ACHTSTE ORDE.

DE KRAAKBEENVINNIGEN (Chondropterygii).

Nevens de reusachtige Kruipende Dieren, die in vroegere geologische

tijdperken het zoetwater en de zee bevolkt hebben, kwamen ontzaglijk

groote Visschen voor, behoorende tot groepen, waarvan slechts weinige

tot heden zijn blijven bestaan. Uit de talrijke overblijfselen dezer

wezens, vooral uit hunne zeer veelvuldige versteende tanden, kan men

afleiden, dat er van deze Visschen vele soorten bestonden; bovendien

meent men te mogen aannemen, dat zij hunne thans levende verwanten

aanmerkelijk in grootte overtroffen, in dit opzicht zelfs bijna of

geheel onze Walvisschen evenaarden. Wat hun vorm en uitwendige of

inwendige organisatie betreft, verschilden zij, naar het schijnt,

niet aanmerkelijk van de nog overgebleven soorten; in meerdere of

mindere mate vertoonden alle de kenmerken van onze tegenwoordige

Kraakbeenvinnigen.

De schedel van deze dieren bestaat slechts uit een enkel stuk

kraakbeen; dit vormt een onverdeelde doos, die de hersenen

omhult, het gehoororgaan omsluit; zijdelings en van voren komen er

bekervormige uithollingen aan voor, waarin de oogen en de meestal

zeer samengestelde neuszakken zich bevinden. Met deze doos is een

met tanden bezette onderkaak, die uit een enkelen, beenigen boog

bestaat, beweegbaar verbonden. De wervelkolom dezer Oervisschen

staat op zeer verschillende trappen van ontwikkeling. Bij sommige

komt nog een onverdeelde ruggestreng voor, welker scheede zich

naar boven uitbreidt tot een buis, die het ruggemerg omhult; bij

andere vertoont deze streng inwendig dwarsschotten, die de eerste

aanduidingen van wervellichamen zijn; bij de overige treft men

volslagen wervellichamen aan, schijfvormig van gedaante, van voren en

van achteren bekervormig uitgehold en meestal onvolledig verbeend. De

buikvinnen zijn bij alle aanwezig en zonder eenige uitzondering ver

achterwaarts, in de nabijheid van den aars, aangehecht. Steeds zijn

bij hen de onparige en (behalve bij de Roggen) ook de parige vinnen

gesteund door buitengewoon talrijke hoornachtig-vezelige stralen,

die niet de minste overeenkomst vertoonen met de vinstralen der

overige Visschen. Bovendien komen aan de rugvinnen stekelige stralen

voor van hoogst eigenaardigen bouw; elke vin bezit er slechts één;

deze is groot, dik, spits, meestal sabelvormig gekromd en aan den

achterrand zaagsgewijs getand; de kern van den stekel bestaat uit een

met tandbeen geheel overeenkomende stof en bevat, evenals de tanden,

een overlangsche holte, waarin zich de tandbeenvormende pulpa bevonden

heeft; het bovenste, vrije gedeelte is met een dunne laag email bedekt,

het onderste, in de huid bevestigde stuk met een groeve voorzien.

De huid is bij sommige geheel naakt, bij andere met eigenaardige,

harde deelen bekleed, waardoor deze Visschen zich van alle overige

onderscheiden. Bij enkele zijn deze huidproducten klauwvormig gekromde

doornen, welker samenstelling met die van tanden overeenkomt;

bij andere is de geheele huid als bezaaid met harde plaatjes of

knobbeltjes, die op verschillende wijzen ingesneden en met spitse

uitsteekseltjes voorzien kunnen zijn, zoodat de huid op het aanvoelen

ruw is; ook deze lichaampjes gelijken door hun maaksel volkomen op

tanden; van tijd tot tijd vallen zij uit en worden vervangen door

nieuwe, die, wegens den groei van het dier, talrijker zijn dan de oude.

Op zeer verschillende wijze is de bek met tanden gewapend. Van het

gebit der meeste Haaien en Roggen kan men een denkbeeld verkrijgen

door zich voor te stellen, dat de kaken aan den bovenrand voorzien

zijn met een soort van rol, op zulk een wijze met tanden bezet,

dat de oude, versletene een buitenwaartsche, de nu in gebruik

zijnde een bovenwaartsche en de jonge in meerdere of mindere mate

een binnenwaartsche richting hebben. De laatstgenoemde zijn in een

groeve verborgen. Op een dwarse doorsnede van de kaak zijn de tanden

kringsgewijs geplaatst als aan een kamrad.

Zeer eigenaardig is voorts de inrichting van den ademhalingstoestel. Op

de kieuwbogen staan kieuwplaten, welke niet alleen met haar basis

aan de kieuwbogen vastzitten, maar ook over haar geheele lengte

verbonden zijn met tusschenschotten, welker aantal met dat der

kieuwbogen overeenstemt; slechts de naar de kieuwspleet gekeerde rand

van het kieuwplaatje is vrij; de vliezige, door kraakbeen gesteunde

tusschenschotten, die op de genoemde wijze aan weerszijden met een

reeks van kieuwplaatjes bezet zijn, verdeelen elke kieuwholte in een

rij van zakken, die ieder binnenwaarts door een spleetvormige opening

(keelspleet) met de keelholte in gemeenschap staan en meestal ook door

een spleet in de huid (kieuwspleet) zich buitenwaarts openen. Bij

de Haaien vindt men aan weerszijden van den hals, bij de Roggen

aan de buikvlakte, vóór iedere borstvin 5, zelden 6 of 7 dergelijke

kieuwspleten. Daar de dwarsschotten in de kieuwholte bij de Zeedraken

niet met hun geheelen buitenrand aan de huid vastzitten, komt bij hen

slechts één kieuwspleet voor, waardoor het gebruikte ademhalingswater

uit alle kieuwzakken wegvloeit; in de huidplooi, die de kieuwspleet

bedekt, wordt een rudimentair, kraakbeenig kieuwdeksel aangetroffen.

De Kraakbeenvinnigen verschillen ook door hun voortplanting van

alle overige Visschen. Slechts weinige leggen eieren: eigenaardige,

meestal platte, door een harde, hoornachtige schaal omgeven zakjes,

welker vier punten uitloopen in een lange, schroefsgewijs gekronkelde

draad. De meeste daarentegen brengen levende jongen ter wereld, die

zich in een hiervoor bestemde verwijding van den eileider ontwikkelen.

De orde der Kraakbeenvinnigen wordt in twee onderorden verdeeld:

de Dwarsbekkigen (Plagiostomata) en de Zeedraken (Holocephala). Bij

de laatstgenoemde, die op weinige soorten na uitgestorven is, komt

een onbeweeglijke verbinding van de bovenkaak en het gehemelte met

den schedel voor en vervangt een uitsteeksel van den schedel den

kaaksteel. Verreweg de meeste thans nog levende Kraakbeenvinnigen

behooren tot de Dwarsbekkigen, deze bezitten het vermogen om beide

kaken buitenwaarts te bewegen en dus, gelijk de meeste Visschen,

de mondopening naar voren te verplaatsen. Zij hebben een zeer

wijden, boogvormigen, dwars gerichten muil, die ver naar achteren,

aan de onderzijde van den snuit geplaatst is, spuitgaten, die in de

keelholte beginnen en welker uitwendige openingen meestal achter de

oogen voorkomen, kieuwen, die over haar geheele lengte aan vliezige

schotten zijn vastgehecht, zoodat er geen gemeenschap tusschen de

kieuwzakken bestaat en deze ieder door een afzonderlijke kieuwspleet

hun inhoud uitstorten, voorts is de huid zelden naakt, meestal op de

reeds aangeduide wijze bekleed. De wervelkolom is steeds duidelijk

in wervels verdeeld. Deze onderorde omvat de beide groepen van de

Haaien en de Roggen.

De Haaien (Selachoidei) zijn Dwarsbekkigen met spoelvormig, dikstaartig

lichaam en kieuwspleten aan de zijden van den hals; hunne borstvinnen

zijn niet met den kop vergroeid; zij leven in de zee, zijn over alle

aardgordels verbreid, voeden zich uitsluitend met andere dieren en

brengen voor 't meerendeel levende jongen ter wereld. Eenige soorten

mijden het zoetwater niet en begeven zich af en toe, door groote

stroomen, zooals de Ganges en de Tigris, op te zwemmen, tot ver in

het binnenland. Te recht worden zij schadelijk genoemd en boezemt hun

verschijning schrik in. Zij en eenige weinige Koppootige Weekdieren,

die door hun grootte aanleiding gegeven schijnen te hebben tot het

sprookje van den Kraken, zijn de eenige echte zeeroofdieren, die den

mensch aanvallen met het doel om hem te verslinden. Wraakzucht is

de drijfveer van den onverbiddelijken strijd, die de mensch met de

Haaien voert. Andere Visschen worden gevangen, omdat zij ons nuttig

zijn: tot de vangst van de groote Haaien noopt ons niet zoozeer het

voordeel, dat zij kunnen opleveren, als wel de zucht om het grootst

mogelijk aantal vijanden te verdelgen. Vele volken houden zich evenwel

geregeld met de jacht op Haaien bezig wegens het nuttig gebruik, dat

zij van deze dieren weten te maken. In het hooge noorden o.a. vangt men

den IJshaai om uit zijn lever traan te bereiden; voor de bewoners van

vele kuststreken tusschen de keerkringen zijn de Haaien een gewenschte

buit, omdat deze als grondstof voor lijm dienen, of als lekkernij op

den disch verschijnen. Van de huid van vele soorten van Haaien wordt

een zeer goed leder, dat segrijn heet, gemaakt.

De thans levende Haaien verdeelt men gewoonlijk in 9 familiën, die

140 soorten omvatten.

Meer dan alle overige leden hunner orde worden de Menschenvreters

(Carchariidae) gevreesd wegens hun kracht en koenheid, roofgierigheid

en vraatzucht. Volgens vele berichten, die men evenwel niet altijd

vrij kan pleiten van overdrijving en die zeer dikwijls op bloote

geruchten berusten, zijn zij in het door hen bewoonde gebied de schrik

van de zeelieden en de kustbevolking. Hun oog is met een wenkvlies

voorzien. Voor geen van beide rugvinnen treft men een stekel aan:

de eerste staat min of meer boven 't midden van den afstand tusschen

de borst- en de buikvinnen, de tweede boven de kleine-aarsvin.

De Menschenvreters i. e. z. (Carcharias) hebben een platten kop met

vooruitstekenden snuit; de spuitgaten ontbreken; de neusgaten zijn

sterk ontwikkeld. De wijde bek is gewapend met verscheidene reeksen

van groote, driehoekige tanden met spitsen top en scherpen, meestal

gezaagden rand. Op den rug van den staart, aan den wortel van den

staartvin, bevindt zich een dwarse groeve; de onderste lob van de

staartvin is goed ontwikkeld.

