HOOFDSTUK XI.

Wij hebben gezien, dat de Nederlanders alle pogingen in het werk

stelden om den winstgevenden Chineeschen handel aan de Spanjaarden

te onttrekken. In dezen zelfden tijd werd tegen de Spanjaarden in de

Molukken slechts zeer weinig, zoo goed als niets ondernomen. Reeds is

er door mij op gewezen, dat Lam door J. P. Coen werd teruggeroepen,

daar hij de bevelen omtrent het slechten der forten niet had

uitgevoerd, terwijl ook het feit, dat hij de Ternatanen hulp had

verleend tegen de Tidoreezen en Spanjaarden, Coen's misnoegen had

verwekt. De Houtman werd als zijn opvolger aangewezen. Maar ook deze

vond, evenals de meeste ambtenaren in de Molukken, de hem in zijn

instructie meegegeven bevelen verkeerd. Ontnamen wij den Ternatanen

de hen beschermende forten, dan zouden zij zich vereenigen met de

Tidoreezen en de Spanjaarden en zeker onze ergste vijanden worden,

meenden De Houtman en zijn raden. Coen was het echter niet met hem

eens en dus werd De Houtman eveneens teruggeroepen en in Maart 1623

vervangen door Jacques le Febvre. Wij zien, Coen hield hardnekkig

vast aan zijn eens genomen besluit en zijn opvolger Pieter de

Carpentier drukte nauwkeurig zijn voetstappen. De gelden, die de

Compagnie jaarlijks moest uitgeven voor de Molukken, waren niet

evenredig met de voordeelen. De kosten moesten verminderd worden

en dus--enkele forten gesloopt! Hadden wij dan al onze krachten op

de kust van China en tegen de Philippijnen verspild? Waren wij niet

bij machte de Spanjaarden uit de Molukken te verdrijven, zooals De

Houtman dit wilde? Was dit geschied, zou men dan niet op betere wijze

tot vermindering van uitgaven zijn gekomen? Volgens Coen, niet. Hij

wantrouwde de Ternatanen, ook dan wanneer zij schenen onze vriendschap

te zoeken. Hij zag wel in, dat zij zeer gaarne hun gewesten hadden

bevrijd van vreemdelingen, die hen dwongen hunne producten voor minder

dan de helft van de waarde af te staan, terwijl dat mindere dan nog

werd betaald in rijst en kleederen van twijfelachtige qualiteit. Dat nu

deze Ternatanen ook aandrongen op de verdrijving van de Spanjaarden,

zou Coen reeds huiverig gemaakt hebben aan hun verlangen te voldoen,

maar er was meer. Hij begreep, dat ze door de nabijheid der Spanjaarden

ook beter in bedwang werden gehouden, daar zij onzen steun niet konden

missen, zoolang de Spanjaarden hen bedreigden. Bovendien zouden wij

ons nog op andere wijze benadeelen door het nemen der Spaansche

forten. Men liep dan toch gevaar, dat de Engelschen, volgens het

ons bekende in 1619 gesloten accoord, aanspraak zouden maken op het

medebezit van het veroverde. Dit waren dus de eigenlijke redenen,

waarom de Nederlanders zoo weinig in de Molukken tegen hunne vijanden

uitrichtten. Ofschoon de macht der O.-I. Compagnie in de Molukken in

deze jaren zeer gering was,--Le Febvre schreef in 1624 dat hij slechts

één jacht, dat lek was, tot zijn beschikking had [147],--ondernamen de

Spanjaarden toch niets tegen ons. Zij waren daartoe niet in staat en

hadden in de Molukken gebrek aan alles. Steeds werden de Tidoreezen

gepaaid met beloften, maar de hulp die opdaagde, was ternauwernood

voldoende om de zaken loopende te houden. De vriendschap der Ternatanen

voor ons nam toe of af, alnaarmate de hulp, die de Spanjaarden uit

Manila ontvingen, klein of groot was. In 1624 werden er zelfs door den

gouverneur-generaal en raden aan de bewindhebbers geruchten meegedeeld

van een vereeniging van de Spanjaarden, Tidoreezen en Ternatanen

tegen ons. Deze geruchten bleken waarheid te bevatten. In Mei 1623

