Moeilijk zijn de wegen, die de menschen te gaan hebben op aarde.
Woestijnpaden, moeraspaden, bergpaden!
Waarom gaat daar zooveel smart ongehinderd haar gang, tot ze
verdwaalt in de woestijn of neerzinkt in 't moeras of neerstort van
de bergen? Waar zijn de kleine boerenmeisjes, waar zijn de prinsessen
uit de sprookjes, in wier spoor rozen groeien; waar zijn zij, die
bloemen moeten strooien op de moeilijke wegen?
Nu heeft Gösta Berling, de dichter, besloten te trouwen. Hij zoekt
alleen nog maar een bruid, die arm en gering genoeg is voor een
gekken predikant. Schoone, edele vrouwen hebben hem liefgehad; maar
zij zullen niet te voorschijn treden en naar zijn hand dingen. De
verstooteling moet kiezen uit de verstootenen.
Wie zal hij kiezen?
Soms komt er een arm jong meisje op Ekeby uit een eenzaam wouddorpje
boven op de bergen; zij verkoopt bezems. In dat stadje, waar altijd
armoede en groote ellende heerscht, zijn er velen, die niet bij hun
volle verstand zijn, en het meisje met de bezems is er een van.
Maar mooi is ze. Haar lang zwart haar is opgenomen in zulke dikke
vlechten, dat ze ternauwernood plaats kunnen vinden op haar hoofd;
haar wangen zijn fijn gerond, haar neus recht en niet heel groot,
haar oogen blauw. Zij hoort tot de melancholieke, madonna-achtige
type, die men nog vindt onder de mooie meisjes aan de oevers van het
lange Löfvenmeer.
Dus--nu had Gösta een bruid--een half wijs meisje met bezems is
een goede vrouw voor een gekken predikant. Hij heeft dus maar naar
Karlstad te reizen om ringen te halen, en dan kunnen ze weer eens een
vroolijken dag hebben aan 't Löfvenmeer. Ze zullen nog eens om Gösta
Berling lachen, als hij zich met het bezemverkoopstertje verlooft
en haar trouwt. Wat zullen ze lachen! Een vermakelijker streek heeft
hij nooit uitgehaald!
Moeilijk zijn de wegen, die de menschen gaan: woestijnpaden,
moeraspaden, bergpaden!
Moet niet de verstootene den weg der verstootenen gaan? Den weg
van toorn, van smaad, van onheil? Wat doet het er toe of hij valt,
of hij te gronde gaat? Is er iemand, die het de moeite waard vindt
hem tot staan te brengen?
Is er iemand, die hem een helpende hand, een verkwikkenden drank
reikt? Waar zijn de kleine bloemenmeisjes, waar de princessen uit het
sprookje?--waar zijn zij, die rozen moeten strooien op de moeilijke
wegen?
Neen, neen, de jonge gravin op Borg zal Gösta Berling in zijn plannen
niet storen; zij zal aan haar reputatie denken, aan den toorn van
haar man, aan den haat van haar schoonmoeder; zij zal niets doen om
hem terug te houden.
Onder de lange godsdienstoefening in de kerk van Svartsjö zal zij haar
hoofd buigen, haar handen vouwen en voor hem bidden. In slapelooze
nachten kan zij misschien over hem schreien en bezorgd voor hem zijn;
maar zij heeft geen bloemen, om op den weg van den verstootene te
strooien, geen droppel water, om den dorstende te reiken, geen lichten
handdruk, die hem van den rand van den afgrond terug kan voeren.
