DE GROOTE BEER OP GURLITA KLÄTT.

In de duisternis der wouden huizen de onheilige dieren, de kaken

gewapend met glinsterende tanden of scherpe bekken; en scherpe klauwen

aan de pooten. Zij verlangen er naar zich aan een bloedigen hals vast

te klampen,--hun oogen vonkelen van moordlust.

Daar huizen de wolven, die 's nachts te voorschijn komen om de slede

der boeren te jagen, tot de vrouw het kindje, dat op haar schoot zit,

moet opnemen en het uit de slee werpen om haar leven en dat van haar

man te redden.

Daar huist de los, die 't volk "göpä" noemt, want, in het bosch ten

minste, is 't gevaarlijk hem bij zijn rechten naam te noemen. Hij,

die op den dag over hem gesproken heeft, mag 's avonds wel goed

de deuren en luiken van 't schapenhok nazien, anders komt hij. Hij

klautert recht tegen 't schapenhok op, want zijn klauwen zijn sterker

dan ijzeren nagels. Hij glijdt door 't nauwste luikje en werpt zich

op de schapen. En hij hangt aan hun hals en drinkt hun bloed uit de

aderen en vermoordt en verscheurt ze tot er geen enkel schaap meer

over is. Zijn woede bedaart niét zoolang nog éen van hen teekenen

van leven geeft.

En 's morgens vindt de boer alle schapen dood in 't hok met afgebeten

halzen; want de los laat geen levend vee achter, waar hij komt.

Daar huist de uil, die huilt in de schemering. Als ge hem dan nadert,

komt hij op zijn breede vleugels aansuizen en steekt u de oogen

uit. Want hij is geen gewone uil. Een boschduivel is hij!

En daar huist de verschrikkelijkste van allen, de beer, die zoo sterk

is als twaalf man en die, nu hij volwassen is, alleen met zilveren

kogels geveld kan worden. Kan iets een dier verschrikkelijker maken dan

dat het alleen met zilveren kogels kan geveld worden? Wat zijn dat voor

vreeselijke, geheime krachten, die in hem wonen, die hem voor gewoon

lood onkwetsbaar maken? Kan niet menig kind vele uren wakker liggen

en beven voor het wilde dier, dat door booze machten beschut wordt.

En als men hem in 't bosch tegen mocht komen, groot en hoog als

een wandelende rots, dan moet men niet opspringen, zich ook niet

verdedigen; maar zich op den grond laten vallen en zich dood

houden. Vele kinderen hebben in gedachten op 't veld gespeeld en

den beer bij zich gehad. Hij heeft ze met de poot om en om gerold,

en ze hebben zijn heeten, snuivenden adem in hun gezicht gevoeld,

maar ze hebben stil gelegen, tot hij wegging om een gat te graven,

waar hij ze in bewaren wilde.

Toen zijn ze stil opgestaan en weggeloopen,--eerst langzaam, maar

later in vliegende vaart.

Maar o! Stel u eens voor, dat de beer ze niet goed dood gevonden

had, maar nog eens had toegebeten, of dat hij ergen honger had en ze

dadelijk had willen opeten, of dat hij ze gezien had, toen ze zich

bewogen en ze nagesprongen was! O God!

Een heks is de angst. Ze zit in de schemering der wouden, dicht

tooverliederen voor de oogen der menschen en vult hun harten met

ontzettende gedachten. Daardoor ontstaat die verlammende vrees,

die 't leven zwaar maakt en de schoonheid der lachende dreven

verwoest. Boosaardig is de natuur, valsch als een slapende

draak. Nergens kan men op vertrouwen.

Daar ligt het Löfvenmeer in zijn heerlijke schoonheid, maar vertrouw

het niet. Het loert op roof; ieder jaar moet het zijn schatting van

drenkelingen brengen.

Daar ligt het woud; verlokkend vredig; maar vertrouw het niet. 't

Bosch is vol onheilige dieren, waarin de zielen van booze toovenaars

en moordlustige schurken gevaren zijn.

Vertrouw de beek niet met het zachte water. 't Brengt u vreeselijke

ziekten en den dood, als ge er in baadt na zonsondergang. Vertrouw

den koekoek niet, die zoo vroolijk riep in 't voorjaar. In den herfst

wordt hij een havik met booze oogen en scherpe klauwen. Vertrouw het

mos niet, noch het heidekruid, noch de berghelling. Boosaardig is de

natuur, bezield door onzichtbare machten, die de menschen haten. Er

is geen plaats waar ge een voet veilig neer kunt zetten. Wonderlijk is

't, dat dit zwak geslacht zoo veel vervolging ontkomen kan.