was de nieuwe Spaansche gouverneur der Molukken, Pedro de Heredia,

met een vrij groote macht, twee galeien, drie kleine fregatten en

nog een ander vaartuig, uit Manila gearriveerd, waarvan de genoemde

vereeniging het gevolg was geweest. Bovendien werd de komst van nog

twee galeien in 't vooruitzicht gesteld. Le Febvre zag hier tegen

een harden strijd tegemoet en vroeg dus een versterking van twee à

drie schepen. Ofschoon gouverneur-generaal en raden niet geloofden,

dat het zoo'n vaart zou loopen, stuurden zij toch een flink schip,

De Trouw, met 109 koppen naar de Molukken. Men had in Batavia echter

goed gezien. De Ternatanen konden ter wille van den buit niet nalaten

een klein Portugeesch fregat te nemen, wat natuurlijk den oorlog met

de Spanjaarden weder deed uitbreken. Met de Tidoreezen bleven zij

echter in vrede [148]. In de Molukken was dus voor de Spanjaarden,

tengevolge van de door de Nederlanders gevoerde politiek, de toestand

wel eenigszins verbeterd. Wij hebben, in het vorig hoofdstuk gezien,

dat de handel in Manila zeer was achteruitgegaan, waardoor alles er

zeer duur was geworden en dat ernstige klachten tegen den gouverneur

Fajardo waren ingebracht. Ondanks dien tegenspoed,--misschien was

het, den aard der Spanjaarden in aanmerking genomen, beter gezegd,

tengevolge van dien tegenspoed,--betoonden de Spanjaarden in 1623

en volgende jaren een grootere bedrijvigheid. Naar Japan hadden

zij in 1623 een ambassadeur gezonden met groote geschenken voor

den keizer, om dezen gunstig te stemmen voor een hernieuwing van

de vriendschapsbetrekkingen met Spanje en hem den dood van Philips

III mede te deelen. Dit mislukte echter. De geschenken, waaronder

een gouden servies, een wagen met muildieren enz. werden geweigerd

en de gezant keerde onverrichterzake naar Manila terug met een uit

Nova-Spanje gekomen schip, dat met 300 koppen bemand was [149]. De vrij

aanzienlijke macht, die onder Heredia in de Molukken was aangekomen,

moest niet alleen dienen om de forten op genoemde eilanden te

versterken, maar was tevens bestemd tot vestiging van de Spaansche

macht te Menado op Celebes door het stichten van een fort aldaar,

dat de Spanjaarden, uit Manila naar de Molukken komende, dan eerst

zouden aandoen om volk en levensmiddelen in te nemen. Ook Macao was

op verzoek der Portugeezen in hetzelfde jaar met een afdeeling van

120 soldaten van Manila uit versterkt [150]. Toen in 1624 de gehate

Fajardo was gestorven, werd de ons bekende oud-gouverneur der Molukken

Geronimo de Silva wederom, evenals na den dood van Don Juan de Silva,

tot gouverneur ad interim benoemd [151]. Er waren dit jaar twee schepen

uit Amerika te Manila aangekomen met een groot kapitaal aan zilver

en veel soldaten, en hiervan maakte de nieuwe gouverneur gebruik

om de Molukken te versterken met twee fregatten, uit Otong daarheen

gezonden. Ook was een eskader naar de Molukken onderweg geweest, maar

teruggekeerd, omdat de vlootvoogd en veel volk onderweg gestorven waren

[152]. Op de rivier van Siam werd er zelfs offensief opgetreden door

de Spanjaarden. Het jacht Cleen Zeeland, 16000 realen Japansch zilver

en "twee cassen roode lakenen" inhebbende, werd den 26en Aug. 1624

door hen genomen. De Siameezen maakten op bevel van hun koning,

daartoe door de onzen aangezet, het jacht den Spanjaarden wel is

waar weder afhandig en gaven het ons terug, maar de inhoud was en

bleef zoek [153]. Het laatste wat door Geronimo de Silva tijdens zijn

gouverneurschap tegen de onzen werd ondernomen, was een poging om een

Hollandsche scheepsmacht uit de Philippijnsche wateren te verdrijven.

