't Was Kerstfeest en er zou een bal gegeven worden op Borg.
In die dagen woonde een jonge graaf Dohna op Borg; hij was pas getrouwd
en had een jonge, schoone vrouw. 't Zou vroolijk toegaan op het oude
grafelijke goed.
Ook naar Ekeby was een uitnoodiging gezonden; maar het bleek, dat
van allen, die er dit jaar 't Kerstfeest vierden, Gösta Berling,
"de dichter," zooals ze hem noemden, de eenige was, die lust had er
heen te gaan. Borg en Ekeby liggen beide aan het lange Löfvenmeer,
maar elk aan een anderen kant. Borg ligt in Svartsjö en Ekeby in
Bro. Als het meer toegevroren is, moet men een paar mijl rijden,
om van Ekeby naar Borg te komen.
De arme Gösta Berling werd voor dit feest uitgerust door de oude
heeren, alsof hij een koningszoon was en de eer van zijn rijk moest
ophouden. Nieuw was zijn kleed met de blinkende knoopen, stijf waren
de kanten kraag en lubben, en glimmend was zijn lederen schoeisel. Hij
kreeg een pels van het fijnste bevervel en een bonten muts op de blonde
krullende haren. Zij spreidden een berenvel met zilveren klauwen over
de sleede en gaven hem den zwarten Don Juan, den trots van den stal,
om er voor te spannen. Hij floot zijn hond, den witten Tancred, en
greep de gevlochten teugels. Jubelend reed hij weg, door rijkdom en
pracht omgeven, hij, die toch al zonder dat straalde van schoonheid
en tintelde van geest.
Hij reed weg in den voormiddag. Het was Zondag, en hij hoorde
psalmgezang uit de kerk te Bro, toen hij er voorbij reed. Daarop koos
hij den eenzamen boschweg, die naar Berga leidde, waar kapitein Uggla
toen woonde en waar hij wilde gaan eten.
Berga was niet het huis van een rijk man. De honger wist den weg
naar de met zoden gedekte woning van den kapitein; maar die werd met
scherts ontvangen, met zang en spel vermaakt, zooals de andere gasten,
en vertrok even ongaarne als zij.
De oude juffrouw Ulrika Dillner, zij, die voor het koken en weven
zorgde op het goed Berga, stond op de stoep en heette Gösta Berling
welkom. Zij boog voor hem, en de valsche krullen, die over haar bruin,
gerimpeld gezicht hingen, dansten van vreugde. Zij bracht hem in de
groote zaal en begon te vertellen van de lieden op de hoeve en hun
wisselvallig lot.
De zorg stond voor de deur, zeide zij. 't Waren moeilijke tijden
op Berga. Zij hadden niet eens mierikwortel bij het zoute vleesch
voor dien middag; maar Ferdinand en de meisjes hadden Disa voor de
slee gespannen en waren naar Munkerud gereden, om wat te leenen. De
kapitein was in het bosch en zou wel met een taaien haas terugkomen,
die meer aan braadboter kostte, dan hij zelf waard was. Dat noemde hij
"voor den pot zorgen." Maar dat kon er nog door, als hij maar niet
met een ellendigen vos thuiskwam, 't ongelukkigste dier, dat Onze
Lieve Heer geschapen heeft, even onbruikbaar of hij dood of levend is.
En de genadige vrouw? Ja, zij was nog niet opgestaan. Zij lag romans
te lezen, zooals ze iederen dag deed. Zij was niet geschapen om te
werken, die engel.
Neen, dat moesten de ouden en grijzen doen, dag en nacht door
't huis draven, om den boel bij elkaar te houden. En dat was niet
altijd gemakkelijk. Zooveel was zeker, dat ze den heelen winter
geen andere vleeschspijze gehad hadden dan een berenham. Een groot
loon verwachtte ze niet; tot nu toe had ze 't nog niet gezien; maar
ze zouden haar ook niet op straat zetten, als ze niet meer werken
kon. Ze rekenden een huishoudster ook voor een mensch daar in huis,
en zouden de oude Ulrika wel een behoorlijke begrafenis geven, als
ze ten minste iets hadden, om haar een kist te koopen.
