ALGEMEEN OVERZICHT VAN DEN BOUW EN DE LEVENSWIJZE DER VISSCHEN.

De Visschen zijn Gewervelde Dieren, die gedurende geheel hun leven

uitsluitend door kieuwen ademen. Deze weinige woorden behelzen een

veel scherper en duidelijker bepaling van de klasse der Visschen

dan door een nauwkeurige beschrijving van alle organen verkregen kan

worden. (Niet volkomen toepasselijk is zij voor de 4 soorten omvattende

groep der Salamander- of Longenvisschen; behalve kieuwen, die ook

bij hen de belangrijkste ademhalingsorganen zijn, hebben zij longen.)

De bewoner van het binnenland, die geen andere dan zoetwatervisschen

kent, verkrijgt, door vergelijking van hun zeer uiteenloopende gestalte

toch slechts een zeer flauwe voorstelling van de menigvuldigheid van

vormen der Visschen in 't algemeen, die in dit opzicht bij geen der

andere klassen van Gewervelde Dieren ten achter staan. Hoewel de meeste

een soortgelijken vorm hebben, als onze gewone Zoetwatervisschen,

wijken vele er op de meest verschillende wijzen van af en vertoonen

allerlei vreemdsoortige eigenaardigheden, waarbij ook zulke, die op ons

den indruk maken van leelijke misvormingen. De romp kan langwerpig zijn

als die van een Slang of van een Worm, door zijdelingsche afplatting de

gedaante van een lint aannemen of tevens in de lengterichting inkrimpen

en zich afronden tot een verticale schijf, ook kan hij van boven naar

onderen samengedrukt zijn, zich in horizontale richting verbreeden en

aan de zijden bovendien vleugelvormige aanhangsels verkrijgen; enkele

lichaamsdeelen zijn soms bovenmatig verlengd, ondergaan allerlei

wijzigingen, verdraaiingen en misvormingen, andere vereenigen zich

met elkander, nog andere verdwijnen geheel. Bij geen enkele klasse

van Gewervelde Dieren is het aantal voorbeelden van vreemdsoortige,

onbegrijpelijke aanhangselen, die als 't ware toevoegselen zijn aan

den regelmatigen bouw, zoo groot als bij de Visschen; deze klasse

overtreft alle overige door de veelzijdigheid van rangschikking der

ledematen en zintuigen.

De lichaamsvorm van de Visschen kenmerkt zich vooral, doordat de

geleding, die men bij verreweg de meeste overige Gewervelde Dieren

opmerkt, bij hen minder duidelijk is; ternauwernood kan men kop, romp

en staart onderscheiden. De kop is onmiddellijk met den romp verbonden

en laat meestal geen beweging toe. De beweeglijke hals, die voor het

zwemmen hinderlijk zou zijn, ontbreekt hier geheel. De romp is van

voren stijf, wordt verder naar achteren buigzamer en gaat onmerkbaar

over in den staart, die wegens de beweeglijkheid der wervels, welke

hier haar grootsten omvang bereikt, als zwemorgaan de belangrijkste

beteekenis heeft. Deze eigenaardige lichaamsbouw staat in zeer nauw

verband met de beweging van den Visch, waarbij het zijwaarts buigen

van de wervelkolom door de sterk ontwikkelde spieren van den romp een

hoofdrol speelt; tot vermeerdering van de hierdoor beoogde werking

dienen de vliezige kammen op het midden van rug- en buikzijde, de

door beenige of kraakbeenige vinstralen gesteunde, onparige vinnen,

die opgericht en neergelegd kunnen worden. Daarentegen schijnen de

parige vinnen, de borst- en buikvinnen, die de plaats innemen van de

voorste en achterste ledematen der overige Gewervelde Dieren, meer voor

't sturen geschikt. De onparige vinnen zijn gelegen in het middelvlak

(waardoor het lichaam in twee symmetrische helften wordt verdeeld) en

ontstaan gedurende het embryonale leven als een eenvoudige huidplooi,

die een onafgebroken omlijsting vormt van het achterste deel van den

stam; soms verlengt deze huidplooi zich zoover naar voren, dat zij

aan de bovenzijde den kop, aan de onderzijde de aarsopening bereikt;