Gösta Berling geeft er niet om of zijn bruid met zijde en sieraden
getooid is. Hij laat haar van hoeve tot hoeve gaan met bezems, zooals
gewoonlijk; maar als hij alle aanzienlijke mannen en vrouwen uit den
omtrek op Ekeby bijeenverzameld heeft, dan zal hij zijn verloving
afkondigen. Dan zal hij haar uit de keuken binnenroepen, zooals zij
van haar lange zwerftochten komt, met het stof en het vuil van den
weg op haar kleeren, misschien in lompen en met ongekamde haren, met
verwilderde oogen, met verwarde woorden op de lippen. En dan wil hij de
gasten vragen of hij nu niet een bruid gekozen heeft, die goed bij hem
past, of niet de gekke predikant trotsch wezen mag op zulk een schoone
bruid, op dat zachte madonnagezicht, met die blauwe, dwepende oogen.
Niemand zou er van te voren iets van weten; maar het gelukte hem
niet zijn geheim te bewaren, en éen van hen, die het te weten kwam,
was de jonge gravin Elisabeth Dohna. Maar wat kon zij er aan doen?
De dag van de verloving is gekomen; de schemering is gevallen. De
gravin staat aan het venster van haar blauwe kabinet, en staart naar
het noorden. Zij gelooft haast, dat zij Ekeby zien kan, hoewel de
nevel en haar tranen haar de oogen verduisteren. Zij ziet duidelijk
het groote huis met de drie verdiepingen; de drie rijen verlichte
vensters stralen. Zij stelt zich voor hoe de champagne ingeschonken
wordt, de toasten hoort ze, en hoe Gösta Berling zijn verloving met
het bezemverkoopstertje afkondigt.
Als ze nu bij hem stond en stil de hand op zijn arm lei, of alleen
maar hem vriendelijk aanzag, zou hij dan niet terugkeeren van den
slechten weg der verstootenen? Heeft niet een woord van haar hem
tot die wanhopende daad gedreven? Zou niet een woord van haar hem
kunnen terughouden?
De gravin rilt voor de zonde, die hij begaan zal tegenover dat arme,
ongelukkige kind, dat nu verlokt zal worden hem lief te hebben voor de
grap van éen dag. Misschien ook--en zij rilde nog meer voor de zonde,
die hij tegenover zichzelf beging--om als een drukkende last hem voor
't leven te bezwaren en zijn geest voor goed de kracht te ontnemen
om zich weer omhoog te werken.
En alles samen genomen, was het toch haar schuld. Zij had met
veroordeelende woorden hem den slechten weg opgedreven. Zij, die had
moeten zegenen en verzachten, waarom had zij een doorn te meer in de
doornenkroon van den zondaar gevlochten?
Ja, nu weet ze wat ze doen zal. Zij zal de zwarte paarden voor de
sleê laten spannen, Ekeby binnen stormen, vlak voor Gösta Berling
gaan staan, en hem zeggen, dat ze hem niet veracht, dat ze niet
wist wat zij zei, toen ze hem uit haar huis joeg.... Neen--zoo iets
kon ze toch niet doen. Ze zou verlegen worden en geen woord durven
zeggen. Ze was immers getrouwd en moest voorzichtig zijn. 't Zou tot
allerlei praatjes aanleiding geven, als ze zoo iets deed. Maar als
ze het niet deed, hoe zou het dan met hem gaan?
Ze moest voort.
En dan denkt ze er aan, dat ze daar onmogelijk heen kan komen. Om
dezen tijd van het jaar kunnen geen paarden meer over 't Löfvenmeer
gaan. 't IJs is op 't punt van te smelten; 't is al aan den oever
losgeraakt. 't Ligt los, gebarsten en vuil; 't water spiegelt er
door naar boven; op sommige plaatsen staat het op 't ijs in zwarte
plassen, op andere plaatsen is het ijs verblindend wit. Maar voor
't grootste gedeelte is 't toch grauw en vuil door smeltende sneeuw,
en de wegen gaan er als lange, zwarte strepen overheen.
Hoe kan zij er aan denken om heen te gaan! Haar schoonmoeder, de
oude gravin Märta, zou het haar nooit toestaan. Den heelen avond
moest zij naast haar in de groote huiskamer zitten en naar de oude
hofgeschiedenissen hooren, die de vreugd van de oude dame zijn.