"Want hoe moet het toch gaan?" riep ze uit en droogde haar oogen,
die telkens vol tranen schoten, "wij hebben schuld aan den boozen
Sintram, en hij kan ons alles afnemen. Nu is Ferdinand wel verloofd
met de rijke Anna Stjärnhök, maar hij verveelt haar. Hij verveelt
haar! En wat zal er dan van ons worden met onze drie koeien en onze
negen paarden, met onze lieve, vroolijke jonge dames, die van 't eene
bal naar 't andere willen, met onze dorre akkers, waar niets groeit,
met onzen besten Ferdinand, die nooit een man wordt! Wat moet er
worden van dit heele gezegende huis, waar alles tiert--behalve arbeid!"
Maar toen het middag werd, kwamen de huisgenooten bijeen. De beste
Ferdinand, de zoon des huizes, en de vroolijke dochters kwamen thuis
met de geleende mierikwortel. De kapitein kwam, opgefrischt door een
bad in een wak in het meer en een jacht in het bosch. Hij gooide
een venster open, om lucht te krijgen, en gaf Gösta een manlijken
handdruk. En de genadige vrouw kwam, in zij gekleed, met breede kanten
over de witte handen, die Gösta kussen mocht.
Allen begroetten Gösta met vreugde; met hem kwam de scherts in hun
kring. Vroolijk vroegen ze hem: "Hoe gaat het op Ekeby, hoe leeft ge
daar in het beloofde land?"
"Daar vloeien melk en honig," antwoordde hij. "Wij halen 't ijzer uit
de bergen en vullen onze kelders met wijn. De akkers brengen goud
voort; daarmeê vergulden we 's levens ellende, en we houwen onze
bosschen om, om kegelbanen en prieelen te bouwen."
Maar de genadige vrouw zuchte en glimlachte bij dat antwoord, en over
haar lippen kwam maar één woord: "dichter!"
"Veel zonden heb ik op mijn geweten," antwoordde Gösta, "maar nooit
heb ik een regel poëzie geschreven."
"Toch ben je een dichter, Gösta; dien naam moet je voor lief nemen. Je
hebt meer gedichten beleefd dan onze dichters geschreven hebben."
Later sprak de genadige vrouw zacht en vriendelijk als een moeder
met hem over zijn misbruikt leven. "Ik zal 't nog wel beleven, dat
je een man wordt," zei ze. En hem scheen 't toe, dat 't hem goed
deed vermaand te worden door die vriendelijke vrouw, die zoo trouw
een vriendin voor hem was en wier groot, sterk hart een zoo vurige
liefde koesterde voor groote daden.
Maar toen zij den vroolijken maaltijd geëindigd hadden, toen zij 't
vleesch met mierikwortel, de kool en de wafels gegeten en 't kerstbier
gedronken hadden, toen Gösta hen had doen lachen en schreien, door hun
van den majoor en zijn vrouw en den predikant van Broby te vertellen,
hoorden zij sleêbellen voor de deur, en onmiddellijk daarna trad de
booze Sintram binnen.
Hij straalde van genoegen, van zijn kalen kop tot zijn lange, breede
voeten. Hij slingerde zijn lange armen en trok gezichten. 't Was
duidelijk, dat hij slechte berichten kwam brengen.
"Heb je 't gehoord?" vroeg de Booze; "heb je 't gehoord, dat vandaag
voor 't eerst het huwelijk van Anna Stjärnhök en den rijken Dahlberg
in de kerk te Svartsjö is afgekondigd? Ze heeft zeker vergeten,
dat ze met Ferdinand verloofd is."
Zij wisten er geen woord van. Ze waren verbaasd en bedroefd.
