O gij kinderen van dezen tijd. Ik heb u niets nieuws te vertellen,
alleen oude, half vergeten verhalen. Sprookjes uit de kinderkamer, waar
de kleintjes op lage bankjes zaten om de grijze sprookjesvertelster,
of van 't vuur in de hut, waar de knechts en de daglooners zaten te
praten, terwijl de damp uit hun natte kleeren sloeg en ze 't mes uit
de lederen schede trokken om de boter op hun dikke, zachte sneê brood
te smeren; of uit de zalen waar de oude heeren in schommelstoelen
zaten en over den ouden tijd spraken bij hun dampende toddy.
Stond dan een kind, dat naar de sprookjesvertelster geluisterd had,
of naar de daglooners, of naar de oude heeren 's wintersavonds voor
't venster, dan waren 't geen wolken, die het aan den horizont zag,
maar de kavaliers, die daar voort joegen in hun oude kariolen; de
sterren waren kaarsen, die in de oude gravenburcht op Borg brandden
en bij 't spinnewiel, dat in de kamer naast hem snorde, zat de oude
Ulrika Dillner. Want 't hoofd van zoo'n kind zat vol menschen uit
den ouden tijd en het dweepte met hen en was met hen vervuld.
Maar werd zulk een kind, waarvan de ziel met sprookjes verzadigd
was, over den donkren zolder naar 't provisiekamertje gestuurd om
linnen of beschuiten te halen, dan vlogen zijn voetjes voort, dan
ging 't in vliegende vaart de trappen af, de vestibule door naar de
keuken. Want boven in 't donker had 't kind aan alle oude verhalen
gedacht, die het gehoord had van den boozen grondeigenaar op Fors,
van hem, die zijn ziel aan den duivel verkocht had.
Het stof van den boozen Sintram rust al sinds lang op het kerkhof te
Svartsjö, maar niemand moet gelooven, dat zijn ziel rust vond in God,
zooals op den grafsteen staat.
Terwijl hij leefde, hoorde hij tot de menschen, voor wier huis op lange
regenachtige Zondagmiddagen gewoonlijk een zware koets stilhield, met
zwarte paarden bespannen. Een elegant, in 't zwart gekleed heer stapt
uit den wagen en helpt den heer des huizes met kaart en dobbelspel de
langzaam voortkruipende uren verdrijven, die hem door hun eentonigheid
wanhopend maakten, 't Spel duurt tot na middernacht en als de vreemde
tegen de morgenschemering vertrekt, laat hij gewoonlijk een of ander
onheilspellend afscheidscadeau achter.
Ja, zoolang Sintram leefde, werd zijn komst door geesten
aangekondigd. Voor hem uit gaan ze, hun wagen rolt de plaats op, hun
zweep knalt, hun stem hoort men op de stoep, de huisdeur gaat open
en dicht. De honden en menschen worden door 't gedruisch gewekt; maar
er komt niemand. 't Zijn de geesten, die Sintrams komst aankondigen.
Brr! die vreeselijke menschen, die door booze geesten bezocht
worden. Wat zou dat toch wel voor een groote hond geweest zijn, die
zich in Sintrams tijd op Fors vertoonde. Hij had verschrikkelijke,
vonkelende oogen en een lange vuurroode tong, die van uit den gapenden
muil hing. Op een dag, juist toen de knechts in de keuken waren om te
eten, had hij aan de keukendeur gekrabd en alle dienstmeisjes hadden
gegild van schrik. Maar de grootste en sterkste van de knechts had een
vlammend stuk hout uit 't vuur genomen, de keukendeur opengerukt en
't brandend hout in den bek van den hond geslingerd. Die was met een
vervaarlijk gehuil gevlucht. Vuur en rook was uit zijn muil gekomen,
vonken spatten om hem heen en zijn voetspoor op den weg glom als
vuur. En was 't ook niet verschrikkelijk, hoe het toeging als de
grondeigenaar op reis ging?--Hij reed uit met paarden; maar als hij
laat in den nacht thuiskwam, had hij altijd zwarte stieren voor den
wagen. De menschen, die aan den straatweg woonden, konden de groote
zwarte horens tegen den nachthemel duidelijk onderscheiden, als hij
voorbij reed. Ze hoorden de dieren loeien en zagen met ontzetting
de strepen vonken, die hun hoeven en de wielen van den wagen uit
't dorre gras sloegen.
