DERDE ORDE.

DE WEEKVINNIGEN (Anacanthini).

De Weekvinnigen stemmen door hun inwendig maaksel met de Stekelvinnigen

overeen; voorzoover zij een zwemblaas hebben, mist deze de luchtgang;

zij hebben echter geen andere dan gelede vinstralen. Hunne buikvinnen,

voor zoover aanwezig, zijn borst- of keelstandig. Hoewel deze orde

slechts een gering aantal familiën bevat (6) en geen van deze uit meer

dan 60 soorten bestaat (uitgezonderd de familie der Platvisschen, die

er 200 heeft), is toch haar beteekenis voor de visscherij buitengewoon

groot. Tot de Weekvinnigen behooren de smakelijkste en meest gezochte

zeevisschen, waarmede de markt het geheele jaar door voorzien wordt;

duizenden schepen worden uitgerust om deze behoefte te bevredigen;

honderdduizenden menschen vinden hierdoor een bestaan. De vangst

van Weekvinnige Visschen brengt ieder jaar grootere visschersvloten

op bepaalde plaatsen bijeen dan voor eenigen anderen tak van het

visschersbedrijf noodig zijn; voor haar trotseeren de visschers het

afschuwelijkste weer. Met de hierdoor verkregen voedingsmiddelen wordt

sedert eeuwen tusschen de meest van elkander verwijderde volken handel

gedreven; gedurende dien tijd zijn vischvangst en vischhandel voor

sommige gewesten en landen de belangrijkste bronnen van inkomsten

geweest; zij zullen hun welvaart blijven verschaffen, zoolang er

nog vastenspijzen voorgeschreven en gebruikt worden. De Weekvinnigen

worden in twee onderorden verdeeld: de Schelvischachtigen (Gadoidei)

en de Platvischachtigen (Pleuronectoidei).

Het doolhof van eilandjes en klippen, die langs de kust van Noorwegen,

als 't ware een dichten krans vormen, maakt op den reiziger, die

noordwaarts stevent, vooral dan een zeer eigenaardigen indruk,

als hij de hooge breedten bereikt, waar gedurende de zomermaanden

de middernachtzon uren achtereen de bergen verlicht, waar gedurende

de wintermaanden de opkomst van de zon op lagere breedten slechts

door een schemerlicht in 't zuiden wordt aangekondigd. De verder

zuidwaarts gelegen groote eilanden, die zelden een hoogte van meer

dan 100 M. boven den zeespiegel bereiken, hebben in 't noorden plaats

gemaakt voor eilandjes van aanmerkelijk geringeren omvang, die zich

1000 M. ver en hooger boven de golven verheffen; reeds op grooten

afstand ziet men hunne besneeuwde toppen en de van hier als breede

zilveren banden naar zee afdalende gletschers scherp afsteken bij

den donker gekleurden rotsachtigen bodem. De mijlenbreede zeearm,

die deze eilanden, de Lofodden, van het vasteland scheidt, heeft,

ondanks den sterken stroom die er gaat, het voorkomen van een rustige

binnenzee in vergelijking met de bijna altoos onstuimige IJszee.

Hoewel deze zee en hare tallooze eilanden de praal van het zuiden

missen, zijn zij volstrekt niet van schoonheid ontbloot. Vooral in

de uren omstreeks middernacht oefenen zij een bijna onweerstaanbare

bekoring uit, wanneer de zon laag, maar groot en bloedrood boven den

horizon staat en haar als 't ware omsluierde glans zich weerspiegelt in

de zee en in de ijsmassa's, die de bergen bedekken. Veel dragen hiertoe

bij de overal verstrooide "hofsteden", houten woningen met muren van

planken en een dak van zoden, die nu met een zonderlinge, bloedroode

kleur prijken. Tusschen deze eilanden zijn de rijkste vischgronden

van Skandinavië gelegen; de bedoelde hofsteden zijn pakhuizen, bestemd

voor het bergen van de schatten, die aan de zee ontwoekerd worden.

In het midden van den zomer zijn deze streken eenzaam en verlaten;

gedurende den winter wemelen de eilanden en de zee van schepen en

booten en van bedrijvige menschen. In den zomer zitten millioenen

Vogels op de hellingen naar het water te turen; in den winter zijn aan

den voet van dezelfde hellingen duizenden arbeidzame menschenhanden

dag en nacht in beweging. Omstreeks de kerstdagen stroomt de

visschersbevolking van de geheele kust hierheen en kunnen de hofsteden,

hoe ruim zij ook zijn, alle gasten niet bergen. Deze huizen voor een

groot deel op de schepen of in kleine, haastig opgeslagen hutten,

hoewel slechts een beperkt aantal manschappen aan land vertoeft,

de meeste op zee rondzwalken en zich met de vischvangst bezighouden.

Maandenlang houdt deze bedrijvigheid aan; intusschen wordt op de

Lofodden voortdurend markt gehouden. Met de visschers zijn hier

opkoopers en handelaars verschenen; de schepen bestemd voor het

wegvoeren van den oogst der noordelijke zeeën hebben er de producten

van het zuiden gebracht. Niet voordat de zon zich op nieuw aan den

zuidelijken hemel vertoont en ook aan deze gewesten de lente brengt,

wordt het er stiller. Van de kiel tot aan het dek volgeladen, verlaten

achtereenvolgens alle schepen de kusten der Lofodden en keeren naar

het zuiden terug; vóór de komst van de zeevogels op de vogelbergen

hebben de menschen zich van hun voet verwijderd.

Een soortgelijke drukte verlevendigt ongeveer terzelfder tijd aan de

tegenovergestelde zijde van den Oceaan de Bank van Newfoundland, met

dit onderscheid echter, dat hier alle volken van het noorden, die zich

met de vischvangst bezighouden, bijeenkomen, terwijl de vischvangst

tusschen de Lofodden hoofdzakelijk alleen door Skandinaviërs wordt

uitgeoefend. Van Groot-Brittannië, Frankrijk, België, Nederland,

Noord-Amerika, enz. zetten ieder jaar vele duizenden vaartuigen

koers naar de Bank van Newfoundland, waar zich een leger van meer

dan 100.000 stoere zeelieden verzamelt.

Terwijl de visschers in de nabijheid van de Lofodden en van

Newfoundland op deze wijze hun bedrijf uitoefenen, zijn hunne

beroepsgenooten met nog grooter ijver dan in de andere maanden

van het jaar bezig op de westkust van Frankrijk, bij de kusten

van België, Nederland, Duitschland, Jutland, de Britsche eilanden

en in het noorden van den Atlantischen Oceaan bij de bank, die de

Rockall-rotsen, ten westen van de Hebriden, omgeeft. Overal, waar

uitzicht op winst bestaat, nu eens hier, dan weer daar, met meer of

minder succes, verrichten deze tegen weer en wind geharde menschen,

aan tal van gevaren en ontberingen blootgesteld, een moeitevollen

arbeid ter wille van de vangst van een enkele vischsoort. Deze hoogst

belangrijke zeevisch, de Kabeljauw, wordt sedert meer dan 3 eeuwen

onophoudelijk met ijver vervolgd; zijn vangst heeft aanleiding gegeven

tot bloedige oorlogen; hoewel er ieder jaar meer dan honderd millioen

exemplaren worden buitgemaakt, is hij nog steeds talrijk, daar zijn

ongeloofelijke vruchtbaarheid de gapingen, die de menschen te midden

van zijne voor geen schatting vatbare heirscharen teweegbrengen,

tot dusver altijd weder gevuld heeft.

De familie der Schelvisschen (Gadidae), waarin aan den Kabeljauw

wegens zijn belangrijkheid voor de visscherij de eereplaats toekomt,

kenmerkt zich door een meer of minder langwerpig lichaam, met kleine,

zachte, aan den rand getande schubben bekleed, uitgerust met 1, 2 of 3

rugvinnen, met kleine keelstandige buikvinnen, met 1 of 2 aarsvinnen en

een breede, min of meer uitgesnedene, zelden afgeronde staartvin. De

kaken, de top van het ploegschaarbeen, bij enkele soorten ook de

gehemeltebeenderen zijn met kleine, hekelvormige tanden gewapend.

Een middelmatig lang, met kleine schubben bekleed lichaam, een

smalle, tandendragende streep aan de bovenkaak, geen tanden aan

de gehemeltebeenderen, maar vooral het bezit van drie rug- en twee

aarsvinnen, die duidelijk gescheiden zijn van de staartvin, zijn de

kenmerken van het geslacht der Schelvisschen (Gadus), dat wij in twee

ondergeslachten verdeelen. Door het bezit van één voeldraad achter de

spits van de onderkaak, welke een weinig korter is dan de bovenkaak,

kenmerkt zich het ondergeslacht der Dorschen (Morrhua) en dus ook de

Kabeljauw of Dorsch (Gadus morrhua). Deze Visch kan 1 à 1.5 M. lang en

40 KG. zwaar worden; hij is op grijsachtig olijfkleurigen grond met

talrijke, kleine, onregelmatige en dikwijls onduidelijke, bruine of

geelachtige vlekken gestippeld; de vinnen zijn bruin; de zijdestreep

is wit en de witte buik ongevlekt.

De genoemde kleursverdeeling is de meest gewone bij de exemplaren,

die in de Noordzee en aan de Britsche kusten gevangen worden. Verder

noordwaarts hebben donkerder kleuren, dikwijls zonder eenige vlekken,

de overhand. De teekening is bij de oude dieren veel minder duidelijk

en bepaald dan bij de jongen, die daarom soms met een bijzonderen

naam (Dorsch) bestempeld worden (maar aan onze kust niet menigvuldig

voorkomen). Bovendien merkt men vele kleursverscheidenheden op, die,

evenals de streek, waar de Visch gevangen wordt, aanleiding gegeven

hebben tot verschillende namen; in Noorwegen b.v. spreekt men van

"Grauwtorsch", "Zwarttorsch", "Bergtorsch", enz. Kolvisch heeten bij

ons de exemplaren, die ver van de kust gevangen worden; Dogge is een

verouderde naam van dit dier.

De Kabeljauw bewoont het noordelijke deel van den Atlantischen Oceaan

en de aangrenzende gedeelten van de IJszee en komt vooral tusschen

50 en 75° N.B. in zeer grooten getale voor; de zuidgrens van zijn

verbreidingsgebied ligt ongeveer op 40° N.B.; in de Middellandsche

Zee ontbreekt hij dus geheel. Als zijne eigenlijke verblijfplaatsen in

de genoemde zeeën moet men de onderste waterlagen tot op ongeveer 120

vademen diepte aanmerken; naar ondiepere bochten en naar banken, die

betrekkelijk dicht bij den waterspiegel gelegen zijn, zooals die van

Newfoundland en Rockall, begeeft hij zich alleen ter voortplanting. Ook

dan echter vermijdt hij ondiepten en kiest bij voorkeur plaatsen van

25 à 40 (of 50) M. diepte voor het kuitschieten uit. Misschien is geen

enkele Visch vruchtbaarder dan de Kabeljauw; Leeuwenhoek berekende het

aantal eieren door hem in één kuiter gevonden op 9 millioen; Braydley

schat het op minstens 4 millioen. De rijtijd van dezen Visch valt

in het oostelijk gedeelte van zijn verbreidingsgebied vroeg in het

voorjaar, n.l. in Februari; reeds in het begin van Januari beginnen

de Kabeljauwen hier naar de kusten te zwemmen. Aan de westzijde van

den Atlantischen Oceaan geschiedt dit eerst later, in Mei en Juni; de

oorzaak van dit verschijnsel is ongetwijfeld, dat hier niet, gelijk bij

ons, de Golfstroom zijn opwekkenden invloed op de zeedieren uitoefent

en de ontwikkeling hunner jongen bespoedigt. Deze zijn een half jaar

later ongeveer 20 cM. lang en in het derde levensjaar geslachtsrijp. De

kuitschietende Visschen verschijnen in tallooze menigte, "bij bergen",

zegt de Noor op kernachtige wijze, d. w. z., in dicht opeengedrongen

scholen, die verscheidene meters hoog boven elkander zwemmen en een

ruimte van 1 zeemijl of meer innemen; zij trekken naar de kust of naar

een zandbank, vertoeven hier verscheidene dagen, worden aanhoudend

door nieuwe exemplaren vervangen en verdwijnen daarna allengs weer.

