Wacht u voor de fraaie landtong op den oostelijken oever van 't
Löfvenmeer, door de baai van weerskanten met vriendelijke golfjes
omsloten, voor de trotsche landtong, waar Borg ligt.--O wacht u wel
die te betreden!
Nooit zag men 't Löfvenmeer mooier dan van hier uit. Niemand weet,
hoe schoon het meer van mijn droomen is, eer hij van de landtong
van Borg uit, de morgennevelen heeft zien wegglijden van zijn gladde
oppervlakte, eer hij van uit het venster van het blauwe kabinet, waar
zooveel herinneringen wonen, een bleek rooden zonsondergang zich heeft
zien spiegelen in het meer. Maar toch--ik zeg u: ga daar niet heen.
Want misschien voelt ge den wensch in u opkomen, om in dien ouden
burcht te blijven en te wonen in die zalen vol rouw; misschien zult
ge eigenaar van dit prachtig plekje worden en er u met een jonge
vrouw vestigen.
Neen--'t is beter de mooie landtong van Borg niet te zien; want op
Borg kan geen geluk wonen. Dit moet ge weten, hoe rijk, hoe gelukkig
ge ook zijt, gij die dit huis betrekt!--Op deze vloeren, met tranen
gedrenkt, zullen spoedig ook uw tranen vloeien, en deze wanden,
die allen klachten weerkaatsen, zullen ook uw zuchten hooren.
Er drukt een noodlot op dit schoone landgoed. Het is, alsof het ongeluk
daar begraven is, maar in zijn graf geen rust kan vinden. Telkens
verrijst het weer tot schrik voor de levenden. Als ik Heer van Borg
was, dan zou ik de aarde doorzoeken, den steengrond in 't dennenbosch,
en de keldervloer in 't huis en de teelaarde op 't veld, tot ik 't
door de wormen verteerde lijk van de heks vond en ik zou haar een
gewijd graf geven op 't kerkhof te Svartsjö. En bij de begrafenis
zou ik niet zien op wat meer geld voor den klokkenluider; maar de
kerkklokken zouden lang en luid weerklinken en ik zou rijke giften
zenden aan den predikant en den koster, opdat ze met dubbele kracht
haar zouden inwijden in de eeuwige rust met lijkrede en gezang.
En als dat niet hielp, dan zou ik in een stormachtigen nacht vuur
leggen aan de oude houten muren en de vlammen alles laten verwoesten,
zoodat geen menschen meer zouden verlokt worden om te gaan wonen in
dit onzalige huis. Niemand zou die vervloekte plaats meer betreden,
en alleen de zwarte kraaien in den kerktoren zouden een kolonie mogen
stichten in den grooten schoorsteen, die vol roet, akelig afstak over
de zwart verbrande massa.
Maar ik zou mij zeker wonderlijk beklemd voelen, als ik de vlammen
boven 't dak zag uitslaan, als dikke rookwolken, rood van den vuurgloed
en vol vonken, heenrolden over 't oude goed. In 't knetteren en sissen
van 't vuur zou ik meenen de klachten der daklooze herinneringen te
hooren, en op de blauwe punten der vlammen zou ik meenen de verjaagde
geesten te zien zweven. Ik zou er aan denken, hoe de smart schoon
maakt, hoe het ongeluk glans verleent en ik zou schreien, alsof een
tempel voor oude goden opgericht tot ondergang gedoemd was.
Maar zwijg toch, gij raaf, die door uw krassen ondergang
voorspelt. Wacht tot de nacht gekomen is, als ge met de uilen in 't
woud om 't hardst wilt huilen. Nog ligt Borg stralend in de zon op
de landtong door zijn parken van geweldige dennen beschut, en de met
sneeuw bedekte velden beneden schitteren in den heldren Maartschen
zonneschijn. Nog wordt binnen de muren 't vroolijke lachen van gravin
Elisabeth gehoord.
's Zondags gaat ze naar de kerk van Svartsjö, die dicht bij Borg ligt,
en noodigt daarna gasten om meê bij haar aan huis te gaan eten. De
rechter van Munkerud pleegt te komen en de kapitein van Berga en de
kapelaan en de booze Sintram. En als Gösta Berling over 't ijs naar
Svartsjö gekomen is, noodigt ze hem ook. Waarom zou ze Gösta Berling
niet noodigen?
Ze weet immers niet, dat de laster er over begint te fluisteren,
dat Gösta Berling zoo dikwijls naar den overkant gaat om de gravin te
ontmoeten. Misschien komt hij ook wel om met Sintram te spelen en te
drinken; maar daar wordt niet over gesproken. Ieder weet, dat zijn
lichaam van ijzer is, maar met zijn hart is 't wat anders. Niemand
gelooft, dat hij een paar stralende oogen kan zien en licht haar,
dat krult om een blank voorhoofd, zonder verliefd te worden.
