Wij hebben gezien, dat de Nederlanders alle pogingen in het werk
stelden om den winstgevenden Chineeschen handel aan de Spanjaarden
te onttrekken. In dezen zelfden tijd werd tegen de Spanjaarden in de
Molukken slechts zeer weinig, zoo goed als niets ondernomen. Reeds is
er door mij op gewezen, dat Lam door J. P. Coen werd teruggeroepen,
daar hij de bevelen omtrent het slechten der forten niet had
uitgevoerd, terwijl ook het feit, dat hij de Ternatanen hulp had
verleend tegen de Tidoreezen en Spanjaarden, Coen's misnoegen had
verwekt. De Houtman werd als zijn opvolger aangewezen. Maar ook deze
vond, evenals de meeste ambtenaren in de Molukken, de hem in zijn
instructie meegegeven bevelen verkeerd. Ontnamen wij den Ternatanen
de hen beschermende forten, dan zouden zij zich vereenigen met de
Tidoreezen en de Spanjaarden en zeker onze ergste vijanden worden,
meenden De Houtman en zijn raden. Coen was het echter niet met hem
eens en dus werd De Houtman eveneens teruggeroepen en in Maart 1623
vervangen door Jacques le Febvre. Wij zien, Coen hield hardnekkig
vast aan zijn eens genomen besluit en zijn opvolger Pieter de
Carpentier drukte nauwkeurig zijn voetstappen. De gelden, die de
Compagnie jaarlijks moest uitgeven voor de Molukken, waren niet
evenredig met de voordeelen. De kosten moesten verminderd worden
en dus--enkele forten gesloopt! Hadden wij dan al onze krachten op
de kust van China en tegen de Philippijnen verspild? Waren wij niet
bij machte de Spanjaarden uit de Molukken te verdrijven, zooals De
Houtman dit wilde? Was dit geschied, zou men dan niet op betere wijze
tot vermindering van uitgaven zijn gekomen? Volgens Coen, niet. Hij
wantrouwde de Ternatanen, ook dan wanneer zij schenen onze vriendschap
te zoeken. Hij zag wel in, dat zij zeer gaarne hun gewesten hadden
bevrijd van vreemdelingen, die hen dwongen hunne producten voor minder
dan de helft van de waarde af te staan, terwijl dat mindere dan nog
werd betaald in rijst en kleederen van twijfelachtige qualiteit. Dat nu
deze Ternatanen ook aandrongen op de verdrijving van de Spanjaarden,
zou Coen reeds huiverig gemaakt hebben aan hun verlangen te voldoen,
maar er was meer. Hij begreep, dat ze door de nabijheid der Spanjaarden
ook beter in bedwang werden gehouden, daar zij onzen steun niet konden
missen, zoolang de Spanjaarden hen bedreigden. Bovendien zouden wij
ons nog op andere wijze benadeelen door het nemen der Spaansche
forten. Men liep dan toch gevaar, dat de Engelschen, volgens het
ons bekende in 1619 gesloten accoord, aanspraak zouden maken op het
medebezit van het veroverde. Dit waren dus de eigenlijke redenen,
waarom de Nederlanders zoo weinig in de Molukken tegen hunne vijanden
uitrichtten. Ofschoon de macht der O.-I. Compagnie in de Molukken in
deze jaren zeer gering was,--Le Febvre schreef in 1624 dat hij slechts
één jacht, dat lek was, tot zijn beschikking had [147],--ondernamen de
Spanjaarden toch niets tegen ons. Zij waren daartoe niet in staat en
hadden in de Molukken gebrek aan alles. Steeds werden de Tidoreezen
gepaaid met beloften, maar de hulp die opdaagde, was ternauwernood
voldoende om de zaken loopende te houden. De vriendschap der Ternatanen
voor ons nam toe of af, alnaarmate de hulp, die de Spanjaarden uit
Manila ontvingen, klein of groot was. In 1624 werden er zelfs door den
gouverneur-generaal en raden aan de bewindhebbers geruchten meegedeeld
van een vereeniging van de Spanjaarden, Tidoreezen en Ternatanen
tegen ons. Deze geruchten bleken waarheid te bevatten. In Mei 1623