Gedurende den voortplantingstijd heeft de vangst plaats, die wegens de

vraatzucht van den Kabeljauw een rijke opbrengst levert. Deze Visch,

wiens gewone voedsel uit Visschen, Schaal- en Schelpdieren bestaat,

verslindt al wat hij meent te kunnen bemachtigen, hapt er althans naar,

zelfs naar volkomen oneetbare voorwerpen, die door hun glinsteren

of op andere wijze zijn aandacht trekken. In de Oostzee verschijnt

de Dorsch overal in 't gevolg van den Haring; hij vult echter zijn

steeds hongerige maag in geval van nood ook wel tot barstens toe

met Stekelbaarzen, zoekt Schaal- en Schelpdieren op, verzwelgt zelfs

planten en spaart zijne eigene jongen niet.

"De kabeljauwvangst der Nederlanders wordt langs de kust, op

Doggersbank en in het algemeen in de Noordzee uitgeoefend, slechts

eenige schepen gaan thans tot de Fär-eilanden en IJsland. De vaart op

Kabeljauw naar laatstgenoemde gewesten draagt den naam van "IJslandsche

visscherij", die in het ruime sop der Noordzee heet de "beug"- en

"kolvaart". De "beugvaart" of "beugvisscherij", die men gemeenlijk

ook de "winter-kabeljauwvisscherij" noemt, omdat zij in den winter

uitgeoefend wordt, ontleent haar naam aan het daarbij gebruikelijke

"hoekwant" (de "beug"). De "kolvaart" of "kolvisscherij", die in het

voorjaar plaats heeft, werd oorspronkelijk zoo genoemd, omdat men den

Kabeljauw aan lijnen vangt, die van Hollandschen "kol", een soort van

hennep, gemaakt zijn. De zoogenaamde "versche vischvangst" heeft in de

nabijheid van de kust plaats. De kabeljauwvaart levert ook, ofschoon

in veel geringere hoeveelheid, Schelvisch, Leng, Koolvisch en Bot"

(Schlegel).

Op de Noorsche kust maakt men voor de kabeljauwvangst gebruik van

netten; op alle overige plaatsen daarentegen bezit men hiervoor

niet anders dan de "grondlijn" en de "handlijn", die beide ook op de

Lofodden een belangrijke rol spelen. De "grondlijn" is een dik touw

van ongeveer 200 M. lengte, waaraan zich ongeveer 1200 hengelsnoeren

met haken bevinden. Zij wordt uitgeworpen en om de 6 uren opgehaald,

de gevangene Visschen er afgenomen, het verbruikte aas vervangen en

de lijn opnieuw gelegd. In den tusschentijd wordt met de handlijn

gevischt; iedere visscher heeft er één in de hand, die hij schielijk

ophaalt, zoodra het blijkt, dat er een Visch aanzit, en onmiddellijk

weer uitwerpt. Wegens de ontzaglijke groote menigte Visschen komt het

niet zelden voor, dat iedere hengelaar in de boot 300 à 400 exemplaren

op één dag vangt.

Onmiddellijk na de vangst wordt de buit toebereid. In de eerste

plaats wordt de kop afgesneden en in een afzonderlijke ton of tobbe

geworpen, daarna de ingewanden er uitgehaald en het overblijvende

met eenige vlugge en behendige sneden tot aan de staartvin in twee

helften verdeeld; zeer groote exemplaren splitst men ook wel in 4

deelen. De lever komt in een afzonderlijk vat, de kuit in een ander;

de overige ingewanden worden stukgesneden en hetzij dadelijk of

althans spoedig als lokaas gebruikt. Gedurende de wintervisscherij

wordt alle Kabeljauw, op de Lofodden althans, in den eersten tijd tot

"stokvisch" verwerkt, d. i. gedroogd. Met de talrijke stokken en aan 't

einde gevorkte palen, die ieder groot schip aan boord heeft, worden de

reeds aan land aanwezige, vaste stellages uitgebreid. De Kabeljauwen,

in zeewater gewasschen en tot aan de staartvin doorgesneden, worden

hieraan te drogen gehangen, op de meeste eilanden in de open lucht,

hier en daar ook wel onder afdaken, die aan de luchtstroomen vrijen

doorgang verleenen. Als de weersgesteldheid niet bijzonder gunstig is

geweest, ziet men de stellages nog in Juli volgeladen. Eerst nadat

de stokvisch zoo droog als hout geworden is, brengt men hem in de

pakhuizen, als brandhout tot bundels gebonden, die hier opeengestapeld

blijven tot den tijd der verzending. In buitengewoon gunstige jaren,

als alle stellages vol hangen, verwerkt men de laatst gevangen

exemplaren tot "klipvisch". Te dien einde worden de Kabeljauwen

langs de ruggegraat middendoor gedeeld, eerst eenige dagen in groote

kuipen gezouten en daarna op de klippen neergelegd om te drogen;

soms worden zij ook wel versch op de klippen uitgespreid en hier met

zout bestrooid. Als men vaten genoeg aan boord heeft, maakt men van

een groot deel van de vangst "labberdaan" of "zoutevisch", door de

vaten te vullen met afwisselende lagen van stukgesneden Kabeljauw

in zout en vervolgens dicht te kuipen. In het noorden van Noorwegen

of in Finland komen gedurende de vangst geregeld Russische schippers

uit Archangel, die op echt Russische wijze, alle tonnen versmadend,

de door hen gekochte Kabeljauwen en andere Visschen zonder eenige

toebereiding in het ruim van hun vaartuig werpen, zout strooien

tusschen de opeenvolgende lagen en de geheele massa met hunne

juchtleeren laarzen vaststampen.

"De zoogenaamde "wangen", gevormd door de slaapspier en de uitwendige

laag der kauwspier worden afzonderlijk ingezouten en onder den naam

van "kibbelen" of "kibbeling" in den handel gebracht. Hetzelfde heeft

plaats met de zoogenaamde "lippen" en "kelen", zijnde de lippen het

paar kintongbeenspieren, de kelen het paar borsttongbeenspieren. De

kibbeling is minder geacht dan de gewone labberdaan; de lippen en de

kelen gelden voor de fijnste deelen van de Kabeljauw" (Schlegel). De

koppen dienen in Noorwegen bijna uitsluitend als veevoeder. De levers

worden bij het einde van de vangst in groote kuipen overgebracht,

die dikwijls midden in de steden staan, tot verdriet van de bewoners

van zuidelijker landen, die een teergevoeliger reukorgaan schijnen te

hebben dan de Noren. Terwijl de inhoud der kuipen onder het verbreiden

van een ondragelijken stank verrot, scheidt een olieachtig vet, de

"levertraan", zich uit de rottende massa af en wordt van tijd tot

tijd er afgeschept; men zuivert het, door het te laten bezinken

en te filtreeren, en pakt het, naar gelang van de kwaliteit, in

verschillende vaten. De beste levertraan is natuurlijk die, welke

zich gedurende de eerste dagen van het rottingsproces afscheidt;

de slechtste wordt door het afkoken van de overblijfselen verkregen.

"De kuit van den Kabeljauw gebruikt men aan de noordkust van Frankrijk

tot de vangst der Sardijn (Clupea sardina); er worden te dien

einde uit ons land, maar vooral uit Bergen in Noorwegen, jaarlijks

duizenden tonnen van deze kuit naar Nantes gezonden, welker waarde

een niet onaanzienlijk deel van de opbrengst der kabeljauwvisscherij

uitmaakt. In IJsland, Schotland, Engeland en Newfoundland wordt uit

de zwemblaas van den Kabeljauw een uitstekende vischlijm gekookt"

(Schlegel).

Ook nog na den eigenlijken vangtijd worden op de Lofodden nog

voortdurend Kabeljauwen of, zooals men daar zegt, Dorschen buitgemaakt

en al naar de weersgesteldheid op de eene of andere der bovengenoemde

wijzen toebereid. Op de vangst en de toebereiding van den Visch

op de Newfoundlansche Bank is de bovenstaande beschrijving, wat de

hoofdzaken betreft, eveneens toepasselijk.

In het jaar 1861 werden op de Lofodden door meer dan 20000 menschen,

die ongeveer 5000 vaartuigen bemanden, meer dan 9 millioenen

Kabeljauwen gedroogd, even zoovele werden tot klipvisch en labberdaan

verwerkt en omstreeks 1 millioen in verschen toestand gegeten. De

beste vischplaatsen van Europa zijn gelegen bij de twee grootste der

6 groote Lofoddeneilanden, n.l. bij Oost- en West-Vaagö (die samen

een oppervlakte van bijna 1000 KM2 hebben). Reeds ten tijde van Olaf

den Heiligen (in 1020) kwamen alle Noorsche visschers hier Kabeljauw

(Skrei) en Haring vangen. Toch is geen vermindering van den rijkdom

van dit vischwater waar te nemen. In 1892 werd het bezocht door 30092

visschers in 7148 booten, die in 't geheel 16 millioen Kabeljauwen

vingen; in 1888 was dit getal 26 millioen. Geheel Noorwegen leverde

in 1890 63 1/2 millioen Kabeljauwen: in de laatste 24 jaren gemiddeld

52 millioen per jaar; de waarde van den uitvoer van de producten der

kabeljauwvisscherij uit Noorwegen bedroeg 35 millioen kronen. Jaarlijks

komen op de wereldmarkt gemiddeld 150 millioen gedroogde en gezouten

Kabeljauwen. In Europa houden zich meer dan 100000 menschen met deze

vischvangst bezig, terwijl in Noorwegen alleen 125000 menschen direct

of indirect hierdoor in hun onderhoud voorzien.

Nog veel belangrijker is de kabeljauwvisscherij in de buurt van

Newfoundland. De groote bank, die aan de oost- en zuidoostzijde

van dit eiland ligt, heeft een oppervlakte van 120000 KM2. en is

bedekt met een waterlaag van 45 à 175 M. diepte. Reeds in het begin

van deze eeuw werden hier meer dan 300 millioen Kabeljauwen gevangen

(bovendien in de Golf van St. Laurens 100 millioen). De waarde van alle

uitvoerartikelen van Newfoundland bedroeg in 1891 7.4 millioen dollars,

waarbij voor 5.3 millioen dollars aan Kabeljauw. 54755 van de 202040

inwoners van dit eiland houden zich met de vischvangst bezig. De totale

opbrengst van de kabeljauwvisscherij in Canada bedroeg in 1891 3.82

millioen dollars, waarvan het grootste deel op Nieuw-Schotland komt.

