AANTEEKENINGEN

[1] Een korte beschrijving van dit document.

[2] Vgl. Dr. H. C. Rogge, "De eerste Nederlandsche

Handelsonderneming op Oost-Indië en Corn. de Houtman" in Tijdschrift

v. h. Kon. Ned. Aardrijksk. Genootschap, 2e Ser., dl. XII, blz. 399 vv.

[3] Jan Huyghen van Linschoten, Itinerarium ofte voyage ende schipvaert

naer Oost ofte Portugaels Indien, Amsterdam, 1595-1596.

[4] Prof. Fruin noemt in zijn Tien jaren uit den tachtigjarigen

oorlog, 's-Gravenh. 1889, blz. 221 Malakka de uiterste factory,

die de Portugeezen bezaten en zegt, "dat zij wel handel dreven op de

Soenda-eilanden en Molukken, maar er zich niet hadden gevestigd". Ik

vermeen dit te mogen betwijfelen. In 1516 was reeds een jonk der

Portugeezen naar China gezeild, wat had geleid tot eene voorloopige

vestiging op de Chineesche kust, die wel is waar later weer moest

opgeheven worden, maar toch gelukte het den Portugeezen na vele

inspanningen door list en geweld in 1557 verlof te krijgen van het

Chineesche Gouvernement om op een schiereiland aan den mond van de

rivier van Canton een stad, Macao, te vestigen. Zie Danvers, The

Portuguese in India, London 1894, vol. I, pag. 337, f., 486, f.

Op de Molukken, voornamelijk op Ternate, waren de Portugeezen

gevestigd sinds 1521. In 1572 werden zij echter verplicht hun

sterkte Gamoe-Lamme opTernate over te geven, waarna zij naar Tidore

overstaken en zich aldaar vestigden in een sterkte Maboppo. Ook op

Ambon bezaten de Portugeezen eene sterkte. Zie De Jonge, De opkomst van

het Nederl. gezag in Oost-Indië, dl. II, blz. 176, 179, 181. Danvers,

a. w., pag. 350, 550, f., vol. II, pag. 11 f., 63 f.

Verder blijkt het duidelijk uit een brief van Wijbrandt van Warwyck,

20 Jan. 1600, afgedrukt bij De Jonge, a. w., dl. II, blz. 377. "Op

Tydore hebben deze Portugeesen een kasteel, van gelijcken de suytzijden

van Ambona".

[5] F. Blumentritt, "Versuch einer Ethnographie der Philippinen"

in Petermann's Mittheilungen, Ergänzungsband XV, 1882, S. 59, f.

[6] P. A. Tiele, "De Europeërs in den Maleischen archipel" in de

Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde, 4e Reeks, dl. V,

blz. 189. Voor den handel van Manila in het midden der 17e eeuw zie

men Thevenot, Relation de divers voyages curieux, Paris, 1664.

[7] "Om den alleenhandel van Batavia te bekomen", schreef Coen

aan bewindhebbers 20 Juni 1628, "moeten wij niet alleen den handel

op Manila, Macao, Cochinchina en gansch Indië beletten, maar hem

daarenboven langs de geheele kust van China zoozeer kwellen en

incommodeeren als doenlijk is". Medegedeeld door Tiele, Bijdragen 1887,

5e R., dl. II, blz. 295. Uit de missieven van Goeverneur-Generaal en

Raden aan bewindhebbers van 20 Juni 1623 (Rijks-Archief) sprak dezelfde

geest. Kenschetsend zijn bijvoorbeeld hierin de volgende woorden:

"Met vriendschap is niet alleen geen handel te vercrygen (met de

Chineezen), maar 't is onmogelijk gehoor te bekomen ende alsoo 20

jaer tervergeeffs vrientelijck daer naer getracht hebben, dunckt ons

om verscheiden redenen meer dan tijd te wezen, dat geen meer tijdt

verliesen, maer ondersoecken, wat met herdicheit verwachten connen. De

Chinesche schepen [sullen] de handel op Manilla om 't verlies van

goederen niet naarlaten, maar soo haer van daer willen houden, dat al

't volck 't welck becomen, gevangen gehouden off doden moeten".

[8] Oud-Nieuw Oost-Indiën, Amsterdam, 1726.

[9] Mr. L. C. D. van Dijk, "Neerland's vroegste betrekkingen met

Borneo, den Solo-archipel, Cambodja, Siam en Cochin-China, Amsterdam,

1862.

[10] F. Blumentritt, Holländische Angriffe auf die

Philippinen. Separat-abdruck aus dem Jahresberichte der

Communal-ober-realschule in Leitmeritz.

[11] Zie Blumentritt, Holl. Angriffe, S. 5.

[12] Blumentritt, Holl. Angriffe, meende dat dit twee Hollandsche

matrozen waren.

[13] Dr. Antonio de Morga, Sucesos de las Islas Philipinas, Mexico,

1609. Slechts enkele bibliotheken bezitten dit werk, o. a. het

Britsch museum. Don Joze Rizal Mercado heeft het voltooid en te Parijs

uitgegeven; dezelfde, aan wien eenige jaren later (30 Dec. 1896) te

Manila de doodstraf is voltrokken. Het werk is vertaald door Stanley

onder den titel: "The Philippine islands etc.", Londen 1868.

[14] Zie Blumentritt, Holl. Angriffe, S. 6.

[15] Zie Tiele, Bijdr. 4e R., dl. VI, blz. 160.

[16] In dezen scheepsstrijd had Van Noort 5 dooden en 26 gekwetsten

bekomen en waren slechts 17 Hollanders ongedeerd gebleven.