was de nieuwe Spaansche gouverneur der Molukken, Pedro de Heredia,
met een vrij groote macht, twee galeien, drie kleine fregatten en
nog een ander vaartuig, uit Manila gearriveerd, waarvan de genoemde
vereeniging het gevolg was geweest. Bovendien werd de komst van nog
twee galeien in 't vooruitzicht gesteld. Le Febvre zag hier tegen
een harden strijd tegemoet en vroeg dus een versterking van twee à
drie schepen. Ofschoon gouverneur-generaal en raden niet geloofden,
dat het zoo'n vaart zou loopen, stuurden zij toch een flink schip,
De Trouw, met 109 koppen naar de Molukken. Men had in Batavia echter
goed gezien. De Ternatanen konden ter wille van den buit niet nalaten
een klein Portugeesch fregat te nemen, wat natuurlijk den oorlog met
de Spanjaarden weder deed uitbreken. Met de Tidoreezen bleven zij
echter in vrede [148]. In de Molukken was dus voor de Spanjaarden,
tengevolge van de door de Nederlanders gevoerde politiek, de toestand
wel eenigszins verbeterd. Wij hebben, in het vorig hoofdstuk gezien,
dat de handel in Manila zeer was achteruitgegaan, waardoor alles er
zeer duur was geworden en dat ernstige klachten tegen den gouverneur
Fajardo waren ingebracht. Ondanks dien tegenspoed,--misschien was
het, den aard der Spanjaarden in aanmerking genomen, beter gezegd,
tengevolge van dien tegenspoed,--betoonden de Spanjaarden in 1623
en volgende jaren een grootere bedrijvigheid. Naar Japan hadden
zij in 1623 een ambassadeur gezonden met groote geschenken voor
den keizer, om dezen gunstig te stemmen voor een hernieuwing van
de vriendschapsbetrekkingen met Spanje en hem den dood van Philips
III mede te deelen. Dit mislukte echter. De geschenken, waaronder
een gouden servies, een wagen met muildieren enz. werden geweigerd
en de gezant keerde onverrichterzake naar Manila terug met een uit
Nova-Spanje gekomen schip, dat met 300 koppen bemand was [149]. De vrij
aanzienlijke macht, die onder Heredia in de Molukken was aangekomen,
moest niet alleen dienen om de forten op genoemde eilanden te
versterken, maar was tevens bestemd tot vestiging van de Spaansche
macht te Menado op Celebes door het stichten van een fort aldaar,
dat de Spanjaarden, uit Manila naar de Molukken komende, dan eerst
zouden aandoen om volk en levensmiddelen in te nemen. Ook Macao was
op verzoek der Portugeezen in hetzelfde jaar met een afdeeling van
120 soldaten van Manila uit versterkt [150]. Toen in 1624 de gehate
Fajardo was gestorven, werd de ons bekende oud-gouverneur der Molukken
Geronimo de Silva wederom, evenals na den dood van Don Juan de Silva,
tot gouverneur ad interim benoemd [151]. Er waren dit jaar twee schepen
uit Amerika te Manila aangekomen met een groot kapitaal aan zilver
en veel soldaten, en hiervan maakte de nieuwe gouverneur gebruik
om de Molukken te versterken met twee fregatten, uit Otong daarheen
gezonden. Ook was een eskader naar de Molukken onderweg geweest, maar
teruggekeerd, omdat de vlootvoogd en veel volk onderweg gestorven waren
[152]. Op de rivier van Siam werd er zelfs offensief opgetreden door
de Spanjaarden. Het jacht Cleen Zeeland, 16000 realen Japansch zilver
en "twee cassen roode lakenen" inhebbende, werd den 26en Aug. 1624
door hen genomen. De Siameezen maakten op bevel van hun koning,
daartoe door de onzen aangezet, het jacht den Spanjaarden wel is
waar weder afhandig en gaven het ons terug, maar de inhoud was en
bleef zoek [153]. Het laatste wat door Geronimo de Silva tijdens zijn
gouverneurschap tegen de onzen werd ondernomen, was een poging om een
Hollandsche scheepsmacht uit de Philippijnsche wateren te verdrijven.