Maar de nacht komt. En haar man is niet thuis. Nu is ze vrij!
Rijden kan ze niet; zij durft de bedienden niet roepen; maar de angst
drijft haar uit haar huis. Ze kan niet anders.
Moeilijk zijn de wegen, die de menschen gaan op aarde. Woestijnpaden,
moeraspaden, bergpaden!
Maar deze weg in den nacht over het smeltende ijs--waarmede zal ik dien
vergelijken? Is dat niet de weg, dien de kleine bloemenmeisjes zelf
moeten gaan, een onzekere, wankelende, gladde weg, de weg van hen,
die geslagen wonden willen genezen, van hen, die willen oprichten,
de weg van hen met vlugge voeten, met heldere oogen, met moedige,
liefdevolle harten!
't Was over middernacht, toen de gravin den oever van Ekeby
bereikte. Zij was op het ijs gevallen, was over de breede kloven
gesprongen, zij was vlug en licht over de plaatsen geloopen, waar
haar voetspoor met water volgeloopen was; zij was uitgegleden. Zij
had gekropen. 't Was een zware gang geweest. Zij had onder 't loopen
geschreid. Zij was nat en moe geworden, en buiten op het ijs hadden
de duisternis, de eenzaamheid en de leegte om haar heen haar angstig
gemaakt. Nu, vlak bij Ekeby, was zij door water van een voet hoog
gewaad, om aan land te komen.
En toen zij op den oever gekomen was, had zij geen moed voor iets
anders gehad, dan om zich op een steen te zetten en van moeheid en
hulpeloosheid te schreien.
Moeilijke wegen gaan de menschenkinderen, en de kleine bloemenmeisjes
zinken soms naast hun korf neer, juist als zij degenen bereiken,
op wier wegen zij bloemen willen strooien.
Deze voorname jonge vrouw was toch een beminnelijk heldinnetje. Zulke
wegen was zij niet gewend te gaan in haar zonnig vaderland. Geen
wonder dus, dat zij aan den oever van het onheilspellende, vreeselijke
meer zit, nat, moe en ongelukkig, en denkt aan de effen, met bloemen
omzoomde paden van haar vaderland.
Ach, voor haar bestaan Zuid en Noord niet meer. Zij staat midden in het
leven. Zij schreit niet van heimwee; zij schreit, arm bloemenmeisje,
kleine heldin, omdat ze zoo moe is, dat ze hem niet bereiken kan,
op wiens weg ze bloemen wil strooien. Zij schreit, omdat ze gelooft,
dat ze te laat gekomen is.
Daar komen eenige menschen haastig langs het strand aanloopen. Ze ijlen
haar voorbij, zonder haar te zien, maar ze hoort hun woorden: "Als
de dam doorbreekt, gaat de smidse er aan," zegt de een; "en de molen
en de werkplaats en 't huis van den smid," voegt een ander er bij.
Dan herleeft haar moed. Zij staat op en volgt hen.
De molen en de smidse van Ekeby lagen op een smal, vooruitstekend stuk
land, waaromheen de Björksjöbeek bruiste. Die kwam bruisend tegen de
landpunt aan, wit schuimende van den geweldigen val daarboven, en
om de bebouwde streek voor het water te beschutten, lag er in dien
tijd een geweldige golfbreker voor. Maar de kisting was oud en de
kavaliers hadden 't roer in handen. Zij dansten over stok en steen;
maar zij hadden geen tijd om toe te zien, hoe de koude en de tijd de
oude steenen kisting hadden geteisterd.
Toen kwam het water in 't voorjaar en de kisting begon te wijken.
De waterval bij Ekeby is een geweldige grauw steenen trap, waar de
golven van de Björksjöbeek bruisend langs storten. Ze worden duizelig
van de vaart, tuimelen omver en bonzen tegen elkaar. Ze stuiven in
toorn op en bespatten elkaar met schuim, vallen nu over een steen,
dan over een stok, en springen weer op, om opnieuw te vallen, al
schuimend en proestend en donderend.
