Toen nu niets meer Gösta Berling genoegen kon doen, nadat hij de
jonge gravin had helpen vluchten, besloten de kavaliers hulp te zoeken
bij de goede vrouw Musica, die zoo machtig is en zooveel ongelukkigen
troost. Daarom lieten zij op een Juliavond de deuren van de groote zaal
te Ekeby opendoen en de luiken er van de vensters nemen. De zon en
de lucht werden binnengelaten, de groote roode avondzon en de koele,
zachte, met geuren verzadigde avondlucht. De gestreepte overtrekken
werden van de meubels genomen, de piano werd open gemaakt en het gaas
van de Venetiaansche kronen afgedaan. De vergulde gieren onder de wit
marmeren tafels mochten weer schitteren in 't licht; de witte godinnen
dansten weer in 't zwarte veld boven de spiegels; de verschillende
bloemen in 't zijden damast glinsterden in 't avondrood. Er werden
rozen geplukt en in 't water gezet, en de geheele zaal werd met hun
geur vervuld. 't Waren wonderlijke rozen, wier naam niemand kende
en die uit vreemde landen naar Ekeby waren gekomen. Daar waren gele
rozen, in wier aderen het bloed rood was als dat van een mensch, en
roomkleurige met donzen randen, en lichtroode met groote bladeren,
die buiten aan den rand kleurloos werden als water, en donkerroode
met zwarte schaduwen. Zij brachten alle rozen van Altring binnen,
die uit verre landen gekomen waren, om de oogen van schoone vrouwen
te verlustigen.
Dan halen zij muziek en muzieklessenaars naar binnen en koperen
instrumenten en strijkstokken en violen van allerlei grootte. Want
nu zal de goede vrouw Musica op Ekeby regeeren en beproeven Gösta
Berling te troosten.
Vrouw Musica heeft de Oxford-symphonie van Vader Haydn gekozen, en de
kavaliers repeteeren die. Patroon Julius zwaait den dirigeerstok en
ieder bespeelt zijn eigen instrument. Alle kavaliers kunnen spelen;
anders zouden ze immers geen kavaliers zijn.
Als alles klaar is, zenden zij een bode naar Gösta Berling. Hij is
voortdurend mat en moedeloos; maar hij verheugt zich over de prachtige
zaal en over de mooie muziek, die hij nu zal hooren. Want dit is
immers bekend genoeg, dat voor wie lijdt, de goede vrouw Musica het
beste gezelschap is. Zij is vroolijk en schertst als een kind. Zij
is vurig en innemend als een jonge vrouw. Zij is goed en wijs als de
ouden van dagen, die een gezegend leven achter zich hebben.
En toen speelden de kavaliers zóó zacht, zóó teer, als een bijna
onhoorbaar suizen.
De kleine Ruster neemt de zaak ernstig op. Hij leest de noten met den
bril op den neus, kust de tonen uit zijn fluit en laat de vingers
spelen over de kleppen en gaten. Oom Eberhard zit gebogen over
de violoncel; zijn pruik is over zijn ééne oor heengegleden; zijn
lippen beven van aandoening. Berg staat daar trotsch met zijn lange
fagot. Nu en dan vergeet hij zich en blaast uit alle kracht; maar dan
slaat Patroon Julius hem op zijn dikke hersenkas met den dirigeerstok.
't Gaat goed, 't gaat schitterend! Zij tooveren vrouw Musica zelf
te voorschijn uit de doode noten. Spreid uw toovermantel uit, lieve
vrouw Musica, en voer Gösta Berling terug naar het land der vreugde,
waar hij thuis behoort.
Is dat werkelijk Gösta Berling, die daar bleek en moedeloos zit,
en dien de oude heeren nu zoeken te vermaken als een kind? Nu is
't voorwaar geen tijd van vreugd in Wermeland.
Ik weet waarom de ouden hem liefhadden.
Ik weet wel hoe lang de winteravonden kunnen worden en hoe de
duisternis in de ziel kan sluipen op zulke eenzame hoeven. Ik kan
wel begrijpen hoe het was als hij kwam.
Stel u voor een Zondagmiddag, als er niet gewerkt wordt en de gedachten
traag worden. Stel u voor een hardnekkigen Oostenwind, die de kou in
de kamer zweept, een kou, waartegen geen vuur helpt. Stel u voor een
enkele vetkaars, die onafgebroken gesnoten moet worden. Stel u voor,
een eentonig psalmgezang, uit de keuken weerklinkend.