Reeds den 23en April 1623 was een vloot van elf schepen bemand met
1637 koppen, uitgerust op last van de staten-generaal volgens een
ontwerp van prins Maurits, uit Goeree vertrokken onder bevel van
Jacques l'Hermite, G. H. Schapenham en Jan Willemsz Verschoor. Het
doel van deze vloot was "naar Amerika te zeilen, den vijand daar
zooveel mogelijk afbreuk te doen, te trachten de galjoenen, die
jaarlijks uit Manila te Acapulco binnenvielen, zoo mogelijk te
onderscheppen en daarna naar de Philippijnen over te steken, om de
Chineesche jonken waar te nemen". De resultaten van dezen tocht,
voorzoover zij met ons onderwerp in betrekking staan, zullen wij
eerst later behandelen, om ons nu bezig te houden met de hulp, die de
gouverneur-generaal P. de Carpentier en zijne raden besloten hadden
deze vloot, de Nassausche genoemd, in de Philippijnsche wateren
te doen toekomen. Aan Sonck en zijn raad op Pehou (toen reeds op
Formosa) en den admiraal l'Hermite werd overgelaten te bepalen, wat
met de vereenigde vloten tegen Manila zou worden uitgericht. Sonck
en zijn raad vonden goed zes schepen en drie Chineesche jonken naar
Manila te zenden, onder bevel van Pieter Muyser. Hem was opgedragen
de Nassausche vloot, die in April ongeveer voor Manila verwacht werd,
van victualiën te voorzien en zich met haar te vereenigen. Hij moest
zooveel mogelijk zorgen, dat geen Chineesche jonken, noch Spaansche-
of Portugeesche jachten de Philippijnen bereikten en verder den vijand
zooveel mogelijk afbreuk doen. Sonck achtte het niet geraden "iets
tegen Manilha of het fort Cavite te attenteeren," maar, schreef hij,
"hebben voorgedragen en gerecommandeert eenige vliegende tochten in 't
landt te doen om menigte van volck ter peuplatie van Batavia, Amboyna
en Banda te becomen" [154]. Den 27en Jan. ging Muyser met Het Wapen van
Zeelandt, Noord-Hollandt, Oranje en de jachten De Haen, Victoria en De
Fortuin van Formosa onder zeil. De bemanning bestond uit 432 koppen en
men had voor acht maanden levensmiddelen aan boord. De Fortuin en De
Victoria werden vooruit gezonden om de drie [155] Chineesche jonken
te waarschuwen, dat de Hollandsche schepen zee gekozen hadden. De
Fortuin keerde denzelfden avond nog terug zonder de jonken gezien
te hebben; De Victoria zullen we later eerst weer ontmoeten. De vijf
overige schepen kregen 2 Febr. reeds kaap Bolinao in het gezicht en
den 3en Wittertseiland, waar zij bemerkten, dat de Spanjaarden van hun
komst aan de bewoners van Manila bericht gaven door het branden van
vele vuren. In de baai van Manila aangekomen, stelden de onzen een
onderzoek in naar de macht van den vijand; Oranje en Noord-Hollandt
waagden zich zoo dicht bij de stad en het fort, dat ze het hadden
kunnen beschieten en de menschen zeer goed konden waarnemen. Over
de daar aanwezige scheepsmacht behoefden zij zich voorloopig niet
ongerust te maken. Deze bestond uit een vrij groot schip en vier
galjoenen, die echter alle in zulk een toestand verkeerden, dat ze
niet binnen een maand zouden kunnen uitloopen. Slechts één galei en
één jacht waren in goeden staat. De Hollandsche schepen hielden zich
geruimen tijd bij het eiland Mariavele op, waar ze ook eenige keeren
landden om hout en ballast in te nemen. Den 17en Febr. werden ze
bij een dergelijken landtocht overvallen, wat het verlies van zeven
man tengevolge had. Slechts twee lichamen vonden de onzen terug,
waarvan de vijand de hoofden als zegeteekenen had meegevoerd. De vijf
anderen waren den Spanjaarden blijkbaar levend in handen gevallen
en als gevangenen meegevoerd. Den 18en naar Wittertseiland onder
zeil gegaan, namen zij een Chineesche jonk met hout geladen, waarop
zich slechts zeven Chineezen bevonden. Na nog eenige dagen vergeefs
gekruist te hebben, ontdekten zij den 26en een zeil, wat tot groote