Hiermede vergeleken, is de kabeljauwvangst in de Noordzee van geringe

beteekenis. In de Oostzee is men eerst in den laatsten tijd begonnen

den Dorsch, die hier soms in aanzienlijke getale voorkomt, de aandacht

te schenken, die hij verdient; tot dusver is deze visscherij hier

van weinig belang.

Geen zeevisch geraakt gemakkelijker gewoon aan het opgesloten zijn in

een beperkte ruimte en neemt eerder het voedsel voor lief, dat hem

hier gegeven wordt; geen zeevisch eet meer en groeit sneller dan de

Kabeljauw. Als men hem een voldoende hoeveelheid voedsel verschaft

en het water in den als aquarium dienenden bak koel en frisch houdt,

gedijt hij voortreffelijk en blijft verscheidene jaren leven, al is

zijn woning hem blijkbaar te klein. In den laatsten tijd heeft de

commissie voor de visscherij in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika

van de kunstmatige vischteelt gebruik gemaakt om den Kabeljauw ook

in zuidelijker zeeën te acclimatiseeren, o.a. in de Chesapeake-baai

tusschen Virginia en Maryland.

Onze Schelvisch (Gadus aeglefinus) onderscheidt zich van den Kabeljauw

door geringere grootte, een meer langwerpige gedaante, het spitser

toeloopen van de eerste rugvin en een andere kleur. De rug is

bruinachtig; de zijden zijn zilvergrijs, de zijdestreep en een vlek

tusschen de borstvin en de eerste rugvin zwart. Op onze breedtegraad

wordt hij 50 à 60 cM. lang en 6 à 8 K.G. zwaar; in noordelijker zeeën

komen exemplaren voor, die de helft grooter zijn.

Het verbreidingsgebied van den Schelvisch komt over 't geheel genomen

overeen met dat van den Kabeljauw. In de Noordzee is hij nergens

zeldzaam, op vele plaatsen zelfs zeer overvloedig; in de Oostzee

daarentegen ontmoet men hem betrekkelijk zeer zelden. Ook deze soort

vormt tallooze scholen, die bijna voortdurend rondzwerven. De reden

hiervan schijnt te zijn, dat iedere school den voedselvoorraad van

een bepaald gedeelte der zee geheel uitput, hier even verwoestend te

werk gaat als sommige landdieren op het door hen bewoonde terrein;

zij blijft rooven in een betrekkelijk kleinen kring, totdat alle hier

aanwezige, vastzittende Schaal- en Schelpdieren verbruikt en alle voor

haar voeding geschikte vischjes gedood of verjaagd zijn. Gewoonlijk

blijven de Schelvisschen op een afstand van 4 à 5 zeemijlen van de

kust; in Februari en Maart, hun rijtijd, komen zij echter ook dicht

bij het strand voor en worden dan in grooten getale gevangen. Vooral in

sommige jaren is deze vangst zeer overvloedig, o. a. in 1850 en 1851,

toen alleen bij Zoutkamp in de provincie Groningen in het eerste jaar

300,000, in het tweede 250,000 Schelvisschen gevangen werden.

Voor de vangst van Schelvisch gebruikt men in de Noordzee hoofdzakelijk

de handlijn en de beug, bij uitzondering ook groote sleepnetten. In

de Groenlandsche zee echter vangt men hem dikwijls met geringe moeite

na het hakken van gaten in het ijs, die door dezen Visch opgezocht

worden, omdat het water hier meer lucht bevat en dus geschikter is voor

de ademhaling. Zijn vleesch is wit, vast, smakelijk en gemakkelijk

verteerbaar; het wordt boven dat van den Kabeljauw gesteld, maar is

voor de stokvischbereiding minder geschikt. Toch drogen onze visschers

de Schelvisschen soms, zoowel voor eigen gebruik als voor den uitvoer

naar België. Ook door het "strippen" maken zij ze bij overvoerde markt

voor de verzending naar binnen- en buitenland geschikt; in dit geval

wordt de Visch na het opensnijden van den buik en het uithalen van

de ingewanden, met zout bestrooid (Van den Ende).

Veel zeldzamer dan de beide vorige soorten, en nooit, zooals deze, in

groote scholen, vertoont de (kleinere) Steenbolk, ook Bolk of Boelk

genaamd (Gadus luscus), zich aan onze kusten. Hij wordt ongeveer 35

cM. lang en is gemakkelijk te herkennen aan de zwarte vlek op den

wortel van de borstvinnen. De naar geelrood zweemende, bruine kleur

der bovendeelen wordt op de zijden allengs lichter en op den buik wit.

Nauw verwant aan deze soort, maar nog kleiner is de Dwergbolk (Gadus

minutus), die eveneens in de Noordzee, doch aan onze kust, naar het

schijnt, niet voorkomt, zelden langer dan 18 cM. of zwaarder dan 200

gram wordt en de genoemde zwarte vlek mist. In de Middellandsche Zee

vangt men hem soms in zeer grooten getale. Ofschoon eetbaar, zijn

deze beide soorten als voedsel voor den mensch van weinig beteekenis;

soms gebruikt men ze als lokaas voor het vangen van andere Visschen.

Door het gemis van den voeldraad aan den snuit onderscheidt zich het

ondergeslacht der Wijtingen (Merlangus).

De Wijting (Gadus merlangus), waaraan deze groep haar naam ontleent, is

vrij veelvuldig aan onze kust en wordt dikwijls in de nabijheid van het

strand gevangen. De visschers langs de kust van Noord- en Zuid-Holland

noemen de niet geheel volwassen exemplaren van deze soort Mooie Meisjes

en de jongen Molenaar. Ten onrechte heet de Wijting ook wel "Bolk"

(Van Bemmelen). Evenals bij de leden van het vorige ondergeslacht

steekt ook bij hem de bovenkaak voorbij de onderkaak uit. Zijn

lengte bedraagt 30 à 40 cM.; zelden wordt hij 3 KG. zwaar. De bleek

roodachtig bruine, naar aschgrauw zweemende kleur van de bovendeelen

gaat op de zijden en aan den buik in zilverwit over. Aan en boven

den wortel der buikvinnen komt een zwarte vlek voor. Deze Visch is

aanmerkelijk slanker gebouwd dan de andere leden van zijn geslacht.

In de West-Europeesche zeeën is de Wijting nergens zeldzaam; toch

wordt hij in de Noordzee en de Oostzee minder overvloedig gevonden

dan de Schelvisch en de Kabeljauw, en nooit in zoo groote scholen als

deze. De Orkaden liggen, naar het schijnt, op de noordelijke grens

van zijn verbreidingsgebied, dat zuidwaarts tot aan de Portugeesche

kust reikt. Gedurende den voortplantingstijd, in Januari en Februari,

vormen de Wijtingen scholen, die tot op een afstand van een halve

zeemijl de kust naderen. Hun voedsel bestaat uit Schaaldieren, Wormen,

vischkuit, vischbroed en vischjes tot aan de grootte van den Pelser

(Clupea pilchardus). Om de laatstgenoemde prooi te verkrijgen,

verlaten zij zelfs hunne lievelingsplaatsen op zandige gronden. Ook

zij worden hoofdzakelijk aan de lijn, zelden met netten gevangen. In

Groot-Brittannië geschiedt dit het geheele jaar door opzettelijk,

vooral gedurende den rijtijd. Hun vleesch is wit en smakelijk, wordt

bij voorkeur versch gegeten en dan boven dat van den Schelvisch

verkozen. Daar men hen soms in zoo grooten overvloed vangt, dat het

niet mogelijk is koopers voor de versche visch te vinden, wordt deze

veelvuldig gedroogd of gezouten; hierdoor verliest zij hare goede

eigenschappen in nog hoogere mate dan de Kabeljauw. In Engeland wordt

dit product veel als scheepskost gebruikt; het vindt dus onder de

zeelieden, zoo niet liefhebbers, dan toch eters.

De naaste verwanten van den Wijting, de Koolvisch (Gadus carbonarius),

en de Pollak (Gadus pollachius), hebben beide de onderkaak langer

dan de bovenkaak; vooral bij den Pollak is dit duidelijk. Deze heeft

zwartgroene of donkergrijsbruine bovendeelen, welke kleur bovenaan op

de zijden in wolkvormige vlekken eindigt en verder naar beneden plaats

maakt voor het geelachtige zilverwit der overige lichaamsdeelen;

de vinnen zijn roodbruin, de oogen roodgeel. De donker gekleurde

zijdestreep is tegenover het einde van de eerste rugvin eensklaps

naar beneden gebogen.

Daar de Pollak aan rotsachtige kusten de voorkeur geeft en zijn

standplaats niet dikwijls verlaat, komt hij bij ons zelden voor,

hoewel men hem langs de geheele kust waargenomen heeft. Hij bewoont de

Noordzee, de kust van Noorwegen tot in het Kattegat en is het geheele

jaar door menigvuldig aan de kusten van Groot-Brittannië. Zijn voedsel

bestaat uit allerlei kleine Visschen. Bij ons bereikt hij in den regel

geen grootere lengte dan 50 cM.; hij kan echter 1.2 M. lang worden.

De Koolvisch behoort in meer noordelijke zeeën thuis, hoewel hij ook

nog in den Atlantischen Oceaan, de Noordzee en zelfs in de Oostzee

aangetroffen wordt. Bij IJsland, Groenland en Finland is hij niet

zeldzaam, bij Spitsbergen wel niet de eenige, maar toch de meest in

't oog vallende en veelvuldigste vischsoort. In westelijke richting

strekt zijn verbreidingsgebied zich tot aan de Vereenigde Staten

uit. "Gedurende de "kolvaart" in de Noordzee en de zoogenaamde

IJslandsche visscherij, die beide Kabeljauw als hoofdproduct leveren,

worden ook Koolvisschen door onze visschers gevangen, maar slechts

in naar evenredigheid geringen getale. Aan onze kust treft men in den

regel slechts enkele niet volwassen exemplaren aan" (Schlegel). Deze

jongen zijn bekend onder den naam van Groene Schelvisch. De bovendeelen

van den volwassen Koolvisch zijn zwartbruin, min of meer zweemend

naar olijfgroen, de zijden donkergrijs, de onderdeelen wit; de

nagenoeg rechte zijdestreep is wit en komt op de donkere grondkleur

duidelijk uit. De buik- en aarsvinnen zijn licht grijsachtig, alle

overige vinnen blauwachtig zwart. Het oog is zilverwit, de huid in de

mondholte zwart. Bij de jongen zijn alle kleuren lichter en zweemen

meer naar olijfgroen.

Het vleesch van dezen 40 à 100 cM. langen Visch is veel geringer van

kwaliteit dan dat van de meeste andere leden van zijn geslacht; vooral

dat van de oude dieren wordt zeer weinig geacht en daarom in den regel

tot stokvisch of klipvisch verwerkt. Op de kusten van Nordland zijn

zij zeer talrijk en gemakkelijk te vangen; het is voorgekomen, dat

de vangst van 4 visschers binnen weinige uren 24 centenaars bedroeg.

Als verblijfplaats kiest de Koolvisch liefst een rotsachtigen

grond van niet al te groote diepte, o.a. klippen te midden van de

branding. Evenals sommige andere roofvisschen, komt hij aan den

kost door op eene beschutte plaats te wachten tot de stroom hem een

levenden of dooden buit toevoert. Gedurende den rijtijd van kleinere

Visschen, vooral van Haringen, heeft zijn jacht bijna uitsluitend de

vangst van deze dieren ten doel; voor 't overige eet hij hoofdzakelijk

Schaaldieren, soms ook Schelpdieren.