En zij zagen hun huis al geplunderd voor hun schuld aan dien boozen
man, hun geliefde paarden verkocht, en hun versleten meubels, een
erfenis uit het huis van de genadige vrouw. Zij zagen het eind van
hun vroolijk leven met feesten en bals. De berenham zou weer op tafel
komen, en de jongeren zouden onder vreemden moeten gaan. De moeder
liefkoosde haar zoon, en gaf hem den troost van haar onveranderlijke
liefde.
Maar--in hun midden zat Gösta Berling, en de onoverwinlijke maakte
duizend plannen.
"Hoor," riep hij uit, "nog is 't geen tijd van klagen! 't Is de
dominé's-vrouw van Svartsjö, die dit tot stand heeft gebracht. Zij is
het die Anna bewogen heeft Ferdinand te verlaten en den ouden Dahlberg
te nemen. Maar ze zijn nog niet getrouwd en zullen 't nooit worden. Nu
ga ik naar Borg, en daar ontmoet ik Anna. Ik zal met haar spreken, ik
zal ze weghalen van de dominé's-familie, van haar bruidegom. Ik zal
ze van avond mee hierheen nemen, dan zal de oude Dahlberg tenminste
geen pleizier van haar hebben."
Zoo werd afgesproken. Gösta reed alleen naar Borg, zonder éen van de
vroolijke meisjes naar 't bal te nemen; maar de vurige wenschen van
de achterblijvenden volgden hem. En Sintram, die er in juichte, dat
de oude Dahlberg bedrogen zou worden, besloot op Berga te blijven,
om Gösta met de trouwelooze te zien terugkeeren. In een aanval van
vriendelijkheid wikkelde hij hem zelfs in zijn groene reissjaal.
De genadige vrouw kwam naar buiten op de stoep met drie kleine boekjes,
rood gebonden, in de hand.
"Neem die," zeide ze tegen Gösta, "en houd ze, als je niet slaagt. 't
Is Corinna, van Mevrouw de Staël; ik wil niet dat ze mee verkocht
zullen worden."
"Ik slaag altijd."
"Ach, Gösta, Gösta," antwoordde ze, en streek met de hand over zijn
ontbloot hoofd, "sterkste en zwakste onder de menschen! Hoe lang zul je
't onthouden, dat 't geluk van een paar arme menschen in je hand ligt!"
Weer stoof Gösta voort over den weg, door den zwarten Don Juan
getrokken, door den witten Tancred gevolgd, en de vreugd van het
avontuur vervulde zijne ziel. Als een jonge veroveraar voelde hij
zich, de geest was vaardig over hem. Zijn weg ging langs de pastorie
van Svartsjö. Hij reed er binnen en vroeg of hij Anna Stjärnhök naar
't bal mocht rijden. En dat mocht hij. Een mooi, eigenzinnig jong
meisje kwam bij hem in de slee. Wie zou niet graag met den zwarten
Don Juan willen rijden!
Eerst zwegen de jongelieden; maar zij begon het gesprek, trotsch
en overmoedig,
"Heb je gehoord, Gösta, wat de dominé vandaag voorgelezen heeft?"
"Heeft hij gezegd, dat je 't mooiste meisje bent tusschen 't Löfvenmeer
en de Klarbeek?"
"Je bent dom, Gösta, dat weten de menschen wel. Hij heeft 't huwelijk
van mij en den ouden Dahlberg afgekondigd."
"Als ik dat geweten had, had ik je niet in mijn slee willen hebben,
en niet hier achterop gestaan. Dat had ik je nooit willen rijden."
De trotsche erfdochter antwoordde: "Ik zou zonder Gösta Berling nog
wel naar Borg gekomen zijn."
"'t Is toch jammer van je, Anna," zei Gösta nadenkend, "dat je geen
vader of moeder hebt. Daardoor ben je geworden zooals je nu bent,
en niemand kan je nu hooge eischen stellen."
"'t Is nog meer jammer, dat je dat niet eerder gezegd hebt; dan had
een ander me kunnen rijden."
