O stil, wees stil!
Daar gonst iets boven mijn hoofd. 't Moet een bij zijn, die aan
komt vliegen.
O neen, stil toch!
Welk een geur. Zoowaar! Zijn dat geen geuren van lavendel, seringen
en pinksterbloemen? 't Is een heerlijkheid ze in te ademen op dezen
grijzen najaarsdag midden in de stad. Als ik maar denk aan dat gezegend
plekje grond, dan begint 't dadelijk om mij heen te gonzen en te
geuren. En eer ik het zelf weet, zit ik in een kleinen rozentuin
vol bloemen, en omheind door een ligusterhaag. En de hoeken onder de
seringen met smalle houten banken en om de bloembedden, gevormd als
harten en sterren, loopen smalle paden, met wit zand bestrooid. Aan
drie zijden van den rozentuin staat het bosch.
Lijsterbessen en vogelkers, die vol mooie bloemen zitten staan 't
dichtste bij en vermengen hun geuren met die der seringen. Achter hen
komen de berken, en daarachter begint het dennenbosch, een echt bosch,
stil en donker, met recht opstaande, lang gebaarde boomen.
En aan de vierde zij ligt een klein grijs huis.
De rozentuin, waar ik nu aan denk, was voor zestig jaar het eigendom
van de oude Mevrouw Moraeus, die met borduurwerk en eten koken voor
boerenfeesten haar brood verdiende.
Lieve vrienden. Van al 't goeds, wat ik u toewensch, wil ik 't
allereerst een borduurraam en een rozentuin noemen. Een groot
ouderwetsch borduurraam, waar vijf of zes personen te gelijk aan
kunnen werken, en waaraan men doen kan, wie 't gauwste werken kan en
wie de mooiste steken aan den achterkant kan maken; waarbij men onder
't werk gepiepte appels kan eten en babbelen en allerlei spelletjes
doen, als "ik zie, ik zie wat jij niet ziet," en "wat zeg je van
mijn vriend," en dan lachen, lachen dat de eekhorens van schrik uit
de boomen vallen. Een borduurraam voor den winter en een rozentuin
voor den zomer. Niet een grooten tuin, waar men meer geld in steekt,
dan genoegen van heeft; neen, een klein rozentuintje, dat men zelf
onderhouden kan. Daar moesten kleine rozestruikjes midden in de bedjes
staan en een krans vergeet-mij-nietjes daarom heen; de groote klaproos,
die zich zelf zaait, moest overal opkomen, aan den kant van 't gras
en op de paden en er moest een bruin gedroogde grasbank zijn, waar
paardebloemen en keizerskroon groeiden op de zitting en op den rug.
De oude mevrouw Moraeus bezat van allerlei. Ze had drie vroolijke,
vlugge dochters en een huisje aan den weg. Ze had een appeltje voor
den dorst in haar geldkistje, mooie zijden shawls, leuningstoelen met
hooge ruggen en verstand van vele zaken, die nuttig zijn voor hen,
die hun eigen brood moeten verdienen. Maar 't beste, wat ze had, was
haar borduurraam, dat haar 't geheele jaar werk gaf, en de rozentuin,
waar ze den heelen zomer plezier van had.
En dan moet ik vertellen, dat in 't huisje van mevrouw Moraeus een
inwoonster was, een kleine, uitgedroogde juffrouw van bij de veertig,
die in 't zolderkamertje woonde boven in den gevel. Juffrouw Marie,
zooals ze altijd genoemd werd, had haar eigen begrippen over allerlei,
zooals die menschen, die veel alleen zitten en hun gedachten laten
gaan over wat ze gezien hebben, meestal krijgen.
Juffrouw Marie meende, dat liefde de wortel en oorsprong was van alle
kwaad in deze wereld.
Elken avond, eer ze slapen ging, vouwde ze de handen en deed haar
avondgebed. En als ze haar Onze Vader had opgezegd, eindigde ze altijd
met God te vragen haar voor de liefde te bewaren.