Ja de kleine voetjes moeten zich wel haasten over den grooten donkren
zolder. Stel u eens voor, dat er eens iets verschrikkelijks--b. v. hij,
wiens naam men niet noemen mag, uit dien donkren hoek daar te
voorschijn kwam. Wie was veilig voor hem? Hij verscheen niet alleen
voor de boozen. Had niet Ulrika Dillner hem gezien? Zij en Anna
Stjärnhök konden vertellen hoe ze hem gezien hadden.
Vrienden, menschenkindren! Gij die danst en lacht. Ik bid u, ik smeek
u, danst voorzichtig, lacht zachtjes, want er wordt zooveel onheil
gesticht, als uw dunne zijden schoentjes op menschenharten treden,
en uw zilveren lach kan zielen tot vertwijfeling brengen.
't Was zeker omdat de voeten der jongeren te hard op 't hart van de
oude Ulrika getreden hadden, en 't lachen der jongeren te overmoedig
in haar ooren had geklonken, dat er plotseling een onweerstaanbaar
verlangen naar den naam en de waardigheid van een getrouwde vrouw
over haar kwam. Zij zei eindelijk: Ja! tegen den boozen Sintram, die
haar al vaak ten huwelijk had gevraagd en volgde hem naar Fors als
zijn vrouw. Zoo werd ze gescheiden van de oude vrienden op Berga,
de oude, haar liefgeworden bezigheden en de oude zorgen voor 't
dagelijksch brood.
Het huwelijk ging hals over kop. Sintram kreeg met kerstmis het jawoord
en zij vierden bruiloft in Februari. Anna Stjärnhök woonde nu in 't
huis van kapitein Uggla. Zij was een uitstekende plaatsvervangster
voor de oude Ulrika, dus deze kon zonder gewetensbezwaar heengaan en
den titel van Mevrouw veroveren.
Zonder gewetensbezwaar, ja! maar niet zonder spijt. Ze was niet op
een goede plaats gekomen. De groote leege kamers waren vol griezelige
dingen. Zoodra 't donker werd, begon ze te trillen van angst. Ze
verging van heimwee.
De lange zondagmiddagen waren het ergste. Ze waren eindeloos, en
eindeloos waren ook de bittere gedachten, die dan voortkropen door
haar hersens.
Op een zondag, dat Sintram niet thuis gekomen was uit de kerk,
ging zij in de groote zaal en zette zich voor de piano. Die was haar
laatste troost. De piano met een fluitspeler en een herderinnetje op
de witte klep geschilderd, was haar eigendom, een erfstuk van haar
ouders. Aan die piano klaagde ze haar nood, die begreep haar.
Maar weet ge wat ze speelt? Niets dan een polka! En dat zij, die zoo
bitter bedroefd is.
Ach, zij kan niet anders spelen! Eer haar vingers gekromd werden om
den potlepel en 't voorsnijmes, had ze die éene polka geleerd. Die
zit haar nog in de vingers, maar ze kan niets anders spelen--geen
treurmarsch, geen hartstochtelijke sonate, niet eens een weemoedig
volksliedje, alleen een polka.
Die speelt ze zoo vaak ze haar oude piano iets toevertrouwen wil. Die
speelt ze als ze lacht en schreit; toen ze haar bruiloft vierde,
speelde ze die en toen ze voor 't eerst in haar eigen woning kwam. En
die speelt ze ook nu.
De oude snaren begrijpen haar wel. Ze is ongelukkig, diep ongelukkig.