"De dominé's-vrouw denkt zeker als ik, dat je behoefte hebt aan iemand,
die een vader voor je kan zijn; anders had ze je zeker niet met zoo'n
ouden knol ingespannen."
"Dat heeft de dominé's-vrouw niet gedaan."
"De hemel beware me, heb je zelf zóo'n knappen man gekozen?"
"Hij neemt mij niet om mijn geld."
"Neen, zulke oude heeren kijken alleen naar blauwe oogen en roode
wangen. En ze hebben nog gelijk!"
"Foei, Gösta, schaam je je niet!"
"Maar pas nu op, dat je niet langer met de jonge mannen speelt. Je
plaats is nu op de canapé. Met dans en spel is 't nu voorbij. Nu mag
je een kaartje leggen met den ouden Dahlberg."
Zwijgend reden zij voort, tot ze de steile heuvels bij Borg opreden.
"Dank je voor den rit! 't Zal lang duren eer ik weer met Gösta
Berling rijd."
"Dank je voor die belofte! Ik ken menigeen, dien 't berouwd heeft
dat hij met je naar het feest reed."
Zeer ontstemd trad de fiere schoonheid van het stadje de danszaal in
en zag de verzamelde gasten aan.
't Allereerst zag ze den kleinen, kalen Dahlberg naast den grooten,
slanken, blonden Gösta Berling. Zij had hen allebei de zaal wel uit
willen jagen. Haar verloofde kwam haar ten dans noodigen, maar zij
ontving hem met honende verbazing.
"Wil jij dansen? Ben jij dat gewoon?"
En de jonge meisjes kwamen om haar geluk te wenschen.
"Speel geen comedie, meisjes! Je gelooft toch niet, dat iemand verliefd
kan worden op den ouden Dahlberg? Maar hij is rijk en ik ben rijk;
daarom passen we goed bij elkaar."
De oude dames gingen naar haar toe, drukten haar de witte hand en
spraken over 't grootste geluk in 't leven.
"Feliciteer de dominé's-vrouw liever," antwoordde zij. "Zij is er
gelukkiger mee dan ik."
Maar daar stond Gösta Berling, de vroolijke kavalier, met gejuich
begroet om zijn helderen lach, zijn geestige woorden, die gouden
glans wierpen over 't grijze, dagelijksche leven. Nooit te voren
had ze hem zoo gezien als dien avond. Hij was geen verstootene, geen
verworpeling, geen daklooze grappenmakker, neen, een koning onder de
mannen, vorstelijk van geboorte!
Hij en de andere jonge mannen smeedden een samenzwering tegen haar. Zij
moest er maar eens over nadenken hoe verkeerd ze deed, toen zij zich
zelf met haar schoonheid en rijkdom aan den ouden man gaf. En zij
lieten haar tien dansen over zitten. Zij voelde haar bloed koken van
spijt en smart.
Voor den elfden dans kwam een man haar uitnoodigen; hij was de
geringste onder de geringen, een stumper, met wien geen ander dansen
wilde.
"Als 't bier op is, komt 't zaksel in 't glas," zeide zij.
Toen speelden ze een pandspel. Blonde jonge meisjes staken de
hoofden bijeen en veroordeelden haar te kussen wie ze 't liefst
had. En glimlachend verwachtten ze haar den ouden Dahlberg te zien
kussen. Maar zij stond in haar toorn.
"Mag ik niet liever een oorveeg geven aan wie ik 't minst liefheb?"
Een oogenblik later brandde Gösta's wang onder haar vaste hand. Hij
werd rood tot over de ooren, maar bedwong zich, greep haar hand,
hield die een oogenblik vast en fluisterde:
"Kom over een half uur in de roode zaal beneden."
Zijne blauwe oogen straalden en boeiden haar als met tooverkracht. Zij
voelde, dat zij gehoorzamen moest.
Zij ontmoette hem beneden met trots en booze woorden.
"Wat gaat het Gösta Berling aan, met wien ik trouwen wil?"