"Dat zou immers niets dan ellende zijn," zeide ze, "ik ben oud en
leelijk en arm. Neen, ik hoop nooit verliefd te worden."
Dag uit, dag in zat ze op haar zolderkamertje in 't huisje van Mevrouw
Moraeus en knoopte gordijnen en kleedjes. Die verkocht ze later aan
de boeren en op de groote buitens. Zij had met dat knoopwerk al een
aardig duitje verdiend. Want een eigen huisje op den heuvel over de
kerk te Svartsjö, dat was wat zij wenschte, een huis, dat zoo hoog op
een heuvel lag, dat men ver uit kon zien. Daar droomde ze van. Maar
van liefde wilde ze niet hooren.
Als ze 's zomeravonds de viool hoorde klinken van den kruisweg, waar
de speelman op het hek zat en de jonge lui de polka dansten, zoodat
't stof hen om de ooren stoof, dan maakte ze een langen omweg door
't bosch om dat niet te zien en te hooren.
Op den tweeden Kerstdag, als de boeren-bruidjes kwamen, soms vijf
of zes te gelijk, om door Mevrouw Moraeus en haar dochters gekleed
te worden, als ze dan met myrthen versierd werden en met kransen van
glaskralen, met zijden ceintures en bouquetten van gemaakte bloemen,
als hun kleedje met zulke bloemen werd versierd, dan sloot juffrouw
Marie zich op in haar kamertje. Ze wou niet zien hoe die jonge meisjes
versierd werden ter eere van de liefde.
Als de meisjes Moraeus 's wintersavonds aan 't borduurraam zaten,
was 't zoo innig gezellig in de groote kamer, als de appels piepten
in de kachel, en als de mooie Gösta Berling of de goede Ferdinand op
visite kwamen en de meisjes plaagden, door den draad uit de naald
te trekken of ze scheeve steken lieten maken en de kamer weerklonk
van hun gesprekken, hun grappen en hun lachen; als hun handen elkaar
ontmoetten onder 't borduurraam, dan rolde juffrouw Marie geërgerd
haar knoopwerk op en ging heen, want zij haatte de liefde en al wat
daarmee in verband stond.
Maar al wat de liefde ooit misdreven had, wist ze. Daar kon ze van
vertellen. Ze kon niet begrijpen, dat Amor zich nog op de wereld
durfde vertoonen, dat hij niet angstig vluchtte voor de klachten
der verlatenen, voor de vloeken van hen, die hij tot misdaad verleid
had, voor 't gejammer van hen, die hij in gehate kluisters gesmeed
had. Zij kon niet begrijpen, dat zijn vleugels hem zoo luchtig en
vrij droegen en dat hij niet al lang in een afgrond van schaamte en
smart was verzonken.
Neen, wel was ze jong geweest als ieder ander, maar van de liefde
had ze nooit gehouden. Nooit had ze zich laten verlokken tot dans
of liefkozingen.
De gitaar van haar moeder hing bestoven en zonder snaren op den
zolder. Nooit zong ze daar liefdesliedjes bij.
't Rozeboompje van haar moeder stond in haar venster. Ze gaf het
nauwelijks water. Ze hield niet van de bloemen, die kindren der
liefde. De bladen waren bestoven; spinnen maakten hun net tusschen
de takken, en de knoppen kwamen nooit uit. En in den rozentuin van
Mevrouw Moraeus waar de vlinders fladderden en de vogels zongen,
waar geurende bloemen boden zonden naar gonzende bijen, waar alles
van den gehate sprak--daar zette ze zelden een voet.
Nu gebeurde het, dat de gemeente van Svartsjö een orgel in de kerk liet
zetten. Dat was in den zomer, dat de kavaliers op Ekeby regeerden. Een
jong orgelmaker kwam naar 't dorp. Hij kwam ook bij Mevrouw Moraeus
inwonen en kreeg het andere gevelkamertje op den zolder.