Welnu! en dan hoort ge bellen klinken, en vlugge voeten stampen de
sneeuw van zich af op de stoep, en dan komt Gösta Berling de kamer
in. Hij lacht en maakt grappen. Hij brengt leven en warmte mee. Hij
doet de piano open en speelt, zoodat men zich verbaast over de oude
snaren. Hij kan alle liederen zingen, alle melodieën spelen. Hij
maakt alle huisgenooten gelukkig.
Hij had het nooit koud en was nooit moe.
De bedroefde vergat zijn smart, als hij hem zag. En wat had hij toch
een goed hart. Wat had hij een medelijden met de armen en zwakken. Ja,
men moest de ouden over hem hooren spreken.
't Was zeker op zulk een avond, dat hij op Munkerud kwam, waar de
goede rechter woonde, in het kleine, beminnelijke tehuis, dat in deze
vertellingen zoo weinig besproken werd, omdat geen stormen het geluk
daar schokten. Hij ontmoette daar den proost en zijn vrouw.
En zoodra de proost hem zag, zette hij hem aan de piano. "Ga maar voor
de piano zitten, Gösta Berling," zeide hij, "daar doe je 't meeste
nut." En toen speelde en zong Gösta Berling, en toen hij een poosje
gespeeld had, konden de menschen niet langer stil zitten. De oude,
verstandige heeren en dames moesten opstaan en dansen. Zij kregen
den kriebel in armen en beenen; zij konden niet blijven zitten. Zoo
dansten zij, en toen Gösta een Bellmans liedje begon, vielen zij in,
en de vrouw van den proost, oud en dik als ze was, nam haar japon op,
sprong en draaide rond, precies alsof ze een meisje van twintig jaar
was met fijne beentjes. En ze zong zoo valsch en zoo heesch.
De proost en de anderen lachten zoo hartelijk om haar, en toen zei
ze: "Ja, hij daar, die schelm aan de piano, kan oude menschen zoo
dwaas maken."
Maar nu zit Gösta Berling daar stil en bedroefd en luistert naar vrouw
Musica's poging om hem op te wekken. Misschien was hij 't allerliefst
met rust gelaten in zijn smart; maar hij moest immers wel naar de
muziek luisteren, ter wille van de oude heeren. Hij voelt wel, dat het
zoo jammer voor hen is, dat hij zoo bedroefd is. Zij hebben er geen
pleizier in, dat zij de heeren van Ekeby zijn, nu hij zoo veranderd
is. 't Komt hem voor dat hij zien kan, dat ze oud geworden zijn.
En terwijl ze spelen, barst hij plotseling in tranen uit. Hij vindt
het heele leven zoo treurig. Hij verbergt het gezicht in de handen en
schreit. De kavaliers zijn ontzet. Dit zijn niet de zachte, genezende
tranen, die vrouw Musica gewoonlijk te voorschijn roept. Hij snikt
als een wanhopende. Geheel radeloos leggen zij hun instrumenten neer.
Dan geeft vrouw Musica hun de gedachte in, dat zij iets vroolijkers
moeten probeeren en Patroon Julius neemt zijn guitaar en begint een
van zijn vroolijke boerenliedjes te zingen. Hij verdraait zijn gezicht
en doet koeien en schapen na.
Maar dat was geen goede inval van vrouw Musica. Gösta slaat plotseling
met de gebalde vuist op tafel, zoodat Julius opspringt, en dan zegt
hij hun de waarheid.
"Al ben ik ook een ellendige verschoppeling, die niet anders dan kwaad
uitricht hier in de wereld," zegt hij, "dan moet jullie, kavaliers,
toch met mijn lijden den gek niet steken. Betere menschen dan jullie
zijn, moesten zich daarvoor wachten!"
Hij is onredelijk. Hij weet dat zelf heel goed; maar hij kan niet
laten zoo te keer te gaan. En dan blijft hij zitten, zwijgend en
beschaamd. De anderen zwijgen ook. Zij zijn diep gekwetst; maar wat
helpt het zich te verdedigen? Zelfs de goede vrouw Musica, die zooveel
van Gösta Berling houdt, verliest bijna den moed. Maar plotseling
herinnert zij zich, dat zij nog een held onder haar dienaren, onder
de kavaliers heeft.
Dat is de zachtmoedige Löwenborg, hij, die zijn bruid verloren heeft
in de beek, en die nu meer dan ooit Gösta Berlings slaaf is. Hij
sluipt naar de piano. Hij loopt er om heen, voelt er voorzichtig aan
en strijkt met zijn zachte hand over de toetsen.