Hij vond nog niet dadelijk zachte woorden, en 't scheen hem ook niet
geraden dadelijk over Ferdinand te spreken.
"Ik vind niet, dat 't een te strenge straf was, dat je tien dansen
moest blijven zitten. Maar je wilt ongestraft je woord breken. Als
een beter man dan ik de straf in zijn hand genomen had, zou die harder
geworden zijn."
"Wat heb ik jullie toch gedaan, dat je mij niet met rust kunt
laten? Jullie vervolgt me om mijn geld! Ik zal 't in 't meer gooien,
dan kan, wie er zin in heeft, het opvisschen." Ze hield de handen
voor de oogen en schreide.
Toen werd het hart van den dichter geroerd. Hij schaamde zich over
zijn strengheid, en zijn stem werd zacht:
"Ach, kind, vergeef me. Vergeef den armen Gösta Berling. Niemand
geeft er om wat zulk een lummel zegt of doet; dat weet je immers
wel. Niemand schreit er om, dat hij boos is; je kunt even goed om
een muggebeet schreien. 't Was onzin, maar ik wou verhinderen, dat
het mooiste en rijkste van onze jonge meisjes met dien ouden man zou
trouwen. En nu heb ik je alleen maar bedroefd gemaakt."
Hij ging naast haar in de sofa zitten en sloeg zijn arm om haar
schouders, om haar met teerheid te steunen en op te beuren. Zij trok
zich niet terug. Zij leunde tegen hem aan, sloeg haar armen om zijn
hals en schreide met het mooie hoofdje op zijn schouder.
Och, arme dichter, sterkste en zwakste onder de menschen; niet om uw
hals moesten die blanke armen rusten.
"Als ik het geweten had," fluisterde zij, "dan had ik den ouden nooit
genomen. Ik heb je van avond gezien. Zoo is er geen ander."
Maar met bleeke lippen stamelde Gösta:
"Ferdinand."
Zij sloot hem de lippen met een kus.
"Hij is niets waard. Wie kan in je schaduw staan? Ik zal je trouw
zijn."
"Ik ben Gösta Berling," zei hij, somber; "mijn vrouw kun je niet
worden."
"Ik heb je lief! De eerste onder de mannen. Je behoeft niets te zijn,
niets te doen. Een geboren koning ben je."
Toen bruiste het bloed van den dichter. Ze was zoo schoon, zoo
bekoorlijk in haar liefde. Hij sloot haar in zijn armen.
"Als je de mijne wilt zijn, kun je niet in de pastorie blijven. Laat
ik je dadelijk naar Ekeby brengen van nacht; ik zal je wel weten te
verdedigen tot we bruiloft kunnen vieren."
't Werd een onvergetelijke tocht dien nacht. Zij gaven toe aan hun
jonge liefde en lieten zich door Don Juan meevoeren. 't Knetteren
van de sneeuw onder de slee klonk als de klachten der bedrogenen. Wat
stoorden zij zich daaraan! Zij lag aan zijn borst, en hij boog zich
over haar heen en fluisterde haar in 't oor: "Is er iets zaligers
dan gestolen vreugde?"
Een huwelijks-afkondiging. Wat beteekende dat? Zij hadden hun
liefde. En de toorn der menschen? Gösta Berling geloofde aan het
noodlot. Het lot had hem gedwongen. Tegen het lot kan niemand zich
verzetten. Al waren de sterren de bruiloftskaarsen geweest, en Don
Juans bellen de kerkklokken, die haar bruiloft inluidden met den
ouden Dahlberg, dan had ze toch met Gösta Berling moeten vluchten. Zóó
machtig is 't noodlot.
Zij waren goed en wel voorbij de pastorie en Munkerud gekomen. Op de
helft van den weg naar Ekeby lag Berga. De weg ging langs het bosch;
rechts lagen hooge donkere bergen, links een lang, besneeuwd dal.
Daar kwam Tancred aanrennen. Hij stoof over den weg. Huilend van
schrik sprong hij in de slee en kromp ineen aan Anna's voeten.