vreugde beiderzijds het jacht Victoria bleek te zijn. Dit schip had de
opdracht volbracht en de jonken gewaarschuwd. Deze hadden echter niet
in zee kunnen komen, naar hun zeggen, wegens den lagen waterstand. Tot
den avond van den volgenden dag wachtte De Victoria te vergeefs op de
Chineesche scheepjes en zeilde toen weg naar de Philippijnen, in de
hoop aldaar de Hollandsche vloot aan te treffen. Hierin was het jacht
niet gelukkig. Bijna een maand kruiste het langs de kust, waagde zich
zelfs tot op vijf mijlen voor de baai van Manila, zonder iets van de
vloot te bemerken, tot eindelijk de lang verwachte Hollandsche zeilen
zich aan den horizont vertoonden, terwijl den volgenden dag, den 27en
Febr. zich ook eindelijk twee van de drie Chineesche jonken bij de
vloot voegden. Zij vertelden zes dagen na het vertrek van De Victoria
te zijn uitgeloopen; één van de drie echter, niet goed bezeild zijnde,
was terug gekeerd en had waarschijnlijk koers gezet naar Tayouan. "De
ware rede zal wel zijn," schrijft Muyser aan Sonck, "dat die derde jonk
is terug gekeerd om een dergelijk scheepje, dat door hen afgeloopen
was, in veiligheid te brengen". Veel voordeel hebben ze niet van de
Chineezen gehad, daar ze steeds van de vloot afdwaalden, zich liever
ophoudende in de nabijheid van de kust, dan in open zee. Na den 3en
Maart verdwenen ze voor goed, waarover Muyser en zijn tochtgenooten
zich echter niet al te zeer bedroefden, omdat ze meer last dan nut
van hen hadden ondervonden. Van veel meer ongerief was het gebrek aan
drinkwater, waardoor zij herhaaldelijk genoodzaakt waren aan land
te gaan, om te zien of ze geen plaats konden ontdekken, waar dit
geschikt te bekomen was. Den 15en was het geluk hen gunstig. Op 16°
15´ vonden zij een baai, door hen betiteld "Muyserbaai", waar niet ver
van het strand, het water uit drie aderen uit den grond te voorschijn
kwam. De qualiteit was "schoon en liefelijck", de quantiteit "soude men
nauwelijks verwenschen" [156]. De inwoners toonden zich zeer vijandig
en moesten door musketschoten op een afstand gehouden worden. Het
land ingaande kwamen zij in een dorp, dat door de bewoners verlaten
was. Er werd daar suikerriet en bananen aangetroffen. Muyser had
streng bevel gegeven niets te beschadigen om te zien of de bewoners
naderhand niet eenigszins gewilliger zouden toestaan, dat er water
gehaald werd. Na hiervan een voldoende hoeveelheid ingenomen te hebben,
kozen ze weder zee en ontdekten den 13en April zeven zeilen, welke
zij dadelijk voor Spaansche herkenden. Toen deze vijandelijke vloot
op hen afkwam, besloten Muyser en zijn raad verder zeewaarts te gaan,
om de Spanjaarden van een aanval te weerhouden. Deze toch bleven liefst
dicht onder de kust, om zich aldus in tijd van nood met een vaartuig,
dat zij daartoe altijd tot hun beschikking hadden, gemakkelijk te
kunnen redden. Zij schenen nu echter hunne beschroomdheid te overwinnen
en trachtten de onzen in te halen, wat hun niet dadelijk gelukte,
ofschoon het jacht De Haen slechts zeer langzaam vorderde. Maar den
volgenden dag waren zij in de nabijheid der Hollanders gekomen en
nu moest men wel tot het gevecht overgaan. Het jacht Victoria, dat
voor den wind gaande zeer slecht bezeild was, zou door de bemanning,
nadat het in brand gestoken was, verlaten worden, indien de galei er
op afkwam. De schipper van dit jacht, een zekere Keyser, behoorde
blijkbaar niet tot de heldhaftigen, daar hij al zeer spoedig bevel
gaf het jacht te verlaten, "vóór het in eenig peryckel was", schrijft
Muyser, en zelf een der eersten was, die zich in de boot bevond,
terwijl hij verzuimd had het aan de vlammen prijs te geven. Overigens
ontvingen de drie Hollandsche schepen--De Fortuin en De Haen zeilden
vooruit, daar zij niets konden uitrichten--de Spanjaarden zoo goed,