Een wandelaar, die voorbij kwam en die tonen hoorde, zou denken,
dat de booze grondeigenaar een bal gaf aan zijn buren en vrienden,
zoo vroolijk klinkt de polka. 't Is een fleurige, vroolijke
melodie. Daarmee speelde ze den honger weg op Berga.
Als die klonk, moesten alle dansen.
Dan sprong de band, die de jicht om de gewrichten gelegd had en
tachtigjarige heeren werden naar den dansvloer gelokt. De heele wereld
kreeg lust te dansen bij die polka, zóó vroolijk klonk ze--maar de
oude Ulrika schreit.
Ze heeft onwillige bedienden om zich heen en nijdige dieren. Ze
verlangt zoo naar een vriendelijk gezicht, naar een lachenden mond. Dat
smartelijk verlangen moet de polka weêrgeven.
De menschen kunnen maar niet onthouden, dat ze Mevrouw Sintram
is. Ze noemen haar allemaal juffrouw Dillner. En haar berouw over
de ijdelheid, die haar verlokte den titel van Mevrouw na te jagen,
wil ze uiten in de polka.
De oude Ulrika speelt alsof ze de snaren wil stukspelen. Er is zooveel
dat ze verdooven wil; 't gejammer van verarmde boeren, de vloeken
van afgebeulde arbeiders, 't hoonlachen van onwillige bedienden en
dan allermeest de schande! De schande, dat ze de vrouw is van een
slechten man.
Bij die tonen heeft Gösta Berling de gravin Dohna ten dans
gevoerd. Marianne Sinclaire en haar aanbidders dansten er op. En de
Majoorske van Ekeby heeft er zich bij op de maat bewogen, toen de
mooie Altring nog leefde. Zij ziet ze voorbij zweven, paar aan paar,
jong en schoon. Een stroom van vroolijkheid ging uit van haar naar
hen, van hen naar haar. Haar polka deed hun wangen gloeien, hun oogen
stralen. Nu is zij van dat alles gescheiden! Laat de polka klinken,
er zijn zooveel, ach! zóóveel herinneringen te verdooven.
Ze speelt om haar angst te dempen. Haar hart krimpt ineen van angst
als ze den zwarten hond ziet, als ze de bediende hoort fluisteren
over de zwarte stieren. Ze speelt de polka aldoor weer van voren af
aan om haar angst te dempen.
Daar merkt ze, dat haar man is thuisgekomen. Ze hoort hoe hij de kamer
inkomt en in den schommelstoel gaat zitten. Ze kent het krakend geluid
van den stoel zoo goed, dat ze niet eens omkijkt.
En terwijl ze speelt, hoort ze den schommelstoel krakend heen en weer
gaan. Nu hoort ze haar eigen spelen al niet meer--alleen het kraken.
Arme, oude Ulrika, gepijnigd, eenzaam, hulpeloos, als zwervend in
een vijandelijk land, zonder een vriend om haar nood aan te klagen,
zonder andere troost dan een rammelende oude piano, die haar antwoordt
met een polka. Is het niet als een schaterlach op een begrafenis,
als een drinklied in een kerk?
Maar terwijl de schommelstoel maar altijd door blijft kraken, hoort ze
plotseling een geluid alsof de piano met haar klachten spot. Ze houdt
op, midden in een maat.... Ze staat op en kijkt naar den schommelstoel.
En in 't volgend oogenblik ligt ze bewusteloos op den grond. Want
't was haar man niet, die daar zat; maar een ander. Hij, wiens naam
de kindren niet mogen noemen, hij, die ze dood zou doen schrikken,
als ze hem op den eenzamen zolder tegenkwamen.
Zou hij, wiens ziel met sprookjes gevuld werd, wel ooit zich aan hun
macht kunnen ontworstelen?
Buiten huilt de nachtwind. Een ficus en een oleander slaan tegen
't hek van 't balkon met hun stijve bladen.