Een van de meest bekende leden van dit geslacht is de Blauwe Haai

(Carcharias glancus). Hij bereikt een lengte van 3 à 4 M., en wordt

soms misschien nog langer. Zijn snuit is zeer spits; de tanden zijn

langs den rand gezaagd, in de bovenkaak breed en op 4 schuinsche

reeksen geplaatst, in de onderkaak slanker, bij het jonge dier

driehoekig, op lateren leeftijd lansvormig. De borstvinnen zijn lang

en sikkelvormig. De eerste rugvin is iets nader bij de buikvinnen dan

bij de borstvinnen geplaatst; de tweede rugvin overtreft de aarsvin

in grootte. De bovenzijde van den kop, de rug met inbegrip van de

rugvinnen, het grootste deel van den staart en de bovenvlakte van de

parige vinnen zijn wit.

De Jonashaai (Carcharias lamia) komt in de meeste opzichten met de

vorige soort overeen, doch is kleiner, hoogstens 2.25 M. lang. Als

kenmerken worden opgegeven: de geringere lengte van den stompen,

afgeronden snuit, de grootere lengte van de borstvinnen, die bijna

het einde van de eerste rugvin bereiken; deze is iets nader bij

de borstvinnen dan bij de buikvinnen geplaatst; de tweede rugvin is

kleiner dan de aarsvin. De bovendeelen zijn grijsbruin, de onderdeelen

witachtig.

Beide soorten behooren, naar men meent, eigenlijk in de Middellandsche

Zee thuis, doch komen ook in een groot deel van den Atlantischen

Oceaan voor. De Blauwe Haai verschijnt gedurende den zomer zelfs vrij

geregeld aan de kusten van Groot-Brittannië en Skandinavië. Naar men

zegt, dwaalt hij soms naar de Belgische kust af; volkomen zeker is het

niet, dat men hem een enkele maal ook bij onze kust heeft waargenomen.

Alle groote Menschenvreters komen met elkander in levenswijze

overeen. Zij houden zich bij voorkeur, maar geenszins uitsluitend,

in de nabijheid van de kusten op en zwemmen in den regel in de

bovenste waterlaag. Meestal krijgt men ze reeds op tamelijk grooten

afstand te zien, omdat gedurende het zwemmen gewoonlijk een groot

stuk van de rugvin boven het water uitsteekt, zoodat het zeer goed

mogelijk is hen met een geweerkogel te treffen. Zoolang zij geen

bepaalden buit op 't oog hebben, zwemmen zij gelijkmatig en tamelijk

vlug; bij 't vervolgen van een dier is de snelheid van hun beweging

echter veel grooter. Hoewel het niet te ontkennen valt, dat zij, wat

lenigheid betreft, bij vele Visschen achterstaan, b.v. niet zulke

plotselinge wendingen kunnen maken, zijn zij toch veel behendiger

dan men gewoonlijk meent; de onverwachte snelheid van hun aanval

vergoedt het werkelijk bij hen bestaande gemis van lenigheid. Hunne

zintuigen schijnen goed ontwikkeld te zijn, het staat althans vast,

dat zij zeer goed kunnen zien; ook mag men als vrij zeker aannemen,

dat hun reuk fijner is dan bij andere Visschen.

Uit de handelingen van de Haaien blijkt volkomen duidelijk, dat hunne

geestvermogens meer ontwikkeld zijn dan die van alle overige Visschen,

hoewel hun onstuimige roofzucht en de onbedachtzaamheid, die zij bij

het opmerken van een buit toonen, dikwijls in tegenspraak schijnen

te zijn met dit gunstig oordeel. Zij jagen volgens een vast plan,

bezoeken geregeld plaatsen, waar zij bij vroegere gelegenheden voedsel

hebben gevonden en geven hierdoor bewijzen van een goed geheugen,

weten partij te trekken van de aanwijzingen van het Loodsmannetje,

hebben door ervaring geleerd, dat veel van 't geen er overboord valt,

voor hen bruikbaar is en volgen daarom hardnekkig de schepen. Uit deze

en andere feiten blijkt, dat de verstandelijke vermogens van de Haaien

niet gering zijn; dit vloeit ook voort uit de liefde, die zij, volgens

sommige berichten, voor hunne jongen toonen. Het valt echter niet te

loochenen, dat deze eigenschappen dikwijls sterk op den achtergrond

worden gedrongen door hun onverzadelijke honger, hun ongeloofelijke

vraatzucht, die hen dikwijls tot werkelijk zinnelooze handelingen

verleidt. Vraatzucht is stellig een van de meest in 't oog loopende

eigenschappen der Visschen in 't algemeen; de Haaien zijn echter

zonder eenigen twijfel de vraatzuchtigste van deze veelvraten. Zij

worden gekweld door een werkelijk nooit verminderende begeerte naar

voedsel. Alle voedingsmiddelen, die zij verzwelgen, worden steeds

half verteerd weer uitgeworpen, waardoor zij genoopt worden om

hun schielijk geledigde maag onophoudelijk opnieuw te vullen. Zij

vreten al wat eetbaar is en zelfs al wat eetbaar schijnt: dikwijls

heeft men bij 't openen van hun spijskanaal hierin onverteerbare

voorwerpen gevonden. De maag van een Witten Haai bevatte een halve ham,

eenige schapenbeenderen, het achterdeel van een Zwijn, den kop en de

voorpooten van een Bulhond, een groote hoeveelheid paardenvleesch,

een stuk zaklinnen en een stuk gereedschap voor het schoonkrabben van

het schip. Andere Haaien zag men de meest verschillende voorwerpen

verzwelgen, die men hun van het schip toewierp, kleedingstukken zoowel

als spek of stokvisch en dergelijke dingen, plantaardige voedingstoffen

niet minder gretig dan dierlijke.

Hoewel de Haaien ook menschen aanvallen en verslinden, gebeuren

dergelijke ongelukken minder veelvuldig dan men gewoonlijk meent. De

reeds gevestigde overtuiging van de groote gevaarlijkheid van den Haai,

bevordert de neiging om allerlei verschrikkelijke berichten over dit

dier te gelooven en zonder nauwgezet voorafgaand onderzoek tot hun

verbreiding mede te werken. Indien men zich de moeite wilde geven

om naar de waarheid van ieder dergelijk verhaal een onderzoek in te

stellen door het hooren van ooggetuigen of het nagaan van andere

vermeende bewijsgronden, zou men vele, zoo niet de meeste van de

ontvangen berichten, misschien zelfs alle, als onvoldoende gestaafd,

ter zijde moeten stellen. Pechuel-Loesche heeft in het twintigtal

jaren, die hij reizend heeft doorgebracht en meer bepaaldelijk

gedurende zijn langdurige zwerftochten over verschillende zeeën

nooit iemand door een Haai zien dooden of kwetsen of eenvoudig in een

gevaarlijke positie zien verkeeren; ook is hem bij de vele gesprekken

over dit onderwerp nooit iemand onder de oogen gekomen, die getuige was

van een door een Haai gepleegde menschenroof. Menschen, die zich met

een onverantwoordelijk schijnende lichtzinnigheid te midden van deze

roofvisschen begaven, met het doel om hen aan te vallen en te vangen,

of die zonder eenige vrees den een of anderen arbeid in hun nabijheid

verrichtten, zag hij zeer dikwijls. Bekend is het, dat b.v. de bewoners

van vele Zuidzee-eilanden het zwemmen en duiken te midden van de Haaien

als een spel beschouwen en zich zonder aarzeling te water begeven om

deze of andere Visschen te vangen. "De Haaien," verhaalt Wyatt Gill,

"zijn zeer talrijk in de buurt van het eiland Penrhyn. In April ziet

men hier zulke groote scholen van kleine Visschen, dat de geheele

oppervlakte der zee er van schijnt te wemelen. De inboorlingen kunnen

dan gemakkelijk de Haaien, die in de bovenste waterlaag rondzwemmen

en een menigte Visschen verslinden, tot op korten afstand naderen;

het gelukt hun, nu eens hier dan weer daar, een Haai een strik om den

staart te schuiven en hem vervolgens naar hun boot te trekken." F. Day,

die jaren lang in Indië gewoond heeft om gegevens te verzamelen voor

zijn werk over de Visschen, houdt de Grondhaaien in de rivieren voor

de gevaarlijkste van alle Haaien. Hoewel zij, naar hij zegt, zelden

de gelegenheid om badende menschen aan te vallen laten voorbijgaan,

is hem, naar hij uitdrukkelijk verzekert, in een lange reeks van

jaren slechts één volkomen betrouwbaar bericht van menschenroof ter

oore gekomen. De Haaien grijpen onmiddellijk de lijken, die men in

de rivier werpt, maar veroorzaken alleen dan ongelukken, wanneer

zij gevangen en nog levend aan boord van een vischschuit worden

geheschen. In zulk een geval verweert het dier zich waarschijnlijk

door hevige slagen met den staart, misschien soms ook door beten en

brengt dikwijls allerlei verwondingen en beenbreuken teweeg.

Hoewel men in vele gewesten, waar ontmoetingen tusschen Haaien en

menschen veelvuldig voorkomen, deze Visschen niet gevaarlijk acht

en zich weinig om hen bekommert, worden zij in vele andere streken,

b.v. op de reede van Lagos, het strand van Natal en andere plaatsen

van de Afrikaansche kust, zeer gevreesd, vermoedelijk niet zonder

reden. Het is niet onwaarschijnlijk, dat de Haaien, evenals de

Tijgers, allengs menscheneters worden: sommige van hen nemen de

gewoonte aan om op menschen jacht te maken en worden langzamerhand

zeer stoutmoedig. Waarschijnlijk heeft een flinke zwemmer, die

opzettelijk te water ging of er toevallig in geraakte, geen aanval van

het roofdier te vreezen, althans niet, zoolang hij koelbloedig blijft

en zich krachtig beweegt; daarentegen zal een vreesachtig, vermoeid,

of verdrinkend mensch misschien overal, waar Haaien voorkomen,

blootgesteld zijn aan het gevaar van hun slachtoffer te worden.

De eieren ontwikkelen zich ten getale van 30 à 50 in het lichaam van

de moeder; de jongen zijn reeds bij hun geboorte aan de ouden gelijk

en geschikt om zelf voedsel te zoeken; toch worden zij, naar men zegt,

nog geruimen tijd door de moeder geleid.