dat zij moesten afdeinzen. Bij den tweeden aanval "trommelden (zij)
er met (hun) driën gelijckelijck, principalijck op hunnen admirael
soo op, dat zij genoodsaeckt waren 't aen boort comen voor die tijt
t' excuseeren". De Spaansche admiraalsvlag werd ingenomen en bleef
gedurende twee uur om den stok geslagen, terwijl de galei tusschen
het kleine jacht en het admiraalschip af- en aanvoer. De Hollanders
veronderstelden, dat dit plaats had, omdat de admiraal Geronimo de
Silva gesneuveld was en er een andere moest benoemd worden door
de zich misschien aan boord van het jacht bevindende leden van
de Audiencia. Dit was echter, zooals wij later zullen zien, niet
het geval; maar wat ook de reden geweest zij, de aanval werd niet
hernieuwd, de vijand liet de onzen langzamerhand van zich wegloopen
en keerde zelf landwaarts. Reeds den volgenden dag besloten Muyser en
zijn raad wederom naar de kust te zeilen, maar daar in de instructie
uitdrukkelijk stond zich voor den vijand te wachten, zoolang de
Nassausche vloot niet met hen vereenigd was, werd er bepaald zeven à
acht mijlen van de kust heen en weer te kruisen. Den 17en Mei eerst
mocht het hun gelukken, tenminste eenig resultaat van hun volharding te
verkrijgen. Zij bemachtigden een jonk van Chinchu naar Manila gaande,
waarop zich 219 Chineezen bevonden. De inhoud was van zeer weinig
waarde. "Als gij hier waart geweest", schrijft Muyser aan Sonck,
"zoudt ge de jonk met lading en al in den grond of in brand hebben
gestoken........ als alles op 't strand gelegen had, ick meyne niet
één van ons daarvoor 200 realen van achten had gegeven" [157]. Nadat
alles van waarde er uit genomen was, werd de jonk verbrand, en daar de
gezagvoerder meegedeeld had, dat er met hem nog vijf à zes dergelijke
scheepjes waren uitgevaren, bleef men nog eenige dagen kruisen. Maar
toen men niets meer ontdekte en ten laatste de hoop had opgegeven
de Nassausche vloot nog te zullen aantreffen, besloot men den 22en
Mei dit vaarwater te verlaten. De Noord-Holland werd met de gevangene
Chineezen naar China gezonden om daar te wachten op den noordermoesson
en dan verder naar Batavia door te zeilen. De Haen werd opgedragen
naar Tayoean te gaan [158] terwijl de overige schepen, Het wapen van
Seelandt, Oranje en De Fortuin eerst Macao zouden aandoen en daarna
naar Tayoean koers zetten. Tot nog toe had men niet veel menschenlevens
te betreuren, slechts 26, terwijl er 20 zieken waren. Den 1en Juni
kregen de laatstgenoemde schepen de kust van China in 't gezicht, waar
ze nog eenigen tijd bleven kruisen en het geluk hadden op de hoogte
van Macao twee Portugeesche jachten buit te maken, waarvan er een in
plaats van het verlorene Victoria gedoopt werd [159], het andere,
Tayoean. Den 7en zagen zij tot hun verwondering De Noord-Holland
weder. Dit schip was door tegenwind opgehouden. Den 2en Juli ging het
op nieuw naar Batavia onder zeil en kwam den 23en Nov. 1625 aldaar
behouden aan. De Chineezen hadden het echter hard te verantwoorden
gehad. Van de 219 waren er slechts 46 in leven gebleven en deze werden
nog doodziek aan wal gebracht. Op denzelfden dag dat De Noord-Holland
voor de tweede maal naar Batavia op weg ging, vertrok P. Muyser met
Het wapen van Seelandt en het veroverde jacht Tayoean naar Formosa,
terwijl De Oranje, De Fortuin en De Victoria nog eenigen tijd voor
Macao zouden blijven kruisen. Pieter Muyser kon er zich niet op
beroemen veel tot nut van de Compagnie te hebben uitgericht. Hiervoor
was zijn vloot echter ook niet voldoende uitgerust. Terecht schrijft
De Carpentier dan ook aan bewindhebbers: Het succes had grooter
kunnen zijn, indien 's lands vloot "haar ordre in het aandoen van
Manilla beter hadde naergecomen, gelijck se sonder eenich verlet wel
hadde conne doen". Waarom het dan niet gebeurd is? Hierop is geen