[17] Tiele, Bijdr., 4e R., dl. VI, spreekt slechts van 50 omgekomen

Spanjaarden, maar Blumentritt, Holl. Angriffe, S. 6, noot 6, wraakt

dit getal.

[18] Zie Blumentritt, Holl. Angriffe, S. 7, en Tiele, Bijdr., 4e R.,

dl. VI, blz. 161.

De Jonge, a. w., blz. 223, noot, meende, dat het schip aan Alcega

ontzeild en in ontredderden toestand voor Ternate was aangekomen. Dit

was echter de Hendrik Frederik, die bij het uitvaren van de straat

van Magelhaens van Van Noort was afgedwaald. Zie Tiele, Bijdr., 4e R.,

dl. VI, blz. 163.

[19] Oppergerechtshof der Philippijnen, tijdens de regeering

van Philips II tevens belast met het opperste beleid in

regeeringszaken. Vgl. Tiele, Bijdr. 4e R., dl. V, blz. 181.

[20] De meening van Tiele, Bijdr., 4e R., dl. VI, blz. 203, als zou

tot het opbreken van het beleg ook meegewerkt hebben het bericht,

dat zich Hollandsche schepen voor Banda bevonden, is onjuist, daar

de schepen van Wolfert Harmensz den 24en Juni 1602 Banda reeds hebben

verlaten. Zie den brief zonder handteekening, te vinden bij De Jonge,

a. w., dl. VI, bl. 534, v.

T. C. Danvers, The Portuguese in India, vol. II, pag. 123, behandelt

de kwestie zeer oppervlakkig en verkeerd, door te zeggen: "He then

appeared before Ternate, but was driven thence by bad weather, and

returned to Amboina."

[21] Zie Tiele, Bijdr. 4e R., dl. VI, blz. 226 en "Uittreksel uit het

dagboek gehouden door H. Jansz. Craen" afgedrukt bij De Jonge a. w.,

dl. III, blz. 186.

[22] Valentijn, a. w., dl. II, blz. 30, en "Accoort van Capitan oock

de hoofden van Hitoe ende den admiraal S. v. d. Hagen", afgedrukt

bij De Jonge a. w., dl. III, blz. 207.

[23] Zie "Uittreksel uit het Dagboek gehouden door H. Jansz. Craen"

afgedrukt bij De Jonge a. w., dl. III, blz. 173. Tiele, Bijdr. 4e R.,

dl. VI, blz. 236.

[24] Deze vrees was ontstaan door een copie van een brief, door

een Holl. admiraal geschreven aan den Sultan van Ternate, om hem te

verzoeken het verdrag met den Sultan van Mindanao te vernieuwen en

dezen vriendschap voor de Hollanders in te boezemen. De Hollandsche

admiraal beloofde met een nieuwe vloot, die hij uit Holland verwachtte,

in de Molukken te komen om de Spanjaarden te verjagen en het gebied

over de zee tot aan China te bevestigen. Een zekere Antonis de

Silva, vroeger tolk der Hollanders op Ambon, gaf deze copie aan

Acuña. Vgl. Tiele, Bijdr. 4e R., dl. VIII, bl. 53 noot.

[25] Ook bij deze gelegenheid vergist Danvers, a. w., blz. 135,

zich waar hij zegt, dat de Spanjaarden na de verovering van Ternate

de Hollanders van Tidore verdreven.

[26] De Jonge, a. w., dl. III, blz. 251.

[27] Zie het geheele contract bij De Jonge, a. w., dl. III, blz. 226.

[28] Over de verrichtingen dezer gezanten heb ik niets naders kunnen

vinden.

[29] Zie "Journael van Matelieff" in Begin en Voortgang der

O. I. Comp., dl. II, 13e stuk, blz. 74.

[30] Zie De Jonge, a. w., dl. III, blz. 269.

[31] Zie De Jonge, a. w., dl. III, blz. 266.

[32] Deze, sinds 1605 reeds als koopman op Banda gevestigd, vond in

die benoeming een erkenning van zijne goede diensten, onder zulke

moeilijke omstandigheden bewezen.

[33] De Jonge, a. w., dl. III, blz. 238.

[34] Tiele, Bijdr., 4e R., dl. VIII, spreekt van 17 jonken; vgl. echter

den brief van H. v. Raey bij De Jonge, a. w., dl. III, blz. 278 en

een brief van P. K. Segers, koopman op de Pauw, uit Patani, 2 Nov.,

1610 (Hs. R. A.)

[35] Zie De Jonge, a. w., dl. III, blz. 278.

[36] De bepalingen omtrent de grootte van den buit loopen nogal

uiteen. Apol. Schotte achter 't journal van Verhoeff, blz. 114-115

spreekt van ettelijke millioenen gouds. Zie hierover Tiele, Bijdr.,

4e R., dl. VIII, noot 4, terwijl ook Blumentritt, Holl. Angriffe,

blz. 13, op grond van Spaansche geschiedschrijvers spreekt van een

gezamenlijk bedrag van 500.000 pesos (ongeveer gelijke waarde hebbende

als een zilveren ducaat = f 2.50).

[37] Later, in 1612, toonden wij evenmin ernstig het Bestand te

willen handhaven; tenminste tijdens de onderhandeling hierover met

den nieuwbenoemden gouverneur van de Molukken, Don Geronimo de Silva,

schijnt het, dat wij getracht hebben hem op te lichten, wat echter

mislukte. Zie Tiele, Bijdr., 5e R., dl. I, blz. 261. Trouwens in de

resolutiën stond vermeld, dat, indien de Spanjaarden zich niet aan

het Bestand stoorden, ook de Nederlanders zich daaraan niet behoefden

te houden. Zie Resolutiën Stat.-Gen., 23 Maart 1611, R.A.

