Op den eersten Kerstdag geeft de Majoorske Samzelius een groot feest
op Ekeby.
Zij zit als gastvrouw aan een tafel, gedekt voor vijftig gasten. Zij
zit daar in glans en heerlijkheid; de korte bonten pels, het gestreepte
wollen kleed en de kleine pijp zijn verdwenen. Zijde ruischt om haar
heen, gouden armbanden hangen zwaar om haar armen, en paarlen liggen
koel op haar witten hals.
Waar zijn de kavaliers? Waar zijn zij, die den vorigen avond in de
smidse punch dronken uit den blanken koperen ketel op de gezondheid
van de nieuwe heeren van Ekeby?
In een hoek bij de kachel zitten de kavaliers aan een aparte
tafel. Vandaag is er voor hen aan de groote tafel geen plaats. Bij
hen komen de schotels laat en komt de wijn spaarzaam; hen bereiken
de blikken der schoone dames niet; niemand luistert er naar Gösta's
scherts.
Maar de kavaliers zijn als getemde veulens, als matte roofdieren. Maar
één uur nachtrust hebben zij gehad; toen reden zij naar de vroegpreek
bij fakkel- en sterrenlicht. Zij zagen de Kerstlichten en hoorden
de Kerstpsalmen, en zij glimlachten als kinderen. Zij vergaten den
Kerstnacht in de smidse, als was dat een akelige droom.
Groot en machtig is de Majoorske op Ekeby. Wie waagt het zijn arm
tegen haar op te heffen? Wie waagt het den mond tegen haar te openen,
om tegen haar te getuigen? Zeker niet een paar arme kavaliers, die haar
brood aten, velen jaren lang, en sliepen onder haar dak. Zij zet ze
waar zij wil, zij kan haar deur voor hen sluiten als zij wil, en zij
kunnen haar macht niet eens ontvluchten. God zij hen genadig! Ergens
anders dan op Ekeby kunnen zij niet leven.
Aan de groote tafel geniet men het leven; dáár stralen de mooie oogen
van Marianne Sinclaire, daar klinkt de vroolijke lach van gravin Dohna.
Maar bij de kavaliers is het stil. Was het toch niet billijk, dat
zij, die aan den Booze verkocht zijn, ter wille van de Majoorske,
met de andere gasten aan één tafel zaten? Wat is dat toch voor een
schandaal, die tafel daar bij de kachel! Zijn de kavaliers dan niet
waardig bij de notabelen aan tafel te zitten?
Trotsch zit daar de Majoorske tusschen den graaf van Borg en den
predikant van Bro. De kavaliers laten het hoofd hangen als stoute
kinderen, die in den hoek staan. En de gedachten van den vorigen
nacht worden weer in hen wakker.
Als schuwe gasten komen de vroolijke invallen, de dwaze vertelsels
aan de tafel in den hoek.
Daar houden de toorn en de beloften van den vorigen nacht intocht
in de hersens der kavaliers. Wel maakt de patroon Julius den sterken
kapitein Kristiaan Bergh wijs, dat de fijne gebraden vogels, die nu
aan de groote tafel worden rondgediend, niet toereikend zijn voor
alle gasten, maar die aardigheid gaat niet op.
"Er zijn er niet genoeg," zegt hij. "Ik weet hoeveel er waren; maar
dat hindert niet, kapitein Bergh; ze hebben voor ons hier aan de
kleine tafel kraaien gebraden."
Maar slechts een flauwe glimlach speelt er om de lippen van den overste
Beerencreutz, en Gösta ziet er den heelen dag uit, alsof hij van plan
is den een of ander dood te slaan.
"Is niet alle eten goed genoeg voor de kavaliers?" vraagt hij.
Eindelijk komt een groote schotel prachtig gebraden vogels bij de
kleine tafel.