tevens ontwikkelen zich daarin kraakbeenige of beenige, verticale

stralen, die op andere skeletdeelen rusten. Zelden, o. a. bij de

Aal, blijft de vin op dezen ontwikkelingstrap staan; in den regel

verdeelt zij zich, zoowel aan de boven- als aan de onderzijde, in

een voorste en een achterste afdeeling: de rugvin, de staartvin en

de aarsvin. Niet zelden komt een verdere splitsing van de rugvin in 2

of 3, van de aarsvin in 2 deelen voor. De vinstralen bestaan soms uit

twee innig met elkander vereenigde helften (een rechter en een linker),

die in dwarse richting geen verdeeling vertoonen (ongelede stralen),

soms uit twee naast elkander gelegen reeksen van stukjes kraakbeen of

been, die door naden verbonden zijn en zich naar buiten herhaaldelijk

vorksgewijs kunnen vertakken (gelede vinstralen). De voorste, ongelede

stralen van de rug- en borst-, soms ook van de buik- en aarsvinnen,

bereiken bij vele Been- en Ganoïd-visschen een aanzienlijke grootte

en kunnen wegens hun stevigheid en scherpe spits als wapens dienen;

zij heeten "stekels". Ook bij de Kraakbeenvisschen (Haaien en Roggen)

komen zulke wapens voor, die echter nooit uit twee onderling vereenigde

helften bestaan; wegens hun wijze van ontwikkeling en bevestiging

aan de huid moeten zij met tanden vergeleken worden.

De stralen van rug- en aarsvin worden gedragen door eigenaardige

steunbeenderen, die van onderen, waar zij tusschen de spieren eindigen,

spits toeloopen; zij heeten tusschendoornbeentjes, daar zij tusschen

de doornuitsteeksels der wervels gelegen, maar er niet direct mede

verbonden zijn; die van de rugvin liggen tusschen de bovenste,

die van de aarsvin tusschen de onderste doornuitsteeksels. Zij

worden door zwakke spieren bewogen en zijn met de stralen door een

gewricht verbonden, die van de stekels op een bijzonder stevige

wijze. De steunbeenderen van de staartvinstralen zijn (wegens de

hier plaats hebbende vergroeiingen) bij de meeste Visschen moeielijk

te herkennen, doch komen in aanleg met die van de overige onparige

vinnen overeen. Belangrijke vormverschillen merkt men aan de staartvin

op. De eenvoudigste inrichting, die bij de hoogere Visschen gedurende

de eerste tijdperken van het embryonale leven en bij de allerlaagst

ontwikkelde typen (het Lancetvischje en de Rondbekkigen), blijvend

voorkomt, is, dat de wervelkolom of de haar voorafgaande ruggestreng

zich tot aan het achterste uiteinde van het lichaam uitstrekt en

symmetrisch omgeven wordt door het nog niet door stralen gesteunde

vinvlies. Zulke Visschen heeten gelijkstaartig (diphycerk). Weinig

hooger ontwikkeld is de staartvin van de Salamandervisschen en sommige

Ganoïd-visschen, waar het vinvlies echter vinstralen bevat en de as

van het geraamte den achterrand van de staartvin bereikt. De staartvin

is bij de Haaien en Roggen, de meeste Ganoïd-visschen en bij nagenoeg

alle jonge Beenvisschen in een bovenste en een onderste stuk verdeeld,

doordat het uiteinde van de wervelkolom zich bovenwaarts buigt: zulke

Visschen heeten ongelijkstaartig (heterocerk). Bij de Beenvisschen is

op lateren leeftijd uitwendig van het naar boven gekromde uiteinde van

de wervelkolom weinig of niets meer te zien: zij zijn gelijkstaartig

(homocerk) geworden.