[38] Zie den brief van J. P. Coen aan bewindhebbers van Jan. 1614,

afgedrukt bij Tiele, Opkomst van het Nederlandsch gezag in O.-Indië,

dl. I, blz. 55, vv.

[39] Zie den brief van V. d. Velde van 1 Mei 1614 aan Both, afgedrukt

bij Tiele, Opkomst v. h. Nederl. gezag, dl. I, bl. 17. "Hadde brieven

gedateerd den 28en Meert van den heer Gouverneur Royael uyte Molucques,

die inhouden, de vyand noch nyet en was gecomen, maar voorgenomen

hadde in 't lest van April te comen, meenende onze vlote als dan

zoude verstroyt wezen, hetwelck vuyt eenen overlooper hadde verstaan".

[40] Hierin vergisten zij zich, daar Reynst eerst in Nov. te Bantam

kwam.

[41] In het journaal van Reaal komt de naam aldus voor; in de

resolutiën, op den tocht genomen, wordt hij Kaliwen genoemd, terwijl

de Spanjaarden hem den naam van Duarte gaven en ook Coen den 13en

Dec. 1619 aan den koning van Siau, Duarte Pereira, schreef.

[42] De tolk Maerten Jansz. Vogel was door Reaal, toen hij zich in

't begin van Oct. in La Caldera bevond, naar hen afgezonden.

[43] Zie Journaal van Reael, 20 Juni 1614 tot 11 April 1615, Hs.,

R. A.; Van Dijk, Neerland's vroegste betrekkingen met Borneo, blz. 216,

vv. Resolutiën van Reael en zijne Raden, 20 Juni 1614-11 April 1615,

Hs., R. A.

[44] Zie Bijlage I.

[45] Coen aan bewindhebbers, 22 Oct. 1615, aangehaald bij Van Dijk,

a. w., blz. 217, noot.

[46] Zie verder hieromtrent den brief van Steven v. d. Haghen

aan bewindh., 10 Maart 1616, afgedrukt bij Tiele, Opkomst, dl. I,

blz. 129. Vergelijk ook nog Tiele, Opkomst, dl. I, blz. 22, en Tiele,

Bijdr., 5e R., dl. I, blz. 291.

[47] Proposicion de Don Juan de Silva; zie Bijlage II. Vgl. hierover

Tiele, Opkomst, dl. I, blz. LX, en Tiele, Bijdr., 5e R., dl. III,

blz. 312, noot.

[48] Zie "Correspondencia de Geron. de Silva", blz. 176 vv., 217 vv.,

319 vv., aangehaald door Tiele, Bijdr., 5e R., dl. I, blz. 299.

[49] Dat Juan de Silva op komst was, werd aan de Portugeezen te Malakka

bericht door Gonçalo Rodrigues de Sousa. Zie Bocarro, Decada XIII da

hist. da India, blz. 416 vv., aangehaald door Tiele, Bijdr., 5e R.,

dl. I, blz. 309.

[50] Zie Tiele, Bijdr., 5e R., dl. I, blz. 110, en brief van Steven

v. d. Haghen aan bewindh. v. 10 Maart 1616, afgedrukt bij Tiele,

Opkomst, dl. I, blz. 118.

[51] Danvers, a. w., blz. 177, noemt als sterfjaar verkeerdelijk 1615.

[52] Tiele, Bijdr., 5e R., dl. I, blz. 291 vv.

[53] Zie de in margine gedrukte tegenwerpingen op de "Proposicion de

Don Juan de Silva". Bijlage II.

[54] Brief van V. d. Haghen, afgedrukt bij Tiele, Opkomst, dl. I,

blz. 124.

[55] Zie De Jonge, a. w., dl. IV, blz. 44.

[56] 1 arrobas = c. 11 1/2 KG.

[57] Blumentritt, Holl. Angriffe, blz. 16.

[58] Zie Tiele, Bijdr., 5e R., dl. I, blz. 317.

[59] Deze schepen stonden onder bevel van Lam, die kort geleden,

10 April, Banda geheel had onderworpen. Tiele, Bijdr., dl. I, blz. 316.

[60] Lam aan Reaal, 11 Febr. 1617, Hs., R. A.

[61] Blumentritt, Holl. Angriffe, blz. 18, spreekt van 87 dooden en

100 gewonden.

[62] Lam aan Reaal, 11 Febr. 1617, Hs. R. A., gebruikt door Tiele,

Bijdr., 5e R., dl. I blz. 325.

[63] Resolutiën van Lam's scheepsraad, 23 Sept. 1616-17 Febr. 1617,

Hs. R. A.

[64] Op de N.W.-kust van Luçon.

[65] Oorspronkelijk waren er twee zilverschepen geweest, doch het eene

was vergaan, nadat volk en lading in het andere geborgen waren, aldus

schrijft Lam aan bewindhebbers in een brief van den 11en Oct. 1617,

afgedrukt bij Tiele, Opkomst, dl. I, blz. 172. Tiele, Bijdr., 5e R.,

dl. I, blz. 322, zegt, dat het andere schip, nadat de Hollanders zich

uit de baai hadden verwijderd, van de gelegenheid gebruik maakte om

binnen te vallen.

[66] In geen der beide brieven van Lam, noch in dien van Claes

Maertensz 't Hoofling (vice-admiraal), vond ik iets, wat zou kunnen

wijzen op de bekendheid der Hollanders met het verblijf der Mindanaers.

