BOETE.

Lieve vrienden, als 't u ooit gebeuren mocht, dat ge een armen stumper

op uw weg ontmoet, een bedroefd wezentje, dat haar hoed op den rug

laat hangen en de schoenen in de hand draagt, om ook niet de minste

beschutting tegen de gloeiende zon en de steenen op den weg te hebben,

een hulpelooze, die uit vrijen wil alle smarten laat neerdalen op

haar hoofd--gaat haar voorbij met eerbiedig beven.

't Is de boetvaardige, weet ge?--de boetelinge op weg naar het

heilige graf.

De boetelinge draagt een ruwen mantel en leeft van water en brood,

al is hij ook een koning. Hij moet loopen en mag niet rijden. Hij

moet bedelen--hij mag niets bezitten. Hij moet tusschen de distels

slapen. Hij moet de harde grafsteenen uithollen met de knieën. Hij

moet den geesel over zijn rug laten gaan. Hij kan slechts vreugde in

lijden vinden, geen ander genot dan in smart.

De jonge gravin Elisabeth was eenmaal een van hen, die den ruwen

mantel droegen en den weg der doornen gingen. Haar hart klaagde haar

aan. Zij smachtte naar lijden, als de vermoeide naar een verkwikkend

bad. Nood en ellende bracht zij over zich, en jubelend daalde zij

neer in den nacht van smart.

Haar man, de jonge graaf met het oude hoofd, kwam op Borg terug,

den morgen na den nacht, toen de molen en de smidse van Ekeby door

den stroom waren verwoest. Hij was pas thuis gekomen, toen Gravin

Märta hem roepen liet en hem wonderlijke dingen vertelde.

"Je vrouw is uit geweest vannacht, Henrik. Zij bleef vele uren weg. Ze

kwam thuis met een man. Ik hoorde hem haar goeden nacht zeggen. Ik

weet ook wie hij is. Ik zag haar uitgaan en terugkomen;--dat was

zeker haar bedoeling niet. Zij bedriegt je, Henrik. Ze bedriegt je,

dat schijnheilige wezen. Ze heeft je nooit liefgehad, mijn arme

jongen. Haar vader wilde haar alleen maar goed getrouwd hebben. Zij

nam je alleen om bezorgd te zijn."

Zij deed haar woord zoo goed, dat graaf Henrik buiten zichzelf was. Hij

wilde scheiden. Hij wilde zijn vrouw naar haar vader terugzenden.

"Neen, mijn jongen," zei Gravin Märta; "op die manier zou ze heelemaal

te gronde gaan. Zij is verwend en heeft een slechte opvoeding

gehad. Laat haar maar aan mij over; ik zal haar wel tot haar plicht

terugbrengen."

En de graaf liet de gravin binnenroepen, om haar te zeggen, dat zij

voortaan onder zijn moeder zou staan. Ach, welk een tooneel volgde

er nu! Een jammerlijker comedie werd er wel nooit gespeeld in dit

huis der smart.

Vele booze woorden sprak hij tot haar. Hij hief zijn handen ten hemel

en klaagde dien aan, omdat hij toegelaten had, dat zijn naam door

een schaamtelooze vrouw door het slijk gesleurd werd. Hij dreigde

haar met de gebalde vuist en vroeg haar welke straf ze groot genoeg

achtte voor een misdaad als de hare.

Zij was in 't geheel niet verlegen voor haar man. Ze meende nog steeds,

dat ze goed gehandeld had. Ze zeide hem, dat ze al een geduchte

verkoudheid had opgedaan, en dat dàt straf genoeg was.

"Elisabeth," zegt gravin Märta; "dit is niet iets om gekheid over

te maken."

"Wij beiden," antwoordt de jonge vrouw, "zijn 't nooit eens kunnen

worden over den rechten tijd voor ernst en gekheid."

"Maar je moet toch begrijpen, Elisabeth, dat geen eerbare vrouw midden

in den nacht uit haar huis gaat, om met een berucht avonturier rond

te zwerven."

