LA CACHUCHA.

Strijdros, strijdros! Arm, oud ros, dat daar staat op de weide,

vastgebonden aan een touw. Herinnert ge u uw jeugd?

Herinnert ge u den dag van den strijd? Ge sprongt voort als droegen u

vleugelen; uw manen golfden om u heen als flakkerende vlammen; bloed

en schuim glinsterde op uw zwarte borst. In 't met goud versierde

tuig vloogt ge voort. Het veld dreunde onder uw hoeven. Ge trildet

van vreugde, gij moedig dier! Ach, hoe schoon waart gij!

In den kavaliersvleugel van Ekeby heerscht grauwe schemering. In

de groote zaal staan de roodgeschilderde kisten der kavaliers langs

den wand en hun zondagskleeren hangen aan de haken in den hoek. Het

schijnsel van het vuur speelt op de witte muren en op de geel geruite

gordijnen voor de alcoven in den muur. De kavaliersvleugel is geen

vorstelijk paleis, geen serail.

Maar Liljecrona's viool klinkt er. Hij speelt la cachucha in den

schemer. En hij speelt haar telkens weer van voren af aan.

Snijd de snaren door! Breek den strijkstok. Waarom speelt hij dien

vervloekten dans? Waarom toch speelt hij dien, nu Örneclou, de

vaandrig, met jicht te bed ligt, zóó stijf dat hij zich niet roeren

kan? O, ruk hem de viool uit de hand en werp die tegen den muur als

hij niet ophoudt!

La cachucha, speelt ge die voor ons, meester? Kunnen we die nu hier

dansen, op de krakende planken van den kavaliersvleugel, tusschen

deze nauwe muren, zwart van rook en ruig van vuil, onder dit lage

dak? Wee u, dat ge hier la cachucha speelt!

La cachucha, is die voor ons, kavaliers? Buiten huilt de

sneeuwstorm! Wilt ge de sneeuwvlokken op maat leeren dansen, speelt

ge voor de lichte kinderen van den sneeuwjacht?

Vrouwengestalten, die trillen onder den heeten polsslag van hun

bloed, kleine zwarte handjes, die de pannen hebben weggeworpen om de

kastagnetten te grijpen, bloote voeten onder de opgeschorte rokken,

een hof met marmeren vloer, zigeuners, die neergehurkt zitten en op

den doedelzak blazen, of den tambourijn slaan, moorsche bogengangen,

maneschijn en zwarte oogen.... kunt ge ons dat alles geven, meester? O,

laat anders uw strijkstok rusten.

Ginds bij het vuur drogen de kavaliers hunne natte kleeren. Hoe kunnen

zij dansen met hun hooge laarzen met ijzer beslagen, en met dikke

zolen. Den heelen dag hebben ze door voeten hooge sneeuw gewaad om den

beer in zijn hol te bereiken. Meent ge dat ze met dien ruigen kameraad

willen dansen in hun bombazijnen pakken? Een avondhemel vol sterren,

roode rozen in donkere vrouwenlokken, warme avondlucht vol bedwelmende

geuren, aangeboren schoonheid van beweging, liefdesgeluk, dat opstijgt

uit de aarde, neerdaalt uit den hemel, zweeft in de lucht--hebt gij

dat alles, meester? Ach, waarom wekt gij ons verlangen naar die dingen!

Wreedaard? Gij blaast het signaal van den slag voor 't gekluisterde

strijdros! Rutger van Örneclou ligt te bed, door de jicht

verstijfd. Spaar hem de marteling van al die schoone herinneringen. Ook

hij heeft de sombrero en 't bonte haarnet gedragen, ook hij droeg

eens het fluweelen buis en den dolk in den gordel. Spaar den ouden

Örneclou, meester.

Maar Liljecrona speelt la cachucha, altijd la cachucha. En Örneclou

wordt gepeinigd als de minnaar, die de zwaluwen ziet heentrekken naar

de woning zijner geliefde, als het hert, dat door zijn vervolgers

voorbij den verfrisschenden stroom gejaagd wordt.