Maar kapitein Kristiaan is boos. Heeft hij de kraaien niet levenslang
een vurigen haat toegedragen--die leelijke schreeuwende schepsels. Zóo
bitter was zijn haat, dat hij in 't najaar vrouwenkleeren aantrok,
en zich voor iedereen belachelijk maakte, alleen om ze onder schot te
krijgen, als ze het koren op de velden wegvraten. Hij vervolgde ze
in den paartijd op 't veld in 't voorjaar, om ze dood te slaan. Hij
zocht hun nesten in den zomer, smeet de scheeuwende, veerlooze jongen
er uit en verbrijzelde de halfuitgebroede eieren.
Nu trekt hij den schotel met de fijne vogels naar zich toe.
"Meen je, dat ik ze niet ken?" brult hij den knecht tegemoet. "Geloof
je, dat ik ze moet hooren schreeuwen, om ze te herkennen? Foei voor
den duivel! Hoe durf je Kristiaan Bergh kraaien voorzetten!"
En precies als hij de hulpelooze, jonge kraaien tegen de rotsen
slingert, zoo smakt hij den eenen gebraden vogel na den anderen tegen
den wand. Saus en vet vliegt om hem heen, de verbrijzelde vogels
stuiven terug en glijden over den grond. En de kavaliers schateren.
Daar klinkt de vertoornde stem van de Majoorske.
"Zet hem de deur uit!" roept zij tot de bedienden.
Maar dat durven ze niet. Hij is toch Kristiaan Bergh, de sterke
kapitein.
"Zet hem de deur uit!"
Hij hoort dat bevel, en verschrikkelijk in zijn woede, wendt hij zich
nu tot de Majoorske, zooals een beer zich van zijn gevallen vijand
naar een nieuwen aanvaller keert. Hij gaat naar de groote tafel, die
den vorm van een hoefijzer heeft. De vloer dreunt onder de voetstappen
van den reus. Hij blijft vlak over haar staan, met de tafel tusschen
hen in.
"Zet hem de deur uit!" roept de Majoorske nog eens.
Maar hij is razend; zijn gerimpeld voorhoofd, zijn grove gebalde
vuisten jagen allen schrik aan. Gasten en bedienden beven, en durven
hem niet aanraken. Wie zou het wagen, nu de woede zijn verstand
verbijsterd heeft?
Hij staat vlak over de Majoorske en dreigt haar met de vuist:
"Ik smeet de kraaien tegen den muur. Had ik daar het recht niet toe?"
"De deur uit, kapitein!"
"Leelijk wijf! Kristiaan Bergh kraaien voor te zetten! Als ik je gaf
wat je verdiende, dan nam ik jou en je zeven duivelsche bergwerken...."
"Duizend duivels! Vloek niet, Kristiaan Bergh. Hier mag niemand
vloeken dan ik!"
"Meen je, dat ik bang voor je ben, jou heks? Meen je, dat ik niet
weet waar je je zeven bergwerken vandaan hebt?"
"Zwijg, kapitein!"
"Toen Altringer stierf, gaf hij ze aan je man, omdat jij zijn liefje
geweest was."
"Zwijg!"
"Omdat je zoo'n trouwe huisvrouw waart, Margaretha Samzelius. En
de Majoor nam de zeven bergwerken aan en liet ze door jou besturen
en deed alsof hij niets wist. En de Satan heeft dat alles bestuurd,
maar nu zal 't met je gedaan zijn."
De Majoorske zinkt op haar stoel terug. Ze is bleek en beeft. En dan
bevestigt ze zijn woorden met een wonderlijke zachte stem; "Ja nu is
't met me gedaan, en dat is jouw werk, Kristiaan Bergh."
Bij dien toon beeft de sterke kapitein; zijn gezicht wordt vertrokken,
en de tranen van angst komen hem in de oogen.