Toen begreep Elisabeth Dohna, dat haar schoonmoeder besloten had

haar ongelukkig te maken. Ze begreep dat ze tot het uiterste moest

strijden, opdat het haar niet gelukken zou een vreeselijke ellende

over haar te brengen.

"Henrik," smeekte zij, "laat je moeder zich niet tusschen

ons zetten. Laat mij je vertellen hoe alles gegaan is. Je bent

rechtvaardig; je zult me niet veroordeelen zonder me te hooren. Laat

mij je alles vertellen, en dan zul je zien, dat ik alleen gehandeld

heb zooals je me geleerd hebt."

De graaf knikte zwijgend, als teeken van toestemming. En gravin

Elisabeth vertelde nu hoe zij er toegekomen was Gösta Berling op den

verkeerden weg te drijven. Zij vertelde alles, ook hoe zij door haar

geweten gedreven was geworden uit te gaan en hem te redden, wien zij

onrecht gedaan had. "Ik had immers geen recht hem te veroordeelen,"

zeide zij, "en mijn man heeft mij zelf geleerd dat geen offer te

groot is, als men een onrecht goed wil maken, niet waar, Henrik?"

Graaf Henrik wendde zich tot zijn moeder.

"Wat zegt moeder hiervan?" vroeg hij. Zijn klein lichaam was nu

heelemaal stijf van waardigheid, en zijn hoog, smal voorhoofd lag in

majestueuze plooien.

"Ik?" vroeg de gravin; "ik zeg, dat Anna Stjärnhök wel wist wat ze

deed, toen ze Elisabeth die historie vertelde."

"Moeder begrijpt me niet," zei de graaf. "Ik vraag wat moeder van

die historie zegt. Heeft gravin Märta Dohna beproefd haar dochter,

mijn zuster, over te halen met een ontslagen predikant te trouwen?"

Gravin Märta zweeg een oogenblik. Ach, wat was Henrik toch dom! Nu

jaagde hij immers op het verkeerde spoor. Haar jachthond zette den

jager na en liet den haas loopen. Maar gravin Märta bleef nooit lang

een antwoord schuldig.

"Beste jongen," zei ze en haalde de schouders op, "er is alle reden om

die oude histories te laten rusten, dezelfde reden, waarom ik je ook

verzoek alle publiek schandaal te voorkomen. 't Is namelijk hoogst

waarschijnlijk, dat hij vannacht omgekomen is."

Ze zei dit op zachten, treurigen toon--maar er was geen woord waar

van al wat ze zei.

"Elisabeth heeft lang geslapen vanmorgen, en heeft daardoor niet

gehoord, dat er al menschen om het meer heen zijn gezonden om Gösta

Berling te zoeken. Hij is niet naar Ekeby teruggekomen, en men vreest

dat hij verdronken is. 't IJs is van morgen gaan kruien. Zie maar,

de storm heeft het aan duizend stukken geslagen."

Gravin Elisabeth zag naar buiten. Het meer was bijna vrij van ijs.

Toen schaamde zij zich over zichzelf. Zij had God's rechtvaardigheid

willen ontvluchten. Zij had gelogen en gehuicheld. Zij had zich gehuld

in 't kleed van de onschuld.

De wanhopige vrouw wierp zich op de knieën voor haar man, en de

bekentenis barstte los van hare lippen.

"Veroordeel me, verstoot me! Ik heb hem liefgehad. Twijfel er niet aan

of ik hem heb liefgehad! Ik ruk mij de haren uit; ik verscheur mijn

kleeren van smart. Ik geef om niets meer, nu hij dood is. Ik wil mij

niet meer verdedigen. Je zult alles weten. Ik heb de liefde van mijn

hart van mijn man weggenomen en die aan een vreemde gegeven. Ach,

ik ongelukkige, ik heb mij laten verlokken tot verboden liefde."