En die wilde, opgehitste golven, door de lentelucht als in een roes,
dronken door hun pas herwonnen vrijheid, loopen nu storm op den
ouden steenen muur. Zij komen, werkend en proestend, stormen hoog
op hem af, en trekken zich weer terug, alsof zij hun witte koppen
gestooten hebben. Maar 't is een stormloopen: zij gebruiken groote
ijsstukken als schild, stukken hout als stormrammen; zij storten,
bonzen en bruisen tegen den armen muur op, tot het opeens is, alsof
deze hun een: "Wees voorzichtig!" toeroept. Zij stuiven terug, en een
groote steen, die van de kisting is losgeraakt, komt hen achterna en
zinkt bulderend in den stroom.
't Is alsof zij daarvan geschrikt zijn; zij staan stil, ze jubelen,
ze houden raad, en dan stuiven ze weer voort. Daar zijn ze weer met
ijsblokken en stukken hout, vol dwaze streken, onbarmhartig, wild,
dol van vernielzucht.
"Als die kisting maar weg was," zeggen de golven; "als die kisting
maar weg was! Dan kwamen de smidse en de molen aan de beurt.
"De dag der vrijheid is gekomen--weg met de menschen en het
menschenwerk. Ze hebben ons besmeerd met steenkool; ze hebben ons
onder 't juk gebracht als ossen, ons in 't rond laten rijden, ons
opgesloten, ons met planken den weg versperd, ons gedwongen de zware
wielen te trekken, de lompe blokken timmerhout te dragen!
"Maar nu willen we ons vrijmaken.
"De dag der vrijheid is gekomen! Hoort het, o, golven daar boven,
in Björksjö. Hoort het, broeders en zusters in moeras, beek en
woudstroom; komt, komt, stort u weêr in de Björksjöbeek; komt met
frissche krachten, bulderend, suizend, om 't juk van eeuwen te breken,
komt, komt! Het bolwerk der tirannie moet vallen. Dood over Ekeby!"
En zij komen. Golf aan golf stort neer langs den waterval, om tegen
de kisting storm te loopen, om mee te helpen aan 't groote werk. Als
in een roes door de pas herwonnen vrijheid, in grooten getale, als
éen man, komen ze en maken steen voor steen los. De eene aardkluit
na de andere vegen ze weg van den wankelenden golfbreker.
Maar waarom laten de menschen toch de woeste golven razen, zonder
weerstand te bieden? Is Ekeby uitgestorven?
Neen, er zijn menschen, een radelooze, verwarde, hulpelooze schare. De
nacht is donker, ze kunnen elkaar niet zien, ze kunnen niet zien waar
ze loopen. De waterval bruist geweldig; er is een vervaarlijk gedruisch
van barstend ijs en tegen elkaar bonzend hout. Ze kunnen niet hooren,
wat ze zeggen.
De woestheid, die over de bruisende golven is gekomen, vult ook de
hersens der menschen; zij hebben geen enkele gedachte in hun hoofd;
zij zijn als zinneloozen.
De fabrieksklok luidt: "Hij, die oore heeft om te hooren, die
hoore. Wij hier, bij Ekeby's smidse, zijn den ondergang nabij. De
beek valt ons aan. De dam wankelt, de smidse is in gevaar, de molen
ook en onze eigen armelijke huisjes, die we liefhebben, hoe klein ze
ook zijn."
De golven meenen zeker, dat het klokgelui hun vrienden roept, want
er vertoont zich geen mensch. Maar in 't bosch en in 't moeras komt
beweging. "Help, help!" roept de klok. "Na eeuwen van slavernij hebben
we ons eindelijk vrijgemaakt. Komt, komt!"