afdoend antwoord te geven. Misschien moet men de oorzaak zoeken
in het ontijdig sterven van den admiraal van de Nassausche vloot,
Jacques l'Hermite. Nog niet halfweg, moest hij reeds den 2en Juni
1624 den tol aan de natuur betalen en werd als admiraal opgevolgd
door Gheen Huigen Schapenham. Deze beschrijft ons zijn tocht in een
brief aan Carpentier [160]. Na den Spanjaarden op de kust van Amerika
eenig nadeel te hebben berokkend, is de vloot naar het eiland Puna
gezeild, van waar zij naar Acapulco vertrok om er den 28en Oct. aan
te komen. Daar bleven zij kruisen tot eind Nov., waarna het besluit
genomen werd naar de Ladrones over te steken, omdat de tijd waarop de
schepen gewoonlijk uit Manila in Acapulco kwamen toch voorbij was. Den
26en Januari 1625 werden de ankers voor de Ladrones uitgeworpen: "en
na ons alhier eenigszins ververscht te hebben," schrijft Schapenham,
"soo is bij mij ende den Raedt geresolveert, dat men de enterprise,
die ons bij de instructie belast wordt, op de chineesche joncken in
de Manilhas in het werck te stellen, soude laten berusten ende ons
cours recht toe naer de Moluccas stellen om dies wille, dat het de
vlote, die als doen maer van drie maenden victualie voorzien was,
onmogelick soude geweest zijn, de comste van de Chineesche joncken
in de maendt van April te verwachten, maer door faulte van vivres
genoodsaekt zijn geweest voor de comste derselver uit de Manilhas te
scheijden". Schapenham wist dus niet, dat de vloot onder Muijser hem
voor Manila zou opwachten met levensmiddelen. Het stond trouwens ook
niet in de instructie [161]. Mij rest nu nog slechts te melden, dat de
admiraal van de Spaansche vloot, Geronimo de Silva, die tegen Muijser
slag had geleverd, niet was gesneuveld, zooals de Hollanders dachten,
maar behouden met de vloot in Manila was teruggekeerd. Zeer tevreden
was men echter niet over zijn beleid. Hij had meende men, wel eenige
schepen kunnen veroveren en werd dientengevolge wegens nalatigheid
gevangen gezet en eerst bevrijd na de aankomst van den nieuwen, uit
Amerika gezonden gouverneur, ad interim, Don Fernando de Silva [162].
En hiermede meen ik tot een tijdstip gekomen te zijn, waarop dit
onderzoek zeer geschikt voorloopig door mij kan gestaakt worden. De
politiek toch der Nederlanders onderging langzamerhand een groote
verandering ten opzichte van de Philippijnen. De Wit schreef in 1625
aan De Carpentier: "Over de door Muijser veroverde beide joncken
en de gevangen gemaakte Chinesen zijn tot nog toe geen klachten uit
China gekomen". Dat men hiervoor reeds bang was geweest bewees wel
de in de instructie van Muijser opgenomen bepaling, dat de buit niet
naar Japan of Formosa, maar naar Batavia gevoerd moest worden. De
Nederlanders koesterden nl. de gegronde vrees, dat de Chineezen
tengevolge van die rooftochten den pas begonnen handel op Formosa
en Batavia weder zouden laten varen. Bovendien werd het voordeel
voor de onzen steeds geringer, omdat de Chineezen meer en meer met
kleine zeer snel bezeilde jonkjes naar de Philippijnen overstaken,
waarmee zij bij stil weer zoo wisten te wrikken en te roeien, dat het
onmogelijk was ze met onze vaartuigen in te halen. Het gevolg was,
dat er vooreerst geen tochten meer werden gedaan om den Chineeschen
den handel op Manila te beletten. De Hollanders begonnen van nu af
het vaarwater van Malakka en Macao meer met hun schepen te bekruisen,
terwijl ook de Spanjaarden hun taktiek veranderden en in 1626 een
bezetting legden op Formosa. Mocht het blijken, dat het mij gelukt is
de verrichtingen der Hollanders tegen de Spanjaarden duidelijker in
het licht te stellen dan door mijn voorgangers is geschied, dan zal
ik stellig mijn onderzoek in dezen, uit liefde voor onze koloniale
geschiedenis, voortzetten en ten einde brengen.