"Ik ben dronken!" roept hij uit; "ik weet niet wat ik zeg; ik heb
niets gezegd! Een hond en een slaaf--niets anders ben ik veertig
jaar lang voor haar geweest. Zij is Margaretha Celsing, die ik
levenslang gediend heb. Ik zeg niets kwaads van haar. Hoe zou ik
iets van de mooie Margaretha Celsing kunnen zeggen! Ik ben een hond,
die haar deur bewaak, een slaaf, die haar lasten draag. Zij mag mij
schoppen en slaan; ik zwijg en verdraag. Ik heb haar veertig jaar
lang liefgehad. Hoe zou ik nu van haar iets kwaads kunnen zeggen!"
En wonderlijk is het te zien, hoe hij zich op de knieën werpt en haar
om vergeving smeekt, en omdat ze aan den anderen kant van de tafel
zit, sleept hij zich op de knieën naar haar toe, buigt zich neer en
kust den zoom van haar kleed, terwijl zijn tranen op den vloer vallen.
Maar niet ver van de Majoorske zit een kleine, stevige man. Hij
heeft stoppelig haar, kleine, schuinstaande oogen en een groote
onderkaak. Hij lijkt op een beer. Hij spreekt weinig, gaat liefst zijn
eigen wegen en laat de wereld haar gang gaan. Dat is Majoor Samzelius.
Hij staat op, zoodra hij de laatste woorden van den kapitein hoort. En
de Majoorske staat op, en al de vijftig gasten; de vrouwen schreien
van angst voor wat nu volgen zal, de mannen staan vervaard, en aan
de voeten van de Majoorske ligt Kaptein Kristiaan en kust den zoom
van haar kleed, terwijl zijn tranen op den vloer vallen.
De breede, met haar begroeide handen van den Majoor ballen zich;
hij heft den arm op.
Maar zij spreekt eerst. Er is een doffe, ongewone klank in haar
stem. "Je hebt mij gestolen!" barst ze uit. "Je kwam als een roover
en nam me weg. Ze hebben me thuis gedwongen met stompen en slaan,
met honger en booze woorden, om je vrouw te worden. Ik heb tegenover
je gehandeld zooals je verdiende.
"Een levende paling kromt zich onder het mes; een vrouw, die tot een
huwelijk gedwongen wordt, neemt een minnaar. Wil je me nu slaan, om
wat voor twintig jaar gebeurd is? Waarom sloeg je me toen niet? Ben je
vergeten, dat hij op Ekeby woonde, en wij op Sjö? Weet je niet hoe hij
ons hielp in onze armoede? Wij reden in zijn wagen, wij dronken zijn
wijn. Hebben we ooit iets voor je verborgen? Waren niet zijn knechten
jouw knechten? Vulde zijn goud niet jouw zak? Heb je zijn zeven
bergwerken niet aangenomen? Toen zweeg je en nam alles aan. Toen hadt
je me moeten slaan, Bernt Samzelius, toen hadt je me moeten slaan."
De man keert zich van haar af en ziet de aanwezigen aan. Hij leest op
hun gezichten, dat zij haar gelijk geven; dat ze allen geloofd hebben,
dat hij dat alles aangenomen heeft als loon voor zijn zwijgen.
"Ik wist het niet," zegt hij stampvoetend.
"Dan is 't goed, dat je het nu weet," valt zij hem in de rede, met
snijdende stem. "Ik was bang dat je sterven zoudt, zonder het te
hooren; 't is goed, dat je 't nu weet, dat ik vrij met je spreken
kan, mijn meester en cipier! Weet 't dan nu, dat ik hem toch heb
toebehoord, hem, van wien jij me gestolen hadt! Laat allen 't weten,
die me belasterd hebben."
't Is de oude liefde, die jubelt in de stem der Majoorske, die straalt
uit haar oogen. Zij ziet haar man voor zich, met omhoog geheven,
gebalde vuist; schrik en verachting leest ze op al die gezichten om
zich heen. Ze voelt, dat het laatste uur van haar macht geslagen is,
maar ze kan toch niet laten er in te genieten, dat ze vrij spreken
kan over de schoonste herinnering van haar leven.
"Hij was een man, een heerlijk man! Wie was jij, die zich durfde
zetten tusschen hem en mij? Nooit heb ik zijns gelijke gezien: hij
gaf me geluk: Geluk en schatten! Gezegend zij zijn nagedachtenis!"