De jonge gravin is vriendelijk voor hem. Daar is niets bijzonders
in; ze is vriendelijk voor iedereen. Ze neemt in lompen gekleede
bedelaarskinderen op schoot en als ze op den weg een armen stumper
voorbijrijdt, laat ze den koetsier ophouden en neemt den armen
voetganger in haar sleê op.
Gösta zit graag in 't blauwe kabinet, waar men het prachtige uitzicht
naar 't noorden heeft over 't meer en leest haar verzen voor. Daar
kan toch geen kwaad in zijn. Hij vergeet niet, dat zij gravin en hij
maar een zwervend avonturier is en 't is goed voor hem om te gaan met
iemand, die hooger staat dan hij en heilig voor hem is. Hij kon 't even
goed in 't hoofd krijgen, verliefd te worden op de koningin van Saba,
wier portret in de kerk te Svartsjö hangt, dan op de jonge gravin.
Hij wenscht niet anders dan haar te mogen dienen, zooals een page
zijn meester dient. Hij hoopt haar schaatsen aan te mogen binden,
garen voor haar op te houden en haar slee te besturen. Er kan geen
sprake van liefde zijn tusschen die twee; maar hij is juist de man
om zich gelukkig te voelen in romantisch, onschuldig gedweep.
De jonge graaf is rustig en kalm en Gösta tintelt van vroolijkheid. Een
gezelschap als 't zijne is juist wat de jonge gravin wenscht. Niemand
die haar ziet kan denken, dat ze aan een ongeoorloofde liefde lijdt. Ze
denkt aan dans en vroolijkheid. Ze zou 't liefst hebben, dat de aarde
overal glad was zonder steenen, rotsen of meren, zoodat ze de wereld
door kon dansen. Op kleine, dunne schoentjes zou ze van de wieg tot
't graf willen dansen.
Maar de praatjes sparen de jonge vrouwen niet.
Als deze gasten naar Borg komen en daar eten, gaan de heeren na tafel
gewoonlijk naar de kamer van den graaf, om te slapen of te rooken. En
de oude dames zinken neer in de leuningstoelen in de zaal en leunen
hun eerwaardige hoofden tegen de hooge leuningen, maar de gravin en
Anna Stjärnhök gaan naar het blauwe kabinet en doen elkaar eindelooze
vertrouwelijke mededeelingen.
Daar zitten ze ook den zondag, nadat Anna Stjärnhök de oude Ulrika
Dillner naar Borg terug heeft gehaald.
Niemand op de wereld is zoo ongelukkig als 't jonge meisje. Al haar
vroolijkheid is weg. Met haar fierheid, waarmee ze ieder die haar te
na komt, op een afstand hield, is 't gedaan.
Alles wat er op dien rit van Fors naar Berga gebeurde ligt voor haar
bewustheid weer in 't halfdonker, waaruit het te voorschijn werd
getooverd. Geen enkle heldre indruk bleef er van over.
Ja toch! Eén:
"Als God het nu eens niet was, die 't gedaan had!" fluistert ze telkens
weer op nieuw. "Als nu de wolven eens niet door God gezonden waren."
Ze begeert teekenen, ze vraagt wonderen! Ze bespiedt hemel en
aarde. Maar ze ziet niets. Geen vinger uit de wolken wijst haar den
weg. Geen rookwolk of vuurzuil zweeft voor haar uit.
Zooals ze nu vlak tegenover de gravin zit in 't kleine blauwe kabinet,
valt haar oog op een bouquetje blauwe anemonen, die de gravin in de
hand heeft. En als een bliksemstraal treft het haar, dat ze weet waar
die anemonen gegroeid zijn, dat ze weet wie ze geplukt heeft.
Ze behoeft het niet te vragen. Waar toch groeien hier in den omtrek
blauwe anemonen al in 't begin van April, behalve in 't berkenboschje
op Ekeby.
En ze zit op die blauwe sterretjes te staren, die gelukkige bloemen,
die alle menschen liefhebben, die kleine profeten, die zelf schoon,
ook nog door den glans bestraald worden van de schoonheid die ze
aankondigen, die zeker komen zal. En terwijl ze naar hen zit te staren,
hoopt zich de toorn op in haar ziel als een donderbui.
"Met welk recht," denkt ze, "draagt gravin Dohna die bouquet blauwe
anemonen, die op den heuvel aan 't strand bij Ekeby zijn geplukt?"
Ze waren allemaal verleiders: Sintram, de gravin, alle menschen wilden
Gösta Berling tot kwaad verleiden; maar zij zou hem verdedigen,
verdedigen tegen hen allen. Ze zou 't doen al moest het ook haar
hartebloed kosten.
Ze voelt, dat ze de bloemen uit de hand van de gravin moet gerukt
zien en op den grond geworpen, vertrapt, verbrijzeld--eer ze dat
kleine kabinet verlaat.
