NEEF CHRISTOFFEL.

Boven in den kavaliersvleugel hadden ze een ouden roofvogel. Hij zat

altijd in 't hoekje dicht bij de kachel en paste op, dat 't vuur niet

uitging. Ruig en grijs was hij. De kleine kop met den grooten snavel

en de doffe oogen, zat somber en scheef op den langen mageren hals

boven een grooten pelskraag. Want de roofvogel had zomer en winter

zijn pels om.

Hij was bij den zwerm geweest, die in 't gevolg van den grooten keizer

over Europa stormde, maar wat naam en titel hij toen droeg, kon niemand

met zekerheid zeggen. In Wermeland wist men niet anders, dan dat hij

meê in den grooten oorlog geweest was, en in woeste veldslagen had

meegedaan; ook dat hij in 1815 uit zijn ondankbaar vaderland had moeten

heengaan. Hij had bij den Zweedschen kroonprins bescherming gevonden

en die had hem geraden naar het Wermeland te trekken. De tijden

waren zóó geworden, dat hij wiens naam eenmaal de aarde deed beven,

nu blij moest zijn, dat niemand hem, den eens zoo gevreesde, kende.

Hij had den kroonprins zijn eerewoord gegeven Wermeland niet te

verlaten, en niet zonder noodzakelijkheid bekend te maken waar hij was.

En zoo kwam hij naar Ekeby met een eigenhandig schrijven aan den

Majoor, van den kroonprins, die hem bijzonder recommandeerde. Toen

werden de deuren van den kavaliersvleugel voor hem geopend.

In den beginne dacht men er veel over, wie wel de beroemde man wezen

zou, die zich onder een aangenomen naam verborg. Maar langzamerhand

veranderde hij in een kavalier en een Wermelander. Alle menschen

noemden hem neef Christoffel, zonder precies te weten, waarom hij

juist dien naam gekregen had.

't Is niet goed voor een roofvogel in een kooi te zitten. Hij is aan

wat anders gewend, dan van 't eene stokje op 't andere te springen

en gevoerd te worden. Doodsgevaar en 't moorden van menschen brachten

eens zijn ziel in beweging, hij walgde van den laffen vrede.

't Is waar, de andre kavaliers waren ook zulke tamme vogeltjes

niet. Maar niemand had toch zulk heet bloed als neef Christoffel. Een

berenjacht was 't eenige wat hem opvroolijken kon en zijn verflauwde

levenslust weer opwekken, een berenjacht of een vrouw, één enkele

vrouw. Hij was weer opgeleefd, toen hij tien jaar geleden voor 't eerst

gravin Märta gezien had, die toen reeds weduwe was. Een vrouw grillig

als de oorlogskans, prikkelend als 't gevaar, tintelend van leven en

pittigheid. Hij had haar lief. En nu zat hij daar en werd oud en grijs

zonder haar tot vrouw te kunnen vragen. Nu had hij haar in geen vijf

jaar gezien. Hij verkwijnde en stierf weg als een arend, die gevangen

is. Met ieder jaar werd hij meer verschrompeld en kouwelijk.--Hij

moest dieper in zijn pels en dichter bij 't vuur kruipen.

Zoo zat hij daar op den morgen vóór paaschen. Van avond zal men de

paaschvuren aansteken. Alle kavaliers zijn uit, maar hij zit binnen

bij den haard.

Ach neef Christoffel, neef Christoffel, weet ge 't niet?

De lente, de heerlijke lente is gekomen!

De natuur ontwaakt uit haar slaap en in de blauwige wolkjes spelen

kleine engelen met vlindervleugeltjes een dartel spel. Als rozen

aan een rozenstruik stralen hun gezichtjes daar in de wolken. Zij

luiden als met duizend klokjes: "weest blij, de lente is gekomen! de

heerlijke lente!"

Maar neef Christoffel zit stil en begrijpt daar niets van. Hij leunt

met zijn hoofd op de stijve vingers en droomt van een kogelregen en

van den boom der eer, die op 't slagveld groeit. Voor de oogen van

zijn ziel verschijnen lauweren en rozen, die den zachten adem van de

lente niet noodig hebben om te bloeien.

O die arme, eenzame, oude vreemde man, die daar boven in den

kavaliersvleugel zit, zonder volk, zonder vaderland, hij die nooit

zijn moedertaal hoort, hij die eens een naamloos graf zal vinden op

't kerkhof van Svartsjö. Kan hij er wat aan doen, dat hij een arend

is en geboren is om te vervolgen en te dooden?

O neef Christoffel! lang genoeg hebt ge zitten droomen in den

kavaliersvleugel. Op--drink den vonkelenden wijn des levens in

de hooge burchten. Weet dan, neef Christoffel, dat er vandaag een

brief aan den Majoor gekomen is, een koninklijk document, met het

Zweedsche rijkszegel gesloten. De brief is aan den Majoor gericht,

maar de inhoud heeft betrekking op u. 't Is zoo wonderlijk u te zien,

terwijl ge dien brief leest, gij oude roofvogel! Uw oog krijgt nieuwen

glans, en ge heft uw hoofd. Ge ziet de deur van uw kooi openspringen

en de geheele wereld ligt voor u. Spreid nu uw breede vleugels uit!

Neef Christoffel graaft diep in zijn kist met kleeren. Daaruit haalt

hij de zorgvuldig bewaarde uniform met goud borduursel en trekt die

aan. Hij zet den hoed met veeren versierd op het hoofd en weldra

rijdt hij weg van Ekeby op zijn prachtig wit rijpaard.

Dat is wat anders dan te zitten bibberen bij den haard. Nu ziet hij

ook, dat de lente gekomen is.