Liljecrona neemt een oogenblik de viool van de kin.

"Vaandrig, herinner je je Rosalie van Berger?"

Örneclou vloekt geweldig.

"Ze was licht en gracieus als een vlam. Ze vonkelde en danste als

een diamant in den punt van een strijkstok. Je herinnert je haar nog

wel van 't theater in Karlstad? We zagen haar toen we nog jong waren,

weet je nog wel, vaandrig?"

Of de vaandrig 't nog weet! Ze was klein en wild en glinsterend als

vuur. Zij kon de cachucha dansen. Zij leerde alle jonge heeren in

Karlstad de cachucha dansen en kastagnetten slaan. Op het bal van

den gouverneur dansten de vaandrig en Mejuffrouw van Berger een "pas

de deux" als Spanjaarden gekleed. En hij had gedanst, zooals men

danst onder vijgeboomen en platanen, als een Spanjaard, een echte

Spanjaard. Niemand in heel Wermeland kon de cachucha dansen zooals

hij. Niemand kon háár zoo dansen, dat 't de moeite waard was er naar

te kijken, behalve hij. Welk een kavalier had Wermeland niet in hem

verloren, toen de jicht zijn leden deed verstijven en zijn gewrichten

deed zwellen. Hij was zoo slank, zoo schoon, zoo ridderlijk! "De mooie

Örneclou" noemden de jonge meisjes hem en er waren er, die levenslang

boos op elkaar werden om zijnentwil.

En Liljecrona begint weer la cachucha te spelen--altijd weer la

cachucha en Örneclou wordt teruggevoerd naar den ouden tijd.

Weer staat hij naast Rosalie van Berger! Zij zijn juist een oogenblik

alleen in de kleedkamer geweest, als Spanjaarden verkleed. En hij

heeft haar mogen kussen; maar voorzichtig, want zij was bang voor zijn

zwartgeverfden baard. Nu dansen ze. Ach! zooals men onder vijgeboomen

en platanen danst. Zij wijkt, hij volgt, hij wordt stoutmoedig,

zij trotsch, hij vertoornd, zij tot verzoening geneigd. En als hij

eindelijk op de knieën valt en haar in zijn open armen opvangt,

gaat er een zucht door de zaal, een zucht van verrukking.

Hij was een Spanjaard--een echte Spanjaard.

Juist bij dezen streek van den strijkstok had hij zich zoo gebogen

en de armen uitgestrekt en den voet opgeheven om op de teenen voort

te zweven. Welk een gratie. Men had hem in marmer kunnen uithouwen!

Hij weet zelf niet hoe 't kwam, maar hij heeft de voet over de

beddeplank gestoken, hij staat recht overeind, hij buigt zich, heft

de armen op, knipt met de vingers en wil over den grond zweven als

in den ouden tijd, toen hij zulke nauwe schoenen droeg, dat hij de

voeten van de kousen moest knippen.

"Bravo, Örneclou! bravo, Liljecrona, speel leven in hem!"

Maar zijn voet weigert. Hij kan niet op zijn teenen staan. Hij trekt

een paar keer krampachtig met het ééne been....

Schoone Sennor, ge zijt oud geworden! De Sennorita misschien ook?

Alleen onder Granada's platanen wordt de cachucha gedanst door eeuwig

schoone Ginatos. Eeuwig jong zijn ze als de rozen, omdat iedere lente

nieuwe brengt.

Is dan nu de tijd gekomen om de snaren van de viool door te snijden?

Neen, speel voort, Liljecrona, speel de cachucha, altijd weer de

cachucha. Leer ons, dat we, al zijn we in de kavaliersvleugel dik

en stijf geworden, in onze harten toch dezelfde bleven--dat we nog

Spanjaarden zijn.

Strijdros! arm strijdros, beken, dat ge de tonen der trompet liefhebt,

die u tot galoppeeren uitnoodigen, al slaat ge ook de pooten ten

bloede in uw kluister.

Gösta Berling · 第 19 / 86 题