Door Don Juans leden ging een schok! Hij versnelde zijn vaart met
groote sprongen.
"Wolven," zei Gösta Berling.
Zij zagen een lange, grauwe streep zich langs den weg bewegen. 't
Ware minstens een dozijn.
Anna werd niet bang. De dag was zoo rijk aan verrassingen geweest,
en de nacht beloofde ook zoo te worden. Dit was leven--voort te
snellen over de blinkende sneeuw, trots wilde dieren en menschen.
Gösta stootte een vloek uit, boog zich voorover en gaf Don Juan een
geweldige slag met de zweep.
"Ben je bang?" vroeg hij. "Zij snijden den hoek af en halen ons daar
ginds bij de bocht van den weg in."
Don Juan sprong voort en liep om 't hardst met de wilde dieren in
't bosch. Tancred huilde van woede en angst. Zij kwamen aan de bocht
gelijk met de wolven en Gösta verdreef den voorsten met de zweep.
"Ach, Don Juan, mijn jongen, hoe gemakkelijk zou je niet twaalf wolven
ontloopen, als je ons menschen maar niet meê te sleepen hadt."
Zij bonden de groene reisdeken achteraan de slee. De wolven werden
er bang voor en hielden zich een tijd lang op een afstand. Maar toen
ze hun vrees overwonnen hadden, stoof een van hen, blazend, met de
tong uit den bek en open muil, op de slee af. Toen nam Gösta Madame
de Staëls Corinna en wierp het in den wolvenmuil.
Weer kregen ze een poosje rust, tot de dieren dien buit verscheurd
hadden; maar toen voelden ze weer het rukken van de wolven aan de
groene reisdeken, en hoorden hun snelle, korte ademhaling. Zij wisten,
dat ze niet aan een menschenwoning kwamen voor ze Berga bereikten;
maar erger dan de dood scheen het Gösta toe de menschen te ontmoeten,
die hij bedrogen had. Hij zag in, dat het paard moe zou worden,
en wat zou er dan van hen worden?
Daar zagen ze Berga aan den zoom van 't bosch liggen. Er brandde
licht in de vensters. Gösta wist wel voor wie!
Maar nu vluchtten de wolven, uit vrees voor de nabijheid van menschen,
en Gösta reed Berga voorbij. Hij kwam toch niet verder dan tot de
plaats, waar de weg opnieuw het bosch in gaat; daar zag hij een
donkere plek voor zich uit. De wolven wachtten hem op.
"Laat ons naar de pastorie teruggaan en zeggen, dat we een
pleziertochtje in 't sterrenlicht gedaan hebben. Dit gaat niet."
Zij keerden om; maar in 't volgende oogenblik was de slee weer door
wolven omringd. Grauwe gestalten gleden hen voorbij, de witte tanden
glinsterden in de open muilen en de gloeiende oogen tintelden. Zij
huilden van honger en bloeddorstigheid. Ze verlangden hun glimmende
tanden in 't weeke menschenvleesch te drukken. De wolven sprongen
Don Juan op den rug en hingen aan het tuig. Anna zat er over na
te denken of zij hen heelemaal op zouden eten, dan of er nog iets
over zou blijven en of de menschen den volgenden morgen afgeknaagde
ledematen zouden vinden in de bloedige, vertrapte sneeuw.
"Nu geldt het ons leven," zei ze, boog zich neer en greep Tancred
bij den nek.
"Doe dat niet; dat helpt niet. 't Is niet om den hond, dat de wolven
van nacht in 't bosch zwerven."
Met die woorden reed Gösta Berling Berga binnen; maar de wolven
vervolgden hen tot vlak bij de stoep. Hij moest ze met de zweep van
zich afhouden.
"Anna," zeide hij, toen zij bij de stoep stil hielden. "God wilde het
niet. Houd je nu goed; als je de vrouw bent, waar ik je voor houd,
houd je dan goed."
In 't huis hoorde men de bellen van de slee en kwam naar buiten.