Voor het verdelgen van de Haaien blijken de handvuurwapenen bijna

ongeschikt. Als een dezer Visschen door een geweerkogel gewond is,

vlucht hij met razenden spoed, zoodat men niet met zekerheid kan

uitmaken, of hij door het schot doodelijk gewond werd of niet. Voor

de vangst van Haaien maakt men met goed gevolg gebruik van netten,

vooral daar, waar deze visscherij, zooals in Indië, Oost-Afrika, enz.,

als een bedrijf wordt uitgeoefend. Voor de vangst van een enkel dier

is een stevige hoek, die aan een ketting bevestigd moet zijn, het

meest geschikt. Als lokaas dient een Visch of een stuk spek; desnoods

kan men ook een bos werk of een glimmenden blikken ketel gebruiken;

want het monster hapt naar alles wat hem van uit het schip wordt

toegeworpen. Op deze wijze worden de Haaien ook door Europeesche

visschers gevangen. Het dier wordt zoover boven den waterspiegel

opgeheschen, dat de kieuwspleten droog komen te liggen en, nadat het

door ademnood afgemat is, op het dek gehaald, waar men het eerst den

staart afhouwt en vervolgens opensnijdt. Zoodra een Haai den haak

voelt, stelt hij zich aan, alsof hij razend is. Soms draait hij zich

met verwonderlijke snelheid zoolang om zijn eigen as, dat het touw

verslijt of erg in de war geraakt. Visschers, die met kleine booten

op de vangst van groote Haaien uitgaan, moeten zeer voorzichtig te

werk gaan, omdat men in een zwak bemand vaartuig van deze soort niet

in staat is, om weerstand te bieden aan de kracht van den Visch.

De Ruwe Roofhaaien (Galeus) hebben een afgeplatten, kegelvormigen

snuit, die, al naar men hem van boven of van ter zijde beziet,

stomp of spits toeloopt; de boven den mond gelegen neusgaten zijn

half door de huid bedekt; achter ieder oog komt een klein spuitgat

voor; de tamelijk kleine, driehoekige tanden zijn aan den voor- of

buitenrand met kleine kerfjes voorzien, aan den achter- of binnenrand

slechts van onderen gezaagd, overigens glad. De staartvin is groot,

mist de groeve aan de rugzijde van haar wortel, heeft niet slechts aan

't boveneinde, maar ook aan het ondereinde een driehoekige lap. De

overige vinnen zijn betrekkelijk klein.

De Ruwe Haai, door onze kustbewoners eenvoudig Haai genoemd (Galeus

canis), is 1 à 2 M. lang, van boven leikleurig of donkergrauw met

eenigszins blauwachtige of bruinachtige tint; deze kleur gaat op de

zijden in zilverachtig, op den buik in wit over. Lengte 1.25 à 1.75

M. Hij komt niet slechts aan de kusten van Europa voor, maar is ook

bij de kust van Californië en om Tasmanië algemeen; eigenlijk vindt

men hem in alle zeeën met uitzondering van de koude; bij voorkeur leeft

hij op den grond. In de Noordzee is hij niet zeldzaam, maar toch minder

algemeen dan in warmere streken. Dikwijls worden exemplaren van 4 à 6

dM. lengte langs de kust gevangen (vooral vroeg in 't voorjaar tot in

't begin van den zomer), enkele malen echter ook drachtige wijfjes,

in de 2e helft van Dec. 1853 b.v. bij Oosterbierum in Friesland een

exemplaar van ruim 1.5 M. lengte en 25 K.G. gewicht, dat 10 jongen

wierp, ieder O.5 KG. zwaar. In den regel is echter het aantal jongen

grooter: 30 of meer. Deze groeien zoo verbazend snel, dat zij reeds

in het tweede jaar hun volle grootte bereiken. Hoewel het vleesch van

den Ruwen Haai beter heet te zijn dan dat van andere Haaien, gebruikt

men er niets anders van dan de lever (waarvan traan wordt verkregen),

de huid (die door meubelmakers als middel om hout glad te maken wordt

gebruikt) en de vinnen (waarvan lijm wordt gekookt).

Afwijkingen van den typischen vischvorm, die ons als misvormingen

voorkomen, zijn bij de Haaien niet zeldzaam; de zonderlingste van alle

is ongetwijfeld die, welke men bij de Hamerhaaien (Zygaena) opmerkt,

en waarvan in de geheele hoofdafdeeling van de Gewervelde Dieren geen

tweede voorbeeld voorkomt. Deze wonderbaarlijke Visschen hebben van

de vroegste tijden af de algemeene aandacht getrokken. Zij gelijken

op de Menschenvreters door het aantal en den stand der vinnen,

door het bezit van een wenkvlies en het gemis van spuitgaten, maar

verschillen van hen (en van alle overige Gewervelde Dieren) door

het zijwaarts uitgroeien van den schedel en meer bepaaldelijk van de

oogkaskraakbeenderen. Hierdoor heeft de kop den vorm van een hamer,

welks beide eindvlakken de oogen dragen. De neusgaten zijn ver van daar

verwijderd; zij bevinden zich aan de benedenvlakte van den kop vóór

den hoefijzervormigen, met 3 of 4 reeksen van tanden bezetten muil.

Van de 5 soorten van dit geslacht wordt één de Gewone Hamerhaai

(Zygaena malleus) genoemd, omdat zij niet slechts in bijna alle

warme zeeën gevonden wordt, maar ook naar de noordelijke kusten van

Europa afdwaalt. Deze Visch bereikt soms een lengte van 3 à 4 M. en

een gewicht van 200 à 300 KG. of meer. Zijn kop is 3-maal zoo breed

als lang. Het lichaam is met een zwak gekorrelde huid bedekt, op de

bovendeelen grijsachtig bruin, op de onderdeelen vuilwit van kleur;

de groote, door leden beschutte oogen zijn goudgeel. De tanden zijn

lang, scherp, bijna driehoekig; sommige hebben gezaagde, andere

gladde randen.

De handelingen van de Hamerhaaien verschillen niet van die der overige

groote leden der onderorde; hoogstens zou men kunnen zeggen, dat zij

aan den slijkerigen bodem van de zee de voorkeur geven boven andere

verblijfplaatsen, naar men onderstelt, omdat zij hoofdzakelijk jacht

maken op Roggen en Platvisschen. Zij bepalen zich echter geenszins

tot deze en andere op den zeebodem levende Visschen, maar stijgen

ook tot den waterspiegel op, zwemmen bedelend bij de schepen op de

reede rond en kunnen gevaarlijk worden voor drenkelingen. De jongen

komen in betrekkelijk groot aantal volkomen ontwikkeld ter wereld.

Voor de vangst van Hamerhaaien dienen uitsluitend grondlijnen, daar

slechts toevallig een enkel exemplaar in de schrobnetten verdwaalt. Het

vleesch wordt niet gebruikt; van de lever wordt traan bereid.

De Gladde Roofhaaien (Mustelus), zoo genoemd wegens hun huid,

onderscheiden zich vooral door het gebit van alle overige leden

der familie: evenals bij de Roggen, zijn alle (of althans verreweg

de meeste) tanden plat en vormen een plaveisel. Bovendien zijn de

spuitgaten iets grooter dan bij de Ruwe Roofhaaien, de neusgaten met

een klep voorzien. De driehoekige lob onder aan de staartvin ontbreekt.

Tot dit geslacht behoort de 1 à 1.5 M. lange Toonhaai (Mustelus

vulgaris). De parelgrijze bovendeelen zijn bezaaid met ronde,

witte vlekjes, die echter op lateren leeftijd onduidelijk worden

of verdwijnen; de onderdeelen zijn geelachtig wit. Deze Visch heeft

een uitgestrekt verbreidingsgebied, wordt aan de meeste kusten van

Europa en bovendien bij Zuid-Afrika en bij Japan gevonden; bij ons

ontmoet men hem minder veelvuldig dicht bij het land dan op de ver

in zee gelegen zandbanken. Zijne stompe tanden stellen hem in staat

tot het vergruizen van de Krabben en andere Schaaldieren, die zijn

gewone voedsel uitmaken. In verband met deze levenswijze is hij traag,

vreedzaam en gezellig van aard en blijft meestal dicht bij den grond,

liefst op tamelijk groote diepte. In November brengt het wijfje

een twaalftal goed ontwikkelde jongen ter wereld, die zich weldra

naar den diepen zeebodem begeven, van waar zij eerst in Mei naar de

banken terugkeeren.

Hoewel de Toonhaaien niet bijzonder vraatzuchtig zijn, laten

zij zich licht verschalken door het lokaas aan den haak; vooral

bij de Italiaansche kust is de vangst van deze dieren van eenige

beteekenis. Men ziet ze daar dikwijls op de vischmarkt. Hun vleesch

is even weinig geacht als dat van hunne verwanten en wordt alleen

door arme lieden gegeten.

De Dolfijnhaaien (Lamnidae) verschillen van de leden der vorige familie

vooral door het ontbreken van het wenkvlies. Aan de onderzijde van

den min of meer verlengden snuit bevindt zich de halvemaanvormige

mondopening, waarmede de neusgaten niet ineenvloeien. De spuitgaten

ontbreken of zijn zeer klein, de kieuwspleten groot.

De Neushaaien (Lamna) herinneren door aard en gestalte aan sommige

Dolfijnen. De tweede rugvin en de aarsvin zijn zeer klein. De

onderste lob van de staartvin is goed ontwikkeld, de staartwortel

aan weerszijden met een overlangsche kiel voorzien. De wijde bek is

gewapend met groote, lanspuntvormige tanden, die langs den rand niet

gezaagd zijn, maar soms aan de basis nevenspitsen dragen.

De Gewone Neushaai (Lamna cornubica) kan meer dan 3 M. lang worden

en groeit zeer snel. De huid is glad; de bovendeelen zijn effen

grauwzwart, de onderdeelen wit; een uit stippels bestaande streep

strekt zich over het voorste deel van den snuit tot aan het oog uit,

daarachter merkt men donkere stippels, vóór de neusgaten driehoekige

donkere vlekken op. Deze Haai bewoont de Middellandsche Zee en het

noordelijke deel van den Atlantischen Oceaan, bezoekt dikwijls de

kusten van Engeland, zelfs die van Skandinavië, soms ook de Noordzee:

twee exemplaren werden gevangen bij den Helder (23 Oct. 1863 en

20 Nov. 1863). Hij kenmerkt zich door gezelligheid, vlugheid van

bewegingen en vraatzucht. Verwoed vallen deze dikwijls troepsgewijs

jagende roovers alle Visschen aan, die zij inhalen kunnen. De Tonijnen,

waarmede men ze wegens den vorm van 't lichaam en in zekeren zin

ook wegens de plaatsing der vinnen zeer goed kan vergelijken, hebben

veel van hun roofzucht te lijden. Risso heeft een dezer Haaien een

Zwaardvisch zien verscheuren, die even groot was als zijn moordenaar.

Naar men zegt, is het vleesch van den Neushaai beter dan dat van

andere Haaien en wordt, in de landen om de Middellandsche Zee althans,

werkelijk op prijs gesteld.