[67] Het 10e schip, De Walcheren, was, zooals wij gezien hebben,

naar Ternate gezonden.

[68] De zuidermoesson maakte het hun onmogelijk om naar Bantam

te loopen.

[69] Resolutiën genomen bij den Comm. Lam en zijn Raad van 14 April

1617 tot 15 Maart 1618, Hs. R. A. Hiervan is reeds gebruik gemaakt

door Tiele, Bijdr., 5e R., dl. I, blz. 325.

[70] Hoewel mij "Galjas" als eigennaam vreemd voorkomt, meen ik toch

in dezen het voorbeeld van Tiele te moeten volgen.

[71] In Resolutiën van Lam en zijn Raad van 14 April 1617 tot 15

Maart 1618, wordt dit schip genoemd De Hollandsche Leeuw. Ook Van

Dijk, a. w., blz. 229 vv., noemt hetzelfde schip met de beide namen,

terwijl dit ook plaats vindt in de resolutiën genomen door Reaal op

zijn tocht naar Manila. Ik vermoed dat de volle naam van het schip

luidde "De Hollandsche Roode Leeuw."

[72] Zie den brief van Specx aan Coen uit Firando, 12 Oct. 1617,

Hs. R. A. Deze brief wordt genoemd door Tiele, Bijdr., 5e. R., dl. I,

blz. 325, noot.

[73] Hierom had hij reeds bevel gegeven de goederen uit De Roode Leeuw

te lossen, wat, toen dit schip, evenals de Chineesche jonk door den

moesson op 't strand werd geworpen, zeer gelukkig was.

[74] Dit was in den aanvang van het gevecht met een veroverde jonk

komen aanzeilen, maar om deze te behouden heimelijk weggezeild. De

schipper en koopman van de Engel werden bij sententie van 15 Dec. 1617

van hun ambt ontzet. Zie Tiele, Opkomst, dl. I, blz. 180.

[75] Zie den brief van Lam aan bewindh., 10 Juni 1618, Nera, Hs.,

R. A., genoemd door Tiele, Bijdr., 5e R., dl. I, blz. 324, noot 2;

en verder den meermalen aangehaalden brief van Lam aan bewindh.,

11 Oct. 1617, afgedrukt bij Tiele, Opkomst, dl. I, blz. 170.

[76] "Factuur van de goederen onder de vlagge v. J. Dz. Lam in de

Manilla's uyt verschillende (10) Chineesche jonken verovert".

't Schip Vlissingen in Japan gelost f 396.036.18.4

't Schip De Roode Leeuw ,, ,, ,, f 345.855.14.8

't Schip De Oude Sonne ,, ,, ,, f 1.521. 8.14

Nieuwe Maen in Molucos aangekomen

Engel en in Malleyo gelost f 164.806. 8

De rest v. d. goederen per schip Nieuw Bantam voor

Yaccatra f 84.453. 7.11

---------------

Samen f 992.674.64.5

Van de Oude Maen vond ik niets vermeld.

Deze Factuur genoemd bij Tiele, Bijdr., 5e R., dl. I, blz. 325, noot.

[77] Zie over het boven behandelde verder Van Dijk, a. w., blz. 224,

vv.

[78] Zie Tiele, Opkomst, dl. I, blz. 180.

[79] Lam aan bewindh., 10 Juni 1618, Nera; in een noot gedeeltelijk

aangehaald door Van Dijk, a. w., blz. 235.

[80] Zie Van Dijk, a. w., blz. 234; brief van Coen aan Lam van 30

Dec. 1617, aangehaald bij Tiele, Bijdr., 5e R. dl. II, blz. 224. Tiele

ziet hier de veranderde meening van Coen over het hoofd.

[81] Coen schrijft: Portugeezen, maar dit zal wel eene vergissing zijn

(Coen aan bewindh., 22 Jan. 1620, Hs., R. A.)

[82] Brief van Coen aan bewindh., 22 Jan. 1620. Zie verder den brief

van de XVII aan Coen, 1 Mei, 1619, aangehaald door Van Dijk, a. w.,

blz. 234, noot.

[83] Zie brief van Lam aan den Koning van Mindanao, afgedrukt bij

Van Dijk, a. w., blz. 236.

[84] Barth. Spilbergen was opperkoopman op Batjan geweest, had daarna

Westerwolt op zijn kruistocht voor Manila met raad en daad terzijde

gestaan en was na zijn terugkomst door Coen den 28en Febr. tot

opperbevelhebber van dien tocht benoemd.

[85] In Hollandsche berichten wordt slechts van twee schepen

gesproken. Coen aan bewindh., 6 Mei, 1621, aangehaald bij Tiele,

Bijdr., 5e R., dl. II, blz. 286. Blumentritt, Holl. Angriffe, blz. 21,

noemt het getal drie.

[86] Coen aan bewindh., 6 Mei, 1621, aangehaald door Tiele, Bijdr.,

5e R., dl. II, blz. 286.

[87] Zie Van Dijk, a. w., blz. 237, vv.; Blumentritt, Holl. Angriffe,

blz. 21; meermalen aangehaalden brief van Coen aan bewindh., 6 Mei,

1621, aangehaald bij Tiele, Bijdr., 5e R., dl. II, blz. 285.

[88] Brief van Coen aan Lam, 29 Oct. 1618, aangehaald bij Van Dijk,

a. w., blz. 234.

[89] Brief van Coen aan Reaal, 24 Oct. 1618, aangehaald bij Van Dijk,

a. w., blz. 234.