Dat voelt ze en de strijd tegen de kleine blauwe sterretjes
begint. Binnen in de zaal leunen de oude dames met hun eerwaardige
hoofden tegen de stoelruggen en vermoeden niets. De heeren rooken
op hun gemak hun pijpen in de kamer van den graaf. Maar in 't kleine
kabinet wordt een wanhopende strijd gestreden.
Ach, hoe wijs zijn zij, die de handen van 't zwaard afhouden, die
kunnen zwijgen en wachten, hun harten tot rust brengen en God laten
zorgen. Altijd dwaalt het onrustige hart. Altijd maakt kwaad het
kwaad erger.
Maar Anna Stjärnhök meent, dat ze nu eindelijk een vinger in de wolken
ziet, die haar den weg wijst.
"Anna," zegt de gravin, "vertel eens een verhaaltje."
"Waarvan?"
"Och," zegt de gravin en liefkoost de bloemen met haar witte
hand. "Weet je geen liefdesgeschiedenis?"
"Neen, van liefde weet ik niets."
"Wat een praatje! Is er niet een landgoed dat Ekeby heet, en is dat
niet vol kavaliers?"
"Ja!" zegt Anna, "daar is een plaats, die Ekeby heet en daar zijn
mannen, die 't land uitzuigen, die ons ongeschikt maken voor ernstig
werk, die het opkomende geslacht bederven en onze beste vrienden doen
dwalen. Wil je iets van hen hooren? Zal ik je een liefdesgeschiedenis
van een van hen vertellen?"
En dan begint Anna Stjärnhök te vertellen. Ze spreekt in korte strofen,
bijna als die van een oud psalmboek, want ze wordt bijna verstikt
door den storm in haar hart. Stille hartstocht trilt in haar woorden,
en de gravin moet naar haar luisteren in angstige spanning.
"Wat is liefde, wat is trouw voor een kavalier? Een liefje hier en
daar, vandaag en morgen in 't Oosten of 't Westen. Niets is hem te
hoog of te laag. Vandaag een gravin, morgen een bedelaarster. Niets
in de wereld is zoo ruim als zijn hart. Maar wee de arme, die een
kavalier liefheeft. Zij moet hem zoeken als hij dronken aan den weg
ligt. Ze moet zwijgend toezien als hij het tehuis van haar kinderen
verspeelt. Ze moet het verdragen, dat hij vreemde vrouwen zoekt. Ach,
Elisabeth, als een kavalier een fatsoenlijke vrouw een dans vraagt,
moest ze dien weigeren, als hij haar bloemen aanbiedt, moest zij ze op
den grond gooien en vertrappen, als ze hem liefheeft moest ze liever
sterven dan zijn vrouw worden.
Er was een onder de kavaliers, die een afgezet predikant was. Hij
had zijn ambt verloren door dat hij dronk. Hij was dronken in de
kerk. Hij dronk den avondmaalswijn op. Heb je ooit van hem gehoord?"
"Neen, nooit."
"Zoodra hij afgezet was, zwierf hij rond als bedelaar. Hij dronk als
een krankzinnige. Hij was in staat te stelen om brandewijn te krijgen."
"Hoe heet hij?"
"Hij is niet meer op Ekeby. De Majoorske ontfermde zich over hem,
gaf hem kleeren en haalde je stiefmoeder, gravin Dohna, over hem tot
huisonderwijzer voor je man te nemen, voor Henrik Dohna."
"Een afgezet predikant?"
"Och, hij was jong en krachtig en had veel kennis. Er was niets op
hem aan te merken, als hij maar niet dronk. Gravin Märta nam het zoo
nauw niet. Ze had er pleizier in den dominé en den kapelaan te plagen.
Maar ze beval toch, dat niemand over zijn vroeger leven met haar
kinderen spreken zou, want dan zou haar zoon geen respekt meer voor
hem hebben en haar dochter hem niet in haar nabijheid dulden; want
zij was een heilige.
Zoo kwam hij naar Borg, hij bleef aan de deur staan; hij zat op de
kant van zijn stoel; hij zweeg aan tafel, en vluchtte naar buiten in
't park als er gasten kwamen.
Maar daar buiten op de eenzame paden ontmoette hij dikwijls de
jonge Ebba Dohna. Zij hield niet van de feesten vol gedruisch, die
in de zalen op Borg gevierd werden sinds de Gravin weduwe was. Ze
was zoo zacht, zoo schuchter. Zelfs toen zij zeventien jaar was,
was ze nog als een kind; maar prachtig was ze met haar bruine oogen,
en den teeren, fijnen blos op de wangen. Haar slank lichaam was iets
gebogen. Haar smalle hand gleed in de uwe met een zachten druk. Haar
kleine mond sprak weinig en er lag een ernstige trek om. En haar stem,
haar zachte stem, die de woorden zoo langzaam en welluidend sprak,
maar nooit jong en frisch en warm was, maar mat klonk en wegstierf als
't slotakkoord van een vermoeid kunstenaar!