De Voshaai of Dorscher (Alopecias vulpes) valt zeer in 't oog door

de opmerkelijke lengte van de bovenste lob van de staartvin en wordt

daarom te recht in een afzonderlijk geslacht geplaatst, waarvan hij

de eenige vertegenwoordiger is. Het voorste deel van den romp is

naar verhouding buitengewoon krachtig ontwikkeld; de eerste rugvin

is hoog en, evenals de nog grootere borstvinnen, sikkelvormig; de

tweede rugvin, de buikvinnen en de aarsvin daarentegen zijn zeer

klein. De snuit is kort en kegelvormig; de spuitgaten zijn klein, de

kieuwspleten kort, zooals bij de Menschenvreters. Het gebit bestaat

uit driekantige, gladrandige tanden, die 3 of 4 reeksen vormen; de

voorste staan rechtop, terwijl de overige een weinig naar buiten of

naar de zijden gericht zijn. Deze Haai kan 5 M. lang worden, waarvan

echter ongeveer de helft op de bovenste staartlob komt. De rug en de

zijden zijn donkerblauw, de onderdeelen wit gestippeld en gevlekt.

In de Middellandsche Zee is de Voshaai een van de meest veelvuldig

voorkomende soorten, op de Engelsche kusten treft men hem overvloediger

aan dan een zijner verwanten. Ook in den Atlantischen Oceaan en

in de Stille Zuidzee ontmoet men hem zeer dikwijls, vooral aan de

kust van Californië en bij Nieuw-Zeeland. De karakteristieke naam

van Dorscher is hem gegeven wegens het eigenaardige gebruik, dat

hij van den langen staart maakt op het oogenblik van den aanval op

zijn prooi. De krachtige slagen, die hij uitdeelt, zijn op een verren

afstand hoorbaar. Niet zelden komt het voor, dat een school van niets

kwaads vermoedende Dolfijnen, die rustig jagend hun weg vervolgen,

door een enkelen staartslag van den hen overvallenden Voshaai, zelfs

wanneer deze eenvoudig in het water treft, zoo verschrikt wordt, dat

alle op de vlucht gaan als Hazen bij de nadering van een Hond. Tallooze

slachtoffers maakt deze roover bij het vervolgen van de scholen van

Haringen, Pelsers en Sprotten, die naar de paaiplaatsen trekken of

van daar terugkeeren.

De grootste Haaien zijn Carcharodon Rondeletii, die 12 à 15,

en Rhinodon typicus, die meer dan 15 M. lang kan worden. Beide

evenaren dus nagenoeg den 15 M. langen Huso, die als de grootste

van alle bekende Visschen wordt beschouwd. Het noordelijke deel

van den Atlantischen Oceaan wordt bewoond door een Haai, die met

uitzondering van de genoemde soorten alle overige bekende leden zijner

orde overtreft en daarom Reuzenhaai heet. Hij vertegenwoordigt een

afzonderlijk geslacht (Selache), dat zich kenmerkt door een korten,

stompen snuit, kleine spuitgaten, zeer groote, bijna den geheelen

hals omgevende kieuwspleten, kleine, eenigszins naar binnen gekromde

tanden en eene met vele spitse knobbeltjes bedekte huid. De lengte van

den Reuzenhaai, den Basking-Shark der Engelschen (Selache maxima),

kan, naar men zegt, 10 à 12 M., zijn gewicht verscheidene duizenden

KG. bedragen. De bruinachtig zwarte bovendeelen hebben blauwachtige

tint, de onderdeelen zijn witachtig.

De grenzen van het verbreidingsgebied van den Reuzenhaai zijn nog

niet nauwkeurig bekend; in den laatsten tijd heeft men hem ook bij

Zuid-Australië aangetroffen. Dikwijls werd hij waargenomen aan de

kusten van Wales, Cornwallis, Devonshire en Sussex; ook aan de Fransche

kust heeft men hem herhaaldelijk gevangen. Soms dwaalt hij uit den

Atlantischen Oceaan naar de Noordzee af; dit schijnt echter zelden te

geschieden. Aan onze kust althans is slechts éénmaal, n.l. in 1821,

een jong exemplaar van 2.2 M. lengte gevangen. De grootste van de

Reuzenhaaien, die aan de zuid- en westkust van Engeland gedood zijn,

was 11 M. lang. Die, welke men in den zomer aan de kust van Noorwegen

harpoeneert met het doel om uit de lever traan te koken, zijn langer

dan de bij deze vangst gebruikelijke schuiten, dus langer dan 12 M.;

de grootte van deze dieren blijkt ook hieruit, dat men met hun lever,

die 1000 KG. weegt, 10 à 14 tonnen vult. In berichten uit vroegere

eeuwen wordt melding gemaakt van veel grootere exemplaren.

Men meent, dat de Reuzenhaai in de IJszee op groote diepte verblijf

houdt, hier op de wijze van de Walvisschen jacht maakt op allerlei

kleine zeedieren, vooral Kwallen, doch ook de overblijfselen van doode

Walvisschen verslindt, waardoor het niet moeielijk is hem met lokaas

aan een haak te vangen. De Reuzenhaai heeft volstrekt niet den wilden

aard van de andere leden zijner orde, maar is integendeel een volkomen

onschadelijke Visch, die een verbazende traagheid, onverschilligheid

en domheid toont. Het gebeurt niet zelden, dat hij volstrekt geen

haast maakt om een boot, die hem vervolgt, te ontwijken; zelfs kan men

dicht genoeg bij hem komen, om hem met een harpoen te treffen. Op een

zonnigen dag ziet men hem dikwijls zonder beweging aan de oppervlakte

van 't water liggen; dan is hij veelal zoo weinig schuw, dat men

hem naderen en aanraken kan. Zoodra hij echter den harpoen voelt,

heft hij den staart op en duikt overhaast naar de diepte. Soms moeten

de Visschers de jacht daarna nog wel 20 à 24 uur lang voortzetten,

voordat zij het dier bemachtigen kunnen. Nu en dan, misschien wel op

bepaalde tijden van 't jaar, ziet men de Reuzenhaaien tot troepen of

scholen vereenigd, evenals de Walvisschen, aan de oppervlakte van de

zee ronddartelen of, vooral op stille, zonnige dagen, zonder beweging

dichtbij elkander drijvend, zich koesteren in de zonnestralen.

Hoewel het vleesch van dezen Visch door taaiheid leder evenaart en

een onaangenamen smaak heeft, wordt het in noordelijke gewesten niet

zelden gegeten of althans in reepen gesneden, gedroogd en als lokaas

voor de vangst van andere Visschen gebruikt.

Tot de Kraakbeenvinnigen, die geen levende jongen ter wereld brengen,

maar eieren leggen, behooren de Asschelhaaien (Scyllidae); bij hen

is de eerste rugvin boven de ruimte tusschen de buikvinnen en de

aarsvin, de tweede boven de ruimte tusschen de aarsvin en de staartvin

aangehecht. De huid is met scherpe, met de punt naar achteren gerichte

korreltjes bedekt. Twee van de 8 soorten van dit geslacht komen in

nagenoeg alle Europeesche zeeën voor en gelijken veel op elkander:

beide hebben roodachtig grijze bovendeelen en vuilwitte onderdeelen. De

hoogstens 70 cM. lange Hondshaai, aan onze kust gewoonlijk, evenals

alle gevlekte Haaien, Asschelhaai, Haschhaai, Aschhaai of Bonte Haai

genoemd (Scyllium canicula), is van boven met donkere roodachtige

vlekjes bezaaid. Grootere, ronde, bruine vlekken treft men aan op

de bovendeelen van den 1 M. langen Kathaai (Scyllium catulus), die,

volgens Gronovius (1730-1777), soms langs onze kusten voorkomt,

maar die door latere schrijvers niet onder de inheemsche Visschen

wordt vermeld.

Beide soorten ziet men bij alle Europeesche kusten, nergens echter

veelvuldiger dan in de zee die het noorden van Groot-Brittannië,

de Hebriden en de Orkney-eilanden bespoelt. Zij houden gewoonlijk

op den bodem verblijf en vallen hier alle Visschen aan, die zij

verzwelgen kunnen, voeden zich bovendien ook met Schaaldieren en

misschien met velerlei Weekdieren. Beide Haaien behooren tot de

ergste vijanden van de Haringen, welker scholen zij volgen. Op de

plaatsen waar deze scholen geregeld verschijnen, vermenigvuldigen de

Asschelhaaien zich weldra buitengewoon sterk. Zij veroorzaken groote

schade aan de visschers, omdat zij vele nuttige Visschen verslinden

en met hunne scherpe tanden of door hunne onstuimige bewegingen vele

netten verscheuren. Men verhaalt, dat deze roovers, wanneer zij zich

te midden van een school Haringen bevinden, er zooveel mogelijk van

verzwelgen, deze vervolgens uitbraken, opnieuw beginnen te vreten en

gedurende geruimen tijd voortgaan met beurtelings hun spijskanaal te

vullen en te ledigen. Als vele Asschelhaaien zich op een vischplaats

met de haringvangst bezig houden, neemt men tot op grooten afstand

een duidelijke traanlucht waar; de effene waterspiegel glinstert,

alsof hij met een laag olie bedekt is.

De voortplantingstijd begint in den herfst, maar houdt, naar het

schijnt, gedurende den geheelen winter aan. De eischalen, die men,

hoewel veel minder veelvuldig dan die van Roggen, ledig op ons

zeestrand aantreft, zijn, evenals deze, bekend onder den naam van

"zeemuizen". De zwarte, hoornachtige schaal heeft den vorm van een

ongeveer 6 cM. langen, zeer langwerpigen vierhoek, welks hoekpunten

in zeer lange gekronkelde draden uitloopen; aan ieder van de smalle

uiteinden der schaal komt een spleetvormige opening voor, waardoor

het water kan binnendringen. Tegen den aanvang van den winter

legt het wijfje eieren in de nabijheid van de kust, waarschijnlijk

steeds tusschen waterplanten, die door de aanvankelijk weeke draden

omstrengeld worden. De kiem is bij het leggen van het ei reeds zoo

ver ontwikkeld, dat men den vorm van het diertje onderscheiden kan

en er bewegingen aan opmerkt. Als de kiemtoestand afgeloopen is,

verlaat het jong de eischaal, nog voorzien met een dooierzak, die

door een steel met de buikholte in gemeenschap staat en welks inhoud,

die voor de verdere ontwikkeling van het vischje dient, langzamerhand

in het spijskanaal wordt opgenomen.

Het vleesch van deze Haaien is buitengewoon wit, maar eenigszins

vezelig en droog. Op de Orkney-eilanden worden de gevangen exemplaren

gevild, opengesneden en nadat de ingewanden er uitgehaald zijn, op de

rotsen gedroogd, om als proviand voor den winter te dienen. De huid

wordt hoofdzakelijk voor het gladmaken en afschuren van houten of

ijzeren voorwerpen gebruikt. Uit de lever wordt uitmuntende traan

bereid.