Daar laat de Majoor zijn arm zinken, zonder te slaan. Nu weet hij,
hoe hij haar straffen moet.
"Weg!" brult hij, "weg uit mijn huis!"
Zij staat versteend.
En de kavaliers staan bleek en zwijgend elkaar aan te staren. Nu komt
immers alles uit, zooals de Booze 't voorspeld heeft. Nu zien ze er
de gevolgen van, dat de Majoorske haar contract dit jaar niet heeft
kunnen vernieuwen. Als dit nu waar is, dan is 't zeker ook wel waar,
dat ze meer dan twintig jaar lang kavaliers naar de hel heeft gezonden,
en dat zij allen voor dezelfde reis bestemd waren. O, die heks!
"Weg met jou," gaat de Majoor voort. "Bedel je brood langs den weg. Je
zult niet langer pleizier van zijn geld hebben; je zult op zijn goed
niet wonen; nu hebben we afgerekend met de Majoorske op Ekeby. Als
je ooit weer je voet in mijn huis zet, sla ik je dood."
"Wil je mij uit mijn huis jagen?"
"Je hebt geen huis. Ekeby behoort mij!"
Nu ontzinkt der Majoorske de moed. Ze wijkt achteruit tot de deur,
en hij volgt haar op den voet.
"Je hebt me levenslang ongelukkig gemaakt," klaagt zij; "zul je nu
ook nog de macht hebben mij dit aan te doen?"
"Weg met jou!"
Zij leunt tegen den deurpost en bedekt haar gezicht met de gevouwen
handen. Zij denkt aan haar moeder en mompelt: "je zult verloochend
worden, zooals je nu mij verloochent; moge de straatweg je thuis,
de wegkant je bed zijn. Dus moest het toch zoo gebeuren....!"
De goede oude predikant te Bro en de rechter te Munkerud gaan naar
den Majoor toe en trachten hem te kalmeeren. Ze zeggen hem, dat 't
beste is die oude historie nu te laten rusten, alles te laten zooals
het is, te vergeten en te vergeven. Maar hij schudt hun handen van
zijn schouders. Hij is verschrikkelijk in zijn toorn, zooals voor
een oogenblik Kristiaan Bergh.
"Het is een oude historie!" roept hij. "Ik wist van niets vóór
vandaag. Ik heb de echtbreekster niet eerder kunnen straffen."
Bij dat woord heft de Majoorske het hoofd en vat weer moed.
"Jij zult van hier, vóor ik ga! Meen je dat ik voor jou wijk," zegt
ze. En zij gaat van de deur weg.
De Majoor antwoordt niet; maar hij volgt elke beweging, die zij maakt,
met de oogen, gereed om toe te slaan, als ze zonder dat niet gaan wil.
"Helpt mij toch!" roept ze; "laat ons dien man binden en naar buiten
brengen, tot hij zijn verstand teruggekregen heeft. Bedenkt toch wie
ik ben en wie hij is. Bedenkt dit, eer ik voor hem moet wijken. Ik
bestuur alles op Ekeby, en hij zit den heelen dag de beren te voeren
in den berenkuil! Helpt mij toch, vrienden en geburen. Hier komt
ellende zonder einde, als ik er niet meer ben. De boer leeft van 't
houthakken in mijn bosschen en 't erts vervoeren uit mijn bergwerken,
de kolenbrander door 't kolen leveren aan mij, de houtvlotter door 't
halen van mijn houtvlotten. Ik ben 't, die den winst brengende arbeid
geef. Meen jullie, dat hij daar mijn werk gaande kan houden? Ik zeg
je: jaag jullie mij weg, dan haal je den hongersnood binnen."
Weer verheffen zich vele handen om de Majoorske te helpen; weer legt
men vriendelijk de hand op den schouder van den Majoor.