Een heks is de angst. Zit ze nog in de duisternis der bosschen van

Wermeland haar tooverliederen te zingen? Verduistert ze er nog de

schoonheid van 't lachend landschap, verlamt ze nog de vreugde over

't leven? Groot is haar macht geweest, ik weet dat! Ik, die haar

ijzeren hand om mijn hart heb gevoeld.

Maar nu moet niemand meenen, dat ik nu iets griezeligs of vreeselijks

vertellen zal. 't Is maar een oud verhaal van den grooten beer in

Gurlita Klätt, dat ik moet doen en 't staat ieder volkomen vrij het

te gelooven of niet, zooals 't immers met alle echte jachtverhalen

het geval is.

De groote beer heeft zijn hol op den prachtigen bergtop, die Gurlita

Klätt heet en zich steil en ontoegankelijk aan den oever van 't

boven-Löfvenmeer verheft.

De wortels van een omgevallen den, waartusschen 't mos is blijven

hangen, vormen de wanden en 't dak van zijn woning; takken en twijgjes

beschutten die en de sneeuw dekt ze toe. Daar binnen kan hij liggen

en rustig slapen van den eenen zomer tot den andren.

Is hij dan een dichter, een verweekelijkt droomer, die ruige

boschkoning, die roover in de sneeuw verborgen? Zal hij de koude

nachten en de grauwe dagen van den winter verslapen om door

murmelende beekjes en vogelgezang gewekt te worden? Zal hij daar

liggen droomen van heuvels met roode boschbessen bedekt en van

mierenhoopen vol lekkere, bruine miertjes en van de lammeren die op

de groene berghellingen weiden? Zal hij, de gelukkige, aan 's levens

winter ontkomen?

Buiten giert de sneeuwjacht door de dennen; buiten zwerven wolven

en vossen rond, waanzinnig van honger. Waarom zou alleen de beer

slapen? Hij zal opstaan en voelen hoe snerpend de kou is, hoe zwaar

het valt door de diepe sneeuw te waden.

Hij ligt daar zoo heerlijk. Hij lijkt de prinses uit de sage

wel. Zooals zij door de liefde gewekt werd, zoo zal hij door de lente

gewekt worden. Door een zonnestraal, die door de takjes heen glijdt en

zijn snuit verwarmt; door droppeltjes smeltende sneeuw, die zijn pels

nat maken, zal hij gewekt worden. Wee hem, die hem ontijdig stoort.

Als nu maar iemand er rekening meê hield, hoe de woudkoning zijn

leven heeft ingericht. Als nu maar niet plotseling een zwerm hagel

door de takjes kwam suizen en de korrels in zijn huid kropen als

nijdige muggen.

Hij hoort plotseling geraas, roepen en schieten. Hij schudt zich

den slaap uit de leden en breekt door de takken om te zien wat er

is. Daar is werk voor den ouden strijdheld. De lente is het niet,

die buiten zijn hol ruischt en buldert; ook de wind niet, die de

dennen omrukt en de jachtsneeuw doet opstuiven; 't zijn de kavaliers,

de kavaliers van Ekeby,--oude kennissen van den woudkoning.

Hij herinnert zich den nacht nog wel toen Fuchs en Beerencreutz op

den loer zaten bij de schuur op de hoeve van den boer van Nygaard,

waar men een bezoek van hem wachtte. Ze waren juist bij hun brandewijn

flesch ingeslapen, toen hij kwam en door 't met plaggen gedekte dak

van den stal kroop; maar ze werden wakker, toen hij de gedoode koe

uit de stal wilde slepen. De koe namen ze hem af en zijn ééne oog;

maar 't leven redde hij. Ja, zoowaar! de kavaliers en hij zijn oude

kennissen. De woudkoning herinnert zich nog hoe ze hem een anderen

keer overvielen, toen hij en zijne hooge gemalin zich juist ter ruste

hadden gelegd voor den winterslaap in den ouden koningsburcht hier op

Gurlita Klätt en hun jongen bij zich hadden. Hij herinnert zich nog,

hoe onverwacht ze kwamen. Hij ontkwam wel, maar moest loopen wat hij

kon, en mank werd hij voor zijn leven, door een schot in de dij. En

toen hij des nachts naar den Koningsburg terug keerde, vond hij de

sneeuw rood van 't bloed van zijn hooge gemalin, en de vorstelijke

kindren waren weggevoerd naar de vlakte, om daar als dienaren en

vrienden der menschen op te groeien.

