriendelijk en dringend,
verstandig en schertsend en toch zóo, dat hij kan begrijpen, hoe
ernstig ze het meent.
Terwijl ze schrijft, hoort ze hoefslagen op den weg.
"Lieve ridder Zonneschijn," denkt ze, "dat is nu voor het laatst."
En onmiddellijk daarop komt de baron bij haar binnen.
"Maar Adriaan! kom je hier binnen," en ze ziet verschrikt naar al de
wanorde om haar heen.
Hij wordt dadelijk verlegen en beschroomd en stamelt een
verontschuldiging.
"Ik zat juist aan je te schrijven," zegt ze, "zie hier; je kunt den
brief ook wel dadelijk lezen."
Hij neemt den brief en zij zit hem aan te zien, terwijl hij leest. Ze
verlangt er naar, zijn gezicht te zien ophelderen en stralen van
vreugd. Maar hij heeft nog niet veel gelezen, toen hij vuurrood wordt,
den brief op den grond gooit, hem onder den voet trapt en vloekt dat
't huis er van dreunt.
Marianne beeft. Ze is geen beginner in de studie der liefde. En toch
begrijpt ze eerst nu dien onervaren knaap, dat groote kind.
"Adriaan, lieve Adriaan," zegt ze, "wat is dat toch voor een comedie,
die je met me gespeeld hebt. Kom eens hier en vertel me alles."
Hij kwam en smoorde haar bijna door zijn liefkozingen. Arme jongen,
hoe had hij verlangd en geleden!
Kort daarna zag zij het venster uit. Daar wandelde mevrouw Gustava
nog altijd en babbelde met den grooten grondeigenaar over bloemen en
vogels, en hier zat zij te babbelen over liefde.
"'t Leven heeft ons beiden zijn heiligen ernst laten zien," dacht ze,
en glimlachte weemoedig.
"'t Zal ons troosten, dat we ieder ons groot kind hebben om meê
te spelen."
't Deed haar toch goed, dat men haar lief kon hebben. Het was heerlijk
hem te hooren fluisteren over de tooverkracht, die van haar uitging,
en hoe hij zich schaamde over wat hij in hun eerste gesprek gezegd
had. Hij wist toen niet welk een macht ze had. Och, geen man kon haar
naderen, zonder haar lief te hebben. Maar ze had hem bang gemaakt. Hij
had zich zoo wonderlijk onderdrukt gevoeld.
't Was geen geluk!--maar ook geen ongeluk. Zij zou beproeven het
leven met dien man te aanvaarden.
Zij begon zichzelf te begrijpen en dacht aan de woorden in 't oude
liedje van de tortelduif, den vogel van het verlangen. "Ze drinkt
nooit het heldere water, ze maakt het eerst troebel met haar voet,
dan past het beter voor haar droevige stemming." Zoo zou zij ook niet
uit de bron des levens het heldere onvermengde geluk drinken. Troebel
door weemoed, zoo was het leven 't beste voor haar.