Ze was niet als de anderen. Haar voetstap was zoo licht, alsof ze
vluchtte over de aarde. De oogen hield ze meestal neergeslagen,
alsof ze niet gestoord wilde worden in de heerlijke visioenen in
haar ziel. Haar ziel had zich reeds van de wereld afgewend toen ze
nog een kind was.
Toen ze klein was placht haar grootmoeder haar sprookjes te
vertellen. Op een avond zaten zij samen bij het vuur. De sprookjes
waren afgehandeld; de helden en heldinnen daaruit waren aan hun
oogen voorbijgegaan in glans en heerlijkheid. Maar 't handje van 't
kind lag nog steeds op de knie van de oude vrouw en ze streek over
den zijden rok, die aardige zij, die kraakte en soms piepte als een
vogeltje. In die beweging lag een verzoek. Want ze hoorde tot die
kindren, die nooit in woorden om iets vragen.
Toen begon de oude zacht te vertellen van een kindje in 't Jodenland,
een klein kindje, dat geboren werd om koning te worden. De engelen
hadden de lucht met lofzangen vervuld bij zijn geboorte, en oude mannen
en vrouwen hadden zijn heerlijkheid voorspeld. Dat kind groeide op tot
grooter schoonheid en wijsheid dan eenig ander kind. Toen het twaalf
jaar was, was hij al wijzer dan de opperpriester en schriftgeleerden.
Toen vertelde de oude van 't schoonste op aarde; van 't leven van
dat kind, terwijl 't onder de menschen verkeerde, die booze menschen,
die 't niet als hun koning wilden erkennen.
Zij vertelde hoe 't kind opgroeide tot een man door wonderen omgeven
en bestraald. Alles op aarde diende hem en had hem lief, behalve de
menschen. De visschen lieten zich vangen in zijn netten, 't brood
vulde zijn korven, 't water veranderde in wijn, op zijn wensch.
Maar de menschen zetten den grooten koning niet op een troon en boden
hem geen gouden kroon aan. Hij had geen hofstoet om zich heen. Zij
lieten hem omzwerven als een bedelaar.
En toch was de groote koning zoo goed voor hen. Hij genas hun zieken,
gaf de blinden 't gezicht terug en wekte de dooden op.
"Maar," zeide de oude, "de menschen wilden den goeden koning niet
als hun heer erkennen. Zij zonden krijgslieden uit om hem te vangen,
ze gaven hem spottend een kroon en scepter en een langen mantel
en lieten hem naar de rechtsplaats gaan met een zwaar kruis op den
rug.--O kindje, die goede koning had de hooge bergen zoo lief. Hij
beklom ze vaak 's nachts om met de hemelbewoners te spreken en overdag
zat hij graag tegen de berghellingen om voor de luisterende menschen te
spreken. Maar nu voerden zij hem naar een berg om hem te kruisigen. Zij
sloegen nagels door zijn handen en voeten en hingen den goeden koning
aan het kruis alsof hij een roover--een misdadiger was.
En 't volk bespotte hem. Alleen zijn moeder en zijn vrienden schreiden,
omdat hij sterven moest, eer hij als koning erkend was.
Ach, hoe treurde alles om zijn dood.
De zon verloor haar glans, de bergen beefden, 't voorhangsel van den
tempel scheurde en de graven openden zich, opdat de dooden mochten
uitgaan en hun rouw toonen."
Toen lag de kleine met 't hoofd op grootmoeders schoot en schreide,
alsof haar hart zou breken.
"Schrei niet, kindje, de goede koning is opgestaan uit zijn graf en
opgevaren naar zijn Vader in den Hemel."
"Maar grootmoeder," snikte 't kind, "heeft hij nooit een rijk gehad?"
"Hij zit aan Gods rechterhand in den Hemel."
Maar dat troostte haar niet. Ze schreide zoo wanhopend en aanhoudend
als alleen een kind schreien kan.
"O, waarom waren ze zoo slecht tegen hem? Hoe konden ze zoo slecht
tegen hem zijn!"
De oude vrouw werd ongerust over die overweldigende smart.
"Grootmoeder, grootmoeder, o, u hebt 't zeker niet goed verteld,
nietwaar? Zóó eindigt 't verhaal toch niet. Zóó slecht waren ze
toch niet voor den goeden koning. Hij kreeg toch wel een rijk hier
op aarde!"
Ze sloeg de armen om den hals der oude vrouw en smeekte en schreide
maar al voort.
"Kindje, kindje," zei toen de grootmoeder om haar te troosten,
"de menschen zeggen, dat hij weerom zal komen. Dan zal hij de aarde
aan zich onderwerpen en die regeeren en dan wordt deze schoone aarde
zijn heerlijk rijk. Dat zal duizend jaar bestaan. Dan worden de wilde
dieren tam, kindertjes zullen met de slangen spelen, beren en koeien
zullen tam grazen. De menschen zullen elkaar geen kwaad meer doen;
de spiesen zullen tot zeisen en de zwaarden tot ploegijzers worden
omgesmeed. En alles zal vreugde en heerlijkheid zijn en de goeden
zullen de aarde beërven.