Ja, nu beeft de grond, en de sneeuw trilt, die 't dak bedekt, nu breekt

hij los, de groote beer, de oude vijand der kavaliers. Geeft nu acht,

Fuchs, oude berendooder, geef nu acht, Beerencreutz, in 't spel

bedreven overste, geef acht, Gösta Berling, held van honderd avonturen!

Wee de dichters, de droomers, de helden van liefdesavonturen! Daar

staat nu Gösta Berling met den vinger aan den trekker en de beer komt

recht op hem af. Waarom schiet hij niet, waar denkt hij aan?

Waarom zendt hij niet fluks den beer een kogel in de breede borst? Hij

staat juist op de rechte plaats om dat te kunnen doen. De andren

kunnen niet schieten op dat oogenblik. Meent hij soms, dat hij voor

zijn woudmajesteit op parade staat?

Gösta staat natuurlijk te droomen van de schoone Marianne, die in

deze dagen zwaar ziek ligt op Ekeby, ziek, na dien nacht, dat ze in

de sneeuw heeft geslapen.

Hij denkt aan haar, die ook een offer van den vloek van den haat is,

van dien vloek, die over de aarde rust en hij beeft als hij bedenkt,

dat hij is uitgegaan om te vervolgen en te dooden.

En daar komt de groote beer recht op hem af, blind aan één oog,

door een houw van 't mes van een kavalier, mank aan één poot door

een kogel uit 't geweer van een kavalier, ruig en knorrig en alleen;

sinds zij zijn vrouw gedood hebben en zijn kinderen weggevoerd. En

Gösta ziet hem zooals hij is: een arm, vervolgd dier, dat hij niet

van 't leven berooven wil, 't eenige, wat hij nog over heeft, sinds

de menschen hem alles ontnamen,

"Hij mag mij dooden," denkt Gösta, "maar ik schiet niet."

En terwijl de beer op hem aankomt, blijft hij stil staan, precies als

op een parade. En als de woudkoning vlak voor hem staat, presenteert

hij 't geweer en gaat op zij.

De beer vervolgt zijn weg, wel wetende, dat hij geen tijd te verliezen

heeft. Hij baant zich een weg door de manshooge sneeuw, rolt van de

steile hellingen en vlucht zonder ophouden, terwijl alle kavaliers,

die met overgetrokken hanen op Gösta's schot hebben staan wachten,

hun geweer op hem afschieten.

Maar 't is te vergeefs. De ring is gebroken en de beer is weg. Fuchs

bromt en Beerencreutz vloekt; maar Gösta doet niets dan lachen.

Hoe kunnen ze toch willen, dat een mensch, zoo gelukkig als hij,

één van Gods schepselen kwaad zal doen?

De groote beer van Gurlita Klätt kwam er dus levend af. Uit zijn

winterslaap is hij gewekt, dat zullen de boeren gewaar worden. Geen

beer is behendiger dan hij in 't openscheuren van de daken op hun

lage kelderachtige veestallen; geen kan beter wegsluipen uit een

gestelde hinderlaag.

De menschen daar aan 't Löfvenmeer wisten weldra geen raad meer

met hem. Den eenen bode na den anderen zenden ze naar de kavaliers,

met verzoek, dat ze toch zullen komen en den beer dooden.

Dag aan dag, nacht op nacht, de heele maand Februari door, trekken

nu de kavaliers naar 't boven Löfvenmeer om den beer te zoeken;

maar hij vermijdt hen. Heeft hij de sluwheid van den vos geleerd

en de snelheid van den wolf? Als ze op wacht liggen op een hoeve,

dan teistert hij een naburige hoeve, en zoeken ze hem in 't bosch,

dan vervolgt hij de boeren op het ijs. Hij is de brutaalste aller

roovers geworden. Hij kruipt naar binnen op den zolder en likt moeders

honingpotten leeg. Hij scheurt het paard weg voor vaders slee?