De naam Stokvisschen, die men in 't dagelijksch leven alleen gebruikt

tot aanduiding van gedroogde Kabeljauwen, wordt ook gegeven aan een 3

soorten omvattend geslacht van zeebewoners, die aan de Schelvisschen

nauw verwant zijn (Merluccius). Zij hebben een platten kop; het

langwerpige lichaam is bedekt met grootere schubben dan bij de andere

inheemsche familieleden voorkomen; het draagt twee rugvinnen, waarvan

de achterste, evenals de onverdeelde aarsvin, meer dan de helft van

den romp inneemt; de tanden zijn betrekkelijk groot en nagenoeg op

één rij geplaatst; de voeldraden ontbreken. De meest bekende (en

eenige inheemsche) vertegenwoordiger van dit geslacht is de Stokvisch

(Merluccius vulgaris). Hij kan ongeveer 120 cM. lang en 16 KG. zwaar

worden. De bruingrijze kleur van den rug wordt op de zijden lichter en

gaat aan den buik in zilverwit over; de bovenste vinnen zijn donker-,

de onderste lichtbruin.

De Stokvisch behoort tot de algemeenste en belangrijkste Visschen van

de Middellandsche Zee, maar is ook over het noordelijke deel van den

Atlantischen Oceaan verbreid; in de nabijheid van de Europeesche

kusten, vooral in de Britsche en Scandinavische wateren, komt

hij veelvuldig voor. Daar hij zich bij voorkeur op zandbanken aan

rotsachtige kusten ophoudt, ontmoet men hem zeer zelden in de zee, die

Nederland bespoelt. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Makreelen

en Haringen. De rijtijd duurt van Januari tot April.

Het vleesch van de Stokvisschen wordt niet hoog geschat; het is week,

maar zou misschien door een doelmatige toebereiding veel smakelijker

gemaakt kunnen worden. Vooral aan de zuidkust van Engeland en aan

de kusten van Ierland vangt men ze 's winters en in het voorjaar in

grooten getale; deze komen echter slechts voor een zeer klein deel in

verschen toestand in de keuken; de meeste worden gedroogd of gezouten,

als stokvisch of klipvisch, in den handel gebracht.

Het eenige lid van de familie der Schelvisschen, dat in zoetwater

leeft, is de wijd en zijd verbreide Kwabaal of Kwabbe (Lota vulgaris),

die ook wel (evenals Zoarces vivipara) Puitaal wordt genoemd,

in Friesland Aalpad, in het land van Kuik Merkor heet. Hij is de

eenige vertegenwoordiger van een gelijknamig geslacht en heeft een

langwerpig, cilindervormig, aan den staart zijdelings samengedrukt,

met zeer kleine schubben bedekt lichaam, een kleinen kop, een zeer

lange aarsvin, twee rugvinnen, waarvan de tweede de aarsvin in lengte

overtreft, terwijl de eerste zeer kort is, een tamelijk kleine, puntig

afgeronde staartvin, één voeldraad aan de kin en een breede streep

van borstelvormige tandjes aan de randen van beide kaken en aan het

ploegschaarbeen. De Kwabaal is op den rug, de zijden en de vinnen meer

of minder donker olijfgroen van kleur en met zwartbruine, wolkachtige

marmervlekken geteekend; de keel en de buik zijn witachtig. Hij kan

60 cM. lang en 8 KG. zwaar worden; zulke groote exemplaren worden

echter alleen in diepe meren gevonden.

Weinige soorten van zoetwatervisschen hebben zulk een uitgestrekt

verbreidingsgebied als de Kwabaal. Hij bewoont de stroomende en

stilstaande wateren van geheel Middel-Europa en Noord-Amerika,

ook die van Middel-Azië, voor zoover zij niet zout zijn; naar men

zegt, komt hij zelfs in Indië voor. Bij voorkeur houdt hij zich in

tamelijk diep water op en vestigt zich daarom alleen dan in kleine

stroomen, als hun bed betrekkelijk vele diepe plaatsen bevat;

in de meren zoekt hij liefst de diepste gedeelten op, waar 40, 60

of meer M. water staat. Bovendien verlangt hij helder water en is

daarom in bergstreken veelvuldiger aanwezig dan in de vlakte. In

Groot-Brittannië is hij, evenals bij ons, niet algemeen; in het

Bovenrijn- en in het Donau-gebied daarentegen ontmoet men hem overal

op geschikte plaatsen. In Zwitserland vindt men hem nog op een hoogte

van meer dan 700 M., in Tirol zelfs in wateren, die 1200 M. boven de

oppervlakte der zee gelegen zijn. Hij is een van de vraatzuchtigste

roovers van het zoetwater, houdt zich over dag schuil onder steenen

en andere in 't water liggende voorwerpen en maakt vooral 's nachts

jacht op waterinsecten en kleine Visschen, de jongen van zijn eigen

soort niet uitgezonderd. Wanneer de Kwabalen in een aquarium niet

genoeg voedsel krijgen, vreten zij elkander op; de sterkste zal alle

overige verslinden, indien hij ze kan bemachtigen.

De voortplanting heeft waarschijnlijk, al naar de landstreek en de

weersgesteldheid, in verschillende jaargetijden plaats, daar men in

de maanden November tot Maart versche eieren heeft gevonden. Hoewel de

Kwabalen in de overige tijden van 't jaar ongezellig leven, vereenigen

zij zich, als de aandrift tot voortplanting hen bezielt, tot scholen,

die soms uit omstreeks 100 individuën bestaan, welke zich als Alen

dooreengestrengeld hebben en een kluwen vormen. Hoewel iedere kuiter

ongeveer 130,000 eieren bevat, vermenigvuldigt de Kwabaal zich niet

sterk, daar de jongen voor 't meerendeel opgevreten worden.

Het meeste voordeel levert de vangst van den Kwabaal in den rijtijd

op; hiervoor dienen netten, zetlijnen en fuiken.

Als lokaas gebruikt men vischjes en Kreeften. Over de waarde van dezen

Visch voor de keuken wordt verschillend geoordeeld. In sommige streken

wordt hij gezocht, in andere gering geschat; in Engeland b.v. heeft

men over 't algemeen niet veel met hem op, in Zwitserland daarentegen

wordt hij boven alle andere zoetwatervisschen verkozen. Hiernaar

regelt zich natuurlijk de prijs.--Bij de Boerjeten vervangt de huid

van den Kwabaal ons vensterglas; bij de Kawassische Joerten dragen

mannen en vrouwen kleedingstukken (rok, broek en laarzen), die van

deze huid vervaardigd zijn.

De Lengen (Molva), waarvan 3 soorten bij de kusten van Noord-Europa,

IJsland en Groenland gevonden worden, verschillen vooral door het

bezit van tamelijk groote, kegelvormige tanden aan de onderkaak en

het ploegschaarbeen van de Kwabalen. Zij zijn nog slanker gebouwd

dan deze en hebben een minder afgeronde staartvin.

De Leng (Molva vulgaris), een bewoner van de rotsachtige kusten van

de IJszee en van het noordelijkste deel van den Atlantischen Oceaan

wordt in menigte langs de kusten van Noorwegen, Groot-Brittannië en

Newfoundland gevangen; een deel wordt in verschen toestand gebruikt,

het overige gedroogd of gezouten in den handel gebracht; uit de

lever wordt traan verkregen. Bij onze kust komt deze Visch zelden

voor. Vooral voor de bewoners van de Shetlandsche en Orkney-eilanden,

van IJsland en Noorwegen is hij van groot belang. Zijn lengte, welke

die van alle overige leden zijner familie overtreft, bedraagt meestal

1 à 1.5 M., maar kan tot 2 M., het gewicht tot 25 KG. stijgen. De rug

en de zijden zijn bruinachtig grijs, meestal met olijfkleurige tint,

de onderdeelen zilverwit; de aarsvin, de staartvin en de twee rugvinnen

hebben een witten zoom, die op de staartvin voorafgegaan wordt door

een zwarten dwarsband. Gewoonlijk bewoont de Leng aanzienlijke diepten,

waar hij op Schaaldieren en Visschen jacht maakt, vooral op Schollen,

Knorhanen en dergelijke, op den bodem vertoevende dieren. In de

lentemaanden nadert hij de kust om kuit te schieten en stelt hierdoor

de visschers in staat hem te vangen. Op de kusten van Cornwallis

is de vangst in de maanden Januari en Februari het overvloedigst,

op Shetland tusschen Mei en Augustus.

De Meunen (Motella) hebben een lang, aalvormig lichaam, 3 of meer

voeldraden aan den kop, een zeer lange aarsvin en een nog langere

rugvin; beide bereiken, als bij den Kwabaal, den wortel van den staart;

de eerste rugvin is wel lang, maar door zeer korte en haarfijne

stralen gesteund en dus ternauwernood zichtbaar.

De Driedradige Meun (Motella tricirrhata) heeft 3 voeldraden (1 aan

de kin en 2 aan de voorste neusopeningen) en wordt 35 à 40 cM. lang;

de bovendeelen (met borstvinnen, rugvin en staartvin) zijn geelbruin

met groote, donkerbruine vlekken, de onderdeelen (met inbegrip van

de buikvinnen en de aarsvin) bleek geelbruin, soms geelachtig wit,

met lichtere vlekken. Deze op onze kust weinig voorkomende, evenals

zijne verwanten veel op den Kwabaal gelijkende Visch wordt in alle

Europeesche zeeën gevangen, vooral in de Middellandsche Zee, minder

langs de kust van Groot-Brittannië, ofschoon hij ook hier volstrekt

niet zeldzaam is. Bij voorkeur houdt hij zich op in de nabijheid van

een met planten bedekten zeebodem en ligt hier gewoonlijk bewegingloos

uitgestrekt; alleen de voeldraden en de fijne vinstralen van de eerste

rugvin schommelen heen en weer; ongetwijfeld lokt hij op deze wijze

zijn buit, die uit vischjes, Schaaldieren en dergelijke wezens bestaat.

Vrij algemeen ontmoet men dicht bij ons strand de Vijfdradige

Meun (Motella mustela), die behalve de reeds genoemde voeldraden,

er ook nog twee aan het einde der bovenkaak heeft. De bronsachtig

bruine kleur van de bovendeelen wordt op de zijden lichter en op de

onderdeelen allengs witachtig. Deze aan de kusten van Europa en IJsland

(ook in de Noordzee) niet zeldzame, doch in de Oostzee ontbrekende,

30 à 50 cM. lange Visch wordt bij ons nagenoeg aanhoudend, hoewel in

kleinen getale, in de saaien gevangen, maar wegens de weekheid van

zijn vleesch niet gegeten. Hij voedt zich met kleine Schaaldieren en

vischjes en schiet kuit in den winter.

De Slangvisschen (Ophididae) heeten zoo wegens hun langwerpig,

zijdelings sterk samengedrukt lichaam; de buikvinnen ontbreken of

zijn door een paar tweedeelige voeldraden aan het tongbeen vervangen;

de rugvin en de aarsvin zijn laag en vormen dikwijls met de staartvin

een geheel; de huid is naakt of bevat kleine, verborgen schubben;

de kieuwspleet is wijd; de zwemblaas ontbreekt.