Toen klaarde 't gezichtje van 't kind op onder haar tranen.
"Krijgt de goede koning dan een troon, grootmoeder?"
"Een gouden troon!"
"En een hofstoet en een gouden kroon?"
"Ja, die krijgt hij."
"Komt hij gauw, grootmoeder?"
"Niemand weet, wanneer hij komt."
"En mag ik dan op een bankje aan zijn voeten zitten?"
"Ja, dat mag je!"
"O, grootmoeder, hoe heerlijk!" zegt de kleine.
--Avond aan avond, vele winters lang zaten die twee bij 't vuur en
spraken over den goeden koning en zijn rijk. De kleine droomde van 't
duizendjarig rijk bij dag en bij nacht. Ze werd nooit moe het in haar
fantaisie te versieren met al de schoonheid, die ze maar uitdenken kon.
Zoo gaat het met zoovelen van die zwijgende kinderen om ons
heen. Ze verbergen in hun ziel een droom, waarover ze niet durven
spreken. Wonderlijke gedachten roeren zich onder het zijde-achtige
haar, de zachte bruine oogen zien wonderlijke visioenen onder de
neergeslagen oogleden. Meer dan één maagd heeft haar bruidegom in
den hemel, meer dan één vrouw wenscht vurig de voeten van den goeden
koning te mogen zalven en ze met heur haar af te drogen.
Ebba Dohna waagde niet er met iemand over te spreken, maar sinds
dien avond leefde ze alleen voor den terugkomst van den Heer en zijn
duizendjarig rijk.
Als 's avonds de purperen wolken in 't westen zich schaarden om de
dalende zon dacht zij er aan, of hij nu niet te voorschijn zou treden
in al zijn heerlijkheid, door een heerschare van engelen gevolgd,
haar voorbij zweven en haar vergunnen den zoom van zijn kleed aan te
raken. Ze dacht ook gaarne aan de vrome vrouwen, die hem zeker even
liefgehad hadden als zij,--die den nonnensluier hadden omgeslagen, en
de oogen niet meer van de aarde ophieven, maar zich hadden opgesloten
in de rust van 't klooster, in de duistere kleine cellen, om daar
ongestoord de stralende visioenen te zien, die nederdalen in den
nacht der ziel.
Zoo was ze opgegroeid, zoo was ze toen de nieuwe huisonderwijzer en
zij elkaar in de eenzame paden in het park ontmoetten.
Ik wil niet meer kwaad van hem zeggen dan noodig is. Ik wil graag
gelooven, dat hij dit kind liefhad, dat hem spoedig tot gezel op de
eenzame paden koos. Ik geloof, dat zijn ziel haar vleugelen weer
voelde groeien, als hij naast dat stille kind ging, dat nooit een
ander haar vertrouwen geschonken had; ik geloof dat hij zich zelf
een kind voelde wórden; een goed vroom kind.
Maar als hij haar werkelijk liefhad, waarom dacht hij er dan niet
aan, dat niets voor haar minder waard kon zijn dan zijn liefde! Hij,
een door de wereld verworpene, wat wilde hij, waar dacht hij aan,
als hij aan de zijde der gravendochter ging? Waar dacht de afgezette
predikant aan, als ze hem haar vrome droomen toevertrouwde. Hij, die
een dronkaard en een vechtersbaas geweest was en die 't weer worden
zou, als de omstandigheden er toe leidden, wat wilde hij van haar,
die droomde van een bruidegom in den hemel? Waarom vluchtte hij niet
ver weg? Was 't niet beter voor hem geweest 't land door te zwerven
als een bedelaar en een dief, dan daar in de stille lanen te loopen
en weer vroom en goed te worden, na 't leven, dat hij geleid had
en dat toch niet overgeleefd kon worden, nu 't onvermijdelijk was,
dat Ebba Dohna hem lief moest hebben?
Meen niet, dat hij er als een dronkaard uitzag, met bleeke wangen
en roode oogen. Hij was nog een statig man, schoon en krachtig,
een vorstelijk figuur met een ijzeren lichaam, dat het wildste leven
kon verdragen.
"Leeft hij nog?" vraagt de gravin.
"Ach neen, hij is nu zeker dood. Dit is al zoo lang geleden."
Anna Stjärnhök begint bang te worden voor wat ze doet. En ze neemt zich
voor de gravin nooit te zeggen, wie de man is, waar ze over spreekt;
maar haar te laten denken, dat hij nu dood is.
"Toen was hij nog jong," vertelt ze verder, "de levensvreugde vlamde
weer op in zijn ziel. Hij bezat de gave van 't woord en een vurig hart,
licht tot geestdrift bewogen.
