DE HEKS VAN DOVRE.

De heks van Dovre gaat langs den oever van 't Löfvenmeer. Men heeft

haar zien loopen; ze is klein, heeft een ronden rug, draagt een

kleed van bont met een gordel met zilver beslag. Waarom komt ze van

de holen der wolven bij de menschenwoningen? Wat zoekt de oude van

de rotsen in de groene dalen?

Ze komt bedelen. Ze is begeerig naar gaven, hoe rijk ze ook is. In de

bergkloven heeft ze groote, witte zilveren staven liggen en op sappige

weiden, diep tusschen de rotsen verborgen, grazen haar groote kudden

zwarte koeien met gouden horens. En toch loopt ze met schoenen van

boomschors en een smerig kleed van bont, waarvan de gekleurde rand

nauwelijks meer te onderscheiden is door 't eeuwenoude vuil. Ze stopt

haar pijp met mos en bedelt ook bij de armste. Maar niemand heeft er

pleizier in haar wat te geven;--ze bedankt nooit en heeft nooit genoeg.

Ze is oud. Hoe lang is 't wel geleden, dat de lichte glans der

jeugd lag over 't breede bruine gezicht, dat nu glimt van vet;--over

den platten neus en de oogen die nu onder het vuil glinsteren als

gloeiende kolen onder de asch? Hoe lang is 't geleden, dat ze als een

klein meisje op de bergweide zat, en met haar horen de herdersknapen

antwoordde op hun liefdesliedjes? Ze heeft verscheidene eeuwen

geleefd. De oudste menschen herinneren zich den tijd niet, dat zij

niet door 't land ging. Hun vaders hebben haar al oud gezien, toen

zij zelf nog jong waren. En nog is ze niet dood. Ik, die dit schrijf,

heb haar zelf gezien.

Machtig is ze, de dochter der Finnen. Ervaren in tooverkunst. Ze buigt

nergens voor. Haar breede voeten zetten vaste sporen in 't grint van

den weg. Zij roept de hagel op en bestuurt den bliksem. Zij doet

de koeien verdwalen, en hitst de wolven op de schapen aan. Ze kan

veel kwaad, maar weinig goed doen. 't Is 't beste haar te vriend te

houden. Vraagt ze u uw eenige geit af, geef haar die dan; anders valt

uw paard, anders brandt uw huis af, of de koe wordt ziek, of uw kind

sterft, of uw zuinige vrouw verliest haar verstand.

Nergens is ze welkom; en toch moet ze liefst ontvangen worden met

een glimlach. Want wie weet waarom ze komt? Haar bedoeling is niet

enkel haar bedelzak gevuld te krijgen. Booze teekenen vergezellen

haar. Vossen en uilen huilen onheilspellend in de schemering en

afschuwelijke roode en zwarte slangen, die etter spuwen, komen te

voorschijn uit het bosch en kruipen tot vlak bij den drempel.

Ze is trotsch. Haar hoofd bevat de groote wijsheid harer vaderen. En

dat verheft den geest. Sterke runen zijn gegrift in haar staf; die

verkoopt ze niet voor al het goud uit het dal. Tooverliederen kan ze

zingen, tooverkruiden koken, ze kan tooverschoten doen knallen over

't meer, stormknoopen kan ze binden.