De familie der Stekelhaaien (Spinacidae)heet zoo, omdat bij de meeste

harer leden elk der beide rugvinnen van voren met een scherpen

stekel gewapend is. Bij alle ontbreekt de aarsvin. Zij bezitten

spuitgaten. Hunne tanden hebben een enkelvoudige, meestal driehoekige,

dunne, zijdelings samengedrukte kroon met scherpe, snijdende randen.

De Doornhaai, ook wel Gewone Haai en Speerhaai genoemd (Acanthias

vulgaris), heeft een langwerpig lichaam met platten, wigvormigen, van

voren smallen, aan de spits afgeronden kop; de neusgaten zijn even ver

van de mondspleet als van de spits van den snuit verwijderd; groote

spuitgaten bevinden zich onmiddellijk achter de oogen. De volkomen

ronde muil heeft een halvemaanvormige mondspleet en is gewapend met

3 reeksen van lange, spitse, aan den rand weinig gezaagde tanden. De

borstvinnen zijn zeer groot, de buikvinnen klein. De bovendeelen zijn

effen leikleurig grijs, de onderdeelen geelachtig wit. De jongen hebben

gewoonlijk witte vlekjes op den rug. In den regel bereikt de Doornhaai

geen grootere lengte dan 1 M. en geen grooter gewicht dan 10 KG.

Onder de Haaien der Europeesche zeeën is deze een der meest

veelvuldige. In zeer grooten getale bewoont hij de Noordzee; na hevige

stormen vindt men soms vele duizenden exemplaren op het strand; geheele

scholen van deze roovers ontmoet men in de nabijheid van de kust,

vooral bij hoog water; zij volgen de kleine Visschen, die zich naar

hunne paaiplaatsen begeven en brengen aan de visscherij veel nadeel

toe. De haringvisschers zien hen zeer ongaarne, daar zij met hunne

stekels de netten verscheuren. Deze wapens gebruikt de Doornhaai ook

tegen zijne vijanden; hij verwondt ze er mede door het lichaam te

krommen, als 't ware gelijk een boog te spannen, en het vervolgens

plotseling te strekken; deze beweging kan hij zoowel naar de eene als

naar de andere zijde zoo nauwkeurig regelen, dat hij de hand treft,

die zijn kop aanraakt, zonder zijn eigen huid te beschadigen. Hoewel

het vleesch van den Doornhaai hard en niet bijzonder smakelijk is,

wordt het gedroogd en als voedsel gebruikt, zelfs in Schotland; uit

de lever kookt men traan; de huid wordt als middel om te schuren

en te polijsten gebruikt; het afval dient als mestspecie. Van de

stekels, die men wegens de pijnlijke wonden, die zij veroorzaken,

voor vergiftig houdt, maakte men vroeger tandenstokers.

Het wijfje brengt 6 à 20 goed ontwikkelde jongen ter wereld, welker

vleesch als zeer smakelijk wordt geroemd; nog meer waarde hecht men op

sommige plaatsen aan de eieren, waarin de kiem zich reeds eenigermate

ontwikkeld heeft.

De Noordsche Haai of IJshaai (Laemargus borealis) is de eenige

vertegenwoordiger van een gelijknamig geslacht, dat zich van het

vorige door het gemis van stekels aan de rugvinnen onderscheidt. Hij

kan 6 à 8 M. lang worden, is effen aschgrauw van kleur, bewoont de

Noordelijke IJszee, houdt hier verblijf op groote diepten en blijft

steeds ver verwijderd van de kust, behalve wanneer hij een prooi

vervolgt of door visschers wordt nagejaagd. Enkele malen verdwaalt

hij in zuidelijker zeeën, o. a. werd hij aan de Engelsche kust en,

volgens Maitland, ook aan de onze waargenomen.

De Noordsche Haai is niet minder koen, moedig en vraatzuchtig dan

de andere leden zijner familie. Hij verslindt al wat binnen zijn

bereik komt, allerlei soorten van Visschen, vooral Platvisschen,

Kabeljauwen en andere Schelvischachtigen, jonge Roggen, groote en

kleine Walvisschen, maar valt, naar men zegt, nooit of uiterst zelden

menschen aan. Volgens Scoresby is de IJshaai "een van de felste

vijanden van den Groenlandschen Walvisch, wiens lijk hij verslindt

en die ook levend veel van hem te lijden heeft. De halfbolvormige

stukken vleesch, die hij met zijn krachtig gebit het reusachtige

Zoogdier uit het lijf scheurt, zijn grooter dan een menschenhoofd;

het eene stuk na het andere wordt losgerukt en verzwolgen, totdat de

roover verzadigd is. Bij 't slachten van den gevangen Walvisch is hij

een ijverige concurrent van den mensch; terwijl deze het vette lichaam

aan de bovenzijde afspekt, kluift hij het van onderen af." Het vangen

van dit vraatzuchtige dier kost weinig moeite. Men bindt, volgens

Fabricius, een zak met bedorven vleesch of een kop van een Zeehond

aan een haak en laat dezen, aan een ketting bevestigd, achter het

schip aan slepen. De IJshaai zwemt om het lokaas heen, proeft er van,

maar laat het weer los. Door te rechter tijd een ruk aan den ketting

te geven, weet men de begeerte van den roover voor de prooi, die hem

schijnt te zullen ontgaan, opnieuw te doen ontwaken; de Haai schiet

plotseling op het lokaas toe en verzwelgt het. Met welgevallen kijkt

de bemanning van het schip naar de woeste sprongen van den gevangen

Visch. Zijne woedende pogingen om den ketting te breken of los te

rukken hebben geen ander gevolg, dan dat de ingeslikte haak hem de

ingewanden verscheurt. Nadat de matrozen zich lang genoeg met de

nuttelooze worsteling van het dier vermaakt hebben, trekken zij het

omhoog, bevestigen een touw om het zware lichaam en hijschen het aan

boord, na vooraf den kop en den staart afgehouwen te hebben, daar

zelfs de koplooze romp gevaarlijk slagen met den staart kan toebrengen.

De Groenlanders en IJslanders noemen het vleesch van den IJshaai beter

eetbaar dan dat van zijne verwanten. Van de lever wordt traan bereid;

dit geschiedt met behulp van stoom, waardoor men een zeer goede

lampolie verkrijgt; het overschot wordt uitgekookt en levert bruine

looierstraan. De huid, die met een menigte spitse beenknobbeltjes

bezet is, dient voor het polijsten van allerlei gereedschappen of

als grondstof voor schoenen en paardentuigen.

De Zeeëngel, ook Schoerhaai, Schoorhaai, Pakhaai en Paddehaai genoemd

(Rhina squatina), de eenige vertegenwoordiger van de familie der

Zeeëngelhaaien (Rhinidae), dankt zijn naam aan de zeer groote,

vleugelachtige, aan de zijden van den romp gehechte borstvinnen;

hun voorste lap sluit tegen de onderzijde van den achterkop aan;

door hun achterste lap worden de eveneens groote, horizontale, aan

de zijden van den buik gehechte buikvinnen gedeeltelijk overdekt. De

buitengewoon breede, platte, van voren zeer stomp eindigende kop

heeft de gedaante van een dikke, ronde schijf, die met den van boven

naar onderen afgeplatten, door de parige vinnen verbreeden romp en den

langwerpigen, rolronden staart een duidelijke toenadering vertoont tot

den lichaamsvorm van de Roggen. Aan het voorste uiteinde van den zeer

breeden, korten snuit bevindt zich de zeer wijde mondspleet, welker

hoekpunten gelegen zijn ter hoogte van de groote, halvemaanvormige

spuitgaten, die op korten afstand van en achter de tamelijk kleine,

sterk naar boven gerichte oogen voorkomen. De neusgaten zijn voorzien

van kleppen, welker randen als 't ware franjes dragen. In de nauwe

ruimte tusschen de onderzijde van den achterkop en den voorsten lap

der borstvin vindt men de 5 kieuwspleten, die slechts door vliezen

vaneengescheiden zijn. De staart is langs de bovenzijde voorzien

van twee kleine rugvinnen en aan het einde van een staartvin, die

door een flauwe insnijding verdeeld wordt in twee lappen, waarvan de

onderste langer is dan de bovenste. De kaken zijn met kegelvormige,

puntige tanden gewapend, die verscheidene reeksen vormen. De huid

van de bovendeelen is ruw door de talrijke, kegelvormig eindigende

beenkorreltjes, die zij bevat; de onderdeelen hebben een gladde huid;

deze zijn geelachtig wit, gene chocoladebruin met zwartachtige,

onduidelijk begrensde vlekjes. Dit dier bereikt een lengte van 2 M.

Naar het schijnt, strekt het verbreidingsgebied van deze soort zich

uit over alle zeeën van den noordelijken en den zuidelijken gematigden

aardgordel. In de Middellandsche Zee komt de Zeeëngel algemeen voor,

zoo ook bij vele kusten van West-Europa, aan de oostkust en de westkust

van Noord-Amerika, weinig minder veelvuldig treft men hem aan in de

zee rondom Japan en Australië. Ook in de Noordzee vindt men hem hier

en daar in aanzienlijken getale; over 't algemeen trouwens behoort hij

in de door hem bewoonde wateren tot de gewone Haaien. Aan onze kust

is hij niet zeldzaam, hoewel men hem er niet in menigte vangt. Zooals

reeds uit den vorm van zijn lichaam valt af leiden, leeft de Zeeëngel

op of op korten afstand boven den zeebodem en maakt hier jacht op

allerlei soorten van Roggen, Schollen, enz., die zijn voornaamste

voedsel uitmaken. Evenals deze, ligt hij half in het zand verborgen,

houdt de vurige oogen naar boven gericht en komt bij het waarnemen

van een buit eensklaps te voorschijn.

Volgens sommige berichtgevers brengt deze Visch in den herfst, volgens

andere in het voorjaar 10 à 20 volkomen ontwikkelde jongen ter wereld.

Daar de Zeeëngel even vraatzuchtig is als de andere Haaien, is het niet

moeielijk hem met behulp van een lokaas te vangen. Naar men bericht,

verweren groote exemplaren zich soms zoo krachtdadig, dat de visschers

zich schrap moeten zetten om niet door hen gewond te worden. Het

lederachtige, taaie vleesch van deze dieren heeft een onaangenamen

smaak; de huid wordt voor het raspen en polijsten van hout gebruikt,

of tot degengevesten, messcheeden en dergelijke voorwerpen verwerkt.

De tweede afdeeling van de onderorde der Dwarsbekkigen omvat de

Rogvisschen (Batoidei), Kraakbeenige Visschen, welker plat lichaam

door de buitengewoon sterke ontwikkeling der borstvinnen, die reeds

aan den achterkop beginnen, de gedaante van een schijf bezit, aan

welker onderzijde 5 paar kieuwspleten voorkomen en die uitloopt in

een meestal zeer langen, dunnen, ronden, zweepvormigen staart, waarop

gewoonlijk de beide rugvinnen geplaatst zijn, voor zoover deze niet

ontbreken. De aarsvin ontbreekt altijd. De oogen en, dicht achter

deze, de steeds aanwezige, wijde spuitgaten liggen op de bovenzijde

van den kop. De onderstandige mondopening heeft de gedaante van een

dwarse spleet; de kaken zijn met een plaveisel van tanden gewapend. De

kraakbeenige ring, die de borstvinnen ondersteunt, is van boven aan

de wervelkolom bevestigd.