[90] Zie hierover De Jonge, a. w., dl. IV, blz. XXXV vv.; Tiele,

5e R., dl. II, blz. 216 vv. en P. A. Leupe "W. Jansz van Amsterdam"

in Bijdragen tot de Taal- Land- en Volkenkunde van Ned. Indië, 3e R.,

dl. VII, 1872.

[91] Coen aan bewindh., 31 Juli 1620, Hs., R. A.; "Instructie voor de

schepen Elisabeth, Bull, Haerlem en Hoope", afgedrukt (maar vertaald)

bij Nachod, Die Beziehungen der Niederländischen Kompagnie zu Japan,

1897, Beilage 19. De Elisabeth en De Haerlem moesten direct doorzeilen

naar de kust van China; de Bull en De Hoope naar Macao, om zich daarna

bij de twee vorige schepen te voegen.

[92] "In vougen, dat minder meerder commanderen sal, welck niet wel

en past", schrijft Coen hierover aan bewindh., 31 Juli, 1620. (Leupe

in Bijdr. tot de Taal-, Land- en Volkenkunde, 3e R., dl. VII, 1872,

blz. 317.)

[93] Zie de instructie van Rob. Adams, W. Jansz en den raad van 10

schepen, 13 Juni 1620, afgedrukt bij Nachod, a. w., Beilage 20.

[94] Zie bovengenoemde instructie.

[95] Particuliere instructie aan W. Jansz., afgedrukt bij Leupe,

Bijdr., 3e R., dl. VII, blz. 317.

[96] Zie de verklaring van Vincent Romeyn (van Lieswyck bij

Blanckenburch), aangehaald bij Van Dijk, blz. 239, noot; Coen (brief

aan bewindh., 6 Mei, 1621, Hs., R.A.) noemt het zelfde getal schepen,

maar in andere verhouding: "4 groote schepen, 4 cleine en 4 galeien".

[97] Fajardo was zelf met 3 groote schepen, 3 jachten en 2 galeien

in zee geweest om op de onzen te kruisen, maar had het blijkbaar

verstandiger gevonden, zich terug te trekken. Zie Coen aan bewindh.,

6 Mei 1621, Hs., R.A. Gebruikt door Tiele, Bijdr., 5e R., dl. II,

blz. 286.

[98] Zie den brief van Jacques Le Febvre (gezagvoerder op de Trouwe)

aan bewindh., 14 Oct. 1621, (Hs. R. A.) Coen was waarschijnlijk

verkeerd ingelicht, toen hij aan bewindhebbers schreef: "De Spaansche

schepen, die voor Cavite lagen, durfden niet uitkomen"; Coen aan

bewindh., 20 Dec., 1621, Hs., R. A.

[99] Brief van Coen aan Bewindh., 20 Dec., 1620, gedeeltelijk afgedrukt

in een noot bij Van Dijk, a. w., blz. 239. Zie verder Tiele, Bijdr., 5e

R., dl. VI, blz. 250 en 258; Leupe, Bijdr., 2e R., dl. VII, blz. 320.

[100] Brief van Coen aan W. Jansz., 10 Maart 1622, Hs., R. A.

[101] "Instructie voor den Ed. Commandeur Cornelis Reyersen en de

Raedt van de vloote nae de cust van Chyna varende", afgedrukt bij

W. P. Groeneveld, "De Nederlanders in China" in Bijdragen tot de Taal-,

Land- en Volkenkunde, 6e R., dl. IV, blz. 323.

[102] Dat we hierin goed slaagden, kunnen we in een brief van Coen aan

bewindhebbers lezen, waarin hij zegt, dat de Engelschen den handel

op de Molukken, Ambon en Banda hadden moeten staken en hem hadden

verzocht, hun volk en goederen op de Hollandsche schepen te mogen

overbrengen. Vgl. Tiele, Opkomst, dl. I, blz. LVI.

[103] Instructie aan Fred. de Houtman gaande naar de Molukken, in 't

Kasteel Amboyna, 11 Juni, 1621, afgedrukt bij Van Dijk, a. w. blz. 249,

noot 3.

[104] Brief van Fred. de Houtman aan Coen, 12 Juli, 1621. Reeds

gebruikt door Van Dijk, a. w. 249, vv.

[105] Tanda is volgens de meening van Tiele Tandoc op de Oostkust. Zie

Tiele, Opkomst, dl. I, blz. 310.

Op de kaart van Blumentritt in Petermann's Mittheilungen,

Ergänzungsheft LXV, komt op de N. O. kust van Mindanao op 9° NB. een

plaatsje Tandó voor, wat zeer wel het bedoelde Tanda kan zijn.

[106] "Instructie voor Christaen Francxz oppercoopman gaende met

het schip De Hont naer Mindanao" afgedrukt in Tiele, Opkomst, dl. I,

blz. 308 vv. Van deze instructie is reeds gesproken door Van Dijk,

a. w. blz. 250.

[107] Op het R. A. is het althans niet te vinden.

[108] Brief van Houtman aan bewindh., 16 Maart 1622, aangehaald door

Van Dijk, a. w., blz. 250, noot, en Tiele, Opkomst, dl. I, Inleiding,

blz. LXIII.

[109] Het is vreemd, dat kaap Spiritu Sancto alleen genoemd wordt als

de plaats, waar de zilverschepen moesten opgewacht worden, terwijl

toch door Reaal reeds in 1615 was geschreven aan bewindh. dat zij

de embrocadero niet meer zoo precies aandeden. Zie Bijlage I. Tiele

meende, dat de gouverneur der Philippijnen, Fajardo, voor het eerst

een dergelijk bevel had gegeven na de poging van Barth. Spilberghen

in 1620 om de zilverschepen te bemachtigen. Zie Tiele, Bijdr., 5e R.,

dl. II, blz. 286.