De bruisende golven en de luidende fabrieksklok zingen het doodslied
over Ekeby's eer en roem.
En intusschen wordt de eene bode na den anderen naar de kavaliers
gezonden.
Zijn zij in een stemming om aan de smidse en den molen te denken?
Honderden gasten zijn in Ekeby's groote zalen bijeen. 't Meisje met de
bezems wacht in de keuken. Het spannend oogenblik van de verrassing
is gekomen. De champagne parelt in de glazen. Julius staat op om den
eersten toast te houden. Al de oude avonturiers verheugen zich over
de stomme verbazing, die over het gezelschap zal komen.
Buiten op 't ijs van het Löfvenmeer gaat de jonge gravin Dohna een
duisteren, levensgevaarlijken gang, om Gösta Berling een waarschuwend
woord te kunnen toefluisteren,
Aan de beek loopen de golven storm op Ekeby's eer en aanzien; maar
in de groote zalen heerscht alleen vreugde en gespannen verwachting;
de kaarsen schitteren, de wijn stroomt; daarbinnen denkt niemand aan
wat daarbuiten gebeurt, in den donkeren, stormachtigen voorjaarsnacht.
Nu is het oogenblik gekomen. Gösta staat op en gaat zijn bruid
halen. Hij moet door de vestibule. De groote deuren staan wijd open;
hij blijft staan; hij ziet naar buiten in den stikduisteren nacht. En
hij hoort, hij hoort!
Hij hoort de klok luiden, de beek bruisen; hij hoort het gedreun van
het barstende ijs, het gedruisch van het tegen elkaar bonzend hout,
den bruischenden, honenden, fieren overwinnaars- en vrijheidszang
van de golven.
Dan vergeet hij alles en vliegt naar buiten in den nacht. Zijnentwege
mogen zij daarbinnen blijven staan met opgeheven glazen en wachten
tot den jongsten dag, hij geeft er niet om. Zijn bruid mag wachten,
Julius' toast op zijn lippen besterven. Vannacht worden er geen
ringen gewisseld; geen stomme verbazing zal het schitterend gezelschap
vervullen.
Wee u, gij oproerige golven; nu geldt het in waarheid een strijd voor
de vrijheid! Nu komt Gösta Berling naar de beek; nu hebben de lieden
een aanvoerder, nu staan de verdedigers op de muren; nu begint een
geweldige strijd.
Hoor, hoe hij de menigte toeroept! Hij beveelt, hij zet allen aan
't werk.
"Licht moeten we hebben, allereerst licht. Hier hebben we niet genoeg
aan de hoornen lantaarn van den molenaar. Zie die hopen takken daar,
draag ze hierheen en steek ze in brand. Dat is werk voor vrouwen en
kinderen. Gauw maar! Maak een groot vuur van takken. Dat zal ons bij
't werk lichten; dat wordt van verre gezien en roept hulp hierheen. En
zorg er voor, dat het niet uitgaat; haal stroo en sprokkelhout,
en laat de heldere vlammen tot de wolken gaan.
"Hier, mannen, hier is werk voor jullie. Hier is hout en planken,
timmert een noodkisting, dien we voor den wankelenden muur kunnen
neerlaten. Snel aan 't werk! Maakt hem sterk en vast. Houdt steenen en
zakken met zand klaar, om hem te doen zinken. Vlug, neemt je bijlen,
laat de hamerslagen dreunen, zet de boor in 't hout, en laat de zaag
door de droge planken gaan.
"En waar zijn de jongens? Hierheen! Komt voor den dag, wilde
rekels. Haalt stangen, haalt bootshaken, en komt hier midden in
't gevecht. Op den dam, jongens! Midden tusschen de golven, al
schuimen en koken ze ook, en bespatten ons met hun wit schuim. Weert
ze af, verzwakt ze, weert ze af, die aanvallen, die de muren doen
barsten. Schuift de stukken timmerhout en de ijsblokken op zij; gaat
liggen, als 't niet anders kan, en houdt de losgerukte steenen met je
handen vast; bijt er in, pakt ze met ijzeren vuisten. Vechten! jongens,
deugnieten, wilde katers! Hier op de muren met jelui! Wij zullen
vechten om iederen duimbreed grond!"
