HOOFDSTUK IX.

De eerste tocht, dien de Hollanders en Engelschen gezamenlijk naar de

Philippijnen hadden ondernomen, was, zooals wij medegedeeld hebben,

niet met een zeer gunstigen uitslag bekroond. Toch zouden de beide

naties zich nog eens voor een dergelijke onderneming vereenigen. Voor

dat Coen iets van den afloop wist, of kon weten, gaf hij hieromtrent

reeds een bevel aan Willem Jansz. Terwijl deze zich den 3en Jan. 1621

pas op zijn eersten tocht bevond, schreef Coen hem tusschen 14 en 23

Febr. [116] uit Ambon, "dat hij toecomende jaer met de Engelschen soo

haer daertoe bewegen can, wederom een tocht na de Manilha's doe(n)

ende bij aldien de Engelschen de tocht weygeren en herwaerts keeren,

dat ZE. dan alleene macht genoeg hebbende, den tocht doe(n) en soo onse

macht alleene niet suffisant is, dat dan met onse vlote na Chincheu

loope omme aldaer den Chineeschen handel op Manilha te beletten

ende die te procureren, tzij in Batavia of elders, en geordonneert,

dat op de custe van China alle Chineesche jonken aentassen sullen,

uitgesondert alleene die, welcke met onzen pas na Batavia souden

mogen voeren. . . . . . Met alsulcken recht, als zij ons uit China

houden, sullen haer daerin doen blijven, tot dat anders resolveren"