Wat denkt ze wel, zij die komt uit de duisternis der bosschen, van

de geweldige rotsen, wat denkt ze wel van het volk in het dal. Voor

haar, die aan Thor, den reuzendooder, gelooft en aan de machtige

goden der Finnen, zijn de Christenen als tamme huishonden voor de

wolven. Zij die vrij is als de sneeuwstorm, sterk als de waterval,

kan nooit de kinderen van de vlakte liefhebben. Toch komt ze vaak van

de bergen af naar hun dwergenmaniertjes kijken. De menschen rillen

van schrik als ze haar zien; maar de sterke dochter der eenzame

woeste velden gaat rustig tusschen hen door, veilig door den schrik,

dien ze verspreidt. De heldendaden van haar stam zijn niet vergeten,

zoo min als haar eigene. Zooals de kat op haar klauwen vertrouwt,

zoo vertrouwt zij op de wijsheid in haar hersens en op de kracht van

de tooverliederen der oude goden. Geen koning is zekerder van zijn

macht als zij van 't rijk des schriks, waar zij regeert. Zoo is de

heks al door veel gemeenten getrokken. Nu is ze naar Borg gekomen,

en ze ontziet zich niet het grafelijk goed op te gaan. Zelden gaat

ze de keuken door. Ze gaat regelrecht de trappen van het terras op;

ze zet haar groote schoenen van boomschors op de met bloemen omzoomde

paden, even kalm alsof ze op 't bergpad wandelt.

Nu treft het juist, dat gravin Märta naar buiten is gekomen om de

pracht van den Junidag te genieten.

Beneden in den tuin houden twee dienstmeisjes stil op den weg naar

de provisiekamer. Ze komen uit de rookkamer, waar het vleesch gerookt

wordt en dragen een versch gerookten ham aan een stang tusschen zich

in. "Wil mevrouw de gravin eens naar den ham zien?" zeggen de meisjes,

"en eens ruiken of die genoeg gerookt is?"

Gravin Märta, die nu huismoeder op Borg is, buigt over de leuning

van de trap van 't terras en ziet naar den ham, maar op 't zelfde

oogenblik legt de finsche vrouw de hand op een van de hammen.

Zie toch eens dat bruine, glimmende zwoerd, die dikke vetlaag. Die

frissche lucht van pas gerookten ham. 't Is godenspijs! Die moet de

heks hebben! Daarom legt ze haar hand op den ham.

De dochter der bergen is niet gewend te smeeken en te vragen. Is het

niet van haar genade, dat menschen en kruiden leven?

Vorst en onweer en overstrooming, alles heeft ze in haar macht. Daarom

past het haar niet te vragen of te smeeken. Zij legt haar hand op

wat ze wenscht en dat is het hare.

Maar gravin Märta weet niet van de macht der oude. "Weg,

bedelaarster!" zegt ze.

"Geef mij dien ham," zegt de heks van Dovre, wie de wolven dienen.

"Je bent dwaas!" riep de gravin en beveelt de meisjes het vleesch in

de provisiekamer te brengen.

De oogen van de honderdjarige schieten vlammen van toorn en van

begeerte. "Geef mij dien bruinen ham!" herhaalt ze, "of je zult er

berouw van hebben."

"'k Geef hem nog liever aan de eksters, als aan zoo een als jij bent."

Dan trilt de oude van woede. Ze steekt haar staf met runen op en

zwaait die wild.

Haar lippen mompelen wonderlijke woorden. Heur haar rijst te berge,

haar oogen vonkelen, en haar gezicht is vertrokken.

"Jou zelf zullen de eksters opvreten!" schreeuwt ze eindelijk.

En daarop gaat ze heen, terwijl ze vloeken mompelt en woest met haar

staf zwaait. Nu gaat ze weer naar huis; verder naar 't zuiden gaat

ze niet. Nu heeft ze gedaan, wat ze doen moest, waarom zij van de

bergen naar 't dal trok.