De borstvinnen worden gedragen door een (bij de Beenvisschen

aan 't kopskelet gehechte) boogvormige reeks van beenderen, den

"schoudergordel", waarmede achtereenvolgens een middelste afdeeling

van zeer verschillend maaksel en een reeks van kleine, cilindervormige

steunbeenderen voor de vinstralen verbonden zijn. Als drager voor de

buikvinnen dient een plat been of kraakbeen, dat niet met het overige

skelet verbonden is, maar vrij tusschen de buikspieren eindigt. Bij de

meeste Visschen is het (als bij den Snoek) ongeveer op het midden van

de lichaamslengte, tamelijk dicht bij de aarsopening, dus op eenigen

afstand achter de borstvinnen gelegen; deze heeten "buikvinnig";

bij andere, "Borstvinnigen" genaamd, is het (als bij de Baars)

meer naar voren onder de borstvinnen geplaatst; bij nog andere,

veel minder talrijke Visschen (b.v. bij den Kabeljauw) is het nog

meer naar voren, onder de keel, dus vóór de borstvinnen verschoven;

deze noemt men "keelvinnig."

De huid van de Visschen bestaat, evenals die van de overige Gewervelde

Dieren, uit twee lagen: de stevige, vezelige lederhuid en de opperhuid,

welker buitenste cellen meestal in een taai slijm veranderd zijn. In

de huid ontstaan de schubben, pantserplaten, schilden en plaatjes

van zeer verschillende gedaante en samenstelling, die de bekleeding

van de Visschen vormen. De onderste, tot de lederhuid behoorende

lagen van deze bekleedende deelen bestaan uit vezelig bindweefsel,

dat meestal door de daartusschen ingevoegde kalkzouten hard geworden

en soms in echt been veranderd is, terwijl de bovenste laag als een

opperhuidsvorming beschouwd moet worden en nog het meest gelijkt op

het email van onze tanden. Naar hun vorm en samenstelling worden deze

deelen onderscheiden in kring-, kam-, borstel-, glans- en plaatschubben

(cycloïde, ctenoïde, sparoïde, ganoïde en placoïde schubben). De

eerstgenoemde komen het meest voor; aan haar oppervlakte merkt men

een groot aantal lijnen op, die zich boven de oppervlakte verheffen

en meer of minder volledige, concentrische kringen vormen om het

"primitiefveld", dat nader bij den vrijen achterrand dan bij den

verborgen voorrand gelegen is. De kamschubben onderscheiden zich

van de vorige, doordat voorbij haar achterrand, bij wijze van

franje, tanden, stekels of knobbels uitsteken; bovendien ontmoeten

hare concentrische strepen den vrijen achterrand meestal onder een

spitsen hoek. De borstelschubben, die men slechts bij enkele Visschen

aantreft, houden het midden tusschen de kring- en de kamschubben;

aan den achterrand zijn zij niet getand; haar vrije oppervlakte is

echter wel met stekeltjes bezet. De glansschubben zijn dik en hard;

de beenlichaampjes, die bij de vroeger genoemde schubben ontbreken,

zijn hier duidelijk ontwikkeld; over de beenlaag ligt een laag

doorzichtig email. De eigenaardige schubben van de Haaien en Roggen,

waardoor de huid van deze Visschen een korrelig voorkomen verkrijgt,

of aan een rasp herinnert, worden gewoonlijk plaatschubben genoemd.

Over 't algemeen behoeven de Visschen, wat de pracht, zuiverheid,

veelzijdigheid en verscheidenheid der kleuren betreft, bij de andere

leden hunner hoofdafdeeling niet achter te staan. Hun huid vertoont de

glans van edelgesteenten en metalen en weerspiegelt alle kleuren van

den regenboog. De indruk door de prachtige kleuren gewekt, wordt nog

verhoogd door de schoonheid en menigvuldigheid van de teekening. De

kleurstoffen zijn deels in de lederhuid, deels in de onderste lagen

van de opperhuid gelegen; de zilverkleur wordt teweeggebracht door

een laagje van kleine kristallen, die de binnenste oppervlakte der

schubben bedekken. Een niet gering aantal soorten dankt voorts aan

het bezit van chromatophoren in de huid het vermogen om van kleur te

veranderen, dat tot even merkwaardige verschijnselen aanleiding geeft,

als bij de Reptiliën en Amphibiën waargenomen worden.