Maar langzamerhand begint men te begrijpen wat het voor een beer is

en waarom Gösta niet op hem schieten kon. Akelig is 't om te zeggen,

vreeselijk te gelooven; maar 't is geen gewone beer. Niemand kan

er aan denken hem te vellen, die niet een zilvren kogel in zijn

geweer heeft. Een kogel van zilver en klokkenmetaal, gegoten op

een donderdagavond, met nieuwe maan op den kerktoren, zonder dat de

predikant of de koster of eenig ander mensch 't weet. Die zou hem

wel dooden; maar die is zoo makkelijk niet te krijgen.

Op Ekeby is een man, die meer dan iemand anders zich ergert over dit

alles. Men begrijpt wel, dat dit Anders Fuchs, de berendooder is. Hij

kan niet slapen en niet eten, zoo spijt het hem dat hij den grooten

beer in Gurlita Klätt niet vellen kan. Eindelijk begrijpt hij ook,

dat de beer alleen met een zilvren kogel geschoten kan worden.

De grimmige Majoor Anders Fuchs was geen mooi man. Hij had een

zwaar lomp lichaam, een breed, rood gezicht met hangwangen en meer

dan één onderkin. Stijf als een borstel zat de kleine zwarte knevel

boven zijn dikke lippen en 't zwarte haar stond stijf en recht uit

om zijn hoofd. Hij sprak weinig en at veel. Hij hoorde niet tot hen,

die de vrouwen met zoeten lach en open armen te gemoet komen en hij

zond haar ook geen vriendelijke blikken toe. Men geloofde niet, dat

er een vrouw was met wie hij 't eens zou kunnen worden en alles wat

op dweperij en liefde leek, was hem vreemd.

't Is een donderdagavond; de maan is juist twee vingers breed en

blijft een paar uur boven den horizont na zonsondergang. De Majoor

gaat heen van Ekeby zonder te zeggen wat hij van plan is. Hij heeft

vuursteen en staal en kogelvormen in zijn jachttasch, 't geweer op

den rug. Hij gaat naar de kerk van Bro om zijn geluk te beproeven.

De kerk ligt op 't oostelijke strand van de smalle straat tusschen

't boven en beneden Löfvenmeer en de Majoor moest over de brug om

daar te komen.

Hij gaat dus diep in gedachten daarheen zonder naar den Brobyheuvel

op te zien, waar de huizen zich scherp afteekenen tegen den helderen

avondhemel, of tegen Gurlita Klätt die zijn ronden top in 't avondrood

opheft. Hij kijkt naar den grond en peinst er over, hoe hij den

sleutel zal krijgen, zonder dat iemand het weet.

Toen hij bij de brug komt, hoort hij iemand zóó wanhopig schreeuwen,

dat hij wel opkijken moet.

In dien tijd was de kleine Duitscher Faber organist in Bro. Hij was een

mager klein kereltje, en niet veel waard. En de koster was Jan Larsson,

een flinke boer maar arm, want de predikant van Broby had hem zijn

vaderlijk erfdeel afhandig gemaakt,--volle vijfhonderd rijksdaalders.

De koster wil met de zuster van den organist trouwen, met de kleine,

fijne juffrouw Faber; maar de organist wil het niet hebben en daarom

waren die twee mannen geen vrienden. Dezen avond is de koster den

organist op de brug tegengekomen en is recht op hem toegevlogen. Hij

pakt hem bij de borst, en houdt hem met gestrekten arm over de leuning

en zweert bij hoog en laag, dat hij hem in 't water zal gooien,

als hij hem niet de kleine, fijne jonge dame wil geven.

Het Duitschertje wil toch niet toegeven; hij spartelt en schreeuwt

en zegt aldoor: "neen!" hoewel hij onder zich 't donkre water door

de witte ijsschotsen ziet schijnen.

"Neen, neen," schreeuwt hij. "Neen! neen!"

En 't is niet zeker dat de koster in zijn toorn hem niet naar beneden

had laten dansen in 't koude, donkre water, als niet juist toen

Majoor Fuchs over de brug was gekomen. Toen werd de koster bang,

zette Faber op vasten grond en liep weg zoo hard hij kon.

De kleine Faber valt nu den Majoor om den hals en dankt hem, omdat

hij zijn leven heeft gered; maar de Majoor schudt hem af en zegt,

dat het niet de moeite waard is om voor te bedanken. De Majoor houdt

niet van de Duitschers sinds hij te Putbus op Rügen ingekwartierd is

geweest, in den oorlog met Pommeren.