Zelf gaat Gösta 't verst vooruit op den dam, en staat midden in 't
schuim, terwijl de grond onder zijn voeten beeft. De golven brullen
en razen, maar zijn woest hart geniet van het gevaar, van de onrust
en den strijd. Hij lacht, hij heeft vroolijke invallen voor de jongens
om zich heen op den dijk; nooit woonde hij een vroolijker nacht bij.
Het reddingswerk gaat goed vooruit. Het vuur vlamt op, de bijlen
dreunen, de dam houdt nog.
Ook de andere kavaliers en de honderd gasten zijn aan den waterval
gekomen. Van heinde en ver komen menschen; allen zijn aan 't werk
bij de vuren, de kisting bij de zandzakken en op de wankelende,
bevende, steenen kisting. Ziezoo, nu is de kisting klaar. Nu moet hij
neergelaten worden voor den wankelenden, schuddenden golfbreker. Houdt
de steenen en zandzakken klaar, en de bootshaken en de touwen,
opdat hij niet weggeslagen worde, opdat de menschen overwinnen en de
onderworpen golven tot hun slavernij terugkeeren.
Daar, op het beslissende oogenblik, krijgt Gösta een vrouw in het
oog, die op een steen aan de beek zit. De vlammen van het takkenvuur
verlichten haar, zooals ze daar zit en op de golven staart. Hij kan
haar niet duidelijk zien door den mist en het schuim: maar zijn oogen
worden onophoudelijk tot haar getrokken. Telkens en telkens moet hij
naar haar zien; het is alsof die vrouw juist hem wat te zeggen heeft.
Onder al die honderden, die aan den oever zich bewegen en werken, is
zij de eenige, die stil zit, en zijn blik zoekt haar onophoudelijk,
hij ziet alleen haar.
Zij zit ver vooruit, zóo ver, dat de golven om haar voeten slaan en
't schuim over haar heen spat. Zij moet druipnat zijn. Zij is donker
gekleed, heeft een zwarte sjaal om het hoofd, zit in elkaar gedoken,
met de hand onder de kin, en staart onophoudelijk naar hem heen, naar
den golfbreker. Hij voelt, dat die starende oogen trekken en lokken,
hoewel hij haar gezicht niet onderscheiden kan; hij denkt aan niets
anders dan aan haar, die daar aan den oever bij de witte golven zit.
"'t Is de meermin uit het Löfvenmeer, die hierheen de beek op is
gekomen, om mij in 't ongeluk te lokken," denkt hij, "Zij zit daar
en lokt en lokt; ik moet haar wegjagen."
Het komt hem voor, alsof al die golven, met de witte koppen het leger
van die vrouw zijn; zij heeft ze opgehitst, zij heeft ze tot dezen
aanval op hem aangevoerd.
"Ik moet ze immers wel wegjagen," zegt hij. Hij grijpt een bootshaak,
springt aan land en snelt op de vrouw toe. Hij verlaat zijn plaats op
de buitenste punt van den golfbreker, om de meermin weg te jagen. Het
was hem in dit oogenblik van overspanning alsof de booze machten uit
de diepte tegen hem streden. Hij wist niet wat hij dacht, wat hij
geloofde; maar hij moest die zwarte wegjagen van steen tot steen,
daar aan den oever.
Ach, Gösta, waarom is uw plaats ledig in 't beslissend oogenblik! Nu
komen ze met de kisting; een lange rij mannen staan op den golfbreker;
zij hebben touwen en steenen en zandzakken klaar, om hem te laten
zakken en vast te leggen; zij staan klaar en wachten en luisteren. Waar
is de bevelhebber? Waar is de stem, die gebiedt en regelt?