[110] Tiele, Bijdr., 5e R., dl. II, blz. 288; Van Dijk, a. w.,

blz. 251; Gouv.-generaal en raden aan bewindh., 1623; Coen aan

bewindh., 6 Sept. 1622 en Coen aan bewindh., 20 Juni 1623, Hs. R. A.

[111] Brief van gouv.-generaal en raden aan XVIIen, 27 Jan. 1625,

afgedrukt bij Van Dijk, a. w., blz. 252.

[112] Brief van gouv.-generaal en raden aan XVIIen, 27 Jan. 1625,

afgedrukt bij Van Dijk, a. w., blz. 252.

[113] Ik schrijf Tandó; in het oorspronkelijk staat Tandau; eveneens

staat in het oorspronkelijk 't eylant Cauwel. In Heeres, Opkomst,

dl. II, blz. 7, noot 1, wordt gesproken van Tandag bezuiden Pto

Cauit. Vgl. boven, blz. 63, noot 1.

[114] Brief van Jacques Le Febvre aan gouv.-generaal Pieter de

Carpentier, 18 Aug. 1624, afgedrukt bij Heeres, Opkomst, dl. II,

blz. 6, vv. Ik schrijf Liangan op voorbeeld van Heeres. In den brief

staat Ligou.

[115] Brief van J. Le Febvre aan gouv.-generaal Pieter de Carpentier,

15 Aug. 1625, afgedrukt bij Heeres, a. w., blz. 47.

[116] Coen deed in 1621 op zijn tocht naar Banda eerst Ambon aan,

waar hij 14 Febr. aankwam en dat hij 23 Febr., na er alles in orde

bevonden te hebben, wederom verliet. Brief van Coen en raden aan

bewindh., 6 Mei 1621, afgedrukt bij Tiele, Opkomst, dl. I, blz. 272.

[117] Brief van Coen en raden aan bewindh., 16 Nov. 1621, Hs., R. A.,

gedeeltelijk afgedrukt bij Tiele, Opkomst, dl. I, blz. 289. Merkwaardig

is deze brief zeker. In de instructie van 13 Juni 1620 wordt bevel

gegeven slechts vijandig op te treden tegen de Chineezen, die op

Manila varen, en in dezen brief van Februari 1621 zien wij, dat zijn

later uitgevoerde plannen omtrent China reeds een vasten vorm hebben

aangenomen; hierin toch spreekt hij van alle Chineesche joncken aan

te tasten.

[118] Resolutie van den raad van defensie, 30 Juni 1621, Hs., R. A.

[119] Vgl. Oskar Nachod, Die Beziehungen der Niederländischen

Ostindischen Kompagnie in Japan, Leipzig, 1897, blz. 175. Dezen

schrijver schijnt slechts één tocht van de defensievloot bekend te

zijn. Na de instructie, opgemaakt voor den eersten tocht, genoemd te

hebben, geeft hij als resultaat gezegde som, die het aandeel van den

buit uitmaakte behaald in den tweeden tocht.

[120] Coen aan J. Z. Dayman op Solor, 5 Jan. 1623, Hs., R. A.

[121] Coen aan bewindh., 20 Dec. 1621, Hs., R. A.; brief van Specx

van 20 Sept. 1621, afgedrukt bij Valentijn, a. w., blz. 28, vv.

[122] Coen aan bewindh., 20 Dec. 1621, Hs., R. A.

[123] J. le Febvre aan den gouv.-generaal P. de Carpentier, 27

Oct. 1623, afgedrukt bij Heeres, a. w., dl. II, blz. 2.

[124] Coen aan bewindh., 20 Juni 1623, afgedrukt door Leupe, Bijdr.,

3e R., dl. III, blz. 321.

[125] Coen aan W. Jansz, 3 Mrt. 1622, Hs., R. A. Deze bevelen waren

W. Jansz geworden door middel van het jacht St. Nicolaes, dat 30 Mei

1622 naar Manila was afgevaardigd om ze over te brengen. Men hoopte,

dat dit jacht hem eerder zou bereiken, dan de hem via de Molukken

gezonden bevelen van denzelfden inhoud.

[126] Dit schip behoorde eigenlijk niet tot de vloot van defensie,

maar had deel uitgemaakt van de vloot, die onder Reyersz in April 1622

naar China was gezeild. Het was 3 Aug. met tijding voor W. Jansz naar

Japan gezonden.

[127] Coen aan bewindh., 6 Sept. 1622, Hs., R. A., en "Verclaringe

van Jonas Adriaensen (uitgevaren met Swarte Teunis, gevangen in

de Tidore, gebracht naer Manilias) van eilanden van natividas tot

het eylant van Mindanao". Deze verklaring is aan admiraal l'Hermite

meegegeven om hem inlichtingen over de Philippijnen te verschaffen

(Hs., R. A.). Hierin lezen wij: "De stad Manilla moet meest te water

geproviandeert worden, want met dat Wittert daer lach liep de rijs

de Gantam op 4 enkele realen. Men koopt gemeen 25 Gantam voor 5 ofte

6 realen, dat is zooveel als een hanega; het compt al van 't zelfde

eylandt van Clocas, Cangayan en andere plaetsen".

[128] Coen deelt dit mede in een brief aan bewindh., van 26 Jan. 1622

(Hs., R. A.). Hij put dit uit onderschepte brieven van de Audiencia

aan den koning van Spanje. Dit door de Audiencia ingediende beklag

over Fajardo was blijkbaar niet bekend aan Blumentritt, die in

Holl. Angriffe, blz. 23, zegt: "Fajardo wehrte sich so gut es gieng";

terwijl hij hem even verder noemt "den wackeren".