Toen maakte hij dat orgel, dat zulke wonderlijke toonen heeft, waar
de bazuin plotseling klinkt, soms midden in een psalm, niemand weet
waarom of van waar, zoodat de kinderen in de kerk beginnen te schreien.
't Kan best wezen, dat de jonge orgelmaker geen meester in zijn kunst
was. Maar hij was een vroolijke snaak, met oogen vol zonneschijn. Hij
had voor ieder een vriendelijk woord, voor arm en rijk, voor jong
en oud. Hij werd gauw goede vrienden met zijn huisgenooten. Ach,
meer dan dat!
Als hij 's avonds thuiskwam van zijn werk hield hij garen op voor
Mevrouw Moraeus, en werkte met de jonge meisjes in den tuin. Dan
declameerde hij;--Aksel en Walborg en zong van Fritjof. Dan raapte
hij juffrouw Maries kluw op, hoe dikwijls ze die ook liet vallen en
bracht zelf haar oude pendule weer in orde.
Hij kwam nooit thuis van een bal, zonder dat hij met allen gedanst had,
van de oudste dame tot het kleinste meisje. En als hem iets tegenliep,
ging hij naast de eerste de beste vrouw zitten, die hij ontmoette en
maakte haar tot zijn vertrouweling. Ja hij was een van die mannen,
zooals de vrouwen in haar droomen zien.
Men moest niet meenen, dat hij tot iemand over liefde sprak. Maar
toen hij eenige weken in 't huis van Mevrouw Moraeus gewoond had,
waren alle dochters op hem verliefd. Zelfs de arme juffrouw Marie. Nu
wist ze, dat ze te vergeefs gebeden had.
't Was een tijd van vreugde en van leed. Tranen vielen op 't
borduurraam en wischten er de krijtstreepjes uit, 's avonds zat er
vaak een bleeke droomster in 't bleeke prieel en boven op juffrouw
Maries kamertje werden nieuwe snaren op de guitaar gezet en bij diens
tonen zong ze oude liefdesliedjes, die ze van haar moeder geleerd had.
Maar de jonge orgelmaker bleef even vroolijk en zorgeloos en strooide
glimlachjes en kleine diensten rond onder die smachtende vrouwen,
die om hem kibbelden, als hij aan zijn werk was. En eindelijk kwam
de dag, dat hij vertrekken moest.
Het rijtuig stond voor de deur. Zijn tasch was gepakt en in den wagen
gebracht en de jonge man nam afscheid. Hij kuste Mevrouw Moraeus de
hand, omhelsde de schreiende meisjes en kuste ze op de wang. Zelf
schreide hij ook, omdat hij weg moest, want hij had een heerlijke
zomer gehad in 't kleine grijze huisje. En eindelijk keek hij rond
naar juffrouw Marie.
Daar kwam ze de zoldertrap af met haar beste kleeren aan, de gitaar om
den hals aan een breed groen zijden lint. In de hand had ze een bouquet
maandrozen, want dit jaar had haar moeders rozeboom gebloeid. Ze
bleef voor den jongen man staan, tingelde op de guitaar en zong:
"Ge gaat van ons heen! O, kom spoedig terug
Steeds wordt ge hier welkom geheeten!
't Geluk ga met u. O, wil nooit op uw tocht
Een, die u zoo liefheeft vergeten!"
En toen stak ze de bloemen in zijn knoopsgat en kuste hem op den
mond. Ja, dat deed ze en toen verdween ze de zoldertrap weer op! de
oude ziel.
De liefde had zich op haar gewroken en haar tot spot van iedereen
gemaakt. Maar zij sprak nooit meer kwaad van de liefde. Ze hing de
gitaar niet meer weg en vergat nooit meer de rozeboom van haar moeder
te verzorgen.
Zij had geleerd de liefde met al haar smart, haar tranen en verlangen
lief te hebben.