Reeds den 23en April 1623 was een vloot van elf schepen bemand met

1637 koppen, uitgerust op last van de staten-generaal volgens een

ontwerp van prins Maurits, uit Goeree vertrokken onder bevel van

Jacques l'Hermite, G. H. Schapenham en Jan Willemsz Verschoor. Het

doel van deze vloot was "naar Amerika te zeilen, den vijand daar

zooveel mogelijk afbreuk te doen, te trachten de galjoenen, die

jaarlijks uit Manila te Acapulco binnenvielen, zoo mogelijk te

onderscheppen en daarna naar de Philippijnen over te steken, om de

Chineesche jonken waar te nemen". De resultaten van dezen tocht,

voorzoover zij met ons onderwerp in betrekking staan, zullen wij

eerst later behandelen, om ons nu bezig te houden met de hulp, die de

gouverneur-generaal P. de Carpentier en zijne raden besloten hadden

deze vloot, de Nassausche genoemd, in de Philippijnsche wateren

te doen toekomen. Aan Sonck en zijn raad op Pehou (toen reeds op

Formosa) en den admiraal l'Hermite werd overgelaten te bepalen, wat

met de vereenigde vloten tegen Manila zou worden uitgericht. Sonck

en zijn raad vonden goed zes schepen en drie Chineesche jonken naar

Manila te zenden, onder bevel van Pieter Muyser. Hem was opgedragen

de Nassausche vloot, die in April ongeveer voor Manila verwacht werd,

van victualiën te voorzien en zich met haar te vereenigen. Hij moest

zooveel mogelijk zorgen, dat geen Chineesche jonken, noch Spaansche-

of Portugeesche jachten de Philippijnen bereikten en verder den vijand

zooveel mogelijk afbreuk doen. Sonck achtte het niet geraden "iets

tegen Manilha of het fort Cavite te attenteeren," maar, schreef hij,

"hebben voorgedragen en gerecommandeert eenige vliegende tochten in 't

landt te doen om menigte van volck ter peuplatie van Batavia, Amboyna

en Banda te becomen" [154]. Den 27en Jan. ging Muyser met Het Wapen van

Zeelandt, Noord-Hollandt, Oranje en de jachten De Haen, Victoria en De

Fortuin van Formosa onder zeil. De bemanning bestond uit 432 koppen en

men had voor acht maanden levensmiddelen aan boord. De Fortuin en De

Victoria werden vooruit gezonden om de drie [155] Chineesche jonken

te waarschuwen, dat de Hollandsche schepen zee gekozen hadden. De

Fortuin keerde denzelfden avond nog terug zonder de jonken gezien

te hebben; De Victoria zullen we later eerst weer ontmoeten. De vijf

overige schepen kregen 2 Febr. reeds kaap Bolinao in het gezicht en

den 3en Wittertseiland, waar zij bemerkten, dat de Spanjaarden van hun

komst aan de bewoners van Manila bericht gaven door het branden van

vele vuren. In de baai van Manila aangekomen, stelden de onzen een

onderzoek in naar de macht van den vijand; Oranje en Noord-Hollandt

waagden zich zoo dicht bij de stad en het fort, dat ze het hadden

kunnen beschieten en de menschen zeer goed konden waarnemen. Over

de daar aanwezige scheepsmacht behoefden zij zich voorloopig niet

ongerust te maken. Deze bestond uit een vrij groot schip en vier

galjoenen, die echter alle in zulk een toestand verkeerden, dat ze

niet binnen een maand zouden kunnen uitloopen. Slechts één galei en

één jacht waren in goeden staat. De Hollandsche schepen hielden zich

geruimen tijd bij het eiland Mariavele op, waar ze ook eenige keeren

landden om hout en ballast in te nemen. Den 17en Febr. werden ze

bij een dergelijken landtocht overvallen, wat het verlies van zeven

man tengevolge had. Slechts twee lichamen vonden de onzen terug,

waarvan de vijand de hoofden als zegeteekenen had meegevoerd. De vijf

anderen waren den Spanjaarden blijkbaar levend in handen gevallen

en als gevangenen meegevoerd. Den 18en naar Wittertseiland onder

zeil gegaan, namen zij een Chineesche jonk met hout geladen, waarop

zich slechts zeven Chineezen bevonden. Na nog eenige dagen vergeefs

gekruist te hebben, ontdekten zij den 26en een zeil, wat tot groote