Gravin Märta blijft op 't terras staan en lacht om haar onredelijke

boosheid, maar weldra versterft de lach op haar lippen. Want, daar

komen ze! Zij kan haar eigen oogen niet gelooven. Ze meent dat ze

droomt; maar ze komen--de eksters die haar zullen verslinden. Uit

't park en den tuin komen ze aansuizen en dalen op haar neer, eksters

bij honderdtallen met de klauwen gespannen en den bek vooruit om haar

te pikken. Ze komen met gekras en geschreeuw. Zwarte en witte vleugels

schitteren voor haar oogen. Duizelend ziet ze achter dien zwerm alle

eksters uit die streek aanvliegen, de heele lucht is vol van witte en

zwarte vleugels. De metaalgloed der veeren glimt in de morgenzon. De

staartveeren ruischen als bij vechtende roofvogels. In steeds kleiner

kringen vliegen de monsters om de gravin heen en mikken met snavel

en klauwen naar haar gezicht. Ze moet in de vestibule vluchten en de

deur sluiten. Zij tuimelt naar binnen, ademloos van angst, terwijl

de schreeuwende eksters buiten rondvliegen.

Maar nu was ze ook voor goed afgesloten van de heerlijke schoonheid

van den zomer en van 's levens vreugde. Voor haar bleef er nu niet

meer over dan gesloten kamers en neergelaten gordijnen, voor haar was

er slechts angst, vertwijfeling en verwarring, die aan waanzin grensde.

Deze vertelling kan ook wel waanzin lijken, maar ze moet toch waar

zijn. Er leven honderden oude menschen, die haar kennen en getuigen

willen, dat zóó de sage luidt.

De vogels bleven zitten op de leuning van de trap en op 't dak. Ze

zaten daar, alsof ze maar wachtten tot de gravin zich vertoonen zou

om haar aan te vliegen. Zij maakten hun nesten in 't park en bleven

daar. 't Was onmogelijk ze te verjagen van 't landgoed. Als men op

ze schoot werd het maar erger; want voor ieder ekster, die er viel,

kwamen er tien nieuwe aanvliegen. Soms moesten er wel velen van hen

weg om eten te zoeken, maar ze lieten altijd vertrouwde schildwachten

achter. En als gravin Märta zich maar vertoonde, als ze maar uit

een venster keek of maar even een gordijn op zij schoof--dan kwamen

ze dadelijk. Heel de vreeselijke zwerm kwam naar 't woonhuis met

bruisenden vleugelslag en de gravin vluchtte naar haar kamer midden in

't huis.

Zij bleef eindelijk in de slaapkamer, die op de roode zaal

uitkwam. Ik heb vaak de kamer hooren beschrijven, zooals die er in

dien vreeselijken tijd uitzag, toen Borg door de eksters belegerd

werd. Zware gordijnen voor deuren en vensters, dikke kleeden op den

grond, sluipende, fluisterende menschen.

In 't hart der gravin was ontzetting. Heur haar werd grijs. Haar huid

kreeg rimpels. In één maand werd ze een oude vrouw.

Ze kon haar hart niet stalen tot twijfel aan de booze toovermacht;

's nachts werd ze met een schok wakker uit vreeselijke droomen en riep,

dat de eksters haar zouden verslinden. Zij schreide dagen achtereen

over dit lot, wat ze niet ontgaan kon. Ze schuwde de menschen uit

angst, dat de vogelzwerm ieder die binnenkwam, op den voet zou volgen

en meest zat ze stil, met de handen voor het gezicht en wiegde heen

en weer in haar leuningstoel, ziek en ontstemd door de benauwde lucht

en barstte dikwijls in klachten en gejammer uit.

Geen menschenlot kon bitterder zijn.

Wie kan laten haar te beklagen?

Ik heb nu niet veel meer van haar te vertellen en wat ik verteld heb,

was niet veel goeds. 't Is alsof mijn geweten me beschuldigt. Ze was

toch goedig en vroolijk, toen ze nog jong was en menig genoegelijk

verhaal over haar heeft mijn hart verheugd, hoewel ze in dit boek

geen plaats vonden.

Maar 't is maar waar, al wist die arme stumperd het niet, dat de ziel

altijd om voedsel vraagt. Van sieraden en spel kan ze niet leven. En

als ze geen voedsel krijgt, verscheurt ze als een wild dier eerst

anderen en dan zich zelf.

Gösta Berling · 第 47 / 86 题