"Neen," zegt hij, "ga weg! Wie wil de echtbreekster verdedigen? Ik
zeg je, als ze niet vrijwillig gaat, neem ik haar op en draag haar
naar den berenkuil beneden."
En bij die woorden zinken de helpende handen neer.
Nu, in haar uitersten nood, wendt zich de Majoorske naar de kavaliers.
"Zal jelui toestaan, dat ik uit mijn huis gejaagd word, kavaliers? Heb
ik jelui ooit kou laten lijden in den winter, heb ik jelui ooit
sterk bier en zoeten brandewijn geweigerd? Heb ik loon of werk van
je verlangd, omdat ik jelui voedsel en kleeren gaf? Zijn jelui niet
veilig in mijn huis geweest als kinderen bij hun moeder? Was niet
vreugde en vroolijkheid je dagelijksch brood? Laat die man, die
't ongeluk van mijn leven was, mij toch niet uit mijn huis jagen,
kavaliers! Laat mij geen bedelares langs den weg worden."
Gösta Berling buigt zich neer tot een mooi, donker meisje, dat aan de
groote tafel heeft gezeten. "Je kwaamt veel op Borg voor vijf jaar,
Anna," zegt hij zacht; "weet je of het de Majoorske was, die Ebba
vertelde, dat ik een ontslagen predikant was?"
"Help de Majoorske, Gösta," is haar eenig antwoord.
"Je kunt wel begrijpen, dat ik eerst weten moet of zij me tot een
moordenaar gemaakt heeft."
"Och, Gösta, wat zijn dat nu voor gedachten? Help haar, Gösta."
"Je wilt niet antwoorden, dat merk ik wel. Dan is 't wel waar wat
Sintram zei."
En Gösta gaat naar de kavaliers terug, en steekt geen vinger uit om
de Majoorske te helpen.
Och! had de Majoorske de kavaliers toch maar niet aan een aparte tafel
in den hoek gezet! Nu zijn de gedachten van den vorigen nacht in hun
hersens ontwaakt. Nu vonkelt er toorn in hun oogen, niet minder dan
in die van den Majoor. Moet niet alles, wat zij zien, de visioenen
van den nacht bevestigen?
"Je kunt wel merken, dat zij haar contract niet vernieuwd heeft,"
mompelden zij.
Neen, van die toornige, dreigende schare kan de Majoorske geen hulp
verwachten. Weer wijkt zij naar de deur terug en heft de gevouwen
handen tot voor haar gezicht. "Je zult verloochend worden zooals je
mij verloochent," roept zij zichzelf toe in haar bittere smart. "Moge
de straatweg je thuis, de wegkant je bed worden!"
Dan legt ze de eene hand op de deurklink en heft de andere omhoog:
"Zie toe, jullie allen, die mij nu afvalt. Zie toe, jullie tijd
komt ook spoedig. Nu zul je verspreid worden, en je plaats zal leeg
staan. Hoe zul je je staande houden, als ik niet meer steun? Jij,
Melchior Sinclaire, met je ijzeren vuist, die je je vrouw laat voelen,
neem je in acht! Predikant van Broby, nu komt je straf? Uggla, pas op
je huis; de armoede komt! Jonge, mooie vrouwen daar, Elisabeth Dohna,
Marianne Sinclaire, Anna Stjärnhök, meen niet, dat ik de eenige ben,
die uit zijn huis verdreven zal worden. Neem je in acht, kavaliers,
nu zal er een storm over 't land varen, nu is jullie tijd voorbij;
waarachtig, hij is voorbij. Ik klaag niet om mijzelf, maar om jullie,
want een storm zal losbarsten over je hoofd, en wie zal staan blijven,
nu ik gevallen ben? Ach, mijn hart bloedt voor die arme, ellendige
menschen. Wie zal ze werk geven, als ik weg ben!"
De Majoorske doet de deur open; maar nu heft kapitein Kristiaan het
hoofd en zegt:
"Hoe lang moet ik aan je voeten leggen, Margaretha Celsing? Wil je
mij niet vergeven, zoodat ik op kan staan en voor je strijden?"