Bij de Visschen is het inwendig geraamte vooral hierdoor merkwaardig,

omdat dit hoofdkenmerk van de Gewervelde Dieren hier in zijn

oorspronkelijken eenvoud optreedt; bijna alle ontwikkelingsstadiën, die

het skelet bij hoogere typen doorloopt, worden bij volwassen Visschen

van verschillende orden als blijvenden toestand aangetroffen. Het

geheele wordingsproces van het skelet, de allengs voortschrijdende

geleding van de wervelkolom en van de overige deelen van het

geraamte, de vervanging van de oorspronkelijk geleiachtige as en

van hare aanhangselen eerst door kraakbeen, later door been, wordt

door de systematisch gerangschikte groepen van de klasse der Visschen

aanschouwelijk voorgesteld. Het allereerste beginsel van het inwendig

geraamte is bij alle Gewervelde Dieren een staafvormig, veerkrachtig

deel (de ruggestreng of chorda dorsalis), dat zich rechtlijnig van het

voorste tot het achterste deel van het lichaam uitstrekt en zoowel hier

als daar spits eindigt. Het bestaat uit saprijke cellen en is door een

vliezige scheede (binnenste chordascheede) omhuld. Een tweede scheede

(de skeletvormende laag) breidt zich boven de ruggestreng uit tot een

buis, die het ruggemerg bevat en ook daaronder, tot een gewelf over

de groote bloedvaten en de ingewanden der onderste lichaamsholte. Bij

de onvolkomenste van alle Visschen, bij het Lancetvischje, blijft het

geraamte voortdurend op dezen allerlaagsten trap van ontwikkeling

verkeeren. De veranderingen, waardoor het een grootere stevigheid

verkrijgt, gaan uit van de skeletvormende laag, die op verscheidene

plaatsen, welke regelmatig langs de geheele ruggestreng verdeeld zijn,

eerst kraakbeenige, later beenige ringen vormt, die beginsels vormt,

die beginsels van wervellichamen zijn: de verharding gaat dus gepaard

met geleding (segmentatie). De bedoelde ringen ontwikkelen zich ten

koste van de chorda en treden in verbinding met de kraakbeenige

of beenige boogstukken, die zich intusschen (eveneens gelijke

tusschenruimten overlatend) in den wand van het ruggemergskanaal en

van de onderste lichaamsholte gevormd hebben. Aanvankelijk zijn de

segmenten onderling gelijk. Een hoogere organisatie komt tot stand,

doordat in een groep van segmenten (later in meer groepen) afwijkingen

van den oorspronkelijk gelijken ontwikkelingsgang optreden. Het

eerst geschiedt dit met de voorste segmenten, die dan gezamenlijk

den kop vormen. Hiervan is bij het Lancetvischje nog geen sprake;

bij dit dier heeft het voorste deel van het ruggemerg zich nog niet

tot hersenen ontwikkeld. De schedel in zijn eenvoudigsten vorm, een

kraakbeenig omhulsel van de hersenen, ontmoet men voor 't eerst bij

de Slijmprikken (Myxine), die echter door de geleiachtige chorda met

de Lancetvischjes overeenstemmen. De hoogst ontwikkelde Rondbekkigen

(de Lampreien) vertoonen de allereerste aanduiding van wervellichamen,

n.l. sporen van verdeeling in een kraakbeenige strook, die aan de

schedelbasis begint. Duidelijker sporen van segmentatie merkt men op

bij de tot de Haaien behoorende Zeedraken (Chimaera), waar de buitenste

chorda-scheede verkalkte ringen of korsten bevat, welker aantal echter

aanmerkelijk grooter is dan dat der kraakbeenige wervelbogen. Ook bij

de Kraakbeensteuren en de Longvisschen is de eigenlijke ruggestreng

nog onverdeeld; de bovenste en onderste wervelbogen bereiken echter een

iets hoogeren trap van ontwikkeling en vertoonen bij de laatstgenoemde

zelfs een begin van verbeening. Bij de