"Beter bedroefd door liefde, dan vroolijk zonder haar," dacht ze.
De tijd ging voorbij. De Majoorske werd van Ekeby verjaagd. De
kavaliers kregen de macht in handen en het gebeurde, zooals ik reeds
verteld heb, dat Gösta op een Zondag avond een gedicht voorlas voor
de gravin op Borg en zij hem de deur wees.
Er wordt verteld, dat toen Gösta de deur van Borg achter zich
dichtsloeg, hij eenige sleden zag aanrijden. Hij wierp een blik op een
kleine dame, die in de voorste zat. Hoe duister die ure ook voor hem
was, 't werd nog duisterder voor hem toen hij haar zag. Hij haastte
zich voort om niet herkend te worden, maar een voorgevoel van onheil
vervulde zijn ziel. Had het gesprek daarbinnen die vrouw opgeroepen? 't
Eene onheil baart gewoonlijk het andere.
De bedienden kwamen aanloopen. 't Zeil van de sleê werd losgemaakt. Wie
kwam daar zoo onverwacht? Was 't werkelijk Märta Dohna, de wijdberoemde
gravin zelf?
Zij was de vroolijkste en lichtzinnigste van alle vrouwen. De vreugde
van deze wereld had haar op zijn troon gezet en haar tot zijn koningin
gemaakt. Vermaken en grappen waren haar onderdanen. Spel en dans en
avonturen waren haar deel bij de rolverdeeling van 't leven. Zij was
nu niet ver van de vijftig, maar ze hoorde tot die wijze menschen,
die de jaren niet tellen. "Wie de voeten niet meer voor een dans
of den mond niet meer voor een glimlach bewegen kan, die is oud,"
zei ze. "Hem drukt de last der jaren. Mij niet."
De vreugd regeerde niet ongestoord in de dagen van haar jeugd. Maar
't was alsof de onveiligheid en de veranderlijkheid der omstandigheden
haar vroolijk bestaan nog vroolijker maakte. De blijdschap met haar
vlindervleugels hield den eenen dag feest bij de hofdames in Stockholm
en danste den anderen dag in Parijs. Ze bezocht Napoleon op 't veld
en voer op de vloot van Nelson over de blauwe Middellandsche zee;
ze woonde een congres in Berlijn bij en waagde zich in Brussel op een
bal, den nacht voor een beroemden veldslag. En waar de blijdschap was,
daar was Märta Dohna haar uitverkorene.
Dansend, spelend en schertsend joeg gravin Dohna de wereld rond. Wat
had ze al niet gezien, wat had ze niet beleefd? Tronen omgedanst,
écarté om vorstendommen gespeeld en gelachen, terwijl verwoestende
oorlogen Europa teisterden.
En als de vreugde geen plaats kon vinden op de tot in een slagveld
veranderde wereld, placht ze voor langer of korter tijd naar het oude,
grafelijke slot aan 't Löfvenmeer te komen.
Daar was ze ook heengegaan, toen de vorsten en hun hoven haar te
somber werden in den tijd van heilige alliance. Op zulk een bezoek
had zij het in 't hoofd gekregen, Gösta Berling tot huisonderwijzer
van haar zoon te maken.
Zij voelde zich behagelijk in Wermeland. Nooit had de vreugde een
schooner rijk dan daar. Daar waren zang en spel, mannen, die van
avonturen hielden en schoone, vroolijke vrouwen. Het ontbrak er niet
aan bals en feesten, aan zeiltochtjes op 't meer in den maneschijn
of roeitochtjes, sleetochtjes door donkere bosschen, of schokkende
gebeurtenissen en liefdesvreugd en leed.