vreugde beiderzijds het jacht Victoria bleek te zijn. Dit schip had de

opdracht volbracht en de jonken gewaarschuwd. Deze hadden echter niet

in zee kunnen komen, naar hun zeggen, wegens den lagen waterstand. Tot

den avond van den volgenden dag wachtte De Victoria te vergeefs op de

Chineesche scheepjes en zeilde toen weg naar de Philippijnen, in de

hoop aldaar de Hollandsche vloot aan te treffen. Hierin was het jacht

niet gelukkig. Bijna een maand kruiste het langs de kust, waagde zich

zelfs tot op vijf mijlen voor de baai van Manila, zonder iets van de

vloot te bemerken, tot eindelijk de lang verwachte Hollandsche zeilen

zich aan den horizont vertoonden, terwijl den volgenden dag, den 27en

Febr. zich ook eindelijk twee van de drie Chineesche jonken bij de

vloot voegden. Zij vertelden zes dagen na het vertrek van De Victoria

te zijn uitgeloopen; één van de drie echter, niet goed bezeild zijnde,

was terug gekeerd en had waarschijnlijk koers gezet naar Tayouan. "De

ware rede zal wel zijn," schrijft Muyser aan Sonck, "dat die derde jonk

is terug gekeerd om een dergelijk scheepje, dat door hen afgeloopen

was, in veiligheid te brengen". Veel voordeel hebben ze niet van de

Chineezen gehad, daar ze steeds van de vloot afdwaalden, zich liever

ophoudende in de nabijheid van de kust, dan in open zee. Na den 3en

Maart verdwenen ze voor goed, waarover Muyser en zijn tochtgenooten

zich echter niet al te zeer bedroefden, omdat ze meer last dan nut

van hen hadden ondervonden. Van veel meer ongerief was het gebrek aan

drinkwater, waardoor zij herhaaldelijk genoodzaakt waren aan land

te gaan, om te zien of ze geen plaats konden ontdekken, waar dit

geschikt te bekomen was. Den 15en was het geluk hen gunstig. Op 16°

15´ vonden zij een baai, door hen betiteld "Muyserbaai", waar niet ver

van het strand, het water uit drie aderen uit den grond te voorschijn

kwam. De qualiteit was "schoon en liefelijck", de quantiteit "soude men

nauwelijks verwenschen" [156]. De inwoners toonden zich zeer vijandig

en moesten door musketschoten op een afstand gehouden worden. Het

land ingaande kwamen zij in een dorp, dat door de bewoners verlaten

was. Er werd daar suikerriet en bananen aangetroffen. Muyser had

streng bevel gegeven niets te beschadigen om te zien of de bewoners

naderhand niet eenigszins gewilliger zouden toestaan, dat er water

gehaald werd. Na hiervan een voldoende hoeveelheid ingenomen te hebben,

kozen ze weder zee en ontdekten den 13en April zeven zeilen, welke

zij dadelijk voor Spaansche herkenden. Toen deze vijandelijke vloot

op hen afkwam, besloten Muyser en zijn raad verder zeewaarts te gaan,

om de Spanjaarden van een aanval te weerhouden. Deze toch bleven liefst

dicht onder de kust, om zich aldus in tijd van nood met een vaartuig,

dat zij daartoe altijd tot hun beschikking hadden, gemakkelijk te

kunnen redden. Zij schenen nu echter hunne beschroomdheid te overwinnen

en trachtten de onzen in te halen, wat hun niet dadelijk gelukte,

ofschoon het jacht De Haen slechts zeer langzaam vorderde. Maar den

volgenden dag waren zij in de nabijheid der Hollanders gekomen en

nu moest men wel tot het gevecht overgaan. Het jacht Victoria, dat

voor den wind gaande zeer slecht bezeild was, zou door de bemanning,

nadat het in brand gestoken was, verlaten worden, indien de galei er

op afkwam. De schipper van dit jacht, een zekere Keyser, behoorde

blijkbaar niet tot de heldhaftigen, daar hij al zeer spoedig bevel

gaf het jacht te verlaten, "vóór het in eenig peryckel was", schrijft

Muyser, en zelf een der eersten was, die zich in de boot bevond,

terwijl hij verzuimd had het aan de vlammen prijs te geven. Overigens

ontvingen de drie Hollandsche schepen--De Fortuin en De Haen zeilden

vooruit, daar zij niets konden uitrichten--de Spanjaarden zoo goed,

dat zij moesten afdeinzen. Bij den tweeden aanval "trommelden (zij)