De Majoorske strijdt een harden strijd met zichzelf; maar ze ziet,
dat, als zij hem vergiffenis schenkt, hij opstaan zal en haar man
aanvallen. En die mensch, die haar veertig jaar zoo trouw heeft
liefgehad, zal een moordenaar worden.
"Moet ik nu ook nog vergeven?" zegt zij. "Heb je niet schuld aan al
mijn ongeluk, Kristiaan Bergh? Ga naar de kavaliers terug, en verheug
je over je werk."
Toen ging de Majoorske. Ze ging rustig heen, maar liet ontzetting
achter. Ze viel; maar zelfs in haar vernedering was ze groot. Ze
gaf zich niet over aan weekhartig treuren, maar jubelde nog in haar
ouderdom over de liefde van haar jeugd. Ze klaagde en jammerde niet
erbarmelijk, toen ze alles begreep. Ze deinsde er niet voor terug,
met bedelstaf en zak door het land te gaan. Ze had alleen medelijden
met de arme boeren en de vroolijke, zorgelooze menschen aan de oevers
van het meer, met de arme kavaliers, met allen, die ze gesteund
en beschermd had. Door allen werd zij verlaten, en toch had zij de
kracht haar laatsten vriend van zich te stooten, om hem niet tot een
moordenaar te maken.
Een merkwaardige vrouw was ze, groot van kracht en werklust. Haars
gelijke zullen wij niet zoo gauw weer ontmoeten.
Den volgenden dag verliet de Majoor Ekeby, en verhuisde naar Sjö,
dat dicht bij de groote ijzergroeven ligt. In Altringer's testament,
waarin de zeven bergwerken aan den Majoor vermaakt waren, stond
duidelijk, dat géen daarvan verkocht of weggegeven mocht worden,
maar dat zij na den dood van den Majoor het erfdeel van zijn vrouw
of haar erfgenamen zouden zijn. Hij kon dus dat gehate erfstuk niet
kwijt worden; maar hij stelde de kavaliers als heerschers daarover
aan, overtuigd, dat hij daardoor Ekeby en de zes andere bergwerken
de grootst mogelijke schade deed.
Daar nu niemand in het land er aan twijfelde, dat de booze Sintram de
handlanger van den duivel was, en omdat alles, wat hij hun beloofd
had, zoo schitterend was uitgekomen, waren de kavaliers overtuigd,
dat het contract tot op de laatste letter zou gelden, en zij namen
zich vast voor, zich het heele jaar als ware kavaliers te gedragen,
d. w. z. "niets verstandigs, nuttigs of oudewijfachtigs uit te voeren;"
en ze waren er nu zeker van, dat de Majoorske een booze heks was,
die hen in het verderf had willen storten.
De oude Eberhard, de philosoof, stak hierom den gek met hen; maar wie
gaf er nu iets om wat hij zei? Hij was zóó verhard, dat hij, al lag
hij ook in helsche vlammen, terwijl al de duivels er bij stonden en
tegen hem grijnsden, toch beweerd zou hebben, dat ze niet bestonden,
omdat ze niet kònden bestaan, want Eberhard was een groot philosoof.
Gösta Berling zei tegen niemand wat hij dacht. Maar dit is zeker,
dat hij niet meende der Majoorske dank verschuldigd te zijn, omdat
zij hem tot kavalier op Ekeby gemaakt had. Hij vond, dat 't beter
voor hem geweest was dood te zijn, dan te leven met de bewustheid,
schuld te hebben aan Ebba Dohna's zelfmoord. Hij verhief zijn hand
niet om zich op de Majoorske te wreken, maar ook niet om haar te
helpen. Dat kon hij niet.
Maar de kavaliers waren tot groote macht en heerlijkheid gekomen. De
Kerstweek stond voor de deur met haar feesten en genoegens. Hun
harten waren vol vreugd--en wat smart ook Gösta Berling drukken mocht,
hij spreidde die niet op 't gelaat of op de lippen ten toon.