Nooit in zijn leven is hij zoo dicht bij den hongerdood geweest

als toen.

De kleine Faber wil naar den leensman Scharling om den koster voor

poging tot moord aan te klagen; maar de Majoor zegt hem, dat het niet

helpt in dit land, want hier is 't niet strafbaar een Duitscher dood

te slaan.

Dan kalmeert de kleine Faber wat en noodigt den Majoor uit, het

avondeten bij hem aan huis te gaan gebruiken.

De Majoor neemt de uitnoodiging aan, want, denkt hij, de organist zal

wel een sleutel van de kerk hebben. En zoo gaan ze den Brobyheuvel

op, waar de kerk, de pastorie, 't huis van den organist en dat van

den koster bij elkaar liggen.

"Bitte, bitte," zegt de kleine Faber, terwijl hij en de Majoor zijn

huis binnentreden. "U moet 't eenvoudige voor lief nemen. Ik heb

opruiming gehouden, mijn zuster en ik. Wij hebben een haan geslacht."

"Dat treft prachtig," roept de Majoor uit.

De kleine gedistingeerde juffrouw Faber komt dadelijk binnen met een

verfrisschenden dronk in groote aarden kruiken. Nu weet ieder, dat de

Majoor geen goed oog op de vrouwen heeft; maar de kleine juffrouw Faber

moet hij toch met welgevallen aanzien, toen ze daar met haar keurig

mutsje binnenkwam. Het lichte haar lag zoo glad om het voorhoofd,

het zelf geweven kleedje was zoo net en vlekkeloos rein, haar kleine

handen waren zoo vlug en vlijtig en haar gezichtje zoo roozerood en

rond, dat hij niet laten kon te denken, dat als hij zulk een vrouwtje

voor twintig jaar geleden ontmoet had, hij haar dadelijk ten huwelijk

gevraagd zou hebben.

Maar hoe net en vlug en handig ze ook is, haar oogen zijn geheel

beschreid. Dat juist maakt hem zoo zacht gestemd tegenover haar.

Terwijl de mannen eten en drinken, gaat zij de kamer in en uit. Eens

komt ze naar haar broeder toe, maakt een kniks en zegt: "Hoe zullen

we de koeien in de schuur zetten."

"Zet twaalf links en elf rechts, dan vechten ze niet," antwoordde de

kleine Faber.

"Wel verbazend! Heeft Faber zooveel koeien?" roept de Majoor.

Maar de zaak was, dat de organist maar twee koeien had. Hij noemde de

eene: "elf" en de andre "twaalf" omdat 't goed zou klinken, als hij

over hen sprak. En hij vertelt den Majoor, dat zijn stal verbouwd wordt

en de koeien daarom overdag buiten en 's nachts in de schuur staan.

De Majoor vraagt den organist, waarom zijn zuster zulke roode oogen

heeft en hoort nu, dat ze schreit, omdat hij haar niet wil laten

trouwen met den armen koster, die geen cent bezit en in schulden

steekt.

Door dit alles raakt de Majoor al dieper en dieper in gedachten

verdiept. Hij ledigt de eene kroes na de andere en eet de eene worst na

de andere op, zonder het zelf te merken. De kleine Faber is verstijfd

van schrik over zulk een eetlust! Maar hoe meer de Majoor eet en

drinkt, hoe helderder zijn hoofd wordt en hoe meer zijn besluit rijpt,

iets voor de kleine Faber te doen.

Hij heeft intusschen den grooten sleutel in 't oog gekregen, die aan

een knop bij de deur hangt, en zoodra de kleine Faber, die den Majoor

onder 't drinken bescheid moest doen, 't hoofd op de tafel legt en

snurkt, heeft majoor Fuchs den sleutel, zet zijn muts op en haast

zich weg.

Een minuut later stommelt hij den torentrap op, door zijn hoornen

lantaarntje bijgelicht en komt zoo eindelijk boven in den klokkentoren,

waar de klokken hun groote monden boven hem openen. Daar boven schraapt

hij wat metaal van een der klokken met een vijl, en wil juist den

kegelvorm en den vuursteen te voorschijn halen, toen hij merkt,

dat hij 't allergewichtigste nog mist, dat hij geen zilver bij zich

heeft. Als er eenige kracht in die kogel zal zijn, moet hij immers

in dien toren gegoten worden. Nu is alles in orde: donderdagavond is

het nieuwe maan en niemand vermoedt, dat hij hierboven zit, en nu kan

hij niets doen. Hij vloekt in de stilte van den nacht zóó krachtig,

dat het weerklinkt in de klokken.