En er kwam een avondure, dat hij tot Ebba Dohna van liefde sprak. Ze
antwoordde niet. Ze zei hem alleen, wat haar grootmoeder haar 's
wintersavonds verteld had en beschreef het land van haar droomen voor
hem. En ze nam hem een gelofte af. Ze liet hem zweren, dat hij een
verkondiger van het woord zou worden, een van hen, die den weg des
Heeren bereiden, die zijn komst verhaasten.
Wat moest hij doen? Hij was een afgezette predikant, en geen weg
was zoo volkomen afgesloten, dan juist dien eenen dien ze verlangde,
dat hij zou betreden. Hij beloofde al wat ze wilde.
Meer was tusschen hen niet noodig, het was uitgemaakt, dat zij eenmaal
zijn vrouw zou worden. Ze wisselden geen kussen en liefkozingen. Hij
waagde nauwelijks haar te naderen. Ze was fijngevoelig als de teerste
bloem. Maar nu en dan sloeg ze haar bruine oogen op en zocht de
zijnen. Als ze 's avonds in den maneschijn op de veranda zaten,
leunde ze tegen hem aan en hij kuste heur haar zonder dat ze 't merkte.
Je ziet wel wat zijn zonde was: hij vergat 't verleden en de
toekomst. Dat hij arm en gering was, mocht hij wel vergeten, maar
hij had er aan moeten denken, dat de dag komen zou, dat in haar hart
de eene liefde tegen de andere zou opstaan, dat ze zou moeten kiezen
tusschen hemel en aarde, tusschen hem en den glorierijken heerscher in
't duizendjarige rijk en dat zij dien strijd niet zou kunnen dragen.
Zoo ging een zomer, een najaar, een winter voorbij. Toen 't voorjaar
kwam en 't ijs smolt werd Ebba Dohna ziek. 't IJs kruide in de
dalen, er lag ijs op de heuvels, de meren waren gevaarlijk, de wegen
onmogelijk te begaan of te berijden.
Gravin Dohna wilde den dokter uit Karlstad laten halen. Er was geen
andere dichter bij. Maar haar bevelen klonken vergeefs. Ze kon met
smeeken noch dreigen haar bedienden bewegen de reis te ondernemen. Ze
wierp zich voor den koetsier op de knieën maar hij zei "neen!" Ze
kreeg toevallen van smart en angst over haar dochter--want gravin
Märta is woest in vreugde en in verdriet.
Ebba Dohna had longontsteking en haar leven was in gevaar. Maar er
kon geen dokter gehaald worden.
Toen reed de huisonderwijzer naar Karlstad. Dien rit te wagen, op zulke
wegen was zijn leven op 't spel zetten; maar hij deed het. Over golvend
ijs, over gladde heuvels ging het. Nu en dan moest hij trappen in 't
ijs houwen voor 't paard, dan weer het uit de natte klei trekken. Men
zegt, dat de dokter weigerde meê te gaan, maar dat hij er hem met
een pistool in de hand toe dwong.
Toen hij weerkwam, wierp de gravin zich bijna aan zijn voeten. "Neem
alles!...." riep ze, "vraag wat ge wilt, zeg wat ge verlangt, mijn
dochter, mijn hoeve, mijn geld"....
"Uw dochter," antwoordde hij.
Nu zwijgt Anna Stjärnhök plotseling.
"En toen....? en toen?" vraagt gravin Elisabeth.
"Nu is 't genoeg," antwoordt Anna, want ze is een van die ongelukkige
menschen, die altijd twijfelen met angst en beven. Dat heeft ze nu
al een heele week gedaan. Wat haar 't éene oogenblik goed toeschijnt,
komt haar 't andere oogenblik verkeerd voor. Nu wilde ze, dat ze dit
verhaal nooit begonnen had.
"Ik geloof dat je me voor den gek wilt houden, Anna. Begrijp je niet,
dat ik 't eind van deze geschiedenis weten moet?"
"Er is niet veel meer te vertellen. Het uur van strijd was voor de
jonge Ebba Dohna geslagen. Liefde stond op tegen liefde in haar hart,
de aarde tegen den hemel.
Gravin Märta vertelde haar van de levensgevaarlijke reis, die de
jonge man om harentwil gedaan had, en zij zeide haar, dat ze hem tot
belooning daarvoor haar hand beloofd had.
De jonge Ebba Dohna was nu zooveel beter, dat ze gekleed op de sofa
lag. Ze was mat bleek en nog stiller dan gewoonlijk.
Toen ze die woorden hoorde, sloeg ze klagend en verwijtend haar bruine
oogen naar haar moeder op en zei:
"Moeder gij hebt mij beloofd aan een afgezet predikant, aan een,
die zijn recht Gods dienaar te zijn, heeft verspeeld aan een man,
die een dief en een bedelaar geweest is."
"Maar kind, wie heeft je dat verteld. Ik dacht niet, dat je daar iets
van wist."
"Ik heb het gehoord. Uw gasten praatten er over den dag, dat ik
ziek werd."
"Maar kind, bedenk, dat hij je leven heeft gered."