De Smelten of Zandalen (Ammodytes) hebben een zeer langwerpige,

lancetvormige gedaante; de lange, lage, nagenoeg over de geheele

bovenzijde zich uitstrekkende rugvin en de bijna half zoo lange

aarsvin zijn niet vereenigd met de goed ontwikkelde, gevorkte

staartvin; de aarsopening is kort voor het begin van de aarsvin

gelegen; de buikvinnen ontbreken geheel. De onderkaak steekt ver

voorbij de bovenkaak uit; beide zijn tandeloos; aan de keelbeenderen

komen steeds tanden voor, bij sommige ook aan het ploegschaarbeen;

de huid is met zeer dunne schubben bedekt.

De bij onze kust levende Smelten worden in twee soorten onderscheiden,

die echter zeer weinig van elkander verschillen. De Groote Smelt

(Ammodytes lancea) wordt 20 à 25, zelden 40 cM. lang; de rugvin

begint tegenover het einde der borstvinnen; de spits van het

ploegschaarbeen draagt scherpe tanden.--De Kleine Smelt (Ammodytes

Tobianus) bereikt een lengte van 10 à 15 cM., heeft een iets verder

naar voren verlengde rugvin, en kan de tusschenkaaksbeenderen ver

naar voren verschuiven. Beide zijn op den rug bruinachtig, op de

zijden en den buik zilverwit.

Beide bewonen het noordelijke deel van den Atlantischen Oceaan en

houden zich bij vlakke, zandige kusten van Europa en Amerika op; bij

vloed zwemmen zij, dikwijls in grooten getale, zeer schielijk dicht

bij de oppervlakte rond en maken jacht op allerlei kleine zeedieren,

vooral ook op jonge vischjes; op warme avonden ziet men ze dikwijls

boven het water uitspringen; bij eb begraven zij zich in het zand en

wachten hier de terugkomst van den vloed af. "In Zeeland," schrijft

Schlegel, "waar het verschil van waterstand, tusschen eb en vloed,

veel aanmerkelijker is dan langs onze overige kuststreken, spit of

ploegt men, bij laag water, het strand om, teneinde deze vischjes,

die de gewoonte hebben, zich daarin tot één voet diep te begraven,

voor den dag te halen, en op deze wijze voor de tafel een gerecht

te verzamelen, dat voor zeer lekker wordt gehouden [5]. Hetzelfde

geschiedt ook aan sommige plaatsen der kust van Groot-Brittannië." Hier

wordt voor dit doel een soort van hark gebruikt.--Langs de Hollandsche

kust worden de Smelten dicht langs het strand bij het visschen met

de saaien vrij veelvuldig gevangen, doch niet gebruikt. Een in de

Middellandsche Zee levende soort wordt gegeten, een andere, bij de

Groenlandsche kust voorkomende soort evenzeer.--Op vele plaatsen vangt

men de Smelten om lokaas te verkrijgen voor de vangst van Makreelen

en Kabeljauwen. Bij ons dienen zij met de Zeebliek (Clupea sprattus)

voor het azen der korven. Naar men zegt, maken zij een belangrijk

deel van het voedsel der Dolfijnen uit.

De symmetrische rangschikking der lichaamsdeelen wordt te recht als een

der belangrijkste kenmerken van de Gewervelde Dieren beschouwd. Hoe

gedrochtelijk de gedaante van sommige soorten ons voorkomt, toch is

de linkerhelft steeds een meer of minder zuiver spiegelbeeld van de

rechterhelft. Een uitzondering op dezen regel vormen de Schollen of

Platvisschen (Pleuronectidae), de eenige familie van de gelijknamige

onderorde (Pleuronectoidei). Aan hun sterk zijdelings afgeplat lichaam

is de kop derwijze verdraaid, dat beide oogen aan dezelfde zijde

voorkomen. De stand der oogen is nu eens links, dan weer rechts,

bij verschillende soorten en zelfs bij verschillende individuën

van één soort ongelijk. Steeds echter wijkt de oogen dragende, naar

boven gerichte zijde in verschillende opzichten aanmerkelijk af van de

"blinde", die gewoonlijk op den grond rust. Deze heeft een minder goed

ontwikkelde (bij Monachir zelfs in 't geheel geen) borstvin; ook haar

skelet is minder volkomen. Soms is de blinde zijde met kringschubben

bedekt, terwijl de andere zijde kamschubben draagt; gewoonlijk echter

is het geheele lichaam met kamschubben bekleed. De blinde zijde is

niet, de naar het licht gekeerde verschillend, bij eenige tropische

soorten zelfs levendig gekleurd. Verreweg het grootste deel van het

lichaam wordt gevormd door den sterk gespierden staart. De buikholte is

zeer klein, de aarsopening ligt onder of vóór de borstvinnen. Hieruit

vloeit voort, dat de (dikwijls onderling vereenigde) buikvinnen zich

aan de keel bevinden; zij zijn klein, evenals de borstvinnen, die bij

één geslacht (Achirus) geheel ontbreken. De rugvin strekt zich van

den kop tot aan de staartvin uit en omzoomt dus den geheelen, scherp

toeloopenden rugrand van den schijfvormigen romp op gelijke wijze als

de buitengewoon lange aarsvin den scherpen buikrand omgeeft. De kleur

van deze vinnen en van de overigens regelmatig gevormde, afgeronde of

recht afgeknotte, hoogst zelden gevorkte staartvin is aan weerszijden

ongelijk. Al deze vinnen worden door zachte, meestal niet vertakte,

dicht bijeenstaande en daarom zeer talrijke stralen gesteund. De

zwemblaas ontbreekt. De tanden zijn verschillend, in den regel echter

òf dik òf borstelvormig.

De Platvisschen, waarvan men bijna 200 soorten onderscheidt, bewonen

de zee; eenige zwemmen soms de rivieren op; hier zoowel als daar leven

zij op den bodem. Met de blinde zijde tegen den grond aangedrukt en

de oogen naar boven gericht; liggen zij gedurende het grootste deel

van hun leven op de loer en bewegen zich bijna niet anders dan om hun

uit Wormen, Schelp- en Schaaldieren en kleine Visschen bestaanden

buit te grijpen of om grootere roovers te ontwijken. Dan schieten

zij plotseling vooruit, zwemmen met een golvende beweging van het

lichaam, waarbij steeds de rug en de buik zijwaarts gericht zijn,

maar laten zich spoedig weer zakken. Soms ondernemen zij gezamenlijk

groote tochten en zwemmen dan, tijdelijk althans, ook wel in de

bovenste waterlaag. Dit geschiedt bij het geregeld wegtrekken van de

Platvisschen uit de Buitenlek en gedeeltelijk ook uit de Binnenlek,

waarop Van den Ende voor 't eerst meer algemeen de aandacht heeft

gevestigd. "In het begin van Juli begint de Schol in beweging te

komen en geeft hiervan blijken, zelfs als zij in het schrobnet is

gevangen. De Schol, die gewoonlijk in den kuil van dit vischwant zich

stil houdt, toont zich nu onrustig; de visschers zeggen dan, dat zij

"rad" begint te worden en maken hieruit op, dat de visscherij in de

Buitenlek weldra een einde zal nemen. Bij het wegtrekken schijnt

zij niet den bodem der zee te houden, maar op eenigen afstand van

daar te zwemmen, niet zelden zoo hoog, dat men geheele scholen

aan de oppervlakte waarneemt. De bruine zijde blijft gedurende de

beweging evenwijdig met de oppervlakte der zee. De Schol neemt bij het

wegzwemmen de richting naar het noorden; bij haar terugkomst in October

neemt zij, naar het schijnt, haar weg over den bodem der zee; men ziet

haar althans niet aan de oppervlakte zwemmen. Het wegtrekken der Schol,

waaraan ook de overige Platvisschen, en zelfs de Roggen, deelnemen,

kan met het kuitschieten in geen verband staan, daar dit in de maanden

Februari en Maart geschiedt; het is ook niet aan toevallige oorzaken

te wijten, daar het jaarlijks geregeld plaats vindt. De visschers

schrijven het toe aan een verschijnsel, dat zij "koelucht" noemen en

dat veroorzaakt wordt door de groote menigte groene of groenachtige,

draadvormige en glibberige waterplanten (algen), die des zomers in

menigte in de Noordzee voorkomen. Vele van deze planten schijnen zich

vooral in de bovenste waterlagen te ontwikkelen en later naar den

bodem der zee te zakken, waar zij zich o. a. aan de schrobnetten

in belangrijke hoeveelheid hechten. De bedoelde zelfstandigheid

onderscheidt zich door een sterken, onaangenamen reuk, die zelfs

op eenigen afstand, somtijds tot achter het dorp Katwijk aan Zee,

bemerkt kan worden en zoo doordringend is, dat vrouwen, die langs het

strand liepen, er verschijnselen van zeeziekte door ondervonden. De

ervaring leert, dat men bij sterke "koelucht" een slechte visscherij

van Schol heeft te verwachten. Het zou kunnen zijn, dat de "koelucht"

op de Visschen een onaangenamen indruk teweegbrengt en hen noopt

voor eenigen tijd dit water te verlaten. Ook is het mogelijk, dat

hun hierdoor de gelegenheid om op den bodem der zee voedsel te vinden

benomen wordt. De stof, die zich op den bodem heeft afgezet, doet hen

bij 't wegtrekken hooger water kiezen. Vermoedelijk begeven zij zich

naar den Grooten Visschersbank, waar de zee een diepte heeft van 40, 50

en meer vademen. De Visschen hebben in October van de koelucht weinig

meer te vreezen en zwemmen daarom over den bodem naar de Buitenlek

terug.--Uit de Binnenlek heeft het wegtrekken in veel mindere mate

plaats, zoodat de visscherij hier (hoewel met weinig voordeel) kan

worden voortgezet, nadat zij in de Buitenlek heeft opgehouden. De

Platvisschen, die in den zomer in de Binnenlek achterblijven, worden

gezamenlijk "zomervisch" genoemd. De van hier wegtrekkende Visch volgt

een bijna zuidwestelijke richting en zwemt waarschijnlijk door de

hoofden naar de diepten van het Kanaal. Van hier in het begin of het

midden van September terugkeerend, is hij weldoorvoed en vet en heet

dan "herfstvisch"; wegens de richting, die hij volgt, vangt men hem

in Scheveningen eerder dan in Katwijk. Misschien kan de Binnenleksche

Schol, die jonger is dan de Buitenleksche, haar voedsel in 't zuiden

beter bekomen dan in 't noorden, waar de Buitenleksche heentrekt."