er met (hun) driën gelijckelijck, principalijck op hunnen admirael

soo op, dat zij genoodsaeckt waren 't aen boort comen voor die tijt

t' excuseeren". De Spaansche admiraalsvlag werd ingenomen en bleef

gedurende twee uur om den stok geslagen, terwijl de galei tusschen

het kleine jacht en het admiraalschip af- en aanvoer. De Hollanders

veronderstelden, dat dit plaats had, omdat de admiraal Geronimo de

Silva gesneuveld was en er een andere moest benoemd worden door

de zich misschien aan boord van het jacht bevindende leden van

de Audiencia. Dit was echter, zooals wij later zullen zien, niet

het geval; maar wat ook de reden geweest zij, de aanval werd niet

hernieuwd, de vijand liet de onzen langzamerhand van zich wegloopen

en keerde zelf landwaarts. Reeds den volgenden dag besloten Muyser en

zijn raad wederom naar de kust te zeilen, maar daar in de instructie

uitdrukkelijk stond zich voor den vijand te wachten, zoolang de

Nassausche vloot niet met hen vereenigd was, werd er bepaald zeven à

acht mijlen van de kust heen en weer te kruisen. Den 17en Mei eerst

mocht het hun gelukken, tenminste eenig resultaat van hun volharding te

verkrijgen. Zij bemachtigden een jonk van Chinchu naar Manila gaande,

waarop zich 219 Chineezen bevonden. De inhoud was van zeer weinig

waarde. "Als gij hier waart geweest", schrijft Muyser aan Sonck,

"zoudt ge de jonk met lading en al in den grond of in brand hebben

gestoken........ als alles op 't strand gelegen had, ick meyne niet

één van ons daarvoor 200 realen van achten had gegeven" [157]. Nadat

alles van waarde er uit genomen was, werd de jonk verbrand, en daar de

gezagvoerder meegedeeld had, dat er met hem nog vijf à zes dergelijke

scheepjes waren uitgevaren, bleef men nog eenige dagen kruisen. Maar

toen men niets meer ontdekte en ten laatste de hoop had opgegeven

de Nassausche vloot nog te zullen aantreffen, besloot men den 22en

Mei dit vaarwater te verlaten. De Noord-Holland werd met de gevangene

Chineezen naar China gezonden om daar te wachten op den noordermoesson

en dan verder naar Batavia door te zeilen. De Haen werd opgedragen

naar Tayoean te gaan [158] terwijl de overige schepen, Het wapen van

Seelandt, Oranje en De Fortuin eerst Macao zouden aandoen en daarna

naar Tayoean koers zetten. Tot nog toe had men niet veel menschenlevens

te betreuren, slechts 26, terwijl er 20 zieken waren. Den 1en Juni

kregen de laatstgenoemde schepen de kust van China in 't gezicht, waar

ze nog eenigen tijd bleven kruisen en het geluk hadden op de hoogte

van Macao twee Portugeesche jachten buit te maken, waarvan er een in

plaats van het verlorene Victoria gedoopt werd [159], het andere,

Tayoean. Den 7en zagen zij tot hun verwondering De Noord-Holland

weder. Dit schip was door tegenwind opgehouden. Den 2en Juli ging het

op nieuw naar Batavia onder zeil en kwam den 23en Nov. 1625 aldaar

behouden aan. De Chineezen hadden het echter hard te verantwoorden

gehad. Van de 219 waren er slechts 46 in leven gebleven en deze werden

nog doodziek aan wal gebracht. Op denzelfden dag dat De Noord-Holland

voor de tweede maal naar Batavia op weg ging, vertrok P. Muyser met

Het wapen van Seelandt en het veroverde jacht Tayoean naar Formosa,

terwijl De Oranje, De Fortuin en De Victoria nog eenigen tijd voor

Macao zouden blijven kruisen. Pieter Muyser kon er zich niet op

beroemen veel tot nut van de Compagnie te hebben uitgericht. Hiervoor

was zijn vloot echter ook niet voldoende uitgerust. Terecht schrijft

De Carpentier dan ook aan bewindhebbers: Het succes had grooter

kunnen zijn, indien 's lands vloot "haar ordre in het aandoen van

Manilla beter hadde naergecomen, gelijck se sonder eenich verlet wel

hadde conne doen". Waarom het dan niet gebeurd is? Hierop is geen

afdoend antwoord te geven. Misschien moet men de oorzaak zoeken