"Ik kan er alleen aan denken, dat hij mij bedrogen heeft. Hij had
mij moeten zeggen wie hij was."
"Hij zegt, dat je hem lief hebt."
"Dat heb ik gedaan. Maar ik kan iemand, die mij bedriegt, niet meer
liefhebben."
"Hoe heeft hij je dan bedrogen?"
"Dat kunt u niet begrijpen, moeder."
Ze wil met haar moeder niet spreken over het duizendjarig rijk van
haar droomen, die haar geliefde zou helpen stichten.
"Ebba," zegt de gravin, "als je hem lief hebt dan moet je niet vragen,
wat hij geweest is, maar zijn vrouw worden. Wie met een gravin Dohna
trouwt, wordt zóó rijk en machtig, dat de zonde van zijn jeugd hem
wel vergeven kan worden,
"Om de zonde van zijn jeugd geef ik niet moeder. Ik kan zijn vrouw
niet worden omdat hij mij bedrogen heeft en omdat hij nooit kan worden,
wat ik wilde dat hij worden zou."
"Denk er aan, dat ik hem mijn woord gegeven heb, Ebba."
't Jonge meisje werd doodsbleek.
"Moeder, dit zeg ik u, als u mij aan hem tot vrouw geeft, dan scheidt
u mij van God."
"Ik heb besloten je gelukkig te maken," zegt de Gravin. "Ik weet zeker,
dat je met dien man gelukkig zult zijn. Je hebt hem immers al tot een
heilige gemaakt. Ik heb besloten 't verschil in stand tusschen ons
en hem over 't hoofd te zien, te vergeten, dat hij arm en veracht is,
om je in staat te stellen hem te redden. Ik voel, dat wat ik doe goed
is. Je weet, dat ik niet aan vooroordeelen hecht."
Maar dat alles zegt ze maar omdat ze niet velen kan, dat iemand zich
tegen haar wil verzet. Misschien meende ze 't ook wel op dat oogenblik,
want gravin Märta is niet zoo gemakkelijk te begrijpen.
't Jonge meisje bleef op de sofa liggen, lang nadat de gravin van
haar was weggegaan. Zij streed haar strijd: den strijd tusschen aarde
en hemel, tusschen de liefde voor den goeden koning en die voor haar
geliefde. Maar de eerste overwon. Daar waar ze lag--op deze sofa--zag
ze den hemel in 't westen gloeien door een heerlijken zonsondergang. 't
Was haar als een groet van den goeden koning, en daar ze de kracht
niet had hem trouw te blijven, als ze moest blijven leven, besloot ze
te sterven. Zij kon niets anders doen nu haar moeder besloten had,
dat zij een man zou toebehooren, die niet de dienstknecht van den
goeden koning worden kon.
Ze ging naar 't venster, deed het open en liet den kouden avondwind
langs haar arm, zwak lichaam gaan tot ze versteend van kou was. 't
Was gemakkelijk voor haar, zich den dood op den hals te halen. En die
zou zeker volgen als de ziekte zich weer verhief. En dat gebeurde.--
Niemand dan ik weet, dat zij den dood zocht. Ik vond haar voor 't
open venster. Ik hoorde haar ijlen. Ze had mij gaarne bij zich in
haar laatste dagen.
Ik heb haar zien sterven. Ik zag haar de armen uitstrekken naar den
gloeienden avondhemel, en sterven met een glimlach, alsof ze iemand
uit den zonnegloed had zien komen om haar te ontvangen. Ik moest ook
haar laatste groeten brengen aan hem, dien ze had liefgehad. Ik moest
hem vragen 't haar te vergeven, dat ze zijn vrouw niet had kunnen
worden. De goede koning wilde het niet toestaan.
Maar ik heb niet den moed gehad dien man te zeggen, dat hij haar
vermoord had. Ik had niet den moed hem den last van zulk een lijden
op de schouders te leggen. En toch.... hij, die door een leugen haar
liefde verwierf, was hij haar moordenaar niet? Was hij dat niet,
Elisabeth?"
Gravin Dohna heeft al lang opgehouden met blauwe bloempjes te
spelen. Nu staat ze op en 't bouquet valt op den grond.
"Anna, je maakt me voortdurend wat wijs. Je zegt dat het een oude
historie is, en dat de man al lang dood is. Maar ik weet immers,
dat het nauwlijks vijf jaar geleden is, dat Ebba Dohna stierf. En dan
zeg je, dat je dit zelf beleefd hebt. Je bent niet oud. Zeg mij nu,
wie die man is!"
Anna Stjärnhök begint te lachen.
"Je vroeg immers om een liefdesgeschiedenis. Nu heb je er een gehoord,
die je tranen en onrust gebracht heeft."
"Is het dan niet waar?"
"Wel neen, 't zijn maar verzinsels!"
"Je bent slecht, Anna."
"Ja, dat kan wel zijn. Ik ben ook juist niet bijzonder gelukkig, moet
je weten. Maar ik hoor de heeren komen en de dames zijn wakker. Laat
ons naar de zaal gaan."