[117]. Blijkbaar was de invloed van Coen in den raad van defensie

zeer groot, want, ofschoon het eerst zeer twijfelachtig was of de

Engelschen er voor te vinden zouden zijn, wist hij den 30en Juni dezen

raad een besluit te doen nemen, waarover hij Willem Jansz reeds in

Februari zijn bevelen had gegeven. Volgens deze resolutie [118] moest

de vloot van defensie, wanneer zij van haar eersten tocht naar Manila

in Japan was teruggekeerd, zich aldaar van al het noodige voorzien

en dan wederom naar Manila vertrekken. Op dezen tweeden tocht zou

het admiraalschap bekleed worden door Willem Jansz, terwijl Robert

Adams vice-admiraal zou zijn. Het Engelsche schip de Peppercorn

en het Nederlandsche De Muiden werden uit Batavia als versterking

naar Japan gezonden. Uit Ambon zond Houtman De Maan en De Hond, die

zich echter, zooals wij gezien hebben, niet hebben kunnen vereenigen

met de vloot, maar te Firando binnen liepen en gesloopt werden. Den

28en Oct. 1621 vertrokken de beide jachten Muiden en Peppercorn van

Firando naar de kust van Chinchu om aldaar op de jonken te kruisen,

die met het begin van den moesson naar Manila zouden varen. Hier

werden zij door het ruwe weer verhinderd eenig voordeel te behalen,

tengevolge waarvan de scheepsraad besloot om naar de Philippijnen

over te steken en zich eerder, dan hun opgedragen was, bij de vloot

onder Jansz te voegen. Den 3en Dec. vertrok Jansz zelf met de overige

schepen, bestaande uit vier Hollandsche: De Bantam, De Trouw, Haerlem

en De Hope, en vier Engelsche: de Engelsche Maen, de Paltsgraef,

de Elisabeth en de Bull. Deze vloot voer rechtstreeks naar Manila

en zoodra zij op de kust van Luçon verscheen, werd er bij Pangasinan

een zeer rijke Chineesche jonk genomen, die het vorig jaar uit vrees

voor genoemde vloot in China was achtergebleven. Na nog twee jonken

vermeesterd te hebben, sloot men de baai van Manila in, waar de

Spaansche vloot, bestaande uit zeven groote schepen, zich wederom te

Cavite in veiligheid had gebracht. Toen eenige jonken, alvorens naar

Manila te loopen, de kust van Luçon ten noorden van Manila aandeden,

werden ze hier door de Spanjaarden gewaarschuwd, waarna zij bezuiden de

baai landden, hun goederen losten en vandaar met "chimpans" naar Manila

voerden. De onzen, dit vernemende, stuurden eenige schepen om de zuid,

die respectievelijk op twee plaatsen vier groote met brandhout geladen

jonken vonden en drie, die eenzelfde lading reeds hadden gelost. Deze

met nog vele kleinere werden verbrand. In het laatst van Mei 1622

werden De Trouw, De Hope, de Paltzgraef en de Bull, onder bevel van

Le Febvre naar Macao gezonden, waar zij een Portugeesch schip, met

zijde geladen en voor de Philippijnen bestemd, veroverden. Drie dezer

schepen vertrokken daarna naar Firando, het vierde, De Hope, bleef in

Macao achter. De overige zes schepen gingen begin Juni van de baai van

Manila onder zeil en wierpen in Juli, na nog twee jonken genomen te

hebben, wederom voor Firando het anker uit. Dezen keer had de tocht

meer voordeel opgeleverd. De Nederlandsche en de Engelsche compagnie

verkregen elk als aandeel in den buit f 262912.12.5 [119]. Coen schreef

dan ook, "dat er rijckelijck soo veel verovert [was] als d' oncosten

sal connen goet maken" [120]. Dat deze kaapvaart, ook zelfs wanneer de

onkosten werden goedgemaakt, een groote schaduwzijde bezat, had Coen

reeds vernomen uit een brief van Specx [121], waarin deze vermeldt,

dat verschillende voorrechten, die de Hollanders tot dezen tijd toe

in Japan bezeten hadden, waren ingekort. Coen schreef hierover aan

bewindhebbers, dat door het vervolgen der Chineesche jonken veel

Japanners groote schade leden, waardoor onze reputatie in Japan zeer

verminderde en wij en de Engelschen slechts betiteld werden met den

eerenaam van zeeroovers [122]. Jammer, dat tegenover deze vermindering

van reputatie en dus achteruitgang van den handel geen rijkere buit

werd behaald, om, gewogen op de schaal van vóór- en nadeel, deze te

onzen gunste te doen overslaan; maar de vaartuigen, die wij gaarne

hadden veroverd, waren ons ook nu weder ontsnapt. Twee groote en

twee kleine schepen, ruim voorzien van volk, geschut en zilver,

waren benoorden Luçon omgeloopen en hadden behouden de haven van

Pangasinan bereikt. Ook waren vier schepen in de baai van Segoura,

aan de oostkust van Luçon "recht achter de stadt Manilla gelegen"

gekomen en was het zilver over land naar de hoofdplaats gebracht [123].

De orde werd op genoemden tweeden tocht beter gehandhaafd. Coen

schrijft hierover [124]: "Desen tocht is redelyck en vredich gegaen,

't schijnt, dat 't ééne mes 't andere in de schede gehouden heeft;

d' eerste reys dreeft d' een d' ander met gewelt uytde joncken. In

Firando wapende hun d' een tegen d' ander, vochten niet weinich

ende eenige bleven doodt, waarop den Raedt elck over de syne recht

deedt, maer deze reys is 't Godt loff beter gegaen"2. Toch zouden deze

gezamenlijke ondernemingen niet meer hervat worden. De Engelschen waren

niet in staat ze verder voort te zetten, tengevolge waarvan Adams

dan ook bevel had ontvangen met zijne schepen terug te keeren. Ook

de Nederlanders wenschten dergelijke tochten niet meer. Coen had aan

Willem Jansz opgedragen zich op behendige wijze van de Engelschen

te ontslaan door te zeggen, dat hij niets meer in Japan te doen had,

maar op avontuur naar Patani, Chiampa of China wilde varen. Hij moest

zich dan vereenigen met de vloot, die in April 1622 van Batavia naar

China was gezonden [125]. Overeenkomstig dezen last vertrok Jansz

18 Sept. 1622 uit Japan naar Pehou; den 25en stak echter een hevige

storm op, waardoor hij genoodzaakt werd terug te keeren. Maar niet

alle schepen liepen behouden te Firando binnen. De St. Crux [126]

leed schipbreuk. Den 27en Oct. poogde Le Febvre met drie en 5 Nov. de

admiraal W. Jansz nogmaals, eveneens met drie schepen, den door Coen

gegeven last op te volgen, maar vergeefs. De vaartuigen geraakten van

elkander en door het onstuimige weder bezuiden de Pescadores, waarna

zij genoodzaakt waren door te zeilen naar Batavia. Achtereenvolgens

kwamen ze hier behouden aan.

De Nederlanders in de Philippijnsche Wateren vóór 1626 · 第 11 / 29 题