in het ontijdig sterven van den admiraal van de Nassausche vloot,

Jacques l'Hermite. Nog niet halfweg, moest hij reeds den 2en Juni

1624 den tol aan de natuur betalen en werd als admiraal opgevolgd

door Gheen Huigen Schapenham. Deze beschrijft ons zijn tocht in een

brief aan Carpentier [160]. Na den Spanjaarden op de kust van Amerika

eenig nadeel te hebben berokkend, is de vloot naar het eiland Puna

gezeild, van waar zij naar Acapulco vertrok om er den 28en Oct. aan

te komen. Daar bleven zij kruisen tot eind Nov., waarna het besluit

genomen werd naar de Ladrones over te steken, omdat de tijd waarop de

schepen gewoonlijk uit Manila in Acapulco kwamen toch voorbij was. Den

26en Januari 1625 werden de ankers voor de Ladrones uitgeworpen: "en

na ons alhier eenigszins ververscht te hebben," schrijft Schapenham,

"soo is bij mij ende den Raedt geresolveert, dat men de enterprise,

die ons bij de instructie belast wordt, op de chineesche joncken in

de Manilhas in het werck te stellen, soude laten berusten ende ons

cours recht toe naer de Moluccas stellen om dies wille, dat het de

vlote, die als doen maer van drie maenden victualie voorzien was,

onmogelick soude geweest zijn, de comste van de Chineesche joncken

in de maendt van April te verwachten, maer door faulte van vivres

genoodsaekt zijn geweest voor de comste derselver uit de Manilhas te

scheijden". Schapenham wist dus niet, dat de vloot onder Muijser hem

voor Manila zou opwachten met levensmiddelen. Het stond trouwens ook

niet in de instructie [161]. Mij rest nu nog slechts te melden, dat de

admiraal van de Spaansche vloot, Geronimo de Silva, die tegen Muijser

slag had geleverd, niet was gesneuveld, zooals de Hollanders dachten,

maar behouden met de vloot in Manila was teruggekeerd. Zeer tevreden

was men echter niet over zijn beleid. Hij had meende men, wel eenige

schepen kunnen veroveren en werd dientengevolge wegens nalatigheid

gevangen gezet en eerst bevrijd na de aankomst van den nieuwen, uit

Amerika gezonden gouverneur, ad interim, Don Fernando de Silva [162].

En hiermede meen ik tot een tijdstip gekomen te zijn, waarop dit

onderzoek zeer geschikt voorloopig door mij kan gestaakt worden. De

politiek toch der Nederlanders onderging langzamerhand een groote

verandering ten opzichte van de Philippijnen. De Wit schreef in 1625

aan De Carpentier: "Over de door Muijser veroverde beide joncken

en de gevangen gemaakte Chinesen zijn tot nog toe geen klachten uit

China gekomen". Dat men hiervoor reeds bang was geweest bewees wel

de in de instructie van Muijser opgenomen bepaling, dat de buit niet

naar Japan of Formosa, maar naar Batavia gevoerd moest worden. De

Nederlanders koesterden nl. de gegronde vrees, dat de Chineezen

tengevolge van die rooftochten den pas begonnen handel op Formosa

en Batavia weder zouden laten varen. Bovendien werd het voordeel

voor de onzen steeds geringer, omdat de Chineezen meer en meer met

kleine zeer snel bezeilde jonkjes naar de Philippijnen overstaken,

waarmee zij bij stil weer zoo wisten te wrikken en te roeien, dat het

onmogelijk was ze met onze vaartuigen in te halen. Het gevolg was,

dat er vooreerst geen tochten meer werden gedaan om den Chineeschen

den handel op Manila te beletten. De Hollanders begonnen van nu af

het vaarwater van Malakka en Macao meer met hun schepen te bekruisen,

terwijl ook de Spanjaarden hun taktiek veranderden en in 1626 een

bezetting legden op Formosa. Mocht het blijken, dat het mij gelukt is

de verrichtingen der Hollanders tegen de Spanjaarden duidelijker in

het licht te stellen dan door mijn voorgangers is geschied, dan zal

ik stellig mijn onderzoek in dezen, uit liefde voor onze koloniale

geschiedenis, voortzetten en ten einde brengen.

De Nederlanders in de Philippijnsche Wateren vóór 1626 · 第 13 / 29 题