[129] Coen aan bewindh., 20 Dec. 1621, Hs., R. A.

[130] Coen aan bewindh., 21 Jan. 1622, gebruikt door Tiele, Bijdr.,

5e R., dl. II, blz. 287.

[131] W. P. Groeneveldt, "De Nederlanders in China", Bijdr. tot de

Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned. Indië, 6e R., dl. IV.

[132] Combon, het Chineesche Koen-boen, is een titel, die destijds aan

den gouverneur-generaal gegeven werd; hier bedoelt men echter den te

Hoktsioe (Foetsjou) gevestigden gouverneur der provincie Hokkiën. De

voordeelen, die deze trok uit den handel met Manila, werden door

de Chineesche gezanten op wel 80.000 realen per jaar geschat. Zij

rekenden, dat er door elkander 40 jonken Manila bezochten, die elk

2000 realen tol betaalden. Vgl. Groeneveldt, Bijdr., 6e R., dl. IV.

[133] "Instructie voor den Ed. Commandeur Cornelis Reyersz en de

raad van de vloote naer de cust van China varende," afgedrukt bij

Groeneveldt, Bijdr., blz. 312.

[134] Het buitmaken van Chineesche jonken, die op Manila voeren,

werd niet als een vijandelijkheid tegen de Chineezen beschouwd.

[135] Uit mijn vorig hoofdstuk is reeds gebleken, dat het vermoeden

omtrent de schepen van Jansz. juist was. Van Nieuweroode waren ook

werkelijk drie schepen te ver afgezakt en gedwongen naar Batavia door

te zeilen, terwijl wij gezien hebben, dat Nieuweroode zelf eerst den

7en Dec. naar de Pescadores terugkeerde.

[136] Reyersz was nl. ook met den gouverneur overeengekomen, dat

er 2 jonken met handelswaren naar Batavia zouden gaan, tegelijk met

zich voerende twee gezanten, die direct met onzen gouverneur-generaal

zouden onderhandelen. Dat dit verbod werkelijk zou zijn uitgevaardigd,

acht Groeneveldt, Bijdr., 6e R., dl. IV, blz. 165, zeer wel mogelijk,

maar volgens hem volgt daaruit nog niet, dat de Chineesche autoriteiten

aan onzen eisch van monopolie toegaven, maar alleen, dat zij voorloopig

deze bron der moeilijkheden stoppen wilden.

[137] "Extracten uit de resolutiën van den raad van Reyersz, 11 April

1622-23 Sept. 1623", afgedrukt bij Groeneveldt, in Bijdr., blz. 411

als bijlage VI.

[138] Brief van C. Reyersz aan gouv.-generaal en raden, 26 Sept. 1623,

afgedrukt bij Groeneveldt, Bijdr., blz. 458.

[139] Zie den brief van Reyersz aan totock Chiam Soutchia van 27

Aug. 1623 afgedrukt bij Groeneveldt, Bijdr., blz. 204.

[140] Groeneveldt, Bijdr., blz. 291.

[141] Gouverneur-generaal en raden aan bewindh., 4 Maart 1624,

Hs. R. A.

[142] Brief van den gouv.-generaal en raden aan bewindh., 29 Jan. 1624,

Hs., R. A.

[143] Brief van P. de Carpentier aan bewindh., Jan. 1625, Hs., R. A.

[144] Gouv.-generaal en raden aan bewindh., 4 Maart 1624, en Corn. van

Nieuweroode te Firando aan P. de Carpentier, 3 Dec. 1624 (Hs.,

R. A.) De laatste spreekt van 8 groote galjoenen en eenige mindere

schepen, 6 groote galeien en eenige fregatten.

[145] Dagregister van het Kasteel van Batavia, 27 Jan. 1624,

uitgeg. door Mr. J. E. Heeres.

[146] Het bericht bij Blumentritt, Holländische Angriffe, blz. 23, dat

de pogingen der Jezuïeten om de Spaansche heerschappij over het eiland

Mindanao uit te strekken door Hollandsche schepen werd verhinderd,

kan ik niet toelichten, daar hierover niets door mij gevonden werd.

[147] Brief van Le Febvre aan P. de Carpentier, 18 Aug. 1624, bij

Heeres, Opkomst, dl. II, blz. 6.

[148] Brief van gouv.-generaal en raden aan bewindh., 3 Jan. 1624,

bij Tiele, Opkomst, dl. I, blz. 355, vv. Brief van J. Le Febvre aan

gouv.-generaal De Carpentier, 18 Aug. 1624, bij Heeres, Opkomst,

dl. II, blz. 6.

[149] Nachod a. w., S. 187. Ofschoon Nachod den brief van Nieuweroode

aanhaalt, zegt hij verkeerdelijk, dat de ambassade in 1624 plaats

had. In den brief van den gouv.-generaal en raden aan bewindh. van

4 Maart 1624, (Hs., R. A.) wordt gezegd, dat het schip, waarmee de

gezanten naar Manila vertrokken, in Sadsinna was gemaakt, terwijl

Nieuweroode, uit wiens brief gouv.-generaal en raden putten,

uitdrukkelijk meldt, dat het uit Amerika kwam en Manila niet eerst

had aangedaan, waardoor "al 't volc, uit Nova-Spanje gecomen" zich

er nog op bevond.

[150] Zie meermalen aangehaalden Brief van J. Le Febvre aan P. de

Carpentier, 27 Oct. 1623, bij Heeres, Opkomst, dl. II, blz. 2.