Arme, jonge, wanhopige vrouw! Lig daar aan de voeten van uw rechters en

zeg hun alles. Wees welkom, martelaarschap! Wees welkom, schande! Ach,

kondt gij den bliksem van den hemel afroepen over uw jong hoofd!

Zeg uw man, hoe ontzet ge waart, toen de hartstocht over u kwam,

geweldig en onweerstaanbaar, hoe ge hebt gesidderd over de ellendigheid

van uw hart. Liever hadt ge de spoken op het kerkhof van aangezicht

tot aangezicht gezien, dan de demonen in uw eigen ziel.

Zeg hun, hoe gij, van Gods aangezicht verdreven, u onwaardig voelde

op aarde te zijn. Onder tranen en gebeden hebt ge gestreden. "O,

God, red mij! O, Zone Gods, die de duivelen uitdrijft, red mij,"

hebt gij gebeden. Zeg hun, dat ge meendet, dat het 't best was alles

te verbergen. Niemand zou weten hoe slecht ge waart. Ge meendet, dat

het God welbehagelijk was zoo te handelen. Ge geloofdet ook, dat het

de weg Gods was, dien ge gingt, toen ge den man, dien ge lief hadt,

wilde redden. Hij wist niets van uwe liefde.

Hij zou niet verloren gaan om uwentwil. Wist gij wat recht of wat

onrecht was? God alleen wist het en hij had u veroordeeld. Hij had

den afgod van uw hart getroffen. Hij had u gevoerd op den grooten

weg der boete en der verlossing.

Zeg hun, dat ge weet, dat verbergen geen redding brengt. De demonen

hebben het duister lief. Laat de handen van uw rechters zich maar om

den geesel klemmen. De straf zal als verzachtende balsem op de wond

der zonden dalen. Uw hart smacht naar lijden.

Zeg hun dit alles, terwijl ge daar op uw knieën ligt op den vloer,

de handen wringt in uw vreeselijke smart, spreekt op den woesten

toon der vertwijfeling en met een wilden lach de gedachte begroet

aan straf en schande, tot uw man u aangrijpt en u opheft van den vloer.

"Gedraag je zooals 't een gravin Dohna past; anders zal ik moeder

moeten verzoeken je als een kind te tuchtigen."

"Doe met mij wat je wilt!"

Daar valt het vonnis van den graaf:

"Moeder heeft voor je gesproken. Daarom mag je in mijn huis blijven

wonen. Maar in 't vervolg zal zij bevelen en jij gehoorzamen."

Zie den weg der boete! De jonge gravin is de geringste der

dienstmaagden geworden.

Hoe lang, ach, hoe lang?

Hoe lang zal een trotsch hart zich kunnen buigen? Hoe lang ongeduldige

lippen zwijgen? Hoe lang een heftige hand teruggehouden worden?

Weldadig is de ellende der vernedering. Terwijl de rug zeer doet door

den zwaren arbeid, zwijgt het hart. Bij hen, die maar een paar uren

op den harden stroozak rusten, komt de slaap ongeroepen.

Zelfs als de oude vrouw tot een boozen geest wordt, om de jonge genoeg

te kunnen plagen, dankt zij haar weldoenster. Nog is het kwaad niet

dood in haar. Jaag de doodmoede op, ieder morgen om vier uur. Draag de

ongeoefende werkster een zware dagtaak op aan 't zware weefgetouw. Dat

is goed! De boetvaardige heeft misschien geen kracht genoeg om zelf

den geesel voldoende te zwaaien.

Als de tijd van de groote voorjaarswasch komt, laat gravin Märta

haar aan de tobbe in 't waschhok staan. Zij komt zelf om op 't werk

toe te zien. "'t Water in je tobbe is koud," zegt zij, neemt kokend

water uit een pan en giet het haar over de bloote armen.

't Is een koude dag, als de waschvrouwen aan het meer moeten staan

en het goed uitspoelen.