Onmiddelijk daarna hoort hij een zwak gedruisch beneden in de kerk

en meent stappen op de trap te hooren. Ja, waarlijk het is zoo,

met zware schreden hoort hij iemand de trap opkomen.

Majoor Fuchs, die daar boven stond te vloeken, dat 't weerklonk in

de klokken, werd een beetje bezorgd. Hij zou wel eens willen weten,

wie hem daar bij 't kogelgieten wil komen helpen. De stappen komen

al nader, zelfs tot bij den klokkentoren.

De Majoor verstopt zich tusschen de balken en blaast het licht

uit. Niet, dat hij nu juist bang is; maar alles is immers bedorven,

als iemand hem daar ziet. En nauwelijks heeft hij zich daarboven

verstopt, of de nieuw aangekomene steekt zijn hoofd boven den grond.

De Majoor kent hem wel. 't Is de gierige dominé van Broby. Hij, die

nu zoo goed als waanzinnig is van gierigheid, heeft de gewoonte zijn

geld op de wonderlijkste plaatsen te herbergen. Nu komt hij met een

pakje muntbiljetten, die hij in den klokkentoren verstoppen wil. Hij

weet niet, dat iemand hem ziet. Hij licht een plank op uit den vloer,

legt 't geld daar onder en gaat weer heen.

Maar de Majoor licht snel dezelfde plank op. Och, wat een geld! 't Eene

pakje muntbiljetten naast 't andere en daar tusschen in lederen zakjes

met geld, vol zilvren munten. De Majoor neemt juist zooveel zilver,

als hij voor een kogel noodig heeft; 't overige laat hij liggen.

Als hij beneden op 't veld komt, heeft hij een zilveren kogel op

zijn geweer. Hij loopt er over te denken, hoe alles hem meeloopt en

vraagt zich af hoe 't geluk hem verder dienen zal in dezen nacht. Want

't is wonderlijk met die donderdagavonden, zooals ieder weet. Hij

gaat maar eerst naar 't huis van den organist. Want 't kon zijn,

dat dat canaille van een beer wist, dat Fabers koeien in een oude

schuur staan zoo goed als onder den blooten hemel.

Jawel! ziet hij daar niet iets groots en donkers over 't veld op de

schuur aankomen. Dat moest de beer zijn.

Hij legt 't geweer aan; en zal juist schieten maar dan krijgt hij

berouw.

't Is hem of hij in 't donker de beschreide oogen van juffrouw Faber

voor zich ziet. Hij denkt er aan, dat hij haar en den koster wil

helpen; maar 't gaat hem aan 't hart den grooten beer van Gurlita

Klätt niet zelf te dooden. Hij heeft zelf later gezegd, dat niets

in de wereld hem meer gekost heeft, maar omdat 't meisje zoo fijn en

teer en zoo lief was, moest dat offer gebracht worden.

Hij gaat naar 't huis van den koster, wekt hem, haalt hem half gekleed

uit huis en zegt hem, dat hij den beer moet schieten, die om de schuur

van Faber sluipt.

"Als je den beer schiet, dan geeft hij je zijn zuster wel," zegt hij,

"want dan word je opeens een geacht en geëerd man. 't Is geen gewone

beer, die daar, en de beste man van 't land zou het voor een eer

houden hem te vellen."

En hij duwt hem zijn eigen geweer in de hand, met den kogel van zilver

en klokkenmetaal er in, in een kerktoren op donderdagavond gegoten,

met nieuwe maan. En hij kan niet laten te trillen van afgunst, omdat

nu een ander dan hij den grooten woudkoning, den ouden beer in Gurlita

Klätt, zal schieten.

De koster mikt. De hemel beware mij! Hij mikt alsof hij den grooten

beer aan den hemel moet schieten, ook wel de wagen genoemd, die in

een kring om de poolster draait, en niet een beer, die op 't veld

loopt. En 't schot gaat af met een knal, die over heel Gurlita Klätt

gehoord wordt.

Maar hoe hij ook gemikt had--de beer viel. Zoo gaat het, als men met

zilvren kogels schiet. Men treft den beer in het hart al mikt men

ook op den wagen.