Boven in zijn kamer heeft Löwenborg een groote houten tafel, waarop
hij toetsen heeft geschilderd en een lessenaar gezet. Daar kan hij
uren zitten en de vingers over de witte en zwarte toetsen laten
gaan. Daar studeert hij, speelt schalen en études, en daar speelt
hij zijn Beethoven. Vrouw Musica heeft hem met haar bijzondere genade
bijgestaan, zoodat hij vele van de zes-en-dertig sonates gecopieerd
heeft.
Maar de oude man waagt zich nooit aan eenig ander instrument, dan
zijn houten tafel. Voor de piano heeft hij een eerbiedigen angst.
Die lokt hem, maar schrikt hem nog meer af. Dat rammelende
instrument, waarop zooveel polka's getrommeld worden, is voor hem
een heiligdom. Hij heeft het nooit durven aanroeren. Dat wonderlijk
ding met de vele snaren, die aan 't werk van den grooten meester leven
kunnen geven! Hij hoeft er zijn oor maar tegen te leggen, en dadelijk
hoort hij de andantes en de scherzo's daarbinnen bruisen. Ja, de piano
is het ware altaar, waaraan vrouw Musica gediend moet worden. Maar
hij heeft nooit op een piano gespeeld. Hij is immers zelf nooit zoo
rijk geworden, dat hij er een kon koopen, en op deze heeft hij nooit
den moed gehad te spelen. De Majoorske was ook niet bijzonder bereid
die voor hem open te doen.
Hij heeft er wel Poolsche dansen en walsen en Bellmansche liedjes
op hooren trommelen. Maar voor zulke onheilige muziek kon het
heerlijke instrument ook niet anders dan een gebroken geluid geven en
jammeren. Neen, als Beethoven kwam, dan zou het zijn eigen helderen
klank laten hooren.
Nu meent hij, dat de tijd voor hem en Beethoven misschien gekomen
is. Hij zal moed vatten en 't heiligdom aanroeren en zijn jongen heer
en meester er toe brengen zich over die sluimerende welluidendheid
te verheugen.
Hij zet zich neer en begint te spelen. Hij is heelemaal onzeker en
verward, maar hij voelt voor zich heen en komt een paar maten door,
beproeft den juisten klank te voorschijn te brengen, rimpelt het
voorhoofd, doet het over--en slaat dan de handen voor 't gezicht
en schreit.
Ja, lieve vrouw Musica, dat is hard voor hem. 't Heiligdom is immer
geen heiligdom. Daar liggen geen klare, heldere tonen in verborgen te
droomen, daar is geen doffe, machtige donder, geen geweldig bruisende
orkaan. Niets van die heerlijke tonen, die de lucht van het Paradijs
vervulden, is er overgebleven. 't Is een oude, rammelende piano en
anders niet.
Maar dan geeft vrouw Musica den slimmen overste een wenk. Hij neemt
Ruster mee. Zij gaan naar boven en halen Löwenborgs tafel met de
geschilderde toetsen.
"Ziehier, Löwenborg," zegt Beerencreutz, als zij terugkomen, "hier
is je piano. Speel nu voor Gösta."
En dan houdt Löwenborg met schreien op en gaat Beethoven spelen voor
zijn bedroefden vriend. Nu zal hij wel weer blij worden.
In 't hoofd van den ouden man klinken de lieflijkste tonen. Hij kan
niet laten te gelooven, dat Gösta hoort hoe mooi hij speelt. Gösta
merkt zeker, hoe goed hij van avond speelt.
Er zijn geen moeilijkheden meer voor hem. Hij speelt zonder eenige
moeite zijn loopjes en trillers. Hij wou, dat de meester zelf hem
hooren kon.
Hoe langer hij speelt, hoe meer hij in vuur komt. Hij hoort iederen
toon met bovenaardsche kracht.
"o Smart," speelt hij, "waarom zou ik u niet liefhebben? Omdat uw
lippen koud, uw wangen vaal zijn? Omdat uw omhelzing verstikt, uw
blik versteent?"
"o Smart, gij zijt een van die trotsche, schoone vrouwen, wier liefde
moeilijk te winnen is, maar die heeter branden dan anderen. Gij
verstootene! Ik heb u mijn hart gewijd en had u lief. Ik liefkoosde
u zoodat de koude van u week, en uw liefde maakte mij zalig.