Maar na den dood van haar dochter had ze Borg niet meer bezocht. Ze
was er nu in geen vijf jaar geweest. En nu kwam ze eens zien, hoe haar
schoondochter 't maakte, tusschen de dennenbosschen, de sneeuwhoopen
en de beren. Ze vond het haar plicht eens te gaan zien of die domme
Henrik haar niet had doodverveeld. Zij wilde nu de goede engel van
dat huis zijn. Zonneschijn en geluk bracht ze meê in haar vijf en
twintig volgepakte leeren koffers, vroolijkheid was haar kamermeisje,
scherts haar koetsier, spel haar juffrouw van gezelschap.
En toen ze de stoep opkwam, werd ze met open armen ontvangen. Haar oude
kamers in de benedenste verdieping stonden altijd voor haar klaar. Haar
knecht, haar juffrouw van gezelschap, haar kamenier, de vijf en
twintig leeren koffers, haar dertig hoedendoozen, haar necessaire,
haar shawls en pelzen, alles kwam langzamerhand in huis. Overal was
drukte en beweging. Er werd met deuren geslagen en de trappen op en
af gedraafd. Het was wel te merken, dat gravin Märta gekomen was.
't Was een lenteavond, een heerlijke avond, hoewel men nog niet ver in
't voorjaar was en 't ijs nog niet weggedooid. Juffrouw Marie zat boven
op haar kamertje voor 't open venster, tingelde op de gitaar en zong.
Ze was zoo verdiept in haar gitaar en haar herinneringen, dat ze
niet merkte, dat er een wagen voor 't huis stilhield. In die wagen
zat gravin Märta en ze had pleizier in juffrouw Marie, die daar in 't
venster zat met de gitaar om den hals, de oogen naar den hemel gericht
en oude, lang vergeten liefdesliedjes zong. Eindelijk stapte de gravin
uit haar wagen en ging het huis binnen, waar de jonge meisjes om het
borduurraam zaten. Ze was niet hoogmoedig. De storm der revolutie was
over haar heengegaan en had haar frissche lucht in de longen geblazen.
Ze bestelde borduursel bij mevrouw Moraeus en prees de dochters. Ze
bekeek den rozentuin en vertelde van haar reisavonturen. Want zij
beleefde altijd avonturen. Eindelijk waagde zij zich de zoldertrap
op, die gruwelijk steil en smal was en bezocht juffrouw Marie op
haar zolderkamertje.
Zij liet haar zwarte oogen over dat eenzame, kleine menschje gaan
en haar melodische stem streelde haar ooren. Ze kocht gordijnen van
haar. Ze kon daar op Borg niet leven zonder geknoopte gordijnen voor
alle vensters en op al haar tafels moest ze een paar van juffrouw
Marie's geknoopte kleedjes hebben.
En toen vroeg ze haar gitaar te leen en zong voor haar van vreugde
en liefde. Ze vertelde haar allerlei verhalen, zoodat juffrouw Marie
zich opeens in de vroolijke, veel bewogen wereld verplaatst voelde. En
er was zulk een muziek in den lach der gravin, dat de vogels in den
rozentuin begonnen te zingen, als zij dien hoorden en haar gezicht, dat
niet mooi meer was--want haar huid was door blanketsel bedorven en om
haar mond lag een trek van ruwe zinnelijkheid--kwam juffrouw Marie zóó
verrukkelijk voor, dat ze niet begreep dat de spiegel, die 't eenmaal
opgevangen had, 't niet voor altijd vasthield. En toen ze heenging,
kuste ze juffrouw Marie en noodigde haar uit op Borg te komen.
Juffrouw Marie's hart stond leeg als een zwaluwnest op kersttijd. Ze
was vrij, maar ze smachtte naar ketenen als een vrijgemaakte slaaf.