Uit alle nabijliggende hoeven komen menschen toeschieten en zijn

verbaasd over 't gebeurde; want nooit knalde een schot zóó sterk en

wekte zooveel slapenden, als dit--en de koster werd zeer geprezen,

want de beer was een echte landplaag.

De kleine Faber komt ook naar buiten, maar nu wordt de Majoor Fuchs

bitter teleurgesteld. Daar staat de koster met eer overladen en heeft

nog op den koop toe Faber's koeien gered; maar de kleine organist

is niet dankbaar, niet eens bewogen. Hij ontvangt hem niet met open

armen en begroet hem niet als een held of als zijn zwager.

De Majoor staat met gefronste wenkbrauwen en stampvoet van boosheid

over zulk een ellendigen kerel. Hij wil spreken en den hebzuchtigen

snaak aan 't verstand brengen welk een heldendaad dat is; maar hij

begint te stotteren en kan er geen woord uitbrengen.

Ach 't is hem ook onbegrijpelijk, dat iemand, die zulk een heldenstuk

volbracht, niet de fierste bruid op aarde waard zou zijn.

De koster en eenige jonge mannen zullen den beer villen; zij gaan

slijpsteenen en scherpe messen halen; de anderen gaan naar huis en

naar bed. Majoor Fuchs blijft alleen bij den dooden beer achter.

Dan gaat hij nog eens naar de kerk, steekt weer den sleutel in het

slot, klimt de smalle trappen op, schrikt de slapende duiven op uit

hun rust en bereikt nog eens den klokkentoren.

Later, als de beer onder toezicht van den Majoor gevild wordt, vindt

men tusschen zijn kaken een pakje bankbriefjes. 't Zijn vijfhonderd

rijksdaalders. Niemand weet, hoe die daar gekomen zijn; maar dit is

immers een wonderlijke beer, en daar de koster 't dier geveld heeft is

't geld voor hem, dat spreekt van zelf.

Toen dit bekend werd, begreep de kleine Faber plotseling welk eervol

heldenstuk de koster heeft uitgevoerd, en verklaart, dat hij er

trotsch op wezen zal hem zijn zwager te noemen.

Op Vrijdagavond keert Majoor Anders Fuchs naar Ekeby terug, na

meegeweest te zijn naar 't feest in 't huis van den koster ter eere

van zijn meesterschot en naar 't verlovingsfeest bij den organist aan

huis. Hij loopt voort met een droevig hart. Hij voelt geen vreugd over

den val van zijn vijand, en is niet blij met de prachtige berenhuid,

die de koster hem ten geschenke heeft gegeven. Nu meenen velen zeker,

dat hij er over treurt, dat het fijne, mooie juffertje een ander

toebehoort? Ach neen! dat baart hem geen smart. Maar wat hem aan

't hart knaagt is, dat de oude eenoogige woudkoning nu geveld is,

zonder dat hij den zilverkogel op hem heeft mogen afschieten.

Zoo komt hij boven in den kavaliersvleugel, waar de kavaliers om 't

vuur zitten, en werpt zonder een woord te zeggen het berenvel voor

hen neer. Niemand moet denken, dat hij iets van zijn tocht vertelde,

eerst veel, veel later heeft men uit hem gekregen, wat er eigenlijk

gebeurd was. Ook verraadde hij de geheime bergplaats van den dominé

van Broby niet, en deze merkte misschien nooit den diefstal.

De kavaliers onderzoeken 't vel.

"'t Is een mooie huid," zegt Beerencreutz.

"Hoe zou die snaak uit den winterslaap gewekt zijn? Of heb je hem in

zijn hol geschoten?"

"Hij is in Bro geschoten."

"Ja, zoo groot als de beer van Gurlita was hij toch niet," zegt Gösta;

"maar 't was een mooi dier."

"Als hij één oog had gehad," zegt Kevenhüller, "dan zou ik denken,

dat het de oude zelf was, zóó groot is hij; maar deze is aan de oogen

niet gewond geweest dus 't is de oude niet."

Fuchs vloekt over zijn eigen domheid, maar dan heldert zijn gezicht

op. Hij straalt van vreugd en dat maakt hem bijna mooi.

Dus is dan de groote beer toch niet door 't schot van een ander

gevallen.

"Heere God, wat zijt gij goed!" fluistert hij en vouwt de handen.

Gösta Berling · 第 26 / 86 题