De hemel welft zich duister over de lange rijen bergen en ik, die hier
alleen zit in den nacht en schrijf bij 't lamplicht, met opgetrokken
gordijnen; ik die nu oud ben en wijs moest zijn, ik voel dezelfde
rilling langs mijn rug, als toen ik deze geschiedenis voor 't eerst
hoorde, en ik moet telkens van mijn werk opzien om te kijken of zich
iemand daar in den hoek verbergt, en ik moet naar buiten op 't balkon
om te zien, of niet een groot zwart hoofd over 't hek kijkt. Die
ontzetting, die de oude verhalen wekken, als de nacht donker en de
eenzaamheid groot is, verlaat me nooit en beheerscht me eindelijk zoo
geheel, dat ik naar bed moet gaan en de dekens over mijn hoofd trekken.
Als kind was ik er altijd verbaasd over, dat Ulrika Dillner dien
middag overleefde. Ik had het zeker niet gedaan.
't Was een geluk, dat Anna Stjärnhök kort daarna naar Fors kwam
rijden, dat ze haar op den grond in de zaal vond liggen en haar weer
bijbracht. Met mij zou dat zeker niet zoo gegaan zijn. Ik zou al lang
dood geweest zijn.
Ik hoop voor u allen, lieve vrienden, dat ge geen tranen in de oogen
der ouden moogt zien. Dat ge niet radeloos zult staan bij een oude
van dagen, die 't grijze hoofd tegen uw borst leunt om daar steun
te vinden of de oude handen om de uwe vouwt. Dat ge geen oude lieden
moogt zien, die gebogen gaan onder leed, dat gij niet kunt verlichten.
Wat zijn de klachten der jongen! Zij hebben nog kracht en hoop. Maar
hoe ellendig is 't niet de ouden te zien schreien, als zij, die u
steunden in uw jonge jaren, neerzinken en machteloos jammeren.
Daar zat Anna Stjärnhök naar de oude Ulrika te luisteren en zag geen
uitkomst voor haar. De oude vrouw schreide en beefde. Haar oogen
stonden verwilderd, ze sprak soms zoo verward, alsof ze niet meer
wist, waar ze was. De duizend rimpels, in haar gezicht waren éens
zoo diep als gewoonlijk. Haar krullen, die over de oogen hingen,
waren door haar tranen uit de krul gegaan en haar geheele magere
gestalte schokte van 't snikken.
Eindelijk neemt Anna het besluit aan die ellende een eind te maken. Zij
zal haar meê naar Berga nemen. Wel was zij de vrouw van Sintram;
maar op Borg kon ze niet blijven. Ze zou nog krankzinnig worden, als
ze bij dien boozen man bleef. Anna besloot de oude Ulrika mee te nemen.
Ach, de oude was zoo verschrikt en zoo blij door dat besluit. Maar
zij durfde waarlijk niet zoo haar huis en haar man te verlaten. Hij
was in staat den grooten zwarten hond op haar af te sturen.
Maar Anna Stjärnhök overwon haar tegenstand, half met scherts en half
met dreigementen en eer er een half uur voorbij was, had ze haar bij
zich in de slee.
Anna reed zelf en 't was de oude Disa, die voor de slee liep. De weg
was slecht, want 't was in Maart; maar 't deed de oude Ulrika goed
weer in de oude, welbekende slee te zitten, met het oude paard er
voor, dat al zooveel jaren een oude getrouwe op Berga geweest was,
juist als zij zelf.
Daar ze van aard opgeruimd en moedig was, de oude sloof, hield ze met
schreien op toen ze voorbij Arvidstorp waren, bij Högbro lachte ze
weer en toen ze voorbij Munkeby reden, was ze aan 't vertellen van
haar jeugd, toen ze bij de gravin op Svaneholm was.
Ze reden nu door de eenzame, verlaten streken ten noorden van Munkeby
op een heuvelachtigen, steenachtigen weg. De weg sleepte zich voort
over alle heuvels, die hij bereiken kon, kroop ze langzaam op in groote
bochten, viel ze halsoverkop weer af en haastte zich dan rechtuit door
't dal om zoo gauw mogelijk weer een nieuwen heuvel te vinden om bij
op te klauteren.