Regenbuien stroomen op hen neer, met sneeuw vermengd, en doorweeken hun

kleeren. Die worden koud en zwaar als lood.'t Is een hard werk wat ze

moeten doen. Het bloed springt te voorschijn van onder de fijne nagels.

Maar gravin Elisabeth klaagt niet. Gods goedheid zij geloofd! Waar

vindt de boetvaardige meer verlichting dan in lijden? Als rozebladen

dalen de geeselslagen op haar rug.

De jonge vrouw verneemt spoedig, dat Gösta Berling leeft. De oude heeft

haar door list tot bekentenis willen brengen. Maar wat zou dat? Het

was Gods wil. God heeft het zoo beschikt. Zoo is de zondares op den

reddenden weg der verzoening gelokt.

Er is maar één ding, dat haar beangstigt. Hoe zal het haar schoonmoeder

gaan, wier hart om harentwille verhard werd? O, God zal haar genadig

oordeelen. Zij moet boos zijn, om de zondares te helpen Gods liefde

te herwinnen.

Zij wist niet hoe vaak een ziel, die alle ander genot beproefd

heeft, eindelijk haar vreugde in wreedheid zoekt. Als de ongeduldige,

verduisterde ziel vleierij en liefkoozingen, de prikkeling van dans en

spel mist, dan zinkt ze neer in haar eigen duistere diepte en zoekt de

wreedheid. Dan is er nog een bron van genot voor het verslapt gevoel in

't pijnigen van dieren en menschen.

De oude is zich geen boosaardigheid bewust.

Ze gelooft, dat ze een lichtzinnige echtgenoote straft. Ze ligt des

nachts wakker en bedenkt nieuwe pijnigingen. Wee haar, ze bedrijft

heiligschennis. De arbeid zelf, die groote weldaad, verandert zij in

een straf en een plaag.

Op een avond gaat zij door het huis en laat de gravin haar met een

kaars bijlichten.

Zij draagt die in de hand zonder blaker.

"De kaars is opgebrand," zegt de jonge gravin.

"Laat dan den kandelaar branden," antwoordt gravin Märta.

En zij gaan voort, tot de walmende pit uit gaat op de verbrande hand.

Maar dit zijn maar kleinigheden. Er zijn pijnigingen voor de ziel,

die alle lichamelijke pijnen te boven gaan. Gravin Märta noodigt

gasten en laat de huisvrouw dienen aan haar eigen tafel.

Zie, dat is een vreeselijke dag voor de boetelinge. Vreemde menschen

zullen haar in haar vernedering zien. Zij zullen het zien, dat zij

niet meer waardig is aan de tafel van haar man te zitten. O, hoe

honend zullen hun koele blikken op haar rusten! Maar 't is erger,

veel erger! Niemand ziet haar aan. Allen zitten stil en gedrukt aan

tafel. Mannen en vrouwen zijn even ontstemd. Maar zij verzamelt al

die dingen en legt ze als gloeiende kolen op haar hoofd. Is haar

zonde zóo vreeselijk? Is het een schande, in haar nabijheid te zijn?

Maar dan komt de verzoeking: Anna Stjärnhök, die haar vriendin geweest

is, en haar buurman, de rechter van Munkerud, slaan de armen om haar

heen, als ze bij hen komt, nemen haar den schotel met vleesch uit de

hand, schuiven een stoel aan en willen haar niet loslaten.

"Kom hier zitten, mijn kind, kom hier zitten," zegt de rechter. "Je

hebt niets kwaads gedaan."

En als uit éen mond verklaren alle gasten dat zij, als zij niet aan

tafel blijft zitten, allen zullen heengaan. Zij zijn geen beulen. Zij

willen niet naar de pijpen van gravin Märta dansen. Zij laten zich

niet zoo gemakkelijk wat wijs maken als die schaapskop van een graaf.

"Ach, goede heeren, ach, lieve vrienden! Weest niet zoo barmhartig. U

dwingt er me toe zelf mijn zonde bekend te maken. Er is éen, dien ik

te lief gehad heb."

