DE HEILIGENBEELDEN.

De kerk van Svartsjö is wit van binnen en van buiten; de wanden

zijn wit, de preekstoel, de banken, de zolder, de vensterbanken, het

altaarkleed--alles is wit. In de kerk van Svartsjö zijn geen sieraden,

geen schilderijen, geen wapens. Boven 't altaar ziet men alleen een

houten kruis en een witte doek.

Vroeger was dat alles anders. Toen was de zolder geschilderd en

allerlei bonte figuren van steen en klei stonden in dit godshuis.

Op een dag, in den zomer, heel lang geleden, had een kunstenaar

in Svartsjö naar den hemel staan kijken en acht geslagen op het

trekken der wolken langs den hemel, de zon tegemoet. Hij had de witte

glinsterende wolken gezien, die des morgens aan den horizont staan;

hij zag hoe ze zich hooger en hooger opstapelden; hij had de kolossen

grooter en grooter zien worden en zich verheffen om naar boven te

stormen. Zij hieven hun standaard op als krijgers, zij trokken uit om

den ganschen hemel te veroveren. Tegenover de zon, den beheerscher

van 't wereldruim, huichelden zij en namen een onschuldige gedaante

aan. Hier was een leeuw, die zich in een gepoederde dame veranderde,

dáár een reus met armen, die koorden verbrijzelde; hij legde zich neer

als een droomende sphinx; eenigen bedekten hun naaktheid door mantels

met gouden randen om te slaan, anderen legden rood op hun sneeuwwitte

wangen. Hier waren vlakten, daar wouden, ginds gemetselde burchten,

met hooge torens. De witte wolken veroverden den zomerhemel. Zij vulden

het geheele blauwe gewelf. Zij bereikten de zon en verborgen haar.

"O hoe schoon zou 't zijn," dacht de vrome kunstenaar, "als de zielen

vol verlangen op deze torenhooge bergen konden klimmen, en door hen als

door een wiegend vaartuig al hooger en hooger konden worden gebracht."

En toen begreep hij in eens, dat de witte zomerwolken de vaartuigen

waren, waarin de zielen der zaligen wegvoeren.

Hij zag ze daarboven! Daar stonden ze op de bewegelijke massa's met

leliën in de hand en gouden kronen op het hoofd. De lucht weergalmde

van hun zangen. De engelen zweefden hun op breede, sterke vleugels te

gemoet. O, welk een oneindig aantal zaligen. Al naarmate de wolken

zich uitbreidden, zag hij er meer; zij rustten op wolkenbedden als

witte waterlelies op het meer. Zij versierden ze als leliën het

veld. Welk een jubelende vaart naar den hooge! de eene wolk na de

andere rolde voort! Allen waren bezet met hemelsche heirscharen in

zilveren wapenrustingen, met onsterfelijke zangers in mantels met

purper afgezet.

Die kunstenaar had later de zoldering in de kerk van Svartsjö

geschilderd. Hij had de drijvende wolken van den zomerschen hemel

willen weêrgeven, die de zaligen in de heerlijkheid des hemels zouden

invoeren. De hand die 't penseel gevoerd had, was krachtig geweest,

maar ook wat stijf, zoodat de wolken meer op de gekrulde haren van een

allongepruik leken dan op aangroeiende bergen van zachte nevelen. En

zooals de heiligen zich voor de fantaisie van den meester vertoonden,

had hij ze niet kunnen weergeven; maar hij had ze als menschen gekleed

met lange roode mantels en stijve bisschopsmutsen of in zwarte lange

kleederen met stijve gepijpte kragen. Hij had ze groote hoofden

en kleine lichamen gegeven en ze van zakdoeken en gebedenboeken

voorzien. Latijnsche spreuken kwamen uit hun mond en voor hen,

die hij 't hoogste stelde, had hij stevige houten stoelen op de

wolkenruggen gezet, zoodat ze in een gemakkelijke zittende houding

naar de eeuwigheid zouden kunnen gaan.

Maar iedereen wist immers, dat geesten en engelen zich nooit aan

den armen kunstenaar hadden vertoond en daarom verwonderde men er

zich niet erg over, dat hij ze niet bovenaardsch schoon had kunnen

maken. Menigeen had toch zeker de schilderij van den goeden meester

buitengewoon mooi gevonden en het had velen ernstig en godsdienstig

gestemd. 't Was wel waard door onze oogen gezien te worden.