Ze reden juist de Vestratorpsheuvel af toen de oude Ulrika plotseling
zweeg, en Anna in den arm kneep. Zij staarde naar een grooten,
zwarten hond aan den kant van den weg.
"Kijk eens," fluisterde ze.
De hond stoof het bosch in. Anna had hem niet goed gezien.
"Rijd voort," zei de oude Ulrika, "rijd zoo hard je kunt. Nu komt
Sintram te weten, dat ik hier ben."
Anna probeerde haar angst weg te schertsen, maar ze hield vol.
"Je zult zien, nu hooren we zijn bellen gauw, we hooren ze, eer we
op den volgenden heuvel zijn."
En terwijl de oude Disa op den top van den Elofsheuvel even uitblies,
hoorde men 't geluid van bellen beneden uit het dal komen.
Nu werd de arme Ulrika weer radeloos van angst. Ze jammerde en
schreide, zooals kort geleden in de zaal op Fors. Anna wilde Disa
aanzetten, maar die keerde alleen de kop om en keek haar verbaasd
aan. Meende ze, dat Disa niet wist, wanneer ze draven of stapvoets
rijden moest? Wou ze haar soms leeren, hoe ze een slee moest trekken,
haar, die al twintig jaar lang elken steen, elke brug, elken heuvel
en helling hier in den omtrek kende?
Intusschen klonken de bellen steeds dichterbij.
"Daar is hij, daar is hij. Ik ken zijn bellen wel," jammerde de
oude Ulrika.
't Geluid kwam steeds nader. Nu en dan klonk 't zoo onnatuurlijk
sterk, dat Anna omkeek om te zien of 't paard van Sintram de kop ook
in haar slee stak, dan weer stierf het weg. 't Is of alleen de bellen
hen vervolgen.
't Is als wanneer men 's nachts van een feest naar huis rijdt. Bellen
klinken in melodieën, ze spreken, ze zingen, ze antwoorden, 't Woud
weerklinkt van hun gerinkel. Anna verlangt er bijna naar, dat hun
vervolgers zoo nabij komen, dat ze Sintram zelf en zijn rood paard
zien kon. Ze huiverde van dat ontzettende bellengerinkel. Ze is niet
bang, ze is 't nooit geweest, maar die bellen vindt ze vreeselijk,
ze martelen haar.
"Die bellen doen me pijn," zegt ze. En dadelijk vangen de bellen de
woorden op. "Doen pijn," zingen ze; "doen pijn, pijn, pijn! doen pijn,
pijn, pijn!" klinkt het op alle mogelijke melodieën. 't Was nog niet
lang geleden, dat ze dezen zelfden weg reed, door wolven vervolgd. Ze
had in 't donker hun witte tanden in de open muil zien blinken; ze
had gedacht, dat de wilde dieren van 't woud haar zouden verscheuren;
maar toen was ze niet bang geweest. En heerlijker nacht had ze nooit
beleefd. Schoon en sterk was 't paard geweest, dat hen voorttrok,
schoon en heerlijk de man, die de vreugde van 't avontuur met haar
deelde.
Maar ach! dit oude paard, deze oude bevende reisgenoot. Ze voelt zich
zóó machteloos, dat ze wel had willen schreien. Ze kan niet weg komen
van die verschrikkelijke bellen, die haar nog krankzinnig zullen maken.
Ze houdt stil en stapt uit de slee. Dit moet uit zijn! Waarom zal ze
vluchten, alsof ze bang was voor dien verachtelijken ellendeling.
Eindelijk ziet ze een paardenkop uit de steeds toenemende schemering te
voorschijn komen, dan een paard en ten slotte een slee en daarin zit
Sintram. Maar ze let er niet op, dat ze niet over den weg komen. 't
Leek wel of ze voor haar oogen ontstonden, en uit het duister te
voorschijn komen, naarmate ze klaar gekomen zijn.
Anna werpt de teugels aan Ulrika toe en gaat Sintram te gemoet. Hij
houdt zijn paard in.