"Ach, wat heb ik geleden! Ach, hoe heb ik verlangd, sinds ik haar
verloor, die ik het eerst heb liefgehad. Het was duistere nacht
in mij en om mij heen. Ik lag in gebed verzonken, in vurige,
onverhoorde gebeden. Geen goede geest daalde neer uit het met
sterren bezaaide gewelf, om mij te troosten. Maar mijn verlangen
verscheurde het voorhangsel. Gij kwaamt naar mij heenzweven op een
brug van maanlichtstralen. Gij kwaamt in lichtglans, o mijn geliefde,
en met een glimlach op de lippen. Vroolijke engelen zweefden om u
heen. Zij droegen kransen van rozen, zij speelden op den citer en op
de fluit. Het was zalig u te zien.
"Maar gij verdweent, ach, gij verdweent.
"En voor mij was er geen brug van maanlichtstralen, toen ik u wilde
volgen. Ik lag op aarde, zonder wieken, aan het stof gebonden. Mijn
klachten waren als 't gebrul van een wild dier, als de donder van
den hemel. Ik wilde u den bliksem als bode zenden. Ik vloekte de
groene aarde.
"Ach, dat het vuur den oogst verteren mocht en pest over de menschen
komen! Ik riep den dood aan en de machten der duisternis. Ik meende,
dat de pijnigingen der hel zaligheid moesten zijn bij wat ik leed.
"o Smart! Toen werdt gij mijn vriendin. Waarom zou ik u niet
liefhebben, zooals men de schoone, strenge vrouwen liefheeft, wier
liefde moeilijk te winnen, maar die warmer zijn dan andere?"
Zoo speelde die arme mysticus! Hij zat daar, stralend van geestdrift en
geheel bewogen, terwijl de wonderlijkste tonen voor zijn ooren klonken,
en hij was overtuigd, dat Gösta ze ook hooren moest en getroost worden.
Gösta zat naar hem te zien. Eerst was hij boos om die nieuwe comedie;
maar langzamerhand werd hij zachter gestemd. Hij was onweerstaanbaar,
die oude, zooals hij daar zat en zijn Beethoven genoot. En Gösta dacht
er aan, dat ook die man, die nu zoo zachtmoedig en zorgeloos was, in
lijden gedompeld geweest was, dat ook hij de vrouw, die hij liefhad,
verloren had. En nu zat hij daar, stralend van vreugde, bij zijn
houten tafel. Meer was dus niet noodig om een mensch blij te maken.
Hij voelde zich beschaamd. "Gösta," zei hij tot zichzelf, "kun je niet
meer lijden en verdragen? Jij, die in armoede heel je leven gehard
werdt, jij, die elken boom in 't bosch, elk grasje op 't veld hebt
hooren spreken van ontbering en geduld, jij, die bent opgegroeid in
een land, waar de winter streng en de zomer karig is, heb je de kunst
van verdragen verleerd?
"Ach, Gösta, een man moet alles dragen wat het leven geeft, met moed in
't hart en een glimlach op de lippen; anders is hij geen man. Ontbeer
zooveel je wilt, als je de vrouw, die je liefhebt, hebt verloren;
laat gewetenswroeging je knagen van binnen; maar toon je een man en
een Wermelander! Laat je oogen vroolijk stralen, ga je vrienden met
vroolijke woorden tegemoet.
"'t Leven is hard, en de natuur is hard. Maar beide wekken moed en
blijdschap als tegenwicht tegen hun hardheid. Anders zou wel niemand
het kunnen uithouden.
"Moed en blijdschap. Het is alsof dat de twee eerste plichten zijn. Je
hebt die nooit vergeten. Doe het ook nu niet.
"Ben je minder dan Löwenborg, die daar aan zijn houten piano zit,
of dan al de andere kavaliers, de moedige, zorgelooze, de eeuwig jonge?
"Je weet immers, dat geen van hen voor lijden bewaard bleef."
En Gösta ziet ze allen aan. Ach, daar zitten ze allen even ernstig
en luisteren naar die muziek, die niemand hooren kan.
Plotseling wordt Löwenborg in zijn droomen gestoord door een
vroolijk lachen. Hij heft de handen van de toetsen en luistert als
in geestvervoering. Dat is Gösta Berling's oude lach! Zijn goed
vriendelijk, aanstekelijk lachen. 't Is de lieflijkste muziek, die
de oude in zijn leven gehoord heeft.
"Wist ik het niet, dat Beethoven je helpen zou, Gösta?" barstte hij
uit. "Nu ben je immers beter!"
Zóo was het, dat de goede vrouw Musica Gösta Berling's melancholie
genas.