"Kind, je weet niet eens wat zonde is. Je weet niet hoe onschuldig je

bent. Gösta Berling wist immers niet eens, dat je van hem hield. Neem

nu in je huis de plaats weer in, die je toekomt. Je hebt niets

kwaads gedaan."

Zij doen haar moed herleven voor een poosje, en zijn op eens zelf

zoo vroolijk als kinderen. Gelach en scherts klinken om de tafel. Die

driftige, lichtbewogen menschen, ze zijn zoo goed; maar ze zijn toch

van den Booze gezonden. Zij willen haar wijsmaken dat ze een martelares

is, en honen openlijk gravin Märta, alsof ze een heks was. Maar zij

begrijpen het niet. Ze weten niet hoe de ziel naar reinheid smacht;

zij weten niet hoe de boetvaardige door haar hart gedwongen wordt de

steenen op den weg en de gloeiende zon te verdragen.

Soms dwingt gravin Märta haar dagen lang aan het borduurraam te zitten,

en dan vertelt ze eindelooze geschiedenissen van Gösta Berling,

dien predikant en avonturier. Reikt haar geheugen niet ver genoeg,

dan verzint ze maar wat. Ze zorgt er alleen voor, dat zijn naam den

heelen dag de jonge vrouw in de ooren klinkt. Daar is zij 't meest

bang voor. Op zulke dagen voelt zij, dat haar boete nooit eindigen

zal. Haar liefde zal niet sterven. Zij gelooft, dat zij zelf eerder

sterven zal. Haar lichaamskrachten gaan haar begeven. Ze voelt zich

dikwijls zoo ziek.

"Maar waar blijft je ridder toch?" vraagt de gravin, honend. "Dag

aan dag verwacht ik, dat hij komen zal aan 't hoofd van de

kavaliers. Waarom bestormt hij Borg niet, zet je op den troon, en

werpt je man en mij geboeid in den toren? Heeft hij je al vergeten?"

Zij zou hem wel willen verdedigen en vertellen, dat ze zelf hem

verboden heeft haar op welke wijze ook te helpen. Maar, neen, 't is

beter te zwijgen, te zwijgen en te lijden.

Dag aan dag wordt ze door overspanning verteerd. Ze heeft aanhoudend

koorts, en is zoo moe, dat zij zich nauwelijks op de been kan

houden. Zij verlangt alleen te sterven. Haar sterke levenslust is

onderdrukt. Liefde en vreugde wagen zich niet meer te bewegen. Zij

heeft voor het lijden geen vrees meer.

't Is of haar man niet meer weet, dat zij bestaat. Hij zit bijna den

heelen dag in zijn kamer, en studeert in half onleesbare handschriften

en oud, vuil, gedrukt papier. Hij leest perkamenten bewijzen van

adel, met het groote, geweldige, Zweedsche rijkszegel er aan, van

rood was in een gedraaid, houten huisje bewaard. Hij bestudeert oude

wapens met lelies in een wit veld en een gier in een blauw veld. Zulke

dingen begrijpt hij, en hij kan ze gemakkelijk vertalen. En hij leest

en herleest oude lijkredenen en bijzonderheden over de edele graven

Dohna, waarin hun daden vergeleken worden met die van Israël's helden

en de goden van Hellas.

Al die oude dingen hadden hem altijd genot verschaft. Maar om zijn

jonge vrouw geeft hij niet meer.

Gravin Märta heeft een woord gezegd, dat alle liefde in hem gedood

heeft: "Zij heeft je om je geld genomen." Dat kan geen enkel man

verdragen. Dat dooft alle liefde. Nu was 't hem onverschillig, hoe

het de jonge vrouw ging. Als zijn moeder haar tot haar plicht terug

kon brengen, des te beter. Graaf Henrik bewonderde zijn moeder zeer.