"Zie eens, wat treft dat mooi," zegt hij. "Lieve juffrouw Stjärnhök,
laat mij mijn reisgenoot naar uw slee overbrengen. Hij moet naar
Berga van avond, en ik moet gauw naar huis."
"Waar is uw reisgenoot?"
Sintram maakt het zeil van de slee los en laat Anna een man zien, die
slapend onder in de slee ligt. "Hij is een beetje dronken," zegt hij;
"maar wat zou dat? Hij blijft wel slapen. En 't is ook een goede
kennis van u, juffrouw Stjärnhök. 't Is Gösta Berling."
Anna rilt.
"Want dit moet ik u zeggen," gaat Sintram voort, "wie zijn geliefde
verlaat, verkoopt hem aan den duivel. Op die manier ben ik ook in zijn
klauwen gekomen. Men meent natuurlijk goed te doen. Zelfverloochening
is goed en liefhebben is uit den booze."
"Wat meent u, mijnheer Sintram? waar spreekt u over?" vraagt Anna
diep geschokt.
"Ik meen, dat u Gösta niet van u hadt moeten laten heengaan."
"Dat was Gods wil."
"Ja, natuurlijk. Zelfverloochening is goed en liefde uit den
booze. De goede God wil de menschen niet gelukkig zien. Hij zendt
hen zijn wolven achterna. Maar stel nu eens, dat het God niet was,
die 't deed, juffrouw Anna! Kon ik 't niet even goed geweest zijn,
die mijn grauwe lammetjes van Dovrefjeld haalde en ze den jongen
man en 't jonge meisje achterna zond? Als ik 't nu eens was, die de
wolven gestuurd had, omdat ik iemand, die mij behoorde, niet missen
wilde? Als God het nu eens niet gedaan had!"
"Mijnheer Sintram," zegt Anna met zwakke stem, "u moet me daar niet
aan doen twijfelen, want dan ben ik verloren."
"Zie nu eens hier," zegt Sintram en buigt zich over den slapenden
Gösta, "zie eens naar zijn pink. Dat wondje geneest nooit. Daar namen
wij bloed uit, waarmeê we 't contract onderteekenden. Hij behoort
mij. Er is groote kracht in bloed. Hij behoort mij. Alleen liefde
kan hem redden; maar als ik hem maar behouden mag, zal ik wel wat
van hem maken."
Anna Stjärnhök verweert zich krachtig tegen de betoovering, die over
haar komt. 't Is immers onzin, pure onzin! Niemand kan zijn ziel
aan den Booze verkoopen. Maar ze heeft geen macht over haar eigen
gedachten. De schemering ligt zwaar op haar. 't Bosch staat daar zoo
donker en zwijgend. Ze kan zich niet los maken uit de verschrikkelijke
macht van dit oogenblik.
"Meent u misschien, juffrouw Stjärnhök," gaat de grondeigenaar voort,
"dat er niet zoo veel meer aan hem te bederven valt? Geloof dat
niet. Heeft hij de boeren verdrukt? Is hij arme vrienden ontrouw
geworden? Heeft hij ooit valsch gespeeld? Is hij ooit de minnaar van
een getrouwde vrouw geweest? Juffrouw Anna?"
"Ik geloof dat u de duivel zelf zijt, mijnheer Sintram."
"Laat ons ruilen, juffrouw Anna. Neem Gösta Berling en word zijn
vrouw. Behoud hem en geef geld aan de familie op Berga. Ik sta hem u
af. U weet, dat hij mij toebehoort. Denk maar, dat het niet God was,
die de wolven uitzond dien nacht en ruil met mij?"
"Wat wilt u in ruil hebben?"
Sintram grijnsde.
"Wat ik hebben wil? O, ik ben met weinig tevreden. Ik wil maar dat
oudje hebben, dat daar in uw slee zit, juffrouw Anna."