Als voorbeeld van de innige verwantschap tusschen de Haaien en de

Roggen kan, behalve de Zeeëngel, die men een Haai in de gedaante

van een Rog zou mogen noemen, ook de Zaagvisch (Pristis antiquorum)

dienen, een Rog met de gestalte van een Haai. Het langwerpige, alleen

van voren afgeplatte lichaam, de lange snuit, de plaatsing der vinnen

en de vleezige, niet scherp van het lichaam gescheiden staart heeft

deze Visch met de Haaien gemeen; zijn verwantschap met de Roggen

verraadt zich door den breeden, dwars onder den snuit gelegen bek

en het gebit, dat uit platte, plaveiselvormige tanden bestaat. Een

eigenaardigheid van dit dier en zijne verwanten is de verlenging van

den bovensnuit tot een lang, zwaardvormig uitsteeksel, waarin aan

weerszijden platte, snijdende, spitse tanden in tandholten bevestigd

zijn. Deze zoogenaamde "zaag" stelt als 't ware de snuitkraakbeenderen

van de andere Dwarsbekkigen op hun hoogsten trap van ontwikkeling

voor. Twee kleine spuitgaten, die door klepjes gesloten kunnen worden,

zijn achter de oogen gelegen; de aarsvin ontbreekt. De lengte van

den Zaagvisch kan tot 4 of 5 M. stijgen, waarvan ongeveer 1/3 op den

zaag komt. De huid is glad met zeer kleine, een plaveisel vormende,

rondachtige of zeshoekige knobbeltjes. De bovendeelen zijn nagenoeg

effen bruingrijs, de onderdeelen hebben een lichtere kleur.

De genoemde soort heeft een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied;

men heeft haar in bijna alle zeeën van beide halfronden, het meest

echter in de warme zeeën gevonden; in grooten getale komt zij ook in

de Middellandsche Zee voor, vanwaar zij soms noordwaarts afdwaalt.

Met de levenswijze van den Zaagvisch zijn wij zeer onvoldoende bekend,

daar de vele staaltjes, die van zijn woestheid en bloedgierigheid

verhaald worden, geen volkomen vertrouwen verdienen. De stand van

den bek en het gebit wijzen er op, dat de Zaagvisch, evenals andere

Rogvisschen, dicht bij den bodem zijn gewone verblijf heeft en hier op

kleine Visschen, Schaaldieren, Weekdieren en dergelijke wezens jacht

maakt. Toch is het niet onmogelijk, dat hij werkelijk, zooals verhaald

wordt, in blinde woede op groote Cetaceeën of Visschen toeschiet en

hun zijn zaag in 't lichaam boort.

Evenals de meeste leden zijner orde, brengt ook de Zaagvisch volkomen

ontwikkelde jongen ter wereld.--Zijn vleesch is hard en onsmakelijk;

het wordt slechts in geval van nood gegeten. De huid wordt gebruikt

voor 't zelfde doel als die der Haaien.

De Trilroggen of Sidderroggen (Torpedinidae), reeds sinds overouden

tijd berucht wegens hun vermogen om electrische schokken uit te

deelen, vormen een uit 20 soorten bestaande familie en bewonen,

zooals van dergelijke dieren te verwachten is, vooral de tropische

zeeën. De buitengewoon groote borstvinnen zijn met de zijden van

kop en romp vergroeid tot een ronde schijf, die zoomin schubben als

stekels draagt. De buikvinnen zijn onmiddellijk achter de borstvinnen

gelegen. De korte, vleezige staart is van voren breeder dan hoog,

verderop rolrond, aan de zijde met een kielvormige huidplooi, aan

het einde met een driehoekige staartvin van boven met twee rugvinnen

voorzien (sommige soorten hebben er slechts één, nog andere geen). Het

electrisch orgaan is tusschen den kop, de borstvinnen en de kieuwen

gelegen; het wordt gevormd door meer dan 500 verticale, zeszijdige

zuiltjes, die als de cellen van een honigraat aaneengevoegd zijn,

en, wat samenstelling en werking betreft, overeenkomen met die der

vroeger genoemde electrische Visschen. In verband met de richting der

zuiltjes bevindt de positieve pool van het geheele orgaan zich aan

de buikzijde van 't lichaam en is de richting van den electrischen

stroom dus verticaal, van de buikzijde naar de rugzijde gericht. De

zenuwen, die bij het electrisch orgaan behooren, staan met de hersenen

in directe verbinding.

De spuitgaten zijn op korten afstand achter de oogen geplaatst. De

tanden zijn bij de meeste soorten spits.

De meest bekende van de 6 soorten van het geslacht der Trilroggen

i. e. z. (Torpedo) is de Gemarmerde Trilrog (Torpedo marmorata), die

den Atlantischen en den Indischen Oceaan bewoont. Hij kan een lengte

van 1.5 bij een breedte van bijna 1 M. bereiken en is dan 25 à 30

KG. zwaar. De bruine bovendeelen zijn bruinachtig en wit gemarmerd;

soms heeft de eene, soms de andere kleur de overhand; de onderdeelen

zijn wit, de spuitgaten met franjes voorzien.

Hoewel de werking van het electrisch orgaan van dezen Visch

aanmerkelijk zwakker is dan van den Sidderaal, kan hij toch zeer

pijnlijke schokken geven; eerst nadat herhaalde ontladingen hem

afgemat hebben, kan men hem veilig uit het water nemen, daar men

dan slechts een lichte trilling zal gevoelen. Onder water zijn de

schokken het hevigst en des te duidelijker waarneembaar, naarmate

men een grootere oppervlakte aanraakt. Dit vermogen is onderworpen

aan den wil van het dier, dat zich door plagerijen laat bewegen,

vele schokken achtereenvolgens uit te deelen. Deze kunnen bij kleine

dieren bedwelming of zelfs den dood veroorzaken; ook is het wel eens

voorgekomen, dat krachtige mannen door de ontladingen van groote

Trilroggen verlamd werden en neerstortten; men heeft dus alle reden

om voorzichtig te zijn bij het baden en zwemmen op plaatsen waar deze

dieren leven. Zij gebruiken hun electrisch orgaan als middel om hun

prooi te vangen en om vijanden af te weren.

Alle bekende leden der familie brengen levende jongen ter wereld,

ten getale van 8 à 14.

Het voordeel dat de Trilroggen aan de huishouding van den mensch

kunnen leveren, is van geringe beteekenis; zij worden niet eens

geregeld gevangen.

Bij de Echte Roggen (Rajidae) eindigt het tot een ruitvormige schijf

verbreede lichaam van voren in een kielvormig verlengden snuit, van

achteren in een dunnen, zweepvormigen staart, welke van boven voorzien

is met twee ver naar achteren geplaatste rugvinnen, aan weerszijden met

een overlangsche huidplooi en aan het einde met een kleine staartvin,

die echter bij een geslacht (Uraptera) geheel ontbreekt. De buikvinnen

zijn in den regel door een diepe insnijding ieder in twee lobben

verdeeld. De huid is bij sommige soorten nagenoeg glad, bij andere meer

of minder dicht bezet met kleine, achterwaarts gekromde stekeltjes,

afgewisseld door eenige grootere stekels. Deze komen het meest voor

op het midden van den rug, bovenop en langs de zijden van den staart,

vóór en achter de oogen, op de kiel van den snuit. Op den voorrand van

de borstvinnen komen zij vooral bij de mannetjes gedurende den paaitijd

voor. Het gebit bestaat uit spitse of uit platte, plaveiselvormige

tanden. In den paaitijd worden bij de mannetjes van soorten met platte

tanden deze tijdelijk door spitse vervangen.

Men kent omstreeks 40 soorten van Echte Roggen; deze zijn over alle

zeeën verspreid, maar komen het meest voor in die van de gematigde

aardgordels en veelvuldiger in het noordelijke dan in het zuidelijke

halfrond. Hun levenswijze verschilt niet onbelangrijk van die der

verwante Trilroggen, daar zij niet, gelijk deze, buitengewone middelen

tot aanval en verdediging bezitten, en dus bij den strijd alleen op

hun behendigheid of, zoo men wil, op hun list moeten vertrouwen. Ook

hun voortplantingswijze is anders, daar zij eieren leggen, waaruit

zich eerst na geruimen tijd jongen ontwikkelen. Hoewel het vleesch van

de Roggen droog en hard is, spelen enkele soorten geen onbelangrijke

rol in de visscherij. Van 1 Juli 1896 tot 1 Juli 1897 werden aan de

Rijks-vischhal te IJmuiden 5369 manden (à 25 KG.) Rog verkocht.

De Vleet (Raja batis), een Rog, waarvan de schijf een lengte van 1

en een breedte van 1.3 M. kan bereiken, en die dan met den staart

2 M. lang en 100 KG. zwaar is, heeft een aan 't einde versmalden en

tamelijk spitsen snuit, puntige tanden (zoowel het mannetje als het

wijfje), een met zeer scherpe stekeltjes bezette en hierdoor ruwe

huid, drie rijen tanden van doornen op den staart. Deze draagt dicht

bij haar uiteinde twee kleine rugvinnen, doch mist de staartvin; de

buikvinnen zijn door een diepe insnijding in 2 lobben verdeeld. De

bovendeelen zijn grijsgeel, de onderdeelen vuilgrijs en vooral

van voren als bezaaid met zwarte stipjes. Deze soort wordt in de

Noordzee en in het noordelijke gedeelte van den Atlantischen Oceaan

tot Noord-Amerika aangetroffen. Aan onze kust is zij zeer algemeen;

haar vleesch is bij ons niet geacht.