Neen, Gösta Berling houdt jacht op de meermin. Zijn stem wordt niet
gehoord; zijne bevelen leiden 't werk niet.
Dus moet de kisting zonder hem worden neergelaten. De golven wijken
op zij; hij stort neer in de diepte, en steenen en zandzakken achter
hem aan. Maar hoe werd het werk zonder leider uitgevoerd! Zonder
voorzichtigheid, zonder orde! de golven bruisen weer voort; met
vernieuwde razernij strijden zij met dit nieuw beletsel; zij rollen
de zandzakken op zij, rukken de touwen stuk, maken de steenen los,
en zie--het lukt! het lukt! Honend, jubelend, tillen ze de heele
kisting op hun schouders, rukken en trekken--en nu hebben ze hem in
hun macht. Weg met die ellendige verschansing! In 't Löfvenmeer er
mee! En dan opnieuw op den wankelenden, hulpeloozen, steenen dam aan.
Maar Gösta Berling houdt jacht op de meermin. Zij zag hem aankomen
met de bootshaak. Zij werd bang. 't Scheen wel of zij in 't water
wilde springen; maar zij bedenkt zich en springt aan land.
"Meermin!" roept Gösta, en zwaait de bootshaak over haar hoofd. Zij
vlucht in de elzestruiken aan den oever, raakt vast in de dichte
takken en blijft staan.
Dan werpt Gösta Berling de bootshaak weg, gaat naar haar toe en legt
de hand op haar schouder.
"U is vanavond laat buiten, gravin Elisabeth," zegt hij.
"Laat mij met rust; laat mij naar huis gaan."
Hij gehoorzaamt oogenblikkelijk en keert zich om.
Maar omdat zij niet alleen een voorname dame, maar eigenlijk een goed
mensch is, die de gedachte niet kan verdragen, dat zij een ander tot
vertwijfeling gebracht heeft; omdat zij een klein bloemenmeisje is,
die altijd rozen genoeg in haar korf heeft, om ook den eenzaamsten weg
te versieren, heeft zij dadelijk spijt, loopt hem na en vat zijn hand.
"Ik kwam...." zegt zij, stotterend, "ik kwam om te.... ach!.... o,
u hebt het toch niet gedaan? Toe, zegt u me, dat u 't niet gedaan
hebt! Ik werd zoo bang, toen u op me afkwam; maar ik zocht u juist. Ik
wou u vragen er niet meer aan te denken, wat ik laatst gezegd heb,
maar weer als vroeger bij ons te komen."
"Hoe is mevrouw de gravin hierheen gekomen?"
Zij lacht zenuwachtig. "Ik weet wel, dat ik te laat zou komen; maar
ik wilde niemand zeggen, dat ik wegging, en dan ook.... u weet wel,
dat men niet meer over het meer kan rijden."
"Is u dan over 't meer geloopen?"
"Ja, ja, dat ben ik.... maar antwoord me nu. Is u verloofd? U begrijpt
wel, dat ik zoo graag zou willen, dat 't niet waar was. 't Is immers
toch verkeerd en 't is alsof 't mijn schuld zou zijn, alles mijn
schuld! U moest niet zoo aan een woord van mij hechten. Ik ben immers
een vreemde, die de gebruiken van het land niet kent. Het was zoo
leeg op Borg, sinds u niet meer bij ons kwaamt."
Zooals Gösta Berling daar nu staat, tusschen de natte elzestruiken
op den moerassigen grond, is het alsof iemand handevol rozen over hem
strooit. Tot aan de knieën staat hij in de rozen; zij schitteren voor
zijn oogen, in 't donker; hij ademt begeerig hun geur in.
"Is het gebeurd?" herhaalt zij.