Maar in 't jaar van de kavaliers liet Graaf Dohna de heele kerk wit

schilderen. Toen werd de geschilderde zolder bedorven. En ook liet

hij al de heiligenbeelden van klei vernietigen.

Ach, die heiligenbeelden!

't Zou beter voor me zijn, als nood en ellende van menschen me zóóveel

verdriet kon doen, als ik voelde over 't wegnemen van die beelden van

klei; als de wreedheid van menschen tegenover menschen mijn hart met

een bitterheid vervullen kon als die ik om hunnentwille gevoeld heb.

Maar éen van hen was ook St. Olof met de kroon om den helm, de bijl

in de hand en een overwonnen reus onder den voet; op de preekstoel

stond Judith met een rood lijf en een blauwen rok, met een zwaard in

de eene en een zandlooper in de andere hand--in plaats van het hoofd

van den assyrischen veldheer; daar was ook een geheimzinnige koningin

van Saba met een blauw lijf en rooden rok, met een ganzepoot aan 't

eene been en de handen vol sibyllijnsche boeken; daar was de heilige

Christoffel met zijn bloeienden staf, en de heilige Erik met scepter

en bijl en een ouden mantel met gouden bloemen om.

Ik heb daar in de kerk van Svartsjö zoo menig Zondag gezeten en er

me over geërgerd, dat de beelden weg waren. Hoe verlangde ik naar

hen. Ik zou er niet zoo precies op gezien hebben of er een neus of

een voet ontbrak, of 't verguldsel er wat afgesleten was en de verf

verbleekt. Ik zou om hun hoofd de glorie der legende hebben gezien.

't Moet altoos zoo geweest zijn met die heiligenbeelden, dat ze hun

scepters of ooren en handen verloren en gerepareerd en opgeknapt

moesten worden. Dat verveelde de gemeente en zij verlangde van

hen af te komen. Maar de boeren zouden toch de heiligen geen kwaad

gedaan hebben, als graaf Dohna er niet geweest was. Hij heeft ze

laten wegnemen.

Ik heb er hem om gehaat, zooals een kind haten kan. Ik heb hem

gehaat, zooals een hongerige bedelaar de gierige huismoeder haat,

die hem brood weigert. Ik heb hem gehaat, zooals een arme visscher

den onwetenden knaap haat, die zijn net heeft bedorven en een gat

in zijn boot gehakt. Hoe hongerde en dorstte mijn ziel niet onder de

lange godsdienstoefeningen. En hij had het brood, waar mijn ziel van

leven moest, weggenomen. Hoe verlangde ik niet naar het oneindige, naar

den hemel. En hij had mijn vaartuig bedorven, en mijn net verscheurd,

waarmee ik de hemelsche visioenen had willen vangen.

In de wereld der volwassenen is geen plaats voor echte haat. Hoe zou

ik nu zulk een ellendig wezen als graaf Dohna kunnen haten of een

armen waanzinnige zooals Sintram of een afgeleefde wereldsche vrouw

als gravin Märta. Maar toen ik een kind was, ja, toen was 't maar

gelukkig voor hen, dat ze al lang dood waren.

De predikant stond misschien wel op den preekstoel te spreken over

vrede en verzoening; maar op onze plaats in de kerk kon men hem niet

verstaan. Ach, had ik de oude heiligenbeelden van klei maar bij me

gehad--zij zouden wel voor me gepreekt hebben, zoodat ik ze kon hooren

en verstaan.

Maar nu zat ik er meestal over te denken hoe 't gekomen was, dat ze

weggeroofd en bedorven werden.

Toen graaf Dohna zijn huwelijk voor onwettig had laten verklaren,

inplaats van zijne vrouw op te zoeken en 't huwelijk te laten wettigen,

had hij aller verontwaardiging gewekt; want men wist, dat zijn vrouw

alleen zijn huis had verlaten om niet doodgeplaagd te worden. Nu

scheen het, dat hij Gods genade en de achting der menschen wilde

herwinnen door een goed werk en daarom liet hij de kerk van Svartsjö

opknappen. Hij liet de heele kerk wit schilderen en de geschilderde

zoldering wegnemen. Hij zelf droeg met zijn knechts de schilderijen

naar beneden in een boot en wierp ze in de diepte van 't Löfvenmeer.