"Daar de Visschen op de Hollandsche kusten niet dan een effen bodem

vinden, waarop slechts zeer weinige voorwerpen gevonden worden,

waaraan zij hun kuit zouden kunnen bevestigen, worden zij er toe

genoopt, dit op den bodem zelf te doen. Zij maken zich gewoonlijk

daartoe een kuil, dien zij, na daarin kuit geschoten te hebben,

niet zelden weder met wat grond bedekken. Daar de Visschen echter

voor het maken van deze kuiltjes slechts geringe middelen bezitten,

is het hun geenszins onverschillig, of zij dit in een harden of in een

weeken grond doen moeten, en kan het dus niet verwonderen, dat de weeke

grond der Binnenlek hen bijzonder aanlokt. Bovendien vinden zij in dit

water bij een gemiddelde diepte van omstreeks 11 vademen overvloedig

voedsel. Daarom heeft gedurende eeuwen een verbazende menigte van

visch dit water vervuld; eeuwen lang werd alleen hier gevischt,

waarom de visscherij met volle recht den naam van "kustvisscherij"

droeg. Zeer langen tijd werden uitsluitend kleine schuiten van 25

voet lengte voor de visscherij gebruikt; deze lieten niet toe,

dat men zich verder in zee begaf. Later, toen men met grootere

vaartuigen de steurharingvisscherij op de Engelsche kust begon uit

te oefenen (bomschuiten van 45 voet lengte tusschen de stevens en 31

voet op den bodem) ontstond de visscherij in de Buitenlek.--De Schol

wordt, naar gelang van de grootte, in 8 soorten onderscheiden, die,

te beginnen met de kleinste, de volgende namen dragen: kleine keu,

groote keu, kleine braad, groote braad, kleinschol, kleine kantschol,

groote kantschol en groote schol. In de Binnenlek worden, misschien

op geringe uitzonderingen na, alleen de 4 kleinste van de genoemde

"scholsoorten" (en bovendien "kleinschol", in geringe hoeveelheid)

gevangen. In de Buitenlek vindt men weinig "groote braad" en nooit

kleinere soorten, maar wel de grootere. Misschien is het voedsel in

de Buitenlek voor de Schol op gevorderden leeftijd beter."

De Platvisschen zijn bij het verlaten van het ei volkomen symmetrisch

gebouwd en hebben één oog aan iedere zijde van den kop; de asymmetrie

openbaart zich eerst later allengs gedurende den verderen groei. Hoe

en waardoor deze verandering tot stand komt, is nog niet met zekerheid

bekend. Eenige onderzoekers meenen te mogen aannemen, dat het oog,

om zijn as draaiend, zich door de terugwijkende skeletdeelen heen

een weg baant naar de tegenovergestelde zijde. Andere beweren, dat,

zoodra de Visch op een zijde begint te rusten, het oog van deze zijde

bij zijn streven om zich naar het licht te keeren ook de omliggende

deelen van den kop een verplaatsing doet ondergaan. Het voorste deel

is dan ook werkelijk ten opzichte van de gekleurde zijde gedraaid. Dat

deze vormsverandering slechts geringen tegenstand ontmoet, zoolang

het skelet nog kraakbeenig is, ligt voor de hand. De larven van

Platvisschen zijn aanvankelijk geheel doorschijnend en zwemmen op

dezelfde wijze als de andere Visschen met den rug naar boven en

den buik naar onderen. Opmerkelijkerwijze worden zij veelvuldiger

aangetroffen in het ruime sop dan in de nabijheid der kust.

De Platvisschen bewonen alle zeeën met uitzondering van die der hoogste

breedten en die, welke rotsachtige, steile kusten bespoelen. Naar den

evenaar neemt hun aantal toe; de grootste soorten ontmoet men echter

in de gematigde luchtstreek. Aan zandgrond geven zij de voorkeur;

zij dalen niet tot aanzienlijke diepten af. Eenige bezoeken dikwijls

het zoetwater; enkele hebben zich zelfs volkomen gewend aan het leven

in plassen en rivieren.

Wanneer men het gebit als maatstaf aanneemt, moeten de Platvisschen,

welker kaken en tanden aan beide zijden nagenoeg op gelijke wijze

ontwikkeld zijn, bovenaan geplaatst worden. Van deze komt aan de

Heilbotten (Hippoglossus) de voorrang toe. Door de visschers worden

zij wegens hun meerdere dikte niet onder de Platvisschen geteld. Zij

hebben, als de Tarbot, een wijden bek, doch een krachtiger gebit dan

hare verwanten, in de bovenkaak een dubbele, in de onderkaak een enkele

reeks van tanden: de middelste van de bovenkaak en de zijdelingsche

van de onderkaak zijn dik, lang, spits en gekromd. Het gehemelte is

tandeloos; de keelbeenderen daarentegen zijn met een dubbele reeks

van dikke tanden gewapend. De rugvin begint niet vóór het oog (op den

snuit), zooals bij de meeste andere geslachten, maar boven het oog,

gelijk bij de Schollen. Evenals bij deze en de Tongen, zijn de oogen

rechts geplaatst. De beide bekende soorten van dit geslacht bewonen

de zeeën van het noordelijk halfrond.

De Heilbot (Hippoglossus vulgaris) is de grootste Platvisch van Europa

en misschien van de geheele wereld, daar zij een lengte van meer dan 2

M. en een gewicht van meer dan 200 KG. kan bereiken. Zonder de vinnen

is het lichaam eigenlijk lancetvormig; eenigszins ruitvormig wordt

het, doordat de rugvin en de aarsvin in 't midden aanmerkelijk hooger

zijn dan aan de einden. De staartvin is uitgesneden of flauw gevorkt

en niet recht of afgerond, zooals bij alle overige Platvisschen. De

schubben zijn zeer klein en glad. De kleur van de bovenzijde wisselt

af tusschen licht- en donkerbruin; de blinde zijde is zuiver wit. De

IJszee is waarschijnlijk het eigenlijke gebied van de Heilbot; zij komt

echter langs de noordelijke kusten van Europa overal, hier en daar

zelfs geregeld en op sommige plaatsen veelvuldig voor. Dit laatste

is het geval aan de kusten van Newfoundland, Groenland en IJsland,

bij de Fär- en Orkney-eilanden en aan de westkust van Scandinavië tot

aan het Kattegat. Ook vindt men haar bij Kamtsjatka en Californië. In

de zuidelijke gedeelten van de Noordzee en ook aan onze kusten is

zij naar verhouding minder talrijk. Toch is zij bij al onze visschers

wel bekend, vooral in den winter en in het voorjaar in hun vaarwater

vrij algemeen; groote exemplaren worden nu en dan in menigte bijeen

gevangen. In de Oostzee heeft men haar alleen in de Kieler bocht

aangetroffen. Bij voorkeur bezoekt zij banken, die op eenigen afstand

van het land gelegen zijn en waar het water 50 à 120 vademen diep

is. Gedurende den winter leeft zij in de diepte, maar nadert veelal

reeds vroeg in het jaar de kust en ligt dan het liefst op modder-

en kleigronden. In den zomer schiet zij kuit op een rotsachtigen of

zandigen bodem. Haar vleesch is wit en hard, maar eenigszins droog

en wordt daarom op vele plaatsen minder geschat dan dat van de Tarbot.

De Lange Schar (Hippoglossoides limandoides), die slechts een enkele

maal aan onze kust gevangen werd en ook aan de kusten van Engeland

en Frankrijk zelden voorkomt, bewoont de noordelijke kusten van den

Atlantischen Oceaan en is niet zeldzaam aan de westkust van Zweden,

in den Sond en het Kattegat, waar zij in April en Mei kuit schiet. Zij

verschilt van de vorige soort vooral, doordat de bovenkaak slechts

één rij van tanden bevat; de zijdestreep is nagenoeg recht; door de

scherpe punten aan den rand der schubben, is de huid ruw op het gevoel,

evenals die van de Schar (deze is echter kenbaar aan den grooteren kop,

het minder langwerpige lichaam en de sterk gekromde zijdestreep). De

bovenzijde van de Lange Schar is roodachtig of geelachtig bruin. Lengte

30 à 40 cM.

De Grieten (Rhombus) zijn de breedste van alle Platvisschen. Zij

kenmerken zich door een vóór de oogen, op het midden van den

snuit aanvangende rugvin; de wijde bek is voorzien met talrijke,

kleine, op verscheidene rijen gerangschikte (fluweelachtige en

hekelvormige) tanden aan de kaken en een veld met puntige tanden op het

ploegschaarbeen. De oogen zijn links (soms, doch zeer zelden rechts)

geplaatst, de vinstralen voor 't meerendeel vertakt, de schubben

afwezig of klein. De staartvin is afgerond.

Bij de Tarbot (Rhombus maximus), die de eer van tot de lekkerste

Platvisschen te behooren, met de Heilbot deelt en gewoonlijk boven

deze wordt verkozen, merkt men aan de bovenzijde talrijke, stompe

beenknobbeltjes op, (bij jonge exemplaren niet). Op de bruine huid, die

verschillende tinten kan hebben, deels uitvloeiend of gemarmerd, deels

scherper begrensd, komen lichte vlekken van ongelijke grootte voor;

de vinnen zijn een weinig lichter van kleur dan het overige lichaam;

de blinde zijde is effen wit. Het lichaam zonder de staartvin, doch

met de rugvin en de aarsvin (die in het midden aanmerkelijk hooger

zijn dan elders), is nagenoeg even hoog als lang; geen der overige

Platvisschen is zoo zuiver ruitvormig. De lengte bedraagt soms meer

dan 1 M. bij een gewicht van 35 KG. (Yarrell maakt melding van een

exemplaar van bijna 2 M., dat 86 KG. zwaar was. Rondelet zegt, er

één gezien te hebben van 3 M. lang, 2 M. breed en 1 M. dik.)

Behalve in de Noordzee (tot Helgoland) en in het Kanaal (in de

Oostzee alleen in de Kieler-bocht geregeld), wordt de Tarbot (hoewel

in geringe hoeveelheid) ook in de Middellandsche Zee gevangen. Evenals

de meeste Platvisschen, vestigt zij zich op zandbanken in ondiep water

en ligt hier op den grond; allerlei kleine Visschen, Schaaldieren en

Weekdieren verschaffen haar voedsel. Langs de zuidkust der Noordzee

treft men haar van April tot Augustus aan; zij vertoont zich het

eerst in het zuidwestelijkste deel van dit gebied; naarmate zij

van hier verdwijnt, ziet men haar op verder noordwestwaarts gelegen

vischgronden verschijnen. Op de groote zandbanken langs onze kust

duurt de tarbotvangst van April tot Juli, bij Helgoland van Juli tot

half Augustus.

De Griet, ook Kaan en Snoever genoemd (Rhombus laevis), heeft een

gladde huid en verschilt bovendien van de Tarbot door het minder sterk

afnemen van de hoogte der rugvinstralen van het midden naar voren en

achteren, waardoor het lichaam meer van den ruitvorm afwijkt. Haar

kleur is gewoonlijk roodachtig grijsbruin, donkerbruin gemarmerd en met

parelvormige, lichte vlekken geteekend, bij jonge exemplaren echter

bleek roodachtig bruin met donkerbruine en zwarte vlekken. Zij is

zelden langer dan 40 cM. en weegt slechts bij uitzondering 4 KG. De

Middellandsche Zee, de Atlantische Oceaan en de Noordzee herbergen

haar; tot in den mond der rivieren dringt zij door. De Griet wordt

minder geacht dan de Tarbot en de Tong, doch hooger dan de Schol. Langs

onze kust is zij vrij algemeen.

Twee soorten, die den naam Tongschar of Scharretong, welke haar door

onze visschers gegeven wordt, met de Lange Schar en de Gemarmerde Schol

gemeen hebben en die men door de bepalingen Naakt en Dun onderscheidt

(Rhombus arnoglossus en R. megastomus), hebben een veel dunner lichaam

dan de andere soorten van Grieten. De Naakte Tongschar wordt zelden,

de Dunne slechts nu en dan, gewoonlijk alleen in jeugdigen toestand,

aan onze kust gevangen. Voor de visscherij zijn zij van geen belang.