Hij moet haar antwoorden en een einde aan haar angst maken, hoewel
hij er zoo gelukkig door is. Hoe warm wordt het in hem en hoe licht,
als hij er aan denkt, wat voor een weg zij gegaan is, hoe nat zij is,
hoe moe, hoe bang ze moet zijn en hoe haar stem vol tranen is. "Neen,"
zegt hij, "Ik ben niet verloofd."
Dan grijpt ze nog eens zijn hand en drukt die. "Ik ben zoo blij,
zoo blij," zegt zij, en haar borst, die door angst is samengeknepen
geweest, trilt nu door haar snikken.
Nu zijn er bloemen genoeg op den weg van den dichter. Al wat donker
en slecht en hatelijk is, smelt weg uit zijn hart.
"Wat is u goed, wat is u goed," zegt hij.
Dicht bij hen loopen de golven storm op al de eer en heerlijkheid van
Ekeby. Nu hebben de menschen geen leider meer, niemand, die hun moed
en hoop inspreekt. Nu stort de golfbreker omver, de golven sluiten
zich over hem, en storten, trotsch als overwinnaars, naar de landpunt,
waar de molen en de smidse liggen. Niemand werkt meer om de golven
weerstand te bieden, niemand denkt nu aan iets anders dan aan leven
en have te redden.
De twee jonge menschen vinden het zoo natuurlijk, dat Gösta de gravin
naar huis brengt; hij kan haar immers niet alleen laten in den
duisteren nacht, haar niet nog eens alleen over het smeltende ijs
laten gaan. Zij denken er niet eens aan, dat men hem noodig heeft,
daar ginds bij de smidse; zij zijn er zoo blij om, dat ze weer goede
vrienden zijn.
't Ligt zoo voor de hand te gelooven, dat deze jonge menschen een
warme liefde voor elkaar koesteren; maar wie kan dit zeker weten? In
losse en verspreide stukken heeft het schitterende sprookje van hun
leven mij bereikt. Ik weet immers niets van wat er diep in hun zielen
leefde. Wat kan ik zeggen van de motieven tot hun daden? Ik weet
alleen, dat in dien nacht een jonge schoone vrouw haar leven, haar eer
en naam, haar gezondheid waagde, om een armen stumper op den goeden
weg terug te brengen. Ik weet alleen, dat in dien nacht Gösta Berling
het geliefde landgoed liet ondergaan, om met haar mee te gaan, die
om zijnentwil de vrees voor dood en schande en straf overwonnen had.
Vaak heb ik hen in gedachten over 't ijs gevolgd, dien vreeselijken
nacht, die toch voor hen zoo goed afliep. Ik geloof niet, dat er
in hun ziel iets verborgens of verbodens was, dat onderdrukt moest
worden op dat oogenblik, terwijl zij vroolijk over het ijs loopen,
over alles pratende, wat er in den tijd van hun scheiding gebeurd was.
Hij is weer haar slaaf, haar page, die aan haar voeten ligt, en zij
is zijn dame. Zij zijn alleen blij, enkel gelukkig. Geen van hen zegt
een woord, dat op liefde doelt. Lachende plassen zij door 't water aan
den oever. Zij lachen, als ze verdwalen en als ze den weg vinden, als
ze glijden en als ze vallen, en als ze weer opstaan,--altijd lachen ze.
't Is weer een vroolijk spel, dit gezegende leven, en zij zijn
kinderen, die ondeugend geweest zijn en gekibbeld hebben.
Ach! wat is 't heerlijk weer goede vrienden te zijn en weer als
vroeger samen te spelen!
't Gerucht zweefde heen en weer en te zijner tijd bereikte Anna
Stjärnhök het gerucht van deze wandeling.
"Nu zie ik," zei ze, "dat God meer dan een snaar op zijn lier heeft. Ik
zal mijn hart tot rust brengen en hier blijven, waar men mij noodig
heeft. God kan een man van Gösta Berling maken, ook zonder mijn hulp."