Hij richt zich op in den zadel en laat zijn paard galoppeeren. De

dolman met bont gevoerd waait op; de veeren op den hoed wiegen heen

en weer. De man is als verjongd even als de aarde, hij is ontwaakt na

een langen winterslaap. Het oude goud kan nog schitteren. Het kloeke

krijgsmansgezicht ziet fier onder den driekanten hoed uit.

Een merkwaardige rit! Beken borrelen op uit den grond en anemonen

botten uit waar hij rijdt. Trekvogels roepen en jubelen om hem heen,

om hem, den bevrijden gevangene. De geheele natuur schijnt zijn

vreugde te deelen.

Heerlijk als een overwinnaar komt hij. De lente zelf zweeft voor hem

uit op een wolk. Teer en luchtig blaast die lichtende geest op zijn

horen en wekt alom zalige vreugde.

En om neef Christoffel heen rijden allerlei oude wapenbroeders en

zetten hun paarden aan. 't Geluk zelf staat op de teenen in 't zadel;

en de eer zit op zijn statigen telganger; en de liefde op een vurig

Arabisch paard.

Een merkwaardige rit, een merkwaardige rit.

De lijster roept hem aan:

"Neef Christoffel, neef Christoffel, waar ga je heen?"

"Naar Borg, naar mijn bruid, naar Borg, naar mijn bruid!" antwoordt

neef Christoffel.

"Rijd niet naar Borg, rijd niet naar Borg! Een jonggezel kent geen

zorg!" roept de vogel hem na.

Maar hij luistert niet meer naar die waarschuwing. Heuvel op, heuvel

af rijdt hij, tot hij er eindelijk is. Hij springt uit den zadel en

wordt bij de gravin toegelaten.

Alles gaat goed. Gravin Märta is genadig gestemd. Neef Christoffel

ziet, dat ze niet weigeren zal zijn beroemden naam te dragen en op

zijn slot te heerschen.

Hij zit daar en stelt het gelukkige oogenblik, waarop hij haar den

brief van den koning zal laten zien, nog wat uit. Hij geniet van

dat wachten.

Zij zit te praten en onderhoudt hem met allerlei verhalen. Hij lacht

en bewondert haar. Maar omdat ze juist in een van de kamers zitten,

waar gravin Elisabeth de gordijnen van juffrouw Marie heeft opgehangen,

begint de gravin ook haar historie te vertellen. En ze doet het zoo

vermakelijk als ze kan.

"Ja," zegt ze eindelijk, "zóó slecht ben ik. Hier hangen nu die

gordijnen, opdat ik iedren dag aan mijn zonde zal denken. 't Is een

ontzettende boete. Brr, dat afschuwelijke knoopwerk!"

De groote krijgsman, neef Christoffel ziet haar aan met bliksemende

oogen.

"Ik ben ook oud en arm," zegt hij, "en ik heb tien jaar lang aan den

haard gezeten en naar mijn geliefde verlangd. Vindt Uw Genade dat

soms ook belachelijk!"

"O, dat is heel wat anders!" barst de gravin uit.

"God heeft mij mijn geluk en mijn vaderland afgenomen, en me gedwongen

eens anders brood te eten," zegt neef Christoffel ernstig. "Ik heb

geleerd de armoede te eerbiedigen."

"U ook al!" roept de gravin en heft de handen ten hemel. "Wat zijn

de menschen toch braaf geworden! goede hemel, wat zijn ze braaf!"

"Ja," zegt hij, "onthoud dit wel, gravin! Wanneer God mij ooit weer

macht en rijkdom gaf, dan zou ik die beter gebruiken, dan door ze te

deelen met een dame van de wereld, met een geblankette hartelooze kat,

die met de armoede spot."

"Daar hebt u gelijk aan, neef Christoffel."

En daar marcheert neef Christoffel de kamer uit en rijdt weer naar

Ekeby terug, maar de engeltjes volgen hem niet, de vogels roepen hem

niet meer aan en hij ziet de lachende lente niet.

Hij kwam op Ekeby aan juist toen de paaschschoten vielen en de

paaschvuren werden aangestoken. Ze hebben een groote pop van stroo

gemaakt met een kop van oude lappen, waarop met houtskool een gezicht

geteekent is. Ze heeft de afgedragen kleeren van een vrouw uit 't

armhuis, een pook, een bezemsteel en een horentje met heksenzalf om

den hals. Ze is klaar voor de rit naar de heksendansplaats.

Majoor Fuchs laadt zijn buks en schiet die keer op keer af in de

lucht. Dan wordt er een brandstapel gemaakt van takjes, de tooverheks

wordt er op gegooid en verbrand. Ja, de kavaliers doen waarlijk al

wat in hun vermogen is, om op de oude beproefde manier de macht van

den booze te fnuiken.

Neef Christoffel staat met een donker gezicht naar dit alles te

kijken. Plotseling rukt hij den grooten koninklijken brief uit zijn

manchet en gooit dien op 't vuur. God alleen weet, wat hij op dat

oogenblik dacht.

Misschien verbeeldde hij zich, dat 't gravin Märta zelf was, die daar

op den brandstapel lag. Misschien meende hij, dat nu die vrouw alles

samen genomen niet meer waard bleek te zijn dan lompen en stroo,

er ook niets meer op de wereld was, dat waarde had.

Hij gaat weer naar den kavaliersvleugel, maakt het vuur aan en bergt

zijn uniform op. Weer gaat hij rustig in 't hoekje van den haard

zitten en elken dag wordt hij ruiger en grijzer. Hij kwijnt langzaam

weg als een gevangen arend.

Hij is geen gevangene meer, maar hij geeft niet om zijn vrijheid. De

wereld staat hem open. 't Slagveld, de eer, het leven wacht hem. Maar

hij heeft geen kracht meer om de vleugels uit te slaan.

Gösta Berling · 第 38 / 86 题