In een tweede afdeeling vereenigt men die Platvisschen, welker kaken

en tanden aan de blinde zijde veel sterker ontwikkeld zijn dan aan

de gekleurde.

Het geslacht der Schollen (Pleuronectes), waaraan de geheele familie

haar naam dankt, omdat Platvisschen met één rij van kleine, scherpe

tanden in de kaken, tandelooze ploegschaar- en gehemeltebeenderen

en plaveiselvormige tanden op de keelbeenderen. De rugvin begint

niet vóór, doch boven het oog; de mondopening is klein en reikt

hoogstens tot onder de oogen; deze zijn door een uitpuilende lijst

gescheiden en bij de inheemsche soorten rechts geplaatst (linksche

exemplaren zijn zeldzame uitzonderingen). De afgeronde staartvin is

duidelijk gescheiden van de rugvin en de aarsvin; deze zijn breed,

hare vinstralen bijna zonder uitzondering ongedeeld. De steeds zeer

kleine schubben zijn meestal glad, soms getand, soms geheel afwezig.

De belangrijkste soort van dit geslacht is de Schol, in Zeeland Plaat

genoemd (Pleuronectes platessa). Hare leden dragen naar hunne grootte,

bij de visschers verschillende namen; de allerkleinste heeten Weggooi

of Kraat; de groote (die in de bun van de bomschuit levend aan den wal

gebracht en niet bij de mandvol verkocht, maar bij den afslag op het

strand uitgespreid worden) noemt men Bunschol of Spreischol. Slechts

bij uitzondering zijn zij 60 cM. lang en 7 KG. zwaar. Op de harde lijst

tusschen de oogen komt een reeks van 4 à 7 (meestal 6) beenknobbeltjes

voor. In den regel is de Schol op de bruine, naar grijs zweemende

bovenzijde grijs gemarmerd en met groote, rondachtige, geelroode

vlekken geteekend, die zich dikwijls ook over de rug- en aarsvin

en zelfs over de staartvin uitstrekken. De blinde zijde is effen

geelachtig wit of grijsachtig wit. Het oog heeft een zilverwitte

en metaalachtig gele iris. Kleursverscheidenheden, ten deele van de

woonplaats afhankelijk, komen niet zelden voor. Bij de Bonte Schollen

is de blinde zijde geheel of ten deele gekleurd; de Witte Schollen

hebben beide zijden ongekleurd. Het lichaam is langwerpig ruitvormig;

sommige exemplaren zijn nagenoeg even hoog als lang; men noemt ze

Ronde Schollen en hield ze vroeger voor een afzonderlijke soort.

De Schol bewoont een groot deel van den Atlantischen Oceaan (tot

IJsland), de Middellandsche Zee, de Noordzee en de Oostzee (tot

bij Stockholm). Zij is een der gewoonste soorten langs onze kust;

men ontmoet haar ook in de Zuiderzee en, vooral 's winters, in de

Zeeuwsche stroomen en de Schelde. Zij vestigt zich vooral op de

zandbanken, doch vermijdt modderige gronden niet. Evenals de Bot,

kan zij zoowel in zoet- als in zoutwater leven. Vooral in Mei en

Juni wordt deze voor de tafel zeer geschikte Visch in grooten getale

gevangen, meestal versch gegeten, doch in tijden van overvloed ook

wel gedroogd. Zeer overvloedig was de vangst o.a. in 1850 en 1851,

toen alleen te Zoutkamp (prov. Groningen) 40,000 korven Schol aan

wal werden gebracht.

De Bot (Pleuronectes flesus) bewoont dezelfde zeeën als de Schol en

is niet minder algemeen dan deze. Zij leeft op zandbanken, doch zoekt

bij voorkeur modderige gronden op. Bij ons wordt zij niet alleen langs

de Noordzeekust, maar ook in de Zuiderzee en de Zeeuwsche stroomen

in menigte gevangen. Zij zwemt de rivieren op; men vindt haar zelfs

in singels en dergelijke kleine binnenwateren. In vijvers kan zij

even goed leven als in de zee. De namen IJbot, Amsterdamsche Bot en

Rivierschol doelen op de plaats, waar de Bot gevangen werd.

De Bot stemt in vorm nagenoeg volkomen overeen met de Schol; zij

is kenbaar aan de doornachtige knobbeltjes, die langs de nagenoeg

rechte zijdestreep en aan den wortel der rugvin en aarsvin voorkomen;

de staartvin is zeer weinig afgerond. De oogen staan meestal rechts,

vaker dan bij de Schol echter links. De bruinachtige of olijfgroene

bovenzijde is veelal met donkerbruine vlekken gemarmerd (en vooral

bij jonge exemplaren) dikwijls met roestkleurige vlekken geteekend,

die echter minder fraai, minder scherp begrensd en onregelmatiger zijn

dan bij de Schol. De blinde zijde is geelachtig wit met kleine, zwarte

stippeltjes. De lengte bedraagt zelden meer dan 30 (hoogstens 50) cM.,

het gewicht slechts bij uitzondering iets meer dan 3 KG. Haar vleesch,

hoewel smakelijk, is veel minder vast dan dat van de Schol.

De Schar of Ruwe Schol (Pleuronectes limanda) is gemakkelijk te

herkennen aan de ruwheid van haar huid, welke veroorzaakt wordt door

den scherp getanden achterrand van de kleine, dicht bijeenstaande

schubben, die den romp en zelfs de stralen van de rug- en aarsvin

bedekken. De Schar heeft een eenigszins langwerpiger lichaam en

grootere oogen dan hare verwanten; de zijdestreep maakt boven

de borstvin een halfcirkelvormige bocht. De bovenzijde is effen

lichtbruin, de blinde zijde witachtig. Zij kan 25 à 30 cM. lang

en 2 à 3 KG. zwaar worden. Haar verbreidingsgebied is minder

uitgestrekt dan dat van hare verwanten, daar zij in de Oostzee minder

veelvuldig voorkomt en minder ver doordringt, in de Middellandsche

Zee ontbreekt. Zij houdt van zandgrond en vermijdt den modder. Aan de

kusten van IJsland, Noorwegen, Groot-Brittannië en de Noordzee, ook

aan de onze, vangt men haar in menigte. Naar de grootte gesorteerd,

heeten de Scharren bij onze visschers Kok, Groote Klap, Handgroot en

Krit. In ons land worden zij veel gedroogd; de Engelschen en Franschen

verkiezen haar boven de Bot en Schol.

De Gemarmerde Schol (Pleuronectes microcephalus), zoo genoemd wegens

de donkerbruine vlekken, waarmede haar op sommige plaatsen naar geel

zweemende, roodachtig bruine, gladde, slijmerige huid gemarmerd

is--door onze visschers, evenals andere soorten met langwerpig

eirond, dun lichaam, "Tongschar" of "Scharretong" geheeten--komt op

de zandbanken langs de kusten der Noordzee, doch nergens in grooten

getale voor. Enkele exemplaren van dezen 25 à 40 cM. langen Visch

worden nu en dan in de Buitenlek gevangen.

De Tongen (Solea)--zoo genoemd wegens haar meestal zeer langwerpig

eironde gestalte en naar aanleiding van den Franschen naam

Sole--verschillen van de overige Platvisschen vooral door de

halvemaanvormige mondopening; deze is gelegen onder den van voren

afgeronden, snavelvormigen snuit, welker kaken slechts aan de

blinde of linkerzijde met kleine, op verscheidene rijen geplaatste,

borstelvormige tanden gewapend zijn. De rugvin, die reeds vóór de

oogen begint, en de weinig minder groote aarsvin strekken zich uit

tot aan den wortel van de afgeronde staartvin. De huid is ruw door

de fijne, harde puntjes, waarmede de buitenrand der talrijke, zeer

kleine schubben bezet is. De zijdestreep is recht, het gehemelte

tandeloos. De Tongen zijn niet, als de vroeger genoemde geslachten,

geheel tot de noordelijke gematigde en koude aardgordels beperkt,

maar in ongeveer 40 soorten over de tropische en gematigde zeeën

verbreid. Slechts één soort komt aan onze kust voor.

De Tong (Solea vulgaris) wordt hoogstens 60 cM. lang en 4 KG. zwaar; de

oogen zijn rechts gelegen, hoewel men ook enkele linksche exemplaren

aangetroffen heeft; de bovenzijde is min of meer grijsachtig

donkerbruin, de achterhelft van de hier voorkomende borstvin zwart,

de onderzijde witachtig, de iris geel. Van de Middellandsche Zee

tot aan den poolcirkel ontmoet men deze soort aan alle kusten van

West-Europa, in de Oostzee echter niet voorbij de Kieler bocht, waar

niet anders dan zeer kleine exemplaren gevangen worden. Langs onze

geheele kust is zij buitengewoon talrijk, vooral in het voorjaar; des

zomers vindt men haar, hoewel in veel geringer aantal, in de Schelde

en ook in de andere Zeeuwsche stroomen, daar zij het zoetwater niet

schuwt en, evenals de Bot, in zoetwatervijvers in 't leven gehouden

kan worden. Op geringen afstand van het strand wordt zij in menigte

in schrobnetten en saaien gevangen. Naar de grootte onderscheiden

de visschers Noordsche of Groote Tong, Lassen en Baktong; voor

eigen gebruik drogen zij de in saaien gevangen kleine exemplaren;

de grootere zijn zeer gezocht. Bij ons zijn de wijfjes in Maart vol

kuit, aan de Engelsche kust reeds in 't laatst van Februari, aan de

kust van Scandinavië eerst in het einde van Mei en het begin van Juni.

De familie der Platvisschen is zoowel aan soorten als aan individuën

zeer rijk; deze bewonen in buitengewoon groote menigte de zeeën van

de gematigde en tropische zonen. Naar het noorden neemt het aantal

soorten schielijk af. Daarentegen openbaart deze familie op den

bonteren bodem der keerkringszeeën, vooral wat de kleur betreft,

een zeer groote verscheidenheid. Zoo leeft b.v. in de Indische

(misschien ook in de Chineesche) wateren--die zoo verbazend ruim

voorzien zijn van allerlei Visschen, welke zich door eigenaardige

vormen en prachtige kleuren onderscheiden--een soort van Tong, die

door den naam Zebra-tong (Synaptura zebra) zeer goed gekenmerkt wordt,

daar de grijsachtig bruine bovenzijde van het geheele lichaam geteekend

is met tien dwars gerichte strepen, die voor 't meerendeel roodbruin,

doch bij den staart donkerder, bijna zwart zijn.

Met uitzondering van de Heilbot, bewonen alle hierboven beschreven

Platvisschen ondiepe gedeelten van den zeebodem; zij geven de voorkeur

aan zandige of althans niet slijkerige gronden; deze moeten dus

niet met een dikke laag van weeken modder bedekt zijn. Verscheidene

soorten, vooral de Bot en de Tong, houden zich gaarne op aan den

mond van rivieren; de eerstgenoemde bereikt zelfs nu en dan, tegen

den stroom op zwemmend, plaatsen, die diep in het binnenland gelegen

zijn. In de Engelsche rivieren, in den benedenloop van Elbe en Weser

en ook in den Rijn tot aan de Duitsche grenzen komen geregeld Botten

voor; men heeft ze echter ook reeds herhaalde malen in den bovenloop

van dezelfde rivieren, in de Elbe b.v. nog boven Maagdenburg, in den

Rijn nog in de nabijheid van Mainz, in den Moezel bij Metz en Trier

en ook in den Main gevangen. Hoe traag de Platvisschen ook schijnen,

toch trekken zij gaarne. Wegens de buitengewone veelvuldigheid van de

meeste soorten wordt op dit verschijnsel minder acht geslagen dan het

eigenlijk verdient. Van de Heilbot, een voor de voeding der bewoners

van noordelijke streken zeer belangrijke Visch, weet men reeds sinds

lang, dat zij gedurende den winter meer in de diepte vertoeft en,

als de lente nadert, zich naar zeeboezems begeeft.