"Satan, verzoeker!" roept Anna uit, "ga weg van mij. Zal ik een oude
vriendin, die op mij vertrouwt, ontrouw worden? Zal ik haar in uw
macht geven, opdat ge haar plagen kunt tot ze krankzinnig is?"
"Stil, stil, wees kalm, juffrouw Anna. Denk er eens over. Hier is
een mooie jonge man en daar een versleten oude sloof. Een van hen
moet ik hebben. Wie wilt u me geven?"
Anna lachte; een wanhopig, vertwijfeld lachen, "zullen we hier zielen
staan ruilen, mijnheer Sintram, zooals men paarden verruilt op de
markt van Broby?"
"Ja juist.--Maar als juffrouw Anna wil, kunnen we 't ook van een
ander standpunt bezien. Uit dat van de eer der familie Stjärnhök."
En hij roept met luider stem zijn vrouw, die in Anna's slee zit,
en tot onuitsprekelijken schrik van 't jonge meisje, gehoorzaamt ze
oogenblikkelijk, stapt uit de slee en komt bevend en rillend naar
hem toe.
"Zie zoo, dat is nu eens een gehoorzame vrouw," zegt Sintram, "juffrouw
Anna kan 't niet helpen, dat ze komt, als haar man roept. Nu neem ik
Gösta uit mijn slee en leg hem hier neer. Ik verlaat hem voor altijd
juffrouw Anna. Nu kan, wie wil, hem meênemen."
Hij buigt zich neer om Gösta op te tillen. Maar daar komt Anna vlak bij
hem, ziet hem doorborend aan en sist als een gemarteld dier: "In Gods
naam, man, rijd naar huis. Weet je niet wie er in den schommelstoel
op de zaal zit en op je wacht? Durf je hem te laten wachten?"
't Is voor Anna nog 't vreeslijkste van alles te zien, hoe die woorden
op den boozen man werken. Hij rukt aan de teugels, wendt zijn slee
en rijdt naar huis, terwijl hij 't paard aanzet met zweepslagen en
woest geschreeuw. De steile helling af met levensgevaar, terwijl
een lange streep vonken onder de wielen en de paardehoeven uitspat,
in de lichte Maartsche sneeuw.
Anna Stjärnhök en Ulrika Dillner staan alleen op den weg; maar ze
spreken geen woord. Ulrika rilt voor Anna's blik, en Anna heeft de arme
stumper, voor wie ze haar geliefde geofferd heeft, niets te zeggen.
Zij had kunnen schreien en tieren, zich op den grond kunnen werpen,
sneeuw en zand op haar hoofd strooien. Vroeger had ze 't lieflijke
der zelfverloochening gevoeld, nu smaakte ze er al de bitterheid
van. Wat was het offer van haar liefde tegenover het offer van den
geliefde zelf?--
Zij reden zwijgend naar Berga, maar toen ze daar aankwamen en de
deur van de kamer openging, viel Anna Stjärnhök flauw,--voor 't eerst
en voor 't laatst van haar leven. Want daar binnen zaten Sintram en
Gösta rustig te praten. 't Blaadje met toddy stond al voor hen. Ze
waren er al minstens een uur.
Anna Stjärnhök viel flauw, maar de oude Ulrika bleef rustig staan. Zij
had wel gemerkt, dat 't niet in den haak was met hem daar op den weg.
Later kwamen de kapitein en zijn vrouw met den grondeigenaar overeen,
dat de oude Ulrika op Berga zou blijven.
Hij wilde haar werkelijk niet krankzinnig maken, zei hij.
Gij kindren van dezen tijd. Ik verlang immers niet, dat iemand deze
oude verhalen gelooven zal. 't Zijn immers louter verzinsels en
leugens! Maar 't berouw, dat de harten heen en weer slingert tot ze
jammeren als de planken van Sintrams zaal onder den schommelstoel, en
de twijfel, die voor onze ooren zingt als de bellen voor Anna Stjärnhök
in 't eenzame woud.... wanneer worden zij tot verzinsels en leugens?
Ach, konden ze dat maar worden!