Nog overvloediger ontmoet men bij onze kust den Gewonen Rog, ook

Stekelrog, Doornrog, Driestaart en Rooden Rog genoemd (Raja clavata);

zij bewoont de zeeën van Europa, maar ontbreekt in het oostelijke

gedeelte van de Oostzee. In de noordelijke zeeën bereikt hij zelden

een lengte van meer dan 1.5 M, de schijf is dan 1 M. breed. Naar

men bericht, wordt hij in zuidelijker zeeën 3 à 4 M. lang, 2 à 3

M. breed en 200 K.G. zwaar. De staart is iets langer dan de schijf,

van onderen afgeplat en bij het einde met twee kleine vinnen

voorzien; iedere buikvin is in twee ongelijke lobben verdeeld. De

schijf is plat, van boven of van onderen gezien bijna vierzijdig met

nagenoeg rechte hoeken, zoowel aan de boven- als aan de ondervlakte

met harde en puntige doorntjes bezaaid. De staart draagt drie rijen

van groote doornen, van welke de middelste tot over het achterhoofd

voortloopt. Ook op andere plaatsen van het lichaam merkt men zulke

groote doornen op; in den paaitijd is soms het geheele lichaam bezet

met buitengewoon groote doornen, die op een breed voetstuk rusten. De

mannetjes hebben puntige, de wijfjes platte tanden. Het olijfgroen van

de bovendeelen gaat naar den rand der schijf allengs in bruin over;

soms vindt men hierop bruine vlekken met witten zoom, soms lichte

vlekken met bruinen zoom; sommige van deze vlekken, vooral die op de

borstvinnen dichtbij het achterhoofd, munten niet zelden door grootte

uit. De onderdeelen zijn witachtig. Het vleesch van dezen Rog is beter

dan dat van zijne verwanten, maar wordt toch bij ons niet geacht;

het best is het in de laatste maanden van 't jaar. Men eet het veel

in gedroogden, maar ook in verschen toestand. Uit de lever wordt traan

gekookt, die vroeger door de visschers veel als lampolie werd gebruikt.

De Gladde Rog (Raja maculata) gelijkt veel op den Gewonen; de huid

van de onderdeelen is bij hem echter glad; dit geldt ook van de

bovenvlakte van de schijf behoudens een overlangsche reeks van groote

doornen op het midden en verscheidene reeksen van kleine doornen

langs den voorrand; zoowel bij het wijfje als bij het mannetje is de

bek met spitse tanden gewapend. De bovenzijde is geel- of roodachtig

grijsbruin met vele kleine, ronde, donkere vlekken.

Deze soort bewoont nagenoeg dezelfde zeeën als de vorige en is vrij

algemeen op de zandbanken langs onze kust vooral in den zomer.

De Spiegelrog (Raja miraletus) dankt zijn naam aan de twee (zelden

vier) groote, roode, blauwe, zwart en wit gezoomde vlekken, die op

de rugzijde van de schijf, een weinig dichter bij den achterrand dan

bij den zijrand, voorkomen. De bovendeelen zijn overigens geelbruin

met talrijke kleine, ronde vlekken, de onderdeelen wit. De groote

doornen op het midden van den rug verdwijnen meestal vroegtijdig. De

tanden zijn bij de oude mannetjes puntig, bij de wijfjes en de jonge

mannetjes plat.

De Spiegelrog is zeer zeldzaam aan onze kust en schijnt aan de kust

van Skandinavië niet voor te komen. In de Middellandsche zee komt

hij veelvuldig, aan de Engelsche kust vrij algemeen voor.

Volgens sommige schrijvers worden nog twee andere soorten van Roggen

soms dicht bij onze stranden in de Noordzee aangetroffen, n.l. de

Kaardrog (Raja fullonica) en de Scherpsnuit (Raja oxyrhyncha), beide

het naast verwant aan den Gladden Rog, met wien zij door den aan 't

einde versmalden, puntigen snuit overeenstemmen. Bij den eerstgenoemden

is de bovenvlakte van de schijf effen bruin, bij den laatstgenoemden

gitzwart van kleur.

Alle Roggen bewonen den zandigen of slijkerigen zeebodem, waar

zij, grootendeels in 't zand verborgen, letten op hetgeen er in 't

water boven hen voorvalt; zoodra een buit nadert, wordt deze door

den plotseling te voorschijn schietenden Rog gegrepen. Hun gebit

laat niet toe, dat zij groote dieren aanvallen; zij rooven daarom

kleine Visschen en allerlei Schaaldieren, vooral jonge Schollen en

Garnalen. In 't begin van de lente, misschien nog iets vroeger, vangt

de voortplantingstijd aan; tegen het einde van de lente of in den zomer

worden de eieren gelegd, ten getale van 6, 8 of meer. Deze gelijken

op die van de Hondshaaien, maar hebben een meer vierhoekigen vorm en

kortere draden aan de hoekpunten. Binnen de eischaal ontwikkelt het

jong zich zoover, dat bij het uitkomen de inhoud van den dooierzak

reeds grootendeels verbruikt is. Zoodra deze geheel verdwenen is,

nemen de jongen de levenswijze van hunne ouders aan.

In sommige streken wordt het vleesch van den Rog zeer weinig

geacht, elders wordt het als een smakelijke spijs beschouwd. In

Londen worden ieder jaar honderdduizenden Roggen verbruikt en door

liefhebbers gezocht; in het noorden van Engeland gebruikt men deze

Visch uitsluitend als lokaas voor de vangst van Garnalen en andere

Schaaldieren.

Voor het vangen van Roggen maakt men gebruik van een beug, die met

Kreeften, Weekdieren en Visschen als lokaas wordt voorzien, ook wel

van schrobnetten.

In een aquarium trekken de Roggen zeer de aandacht. Zij geraken niet

licht gewoon aan de gewijzigde omstandigheden, nemen niet altijd

voedsel aan en verhongeren dan ellendig. Wanneer zij echter eens aan

't eten gebracht zijn, kan men ze jaren lang in 't leven houden en

wekken dan veel belangstelling, omdat men hun levenswijze kan nagaan.

De Pijlstaartroggen (Trygonidae) bewonen voor 't meerendeel de

tropische zeeën; sommige soorten treft men echter in de zeeën van de

gematigde aardgordels, enkele in zoetwater in de tropische gewesten

van het oosten van Zuid-Amerika aan. Van al deze Visschen komt de

vorm in hoofdzaken met dien der Roggen overeen, met dit verschil,

dat de staart zeer lang, dun en spits is, geen huidkielen heeft,

bij de meeste soorten geen eigenlijke rugvinnen of staartvin draagt,

maar van boven gewapend is met één of meer lange, aan weerszijden

van weerhaken voorziene stekels; de borstvinnen vloeien vóór den kop

ineen en vormen dus de voorste spits van de schijf; de buikvinnen zijn

niet ingesneden. De tanden zijn overdwars elliptisch of ruitvormig en

hebben een verhevenheid, die stomp of scherp, soms in spitsen verdeeld

is. De huid is nu eens glad, dan weer bezet met knobbels of stekels,

die echter niet op de borstvinnen voorkomen. De staartstekel van deze

dieren wordt te recht zeer gevreesd, daar hij leelijke wonden kan

veroorzaken en het slijm, dat te gelijker tijd in de wonde doordringt,

vergiftige eigenschappen heeft.

De Pijlstaart (Trygon pastinaca), over wiens misdrijven reeds bij de

schrijvers der oudheid berichten voorkomen, bewoont den Atlantischen,

den Indischen en den Stillen Oceaan (tot bij Japan). Hij wordt

veelvuldig aangetroffen in de Middellandsche Zee en langs de kust van

West-Europa tot in het Kanaal en bij het zuiden van Engeland, minder

talrijk in de Noordzee, zeer zelden aan de kust van Skandinavië en

nooit in de Oostzee. Gedurende een groot deel van 't jaar vindt men hem

op en nabij de zandbanken langs onze kust, doch bijna nooit in grooten

getale. De schijf is langs het midden van den rug aanmerkelijk dikker

en hooger dan bij de Roggen; het deel, dat vóór de zijwaarts gerichte

hoeken ligt, is grooter dan het achterste deel. De staart is langer

dan de helft van de schijf en aan het einde van het eerste derde deel

gewapend met een stevigen, beenigen, aan weerszijden van weerhaakjes

voorzienen doorn, waarvan de lengte gelijk kan zijn aan een derde

of een vierde deel van die van den staart. Deze draagt van boven en

van onderen een smallen huidzoom en loopt uit in een zweepvormige

punt. De huid is glad, op de bovendeelen donker olijfgroen, naar de

zijden met geel- of roodachtige tint; de onderdeelen zijn wit. Dit

dier kan ongeveer 1 M. lang en 5 à 6 KG. zwaar worden.

De Pijlstaart ligt meestal op den zandigen zeebodem in de nabijheid

van de kust, begeeft zich in den zomer dikwijls naar ondiep water,

waarvan bij eb slechts weinige plassen overblijven en maakt hier jacht

op kleine Visschen, Schaaldieren en Wormen. Uit de wijze, waarop hij

zich verdedigt, blijkt, dat hij met de gevaarlijkheid van zijn wapen

goed bekend is. Wanneer men hem aanvat of verschrikt maakt, is hij

gewoon den langen, buigzamen staart om het lichaam te slingeren,

dat hem vrees inboezemt en intusschen den stekel in de wonde te

drukken; ook slaat hij soms eenvoudig met den staart. Velen hebben

waargenomen, dat hij met den stekel een bepaald doel zeer goed weet

te treffen. Alle visschers weten dit en wachten zich wel het levende

dier aan te raken. De staartdoorn wordt, wanneer hij afbreekt, door een

nieuwen vervangen, die dikwijls reeds vroeger in weinig ontwikkelden

toestand vóór den volwassen doorn zichtbaar is. Wilde volken gebruiken

de stekels van deze en andere Pijlstaarten als pijlpunten; reeds de

oude Grieken deden dit; de Zuid-Amerikaansche Indianen doen het ook

thans nog. Het vleesch van den Pijlstaart is vet, hard, tranig en

onaangenaam van smaak; bij ons wordt het niet gegeten, in sommige

andere streken wel. Van de lever wordt traan bereid. Het vleesch van

de Javaansche Pijlstaartroggen schijnt smakelijker en gemakkelijker

verteerbaar te zijn dan dat van de inheemsche. De meest gewone soort

is daar de reusachtige Ikan-Paré (Trygon lymma).

Zeevleermuizen noemt men in onze Oost de leden van de geslachten

Pteroplatea en Aëtoplatea, omdat de schijf wegens de sterke

ontwikkeling der borstvinnen dubbel zoo breed is als lang. Hun staart

is kort. Een soort van Zeevleermuis (Pteroplatea altavela) bewoont

de Middellandsche Zee en den Atlantischen Oceaan.

Bij de vroeger genoemde Roggen breiden zich de borstvinnen langs

de zijden van den kop uit tot over den snuit; de hierdoor gevormde

"kopvinnen" zijn bij de Molenroggen (Myliobatidae) van de eigenlijke

borstvinnen door een inham gescheiden, zoodat de schijf duidelijk

verdeeld is in kop en romp en beide van vleugelvormige vinnen voorzien

zijn. Aan den wortel van den langen, zweepvormigen staart komt een

rugvin voor, waarachter zich één of twee stekels bevinden. Het gebit

bestaat uit zeer platte tanden of liever tandplaten, die overlangsche

reeksen vormen. De bek is zeer wijd.