Nu begon weer een tijd van vreugde en smart voor juffrouw Marie; maar
die duurde niet lang--slechts acht dagen. Ieder oogenblik haalde de
gravin haar naar Borg. Zij speelde comedie voor haar en vertelde haar
van haar aanbidders, en Juffrouw Marie lachte, zooals ze nog nooit
gelachen had. Ze werden de beste vriendinnen van de wereld en spoedig
wist de gravin alles van den jongen orgelmaker en van zijn afscheid. En
in 't donker haalde ze juffrouw Marie over zich in de vensterbank van
het kleine, blauwe kabinet te zetten, hing haar de gitaar om den hals
en liet haar liefdesliedjes zingen. En dan zat de gravin er naar te
kijken, hoe het figuur van de uitgedroogde, magere oude juffrouw met
het leelijke, kleine hoofdje uitkwam tegen den rooden avondgloed,
en zij zei, dat de arme een smachtende burchtjonkvrouw geleek. Maar
alle liedjes zongen van teedere herders en wreede herderinnen en
juffrouw Marie's stem was zoo dun, zoodat ieder begrijpen kan, dat
zulk een comedie allervermakelijkst voor de gravin moest zijn.
Zoo was er eens feest op Borg; dat was natuurlijk omdat de moeder
van den graaf gekomen was. Het ging er als gewoonlijk vroolijk
toe. Het gezelschap was toch niet groot, 't waren alleen menschen
uit de gemeente.
De eetzaal lag in de benedenste verdieping en na den maaltijd gingen de
gasten niet meer naar boven, maar men bleef in de kamers van de gravin
Märta bijeen. Toen haalde de gravin Juffrouw Marie's gitaar voor den
dag en begon voor de gasten te zingen. Zij was een vroolijke vrouw,
gravin Märta en zij kon alle menschen nadoen. Nu kreeg zij den inval
Juffrouw Marie na te doen. Zij sloeg de oogen ten hemel en zong met
eene dunne, krijschende kinderstem.
"Ach, neen, ach neen, Mevrouw de Gravin," smeekte Juffrouw Marie.
Maar de gravin vond het grappig en de meeste gasten konden 't lachen
niet laten, ofschoon ze wel vonden, dat 't niet aardig was tegenover
Juffrouw Marie.
De gravin nam een handvol rozenbladen uit een schaal, ging met
tragische gebaren voor Juffrouw Marie staan en zong diep geroerd:
"Gij gaat van ons heen! o kom spoedig terug
Steeds wordt ge hier welkom geheeten.
't Geluk ga met u. O wil nooit op uw tocht
Een, die u zoo liefheeft, vergeten."
en toen strooide ze de rozenbladen op Juffrouw Marie's hoofd.
De gasten lachten, maar Juffrouw Marie werd buiten zich zelf van
drift. Zij zag er uit, alsof zij de gravin de oogen wilde uitkrabben.
"Je bent een slecht mensch, Märta Dohna" riep ze. "Geen eerlijke
vrouw moest meer met je omgaan."
Maar nu werd gravin Märta ook boos.
"De deur uit, Juffrouw! Nu heb ik genoeg van je zotheden."
"Jawel, ik zal wel heengaan," zei Juffrouw Marie, "als ik maar eerst
geld voor mijn gordijnen krijg."
"Die prullen," riep de gravin, "wil je nog geld voor die oude prullen
hebben? Neem ze meê. Ik wil ze nooit meer zien. Neem ze dadelijk mee."
En de gravin rukt de gordijnen af en gooit ze Juffrouw Marie
achterna. Want nu is ze woedend.
Den volgenden dag, smeekte de jonge gravin haar schoonmoeder, zich
met Juffrouw Marie te verzoenen, maar de gravin wilde 't niet.
Juffrouw Marie verveelde haar. Toen reed gravin Elisabeth naar haar
toe en kocht haar al haar geknoopte gordijnen af en hing ze op voor
de vensters van de bovenste verdieping. En toen vond Juffrouw Marie,
dat zij in haar eer hersteld was.
Gravin Märta schertste dikwijls met haar schoondochter over haar
liefde voor geknoopte gordijnen. Maar ze kon ook haar toorn verbergen
en dien jaren lang even frisch bewaren. Want gravin Märta is een
begaafde vrouw.