Hoe durfde hij 't toch wagen de hand aan die uitverkorenen Gods

te slaan.

Dat zulk een gruwel toch gebeuren kon! Voerde de hand, die 't hoofd

van Holofernes afsloeg dan 't zwaard niet? Had de koningin van Saba

dan alle geheime wijsheid vergeten, die dieper wondt dan een vergiftige

pijl. Heilige Olof, gij oude viking, St. Joris, gij oude drakendooder,

leeft dan de roem uwer daden niet meer, is de glorie uwer wonderen

verbleekt?--Maar de zaak zal wel geweest zijn, dat de heiligen geen

geweld met geweld willen keeren. Daar de boeren van Svartsjö geen

verf voor hunne kleeren en geen verguldsel voor hun kronen meer over

hadden, lieten zij graaf Dohna begaan, toen hij hen wegdroeg en ze in

't diepe Löfvenmeer wierp. Zij wilden Gods huis niet ontsieren. Die

armen! Zij dachten zeker aan den tijd, dat men voor hen knielde en

gebeden tot hen opzond.

En ik zat te denken aan die boot, met heiligen belast, die op

een stillen zomeravond heengleed over den blanken spiegel van 't

Löfvenmeer. De knecht, die roeide, nam langzame, groote slagen en

wierp schuwe blikken op de wonderlijke passagiers, die op den voor-

en achtersteven lagen; maar graaf Dohna, die er ook bij was, voelde

zich dapper. Hij nam ze een voor een met zijn eigen handen en wierp ze

in 't water. Zijn voorhoofd was helder en hij haalde diep adem. Hij

meende een strijder voor de reine evangelische leer te zijn. En er

geschiedde geen wonder ter eere der heiligen. Stil en moedeloos zonken

ze neer en gingen hun vernietiging te gemoet.

Maar den volgenden Zondag stond daar de kerk van Svartsjö vlekkeloos

wit. Geen beelden stoorden meer de aandacht der kerkgangers. Alleen

met de oogen der ziel moet de vrome de heerlijkheid des hemels en

't gelaat der heiligen zien. De gebeden der menschen moeten op hun

eigen sterke vleugels den Allerhoogste bereiken. Zij behoeven zich

niet meer vast te klampen aan de gewaden der heiligen.

Groen is de aarde, de heerlijke woning der menschen, blauw is de

hemel, waar ze allen naar verlangen. De wereld straalt in duizend

kleuren. Waarom is de kerk wit?--Wit als de winter, naakt als de

armoede, bleek als de angst. Ze schittert niet van rijp als een bosch

in den winter. Ze prijkt niet met paarlen en kant als een bruid. De

kerk staat daar wit en koud met geverfd leem bedekt, zonder een enkel

beeld, zonder een schilderij.

Dien Zondag zat graaf Dohna in een met bloemen versierden leuningstoel

in het koor, opdat allen hem zouden zien en prijzen. Nu zou hij geëerd

worden, omdat hij de oude banken in orde had laten maken, de leelijke

beelden wegnemen, nieuwe ruiten inplaats van de gebroken zetten en

de heele kerk wit verven. Het stond hem natuurlijk vrij dat alles

te doen. Als hij den toorn des Almachtigen wilde verzachten, was het

immers goed, dat hij naar zijn beste weten Zijn tempel versierde. Maar

waarom nam hij er dan eerbewijzen voor aan?

Hij, die daar kwam met de zonde der onverzoenlijkheid op zijn geweten,

hij had immers op de knieën moeten vallen op 't zondaarsbankje en

zijn broeders en zusters smeeken God te bidden, hem in zijn heiligdom

te dulden. Het ware hem beter geweest daar te staan als een arme

zondaar, dan daar ginds in 't koor te zitten en lof aan te nemen,

omdat hij zich met God had willen verzoenen.

Ach, graaf Dohna! God had u zeker op 't zondaarsbankje verwacht. Hij

liet er zich niet door verblinden, dat de menschen u niet durfden

te berispen.