Door zeden en gewoonten, maar vooral door de wijze van beweging,

gelijken de Platvisschen volkomen op elkander; men heeft althans

tot dusver nog geen feiten leeren kennen, die met deze bewering in

strijd zijn. Bewegingloos en, met uitzondering van de voortdurend

rondwarende oogen, min of meer in 't zand verborgen, liggen zij op

den grond, tot een buit hen te voorschijn lokt, of een roofvisch

hen verdrijft. Merkwaardig snel woelen zij zich onder het zand door

golfsgewijze trillingen van de rugvin en de aarsvin, waardoor zeer

spoedig een ondiep gat uitgegraven en tevens de bovenzijde een

weinig met zand bedekt wordt. Een enkele krachtige beweging is

voldoende om de zandlaag af te schudden en het lichaam omhoog te

heffen. Terwijl de Platvisch door het aanhoudend bewegen der beide

voornaamste onparige vinnen en der krachtige staartvin voortzwemt,

blijft steeds de blinde zijde naar onderen, de gekleurde zijde naar

boven gericht. Bij het plotseling versnellen van de beweging speelt

de staartvin de belangrijkste rol; dan dienen de aarsvin en de rugvin

vooral voor het behouden van het evenwicht.

Bij het beschouwen van een half in 't zand begraven Platvisch

zou men bijna geneigd zijn om de uitdrukking zijner zeer levendig

gekleurde en meestal ongelijk groote oogen schrander en listig te

noemen. In tegenstelling met andere Visschen beweegt hij zijne oogen

onophoudelijk; hij kan ze niet slechts in alle richtingen draaien,

maar ook, evenals de Kikkers, vooruitschuiven en weer terugtrekken

en dus de optische as iederen stand ten opzichte van de oppervlakte

van 't lichaam doen aannemen. Een echt ooglid, het zeer ontwikkelde

wenkvlies, kan deze schitterend gekleurde organen in geval van nood

beschutten. Eigenlijk zijn zij bij den in 't zand verborgen Platvisch,

de eenige lichaamsdeelen, die de aandacht trekken. De kleur van de

overige bovendeelen harmonieert n.l. niet minder met die van den

zeebodem dan de vacht van den Haas met den akker of het kleed van het

Sneeuwhoen met het Alpen-landschap; evenals bij 't laatstgenoemde

dier, wisselt de kleur af naar gelang van 't jaargetijde en van 't

omgevende terrein; de verandering blijft echter niet tot twee tijden

van 't jaar beperkt, maar treedt bij iedere verplaatsing op. Al wat op

dit gebied den Kameleon wordt toegeschreven, komt bij den Platvisch

werkelijk voor. Als hij zich op zandgrond neervleit, zullen kleur en

teekening binnen korten tijd gelijk zijn aan die van deze ligplaats: de

geelachtige tinten treden op den voorgrond, de donkere verdwijnen. Als

dezelfde Visch, gelijk in kleine waterbakken dikwijls geschiedt,

een oogenblik later op een anderen grond, b.v. op grauw granietgruis,

gaat liggen, zal de kleur weldra opnieuw een verandering ondergaan:

de Schol, Bot of Tong, die zoo even geelachtig was, wordt grijs. Ook

dan nog zijn de bij iedere soort voorkomende eigenaardigheden van

menging en verdeeling der kleuren merkbaar, hoewel de kleurswijzigingen

sterk genoeg zijn om iedereen tot het inzicht te voeren, dat bij deze

Visschen aan de kleur als kenmerk weinig waarde gehecht mag worden.

De merkwaardige geschiktheid om het kleed in overeenstemming te

brengen met de omgeving levert de meest aannemelijke verklaring

van de buitengewone veelvuldigheid der Platvisschen. Zij zijn

niet vruchtbaarder dan andere Visschen; zelfs kunnen zij zich wat

het aantal eieren betreft, met vele hunner verwanten niet meten;

veel meer jongen echter dan over 't algemeen vermoedelijk regel

is, ontkomen aan de roofzucht hunner vijanden en bereiken dus een

grootte, die hen in staat stelt om zichzelf te beschermen. Want

ook de Platvisschen zijn roovers: de grootste soorten durven zelfs

Visschen zoo groot als een Kabeljauw aanvallen; ook de kleine

evenwel, die zich met allerlei Schaal- en Schelpdieren en Wormen

voeden, zijn buitengewoon vraatzuchtig. Wat roofzucht en moordlust

betreft, stemmen alle overeen. Zij maken jacht op elken buit, dien

zij meenen te kunnen overmeesteren en schromen zelfs niet zwakkere

soortgenooten aan te vallen. De Noorsche visschers zijn overtuigd,

dat de kwetsuren aan de boven- en onderzijde van de staartstreek, die

men zoo dikwijls bij hen opmerkt, door groote exemplaren van hun eigen

soort veroorzaakt zijn. Zelfs de ergste vijanden van deze familie,

de Zeewolven en de Roggen, vinden in de groote Platvisschen wrekers,

die de misdrijven aan hunne verwanten gepleegd, vergelden. De Roggen,

die nagenoeg dezelfde levenswijze hebben als de Platvisschen, worden,

naar men zegt, vooral door de Heilbot ijverig vervolgd.

De voortplanting van de Platvisschen heeft plaats in verschillende

maanden, over 't algemeen echter in den mooisten tijd van 't jaar,

n.l. in de lente en in den voorzomer. Zij schieten kuit op de gronden,

die hun in dezen tijd tot verblijfplaats dienen, bij voorkeur dus op

zandgrond, bovendien tusschen zeegras en andere waterplanten, ook

wel op vischnetten, die lang in 't water worden gelaten. De jongen

ontmoet men tegen het einde van den zomer, vooral bij laag water,

omdat zij, evenals hunne ouders, dikwijls te lui zijn om bij den

aanvang van den ebstroom de ondiepten te verlaten en diepere plekken

in de zee op te zoeken, maar liever, onder het zand bedolven, de

terugkomst van den vloed afwachten. Een sierlijker diertje dan zulk

een jonge Platvisch kan men zich bijna niet voorstellen. Behoudens de

grootte, is hij in ieder opzicht, wat kleur, teekening en levenswijze,

aard en gewoonten betreft, het evenbeeld van het volwassen dier;

hij heeft echter een veel fraaier, vlugger en daarom bevalliger

uiterlijk. Weinige Zeevisschen zijn beter voor het leven in de

gevangenschap geschikt; daar zij niet eens zeewater noodig hebben,

maar gemakkelijk gewoon geraken aan het water van onze vijvers

en rivieren en hier, wanneer het hun niet aan voedsel ontbreekt,

uitmuntend gedijen. Dierenliefhebbers kan ik deze Visschen, dus onze

Schollen, Botten en Tongen, ten zeerste aanbevelen.

Zeer belangrijk zijn de Platvisschen voor de huishouding van den

mensch. Van alle soorten is het vleesch smakelijk, van sommige zelfs

uitmuntend; het blijft dagen lang goed en is daarom voor verzending

over groote afstanden (dus voor een zeer ruimen kring van gebruikers)

zeer geschikt. Op de meeste kustplaatsen eet men geen andere dan

versche Platvisschen; in het hooge noorden evenwel, waar de vangst

van den zomer als proviand voor den winter moet dienen, ondergaan

althans de grootste exemplaren een toebereiding om ze langer te kunnen

bewaren; zij worden aan reepen gesneden en gezouten, als stokvisch

aan de lucht gedroogd of ook wel gerookt. Vooral Schollen, Scharren

en Tarbotten zijn zeer gezocht; ook de overige soorten worden nergens

gering geschat. Te Londen brengen de Nederlanders, die veel werk maken

van deze visscherij, ieder jaar voor ongeveer 1,200,000 gulden aan

Tarbot op de markt; toch is dit hoogstens het vierde gedeelte van de

geheele hoeveelheid, daar ook de Denen voor eenige tonnen gouds en

de Engelsche visschers zelf een nog veel grootere hoeveelheid Visch

op deze markt leveren. De genoemde som vertegenwoordigt trouwens

alleen de waarde van de Tarbot, die de Nederlandsche visschers zelf

naar Engeland brengen, maar niet van die, welke zij reeds op zee aan

de Engelschen verkoopen. De hoeveelheid Tarbot, die in Nederland,

Duitschland, Frankrijk en Jutland gegeten wordt, is niet te bepalen;

gerust kan men echter aannemen, dat de totale waarde van dit deel

der vischvangst verscheidene millioenen guldens bedraagt. Nog hooger

is waarschijnlijk de waarde van de vangst van andere Platvisschen,

b.v. van Schollen, Scharren en Tongen, daar deze, hoewel zij op de

vischmarkten van alle kuststeden betrekkelijk goedkoop van de hand

gaan, soms in ongeloofelijk grooten getale gevangen worden.

Met de Nederlandsche, Engelsche en Deensche visschers kunnen

de Duitsche zich niet meten, wat de opbrengst van hun arbeid

betreft. Heilbot vangen zij bijna in 't geheel niet: wel verzenden

zij jaarlijks ongeveer 3000 Tarbotten, ongeveer 20,000 Schollen,

evenveel Botten en omstreeks 10,000 KG. Tong naar het buitenland.

De Platvisschen worden in verband met de plaatselijke gesteldheid,

de veelvuldigheid en de aard van iedere soort op zeer verschillende

wijze gevangen. Aan de wijze waarop de wilden visschen, herinnert het

op sommige kustplaatsen bestaande gebruik om bij eb blootsvoets door

de waterplassen op het strand te loopen, de intusschen waargenomen

Visschen met de voeten dood te trappen en daarna in te zamelen. Toch

wordt hierdoor op gunstig gelegen plaatsen dikwijls een rijken buit

verkregen. Een grooter opbrengst levert trouwens het "steken": de

visscher zoekt bij stil weer de met water bedekte ondiepten af en

spiest de Platvisschen, die hij opmerkt, met een lans of weet hen

te treffen met een aan een touw bevestigd, door lood bezwaard wapen,

waaraan zich vele weerhaakvormige spitsen bevinden en dat met den Visch

wordt opgehaald. Op vlakken grond maakt men gebruik van bepaaldelijk

voor dit doel bestemde sleepnetten (schrobnetten en saaien), in diep

water van zetlijnen of van beugen.

Het is gebleken, dat Platvisschen in zoetwater zeer goed kunnen leven;

ook daarom is het volstrekt niet moeielijk ze levend te verzenden. In

een beperkte ruimte kan men ze even goed als eenig ander lid hunner

klasse in 't leven houden; spoedig zijn zij hier gewend, kiezen in

hun eigen woning een bepaalde plek tot ligplaats, kennen weldra hun

verzorger en zelfs den voor 't voederen bepaalden tijd en schromen

niet uit de hand te eten van den persoon, die hen met voedsel voorziet.

Het Leven der Dieren. Deel 3. Afdeling 2. De Visschen · 第 6 / 18 题