De ellende duurde een maand lang. Maar die heele tijd was

natuurlijk niet zoo stormachtig en bewogen, als het schijnt,

wanneer de gebeurtenissen op een paar bladzijden bij elkaar gedrongen

worden. Gravin Elisabeth moet voor het oog altijd heel kalm geweest

zijn. Alleen toen ze hoorde, dat Gösta Berling dood zou zijn, was ze

door haar ontroering overmeesterd. Maar zóó groot was haar berouw,

omdat ze de liefde voor haar man niet had kunnen bewaren, dat ze

waarschijnlijk zich door gravin Märta zou hebben laten doodplagen,

als niet op een avond haar oude huishoudster met haar gesproken had.

"Mevrouw de gravin moet met den graaf spreken," zei de oude. "Lieve

hemel, mevrouw lijkt wel een kind. Mevrouw weet misschien niet eens

wat haar wacht, maar ik zie wel hoe de zaken staan."

Maar dàt kon ze juist haar man niet zeggen, nu hij zulk een vreeselijk

wantrouwen tegen haar koesterde.

Dien nacht kleedde zij zich stil aan en ging uit. Zij droeg een gewoon

boerinnekostuum en had een pakje in de hand. Zij was van plan haar

huis te verlaten en nooit terug te komen. Zij ging niet heen om smart

en lijden te ontkomen. Maar nu geloofde zij, dat God haar een teeken

gegeven had, dat ze heengaan mocht, omdat ze haar lichaamskracht en

gezondheid bewaren moest.

Ze ging niet naar 't Westen over 't meer, want daar woonde hij,

dien ze liefhad. Ze ging ook niet naar 't Noorden, want daar woonden

velen van haar vrienden, en ook niet naar 't Zuiden, want daar was

haars vaders huis, en dat wilde zij geen stap nader komen. Maar ze

ging naar het Oosten, want ze wist, dat ze daar geen tehuis had,

geen geliefden vriend, geen mensch, dien ze kende, geen hulp of troost.

Ze ging niet met een licht hart, want zij voelde zich niet verzoend met

God. Maar toch was zij er blij om, dat zij den last van haar zonde in

't vervolg onder vreemden zou dragen. Hun onverschillige blikken zouden

op haar rusten, verzachtend als ijs op een gezwollen lichaamsdeel.

Zij zou loopen tot ze een armoedig huis aan den boschkant zag,

waar niemand haar kende. "Ge ziet wel hoe 't met me gesteld is en

mijn ouders hebben me weggejaagd," zou ze zeggen. "Geef me voedsel

en kleeren en een dak boven mijn hoofd, tot ik zelf mijn brood kan

verdienen. Ik heb nog wel wat geld."

Zoo ging ze langzaam weg in den lichten Juninacht, want de maand Mei

was onder haar bitter lijden voorbij gegaan.

Ach, Meimaand! Schoone tijd, als de berkeboomen hun lichtgroen in

het duister van het dennenbosch doen lichten, als de Zuidenwind weer

komt, verzadigd van warmte. Ik schijn wel heel ondankbaar, meer dan

anderen, die zich over uw gaven verheugen, heerlijke maand. Met geen

enkel woord heb ik uw schoonheid geprezen. Ach, Meimaand, heerlijke

lichte maand, hebt ge wel eens op een kind gelet, dat op moeders

schoot zit en sprookjes hoort vertellen? Zoolang het kind hoort van

wreede reuzen en het bitter lijden van schoone prinsessen, houdt het

zijn hoofd omhoog en de oogen open; maar als de moeder van geluk en

zonneschijn gaat vertellen, dan sluit de kleine de oogen en slaapt

stil in met het hoofd aan haar borst.

Zie, lieve Meimaand, zoo'n kind ben ik ook. Laat anderen luisteren naar

verhalen van bloemen en zonneschijn, ik voor mij verkies de donkere

nachten vol visioenen en avonturen; ik verkies de treurige levens,

de smartelijke hartstochten van verdoolde harten.

Gösta Berling · 第 42 / 86 题