Toen de godsdienstoefening voorbij was en de laatste psalm gezongen,

verliet niemand de kerk, maar de predikant ging den preekstoel op

om een dankrede aan den graaf te houden, maar zóó ver zou het toch

niet komen. Want de deur ging open, en daar kwamen de oude heiligen

de kerk binnen, druipend van 't water uit het Löfvenmeer, vuil van

groen kroos en bruinen modder. Ze hadden zeker gehoord, dat hier een

lofrede gehouden zou worden op hem, die hen ten val gebracht, ze uit

't heilige huis Gods verjaagd en ze neergestort had in de koude, alles

vernietigende golven. De oude heiligen wilden een woordje meespreken.

Zij houden niet van 't eentonig kabbelen der golven. Ze zijn gewend

aan psalmen en gebeden. Zij zwegen en berustten in alles, zoolang ze

meenden, dat het dienen moest tot Gods eer. Maar zoo was het niet.

Hier zit graaf Dohna met eer overladen in 't koor en wil aangebeden

en geprezen worden in Gods huis. Daarom zijn ze opgestegen uit hun

vochtig graf en komen de kerk in. En de geheele gemeente herkent

hen. Daar gaat de heilige Olof met de kroon om den helm en St. Erik

met de gouden bloemen op den mantel en den grijzen Sint Joris en de

heilige Christoffel. Meer niet, de Koningin van Saba en Judith waren

niet meêgekomen.

Maar toen de menschen wat van hun verbazing bekomen waren, ging er

een hoorbaar gefluister door de kerk. "De kavaliers".

Ja zeker, 't zijn de kavaliers. En zij gaan recht op den graaf af

zonder een woord te spreken, lichten zijn stoel op hun schouders op,

dragen hem de kerk uit en zetten hem daar buiten op den kerkheuvel.

Ze zeggen niets, en zien rechts noch links. Zij dragen eenvoudig

graaf Dohna uit Gods huis en als dat gedaan is gaan ze weer heen,

den naasten weg naar het meer.

Niemand houdt hen tegen en zij verspillen ook geen tijd met het

verklaren van hun meening. Die was duidelijk genoeg: "Wij, kavaliers

van Ekeby, hebben onze eigen overtuiging. Graaf Dohna verdient niet

in Gods huis geprezen te worden. Daarom dragen wij hem naar buiten. Nu

kan ieder, die wil, hem weer binnen brengen."

Maar hij werd niet weer naar binnen gebracht. De lofrede van den

predikant werd nooit gehouden. De gemeente stroomde de kerk uit. Er

was niemand, die niet vond, dat de kavaliers goed gedaan hadden.

Zij herinnerden zich de vroolijke jonge gravin en hoe gruwelijk zij op

Borg gepijnigd was geworden. Zij dachten aan haar, die zoo goed voor

de armen was, die zoo mooi was geweest, dat 't voor hen al een troost

was naar haar te kijken. Wel was het zondig met zulke vertooningen in

de kerk te komen; maar de predikant en de gemeente voelden, dat zij

zelf op het punt geweest waren nog erger den spot met den Allerhoogste

te drijven. En zij schaamden zich tegenover de dwazen.

"Als de menschen zwijgen, moeten de steenen spreken," zeiden ze.

Maar na dien dag kon graaf Henrik het niet meer uithouden op Borg. Op

een donkeren nacht in 't begin van Augustus reed een gesloten kales tot

dicht voor de groote stoep. Alle dienstboden gingen er omheen staan

en gravin Märta kwam naar buiten, in doeken gehuld met een dichten

sluier voor 't gelaat. De graaf gaf haar den arm, maar ze sidderde

en beefde. Slechts met de grootste moeite kon men haar bewegen door

't voorhuis en den stoep af te gaan.

Eindelijk kwam zij in den wagen, de graaf sprong er ook in, de

deuren werden dicht geslagen en de koetsier liet de paarden in galop

wegrijden.

Toen de eksters den volgenden morgen wakker werden, was ze weg.

De graaf leefde nog lang in het zuiden. Borg werd verkocht en is

menigmaal van eigenaar verwisseld. Allen hadden ze het landgoed lief;

maar slechts weinigen bezaten het met genoegen.

Gösta Berling · 第 55 / 86 题