[151] In een brief van Corn. v. Nieuweroode te Firando aan P. de

Carpentier van 8 Dec. 1624, (Hs., R. A.,) lezen we, dat naar men meent,

Fajardo door vergif is gestorven en Geronimo de Silva zich met geweld

van de regeering heeft meester gemaakt, maar zeer gehaat is.

[152] Brief van J. Le Febvre aan den gouv.-generaal P. de Carpentier,

18 Aug. 1624, bij Heeres, Opkomst, dl. II, blz. 8. Hieromtrent vermeldt

Blumentritt, Holländische Angriffe niets. De tocht van de Spanjaarden

naar Sangy heb ik achterwege gelaten, daar deze van Tidore uit heeft

plaats gehad.

[153] Brief van Carpentier aan bewindh., Jan. 1625, Hs., R. A.

[154] "Instructie voor P. Muyser en zijn vloot, gaende naer de

Manilha's" en Brief van P. de Carpentier aan bewindh., Jan. 1625,

Hs., R. A. Weliswaar had het in de bedoeling van de staten-generaal

gelegen, dat de Nassausche vloot zich meester zou maken van Manila,

maar omdat een te geringe macht van Batavia uit aan deze vloot kon te

hulp gezonden worden, gaf Carpentier reeds den 11en Juli in een brief

aan l'Hermite, meegegeven aan Sonck, zijn twijfel aan het bereiken

van dit doel te kennen. Dezelfde twijfel werd ook uitgedrukt in de

instructie van Sonck. Wel hadden de Japanners in Manila ons aangeboden

te helpen, maar dit aanbod was niet te vertrouwen, daar allen die daar

woonden katholiek waren. Zie "Instructie voor den E. Martinus Sonck",

afgedrukt bij Groeneveldt, Bijdr., blz. 554.

[155] In de resolutiën wordt gesproken van drie Chineesche jonken,

maar van vier in het "Cort verhael van de voyagie gedaen met 't jacht

Victoria naer de kust van Manilla in 't afwesen van de vloot". Hs.,

R. A.

[156] Zie Bijlage III, waarin dit gedeelte van de kust uitvoerig

wordt beschreven.

[157] Brief van P. Muyser aan Sonck, 22 Mei 1625 (Hs. R. A.). De

in dezen brief voorkomende inhoudsopgave geeft ons een eigenaardige

bijdrage tot de kennis van de waren, waarin de Chineezen handelden. Er

bevond zich in de jonk een kastje met 16 bos gouddraad, een kastje met

kamfer, twee met waaiers en een met tabak. Verder wat grof porcelein,

kammen, lint, schoenen, timmermansgereedschappen, blauw, groen en

geel gedamasceerd papier en poppengoed.

[158] Op De Haen bevonden zich ook, om verantwoording te doen bij

Sonck over het te vroeg verlaten van De Victoria, de schipper van

het jacht, Keyser, Michel Golliaert en stuurman Frans Bisschop. Zie

brief van Muyser aan Sonck, 22 Mei 1626 (Hs. R. A.).

[159] Dit jacht, groot 50 à 60 lasten, had aan den gouverneur van

Malakka 3000 dukaten gekost en maakte pas zijn eerste reis. Brief

van Muyser aan Sonck, 24 Juni 1626 (Hs., R. A.).

[160] Gheen Huigen Schapenham, admiraal van de Nassausche vloot, aan

den gouverneur-generaal Pieter de Carpentier uit Ambon, April 1625,

bij Heeres, Opkomst, dl. II, blz. 34, vlg.

[161] In de instructie van den admiraal l'Hermite, (Hs., R. A.) staat

hierover slechts: "Aldaer (omtrent Bolinao en eilanden van Frailes)

te wachten, wat ordre de goeverneur-generael van Indië soude mogen

gegeven hebben, om volgens zijn raad ende advisen, den meesten dienst

aan het land ende aan de O. I. Comp., ende afbreuck aan de Portugesen

en Spanjaarden te doen".

[162] Eenige Chineezen, die De Wit, den opvolger van Sonck,

gezegd hadden, dat Geronimo de Silva was onthoofd, waren dus niet

goed ingelicht. Zie brief van De Wit aan Carpentier, 29 Oct. 1625,

(Hs. R. A.). Het was mij niet mogelijk steeds aan te geven, waaruit ik

de gegevens putte, daar hetzelfde meermalen in verschillende brieven

voorkomt Voor dit mijn laatste hoofdstuk gebruikte ik nog, behalve

het reeds opgegevene: Brief van Sonck aan Carpentier, 12 Dec. 1624;

Brief van Carpentier aan bewindh., 3 Febr. 1626; Carpentier aan Sonck,

13 Mei 1625; Resolutiën bij den E. Commandeur Pieter Muyser en Raad van

de schepen en jachten genomen, gaende van Tayoyan naer de Manilha's, 27

Jan. 1625 tot 20 Mei 1625 en 20 Mei tot 6 Juli; Reus, gezagvoerder van

de Oranje, aan Sonck, 24 Mei 1625; Sonck aan Carpentier, 31 Maart 1625;

Pieter Muyser aan Carpentier, 23 Mei 1625; Carpentier aan l'Hermite,

11 Juni 1624. Alle in Hs. berustende op het Rijks-Archief.

[163] "Er staat een zeer hooge zee". Goed modern Spaansch zou zijn:

"haz muchos grande mar".

[164] De rest van het journaal, als niet direct op mijn onderwerp

betrekking hebbende, is door mij achterwege gelaten.

De Nederlanders in de Philippijnsche Wateren vóór 1626 · 第 29 / 29 题