In de deur komt ze Gösta Berling tegen, die de dames komt roepen.
"U moet geduld met me hebben," zegt hij glimlachend. "Ik zal u
niet langer dan tien minuten plagen, maar u moet even een gedicht
aanhooren."
En hij vertelt hun, dat hij dien nacht zoo levendig gedroomd heeft,
als nooit te voren. Hij heeft gedroomd, dat hij verzen geschreven had.
Hij, die de menschen "de dichter" noemden en die tot nu toe dien naam
geheel onverdiend droeg, hij was midden in den nacht opgestaan en had
half slapend, half wakker aan zijn schrijftafel gezeten. En 's morgens
had hij een heel gedicht op zijn schrijftafel gevonden. Hij had het
nooit van zich zelf gedacht... En nu moesten de dames even luisteren.
En hij las een gedicht voor, waarin hij klaagde over de vele
herinneringen, die hem hier omgaven.
Hij sprak daarin van een avond waarop zij die hem liefhad, gezegd had,
dat ze na haar dood niet ver van hem zijn zou, maar dat haar ziel de
zijne zou zoeken en vinden en hem op aarde vergezellen. En hij sprak
er van, hoe hij leed onder 't gevoel, dat hij door zijn liefde haar
ziel, de bezoedelde gebonden had.
"Gösta," schertste Anna, terwijl angst haar de keel toesnoerde,
"men zegt van je, dat je meer gedichten beleefd hebt, dan een ander
ooit geschreven heeft, maar 't is heusch 't beste, dat je maar op je
oude manier blijft dichten: dit gedicht is nachtwerk!"
"Je oordeelt niet zacht."
"Hier te komen en ons allerlei van dood en ellende voor te lezen! Foei,
je moest je schamen!"
Maar Gösta luistert niet meer naar haar. Gösta ziet onafgebroken de
jonge gravin aan. Ze zit daar, onbewegelijk en bleek als een marmeren
beeld. Hij is bang dat ze flauw zal vallen.
Maar met onuitsprekelijke moeite perst ze eindelijk een woord van
haar lippen:
"Ga heen."
"Wie moet heengaan? Moet ik heengaan?"
"De dominé moet heengaan," stamelt zij.
"Elisabeth, zwijg toch."
"De dominé, die dronkaard moet uit mijn huis!"
"Anna, Anna," vraagt Gösta, "wat meent ze?"
"'t Is 't beste, dat je heengaat, Gösta."
"Waarom moet ik heengaan? Wat beteekent dit toch?"
"Anna," zegt gravin Elisabeth, "zeg hem...."
"Neen, gravin, zeg het hem zelf."
De gravin zet de tanden op elkaar en wordt eindelijk haar ontroering
meester.
"Mijnheer Berling," zegt ze, en gaat naar hem toe. "U hebt er
verwonderlijk slag van de menschen te doen vergeten, wie u is. Ik heb
het niet geweten voor vandaag. Ik heb pas het verhaal van Ebba Dohna's
dood gehoord en dat de zekerheid, dat de man, dien ze liefhad, haar
niet waard was, haar in den dood dreef. Uit uw gedicht begrijp ik, dat
u die man waart. Ik begrijp niet hoe een man met een verleden als het
uwe, in het gezelschap van fatsoenlijke vrouwen wordt toegelaten. Dat
begrijp ik niet, mijnheer Berling. Spreek ik nu duidelijk genoeg?"
"Mevrouw de gravin spreekt duidelijk genoeg. Ik zal alleen één
woord tot mijn verdediging zeggen. Ik heb aldoor vast geloofd, dat u
alles van me wist. Ik heb nooit geprobeerd iets te verbergen. Maar
't is niet aangenaam zijn grootste smarten van de daken te hooren
verkondigen en nog minder dat zelf te doen."
Hij gaat heen. En op 't zelfde oogenblik zet gravin Dohna haar kleinen
voet op 't bouquetje blauwe anemonen.
"Nu heb je gedaan, wat ik wilde," zegt Anna Stjärnhök op harden toon
tot haar. "Maar nu is 't ook gedaan met onze vriendschap. Meen niet,
dat ik het je ooit vergeven zal, dat je zoo wreed tegen hem geweest
bent. Je hebt hem afgestooten, gekwetst, beleedigd, hem, dien ik
graag in armoede en schande zou volgen. Ik zal hem beschermen en
behoeden. Je hebt gedaan wat ik wou; maar ik vergeef het je nooit."
"Maar Anna, Anna!"
"Dacht je, dat ik je dat alles vertelde met een licht hart?--Alsof
ik hier niet mijn eigen ziel aan stukken had zitten scheuren!"
"Maar waarom deedt je het dan?"
"Waarom?--Omdat ik niet wou.... Neen, ik wil het niet!--dat hij de
minnaar van een getrouwde vrouw zal worden."