"Hij heeft haar," riepen ze, "hij heeft haar! Leve Gösta Berling!" En
de pas aangekomenen werden hartelijk omhelsd.
Er werden niet veel vragen gedaan. 't Was al diep in den nacht;
de reizigers waren geschokt door hun gevaarlijken tocht en hadden
behoefte aan rust. 't Was immers alles goed, nu Anna gekomen was.
Alles was goed! Alleen Corinna en de groene reissjaal, een kostbaar
geschenk van juffrouw Ulrika, waren bedorven.
Alles sliep in huis. Toen stond Gösta op, kleedde zich aan en sloop
naar buiten. Ongemerkt haalde hij Don Juan uit den stal, spande hem
voor de slee en wilde wegrijden. Toen kwam Anna Stjärnhök uit het huis.
"Ik hoorde je uitgaan," zeide zij. "Toen ben ik ook opgestaan. Ik ga
met je mee."
Hij ging naar haar toe en vatte haar hand.
"Begrijp je het nog niet? Het kan niet. God wil het niet. Luister nu
en probeer het te verstaan. Ik was hier vanmiddag, en zag hoe bedroefd
ze waren over je ontrouw. Toen reed ik naar Borg, om je naar Ferdinand
terug te brengen. Maar ik ben altijd een ellendeling geweest, en zal
't wel altijd blijven. Ik werd hem ontrouw en wilde je voor mijzelf
houden. Hier woont een oude vrouw, die gelooft dat ik éens een man
zal worden. Haar werd ik ontrouw. Je waart zoo mooi en de zonde zoo
bekoorlijk. Gösta Berling is zoo licht te verleiden. Ach, wat ben ik
toch een verachtelijk wezen! Ik weet hoe lief zij hun tehuis hebben,
en ik was op het punt het te laten plunderen. Ik vergat alles om
jou. Je was zoo bekoorlijk met je liefde. Maar nu, Anna, nu ik hun
vreugde over je terugkomst gezien heb, wil ik je niet houden. O,
mijn lieveling. Hij daarboven speelt met onze plannen. Nu moeten
wij ons buigen onder zijn straffende hand. Zeg me, dat je van nu
af aan je deel van den zwaren last op je nemen wilt. Zij allen daar
binnen vertrouwen op je. Zeg me, dat je bij hen blijven wilt, en ze
steunen en helpen. Als je me liefhebt, als je mijn bitter verdriet
wilt verzachten, beloof me dit dan. Mijn lieveling, is je hart zóó
groot, dat je jezelf kunt overwinnen, en 't glimlachend doen?"
Zij aanvaardde met geestdrift den plicht der ontbering.
"Ik zal doen wat je wilt--mij offeren, en 't met een glimlach
doen!" Zij glimlachte droevig. "Zoolang ik je liefheb, zal ik hen
liefhebben."
"Nu eerst zie ik wat voor een vrouw je bent. 't Valt me zwaar van je
heen te gaan."
"Vaarwel, Gösta; God zij met je! Mijn liefde zal je niet tot zonde
verleiden."
Zij keerde zich om en wilde naar binnen gaan. Hij volgde haar.
"Zul je me gauw vergeten?"
"Ga nu heen, Gösta; wij zijn maar menschen."
Hij sprong in de slee. Maar toen kwam zij terug.
"Denk je wel aan de wolven?"
"Ja zeker, maar zij hebben hun werk gedaan. Met mij hebben zij vannacht
niets meer te maken."
Nog eens strekte hij de armen naar haar uit. Maar Don Juan werd
ongeduldig en draafde weg. Hij greep de teugels niet. Hij lag voorover
op de bank en zag achteruit. Toen steunde hij met het hoofd op den
rand van de slee en schreide als een wanhopige.
"Ik had het geluk in handen en stootte het terug. Zelf stootte ik
het terug. Ach, waarom hield ik het niet!"
Ach, Gösta Berling, sterkste en zwakste onder de menschen.