In alle zeeën tusschen de keerkringen en van de beide gematigde

aardgordels, ook in de Noordzee bij de kust van Engeland, doch niet

bij de onze, treft men den Molenrog (Myliobatis aquila) aan. Deze is in

den regel niet langer dan 1 à 1.5 M. en niet zwaarder dan 8 à 12 KG.;

naar men zegt, bereikt hij soms een reusachtige grootte en een gewicht

van 200 à 300 KG. De bovendeelen zijn donkerbruin, aan de zijden iets

lichter van kleur, de onderdeelen vuilwit. De groote, uitpuilende

oogen hebben een grijsachtig groen regenboogsvlies en een zwarte pupil.

De wonden, die dit dier met zijn staartstekel kan veroorzaken,

worden zeer gevreesd; in Italië is het zelfs wettelijk verboden een

van deze Visschen op de markt te brengen, wanneer men hem niet vooraf

den stekel heeft ontnomen. Hun vleesch wordt alleen door den minderen

man gegeten; de lever daarentegen beschouwt men als een lekkernij.

"Daar is de Duivel! Groote opschudding onder het scheepsvolk! Ieder

grijpt een wapen; overal ziet men lansen, harpoenen en geweren. Spoedig

was ik bij de hand en zag een grooten Visch, die op een Rog geleek,

maar twee hoornen had als een os. Voortdurend vergezelde hem een

witte Visch, die af en toe op verkenning uitging en zich vervolgens

weer onder den reus verschool. Tusschen zijne hoornen droeg hij een

kleinen, grijzen Visch, die men den "Loods" van den Duivel noemt,

omdat hij hem tot gids dient en hem knijpt, zoodra hij Visschen

bespeurt; op deze schiet de Duivel dan pijlsnel toe."

Zoo luidt het verhaal van een reiziger, die tegen het einde van de

17e eeuw Siam bezocht en de beschrijving van deze reis in 1685 in 't

licht gaf. Na hem wordt door andere reizigers en natuuronderzoekers

van dezelfde Duivels melding gemaakt; een uitvoerig bericht geeft

Levaillant, die op 10° ZB. drie van deze dieren waargenomen heeft. Ook

deze waren door Loodsmannetjes omgeven en bij elk van hen zat op den

hoorn, die vóór den kop uitstak, een witte, lange Visch ter dikte

van een menschenarm, die tot gids scheen te dienen. Men slaagde er

in den kleinsten Duivel te vangen en vond, dat hij op een Rog geleek,

9 M. breed en zonder den staart 7 M. lang was. De bek was zoo groot,

dat een mensch er gemakkelijk door verzwolgen kon worden; de rug was

bruin, de buik wit.

Men zou geneigd zijn, deze verhalen te wantrouwen, indien in den

laatsten tijd niet herhaaldelijk dergelijke reusachtige Visschen gezien

en gevangen waren. Bij New-York doodde men er een, wiens gewicht

ongeveer 5000 KG. bedroeg. De vereenigde krachten van 2 span ossen,

2 paarden en 22 menschen waren ter nauwernood voldoende om dit monster

uit het water te halen. Elliot geeft een zeer uitvoerige beschrijving

van een door hem bijgewoonde jacht op een dezer Zeeduivels, en

verhaalt, dat zij in de Golf van Mexico wel niet veelvuldig, maar toch

geregeld voorkomen, buitengewoon snel en sierlijk zwemmen, zich op een

vreemdsoortige wijze (als 't ware springend) door 't water bewegen en

dikwijls een van de vinnen boven de oppervlakte verheffen. Als zulk

een Visch in den ankerketting verward geraakt, kan hij het vaartuig

losrukken en dit vervolgens, verwoed over de last van het aan hem

hangende anker, met demonisch geweld heen en weer sleepen. "Soms,

hoewel niet dikwijls," zegt Elliot, "is men in de gelegenheid dezen

reus van nabij te bespieden, terwijl hij in ondiep water jacht maakt

op de Garnalen en vischjes, die hem tot voedsel dienen; men moet dan

echter voortdurend op zijn hoede zijn, daar dit dier door de snelheid

zijner bewegingen een Vogel evenaart." Onze zegsman verhaalt verder

zeer uitvoerig hoe de jacht zich heeft toegedragen, hoe na veel moeite

eindelijk een der vervolgde dieren geharpoeneerd, na langen strijd

gedood, gelukkig aan land gebracht en gemeten werd: de breedte van

de schijf, van de eene vinspits tot de andere, bedroeg omstreeks 6

M. De jacht op Duivelvisschen van deze grootte is gevaarlijk, omdat

zij in hun woede op het vaartuig aanvallen, zoodat het gevaar loopt

om te kantelen; naar het schijnt, heeft men den meesten tegenstand

te duchten, als zij hun jong bij zich hebben.

Uit de bovenstaande beschrijving blijkt, dat men met den naam van

Duivelvisschen leden van het geslacht der Vleugelroggen (Dicerobatis)

bedoelt. Deze onderscheiden zich door hun vorm zoowel als door hun

grootte; de omtrek van hun lichaam herinnert veeleer aan een Vleermuis

met uitgespreide vleugels, dan aan een Visch. Ook bij hem zijn de

buitengewoon breede zijstukken van de schijf duidelijk gescheiden in

(puntige, soms min of meer zeisvormige) eigenlijke borstvinnen en in

(oorvormige) kopvinnen. Deze ontspringen uit den wortel der borstvinnen

ter hoogte van de oogen, zijn aan den buitenrand boven- en binnenwaarts

opgerold en eindigen in spitsen, die bij wijze van hoornen ver voor

den snoet uitsteken. De dunne, lange, ronde, zweepachtige staart,

draagt bij den wortel een rugvin en daarachter een stevigen stekel;

de oogen zijn ver zijwaarts geplaatst; de mondopening is vóór den

oorsprong der zoogenaamde hoornen gelegen en met verscheidene reeksen

zeer kleine, spitse of knobbelige tanden gewapend. Zij brengen slechts

één jong ter wereld.

De Gehoornde Rog (Dicerobatis Giornae) is voor ons de belangrijkste

soort en was waarschijnlijk reeds aan de ouden bekend. Hij leeft in

de Middellandsche Zee, maar is ook enkele malen op de Engelsche kust

waargenomen. Zijn lengte bedraagt gewoonlijk 1 à 1.5 M., zonder den

staart, die driemaal zoo lang is als kop en romp te zamen genomen;

naar het schijnt, wordt hij zelden zwaarder dan 25 KG. Soms heeft

men echter veel grootere, minstens 4 M. breede exemplaren gevangen,

o.a. te Nizza één van 600 KG. De bovendeelen zijn donkerbruin,

aan de zijden olijfgroen, de onderdeelen wit; de vinnen hebben een

zwartachtige kleur. Het voedsel van dit dier bestaat hoofdzakelijk

uit Koppootige Weekdieren (Inktvisschen), bovendien ook uit Visschen.

In tegenstelling met de overige platte Visschen sterven de Gehoornde

Roggen onmiddellijk nadat zij uit het water zijn gehaald en zelfs,

wanneer men ze in gevangen toestand in de zee laat blijven; het

schijnt, dat zij de gevangenschap niet kunnen verdragen. Hun vleesch

is rood, hard en taai, moeielijk verteerbaar en weinig geschat; toch

wordt het op sommige plaatsen gegeten. Uit de lever wordt traan bereid.

In de noordelijke zeeën leeft een zonderlinge Visch, die in vele

opzichten op de Haaien gelijkt, maar toch zoovele eigenaardigheden

vertoont, dat men hem tot een andere onderorde brengt. Verwante

Kraakbeenvinnigen bewonen het zuidelijke deel van den Atlantischen

en den Stillen Oceaan. Alle soorten van Zeedraken of Draakvisschen

(Holocephala) hebben een langwerpigen, rolronden romp, een langen,

dunnen staart, een dikken, kegelvormigen kop; voor het verwijderen

van het ademhalingswater dient een enkele, door een vingervormig,

kraakbeenig kieuwdeksel gesloten opening, waarin de vier kieuwspleten

uitkomen. De borstvinnen zijn zeer groot; de hooge, eerste rugvin is

van voren met een sabelvormig gekromden stekel gewapend; de tweede

rugvin strekt zich uit over een groot deel van den langen staart, welks

uiteinde van boven en van onderen (of alleen van onderen) van een vin

voorzien is, die echter soms vóór de spits ophoudt. De kleine, onder

den kop gelegen mondopening, welker randen niet uitgestoken kunnen

worden, is gewapend met snavelvormig vooruitstekende beenplaten (4

aan de bovenkaak, 2 aan de onderkaak); deze zijn van achteren plat,

van voren scherp en kunnen, evenals die der Vastkakigen beschouwd

worden als samengesteld uit onderling vergroeide tanden.

In vroegere tijdperken was het aantal soorten van Draakvisschen,

naar het schijnt, veel aanzienlijker dan thans: men vindt een vrij

groote verscheidenheid van versteende tandplaten dezer dieren in

verschillende aardlagen van het Jura-tijdperk af. De 4 thans nog

levende soorten vormen twee geslachten, die men in één familie--die

der Spoken of Zeekatten (Chimaeridae)--samenvat.

Een vertegenwoordiger van deze onderorde wordt door onze visschers

Haringkoning (Chimaera monstrosa) genoemd en is door hen in de

Noordzee, doch niet aan onze kusten waargenomen. De Selys maakt

melding van de vangst van zulk een Visch bij Ostende; volgens

Yarrell dwaalt hij soms naar de Shetlandsche eilanden af. Wegens het

zweepvormig uiteinde van den staart wordt hem soms den naam "Zeerat"

gegeven. De snuit is kegelvormig; de achterste rugvin zeer lang en

niet (of bijna niet) van de bovenste helft van de (eveneens lange)

staartvin gescheiden. Bij het mannetje merkt men op het voorhoofd

tusschen de oogen een dun, aan den top afgerond, en hier met doornen

bezet, naar voren gericht uitsteeksel op, dat aanleiding heeft

gegeven tot den naam "Koningsvisch", dien hem door Noren gegeven

wordt. De huid is bij het volwassen dier naakt en vertoont allerlei

overgangen van goudgeel, bruin en wit, die aan het dier een fraai

uitzicht verschaffen; de groote oogen hebben een wit regenboogsvlies

en een groene pupil. De Haringkoning wordt 1 à 1 1/2 M. lang. Men

heeft hem bij vele Europeesche kusten gevonden, ook in de zee van

Japan en bij de zuidspits van Afrika; het schijnt, dat hij de diepte

zelden verlaat, maar met de Haringen naar de oppervlakte stijgt; bij

deze gelegenheid wordt hij soms gevangen. Zijn voedsel bestaat uit

Weekdieren, Schaaldieren en kleine Visschen, die op diepe zeebodems

leven. De voortplanting geschiedt door eieren, deze worden als een

lekkernij beschouwd; het vleesch is taai en oneetbaar. In Noorwegen

wordt vooral aan de lever van dit dier waarde gehecht; aan de hieruit

bereide traan schrijft men geneeskrachtige eigenschappen toe.

Het Leven der Dieren. Deel 3. Afdeling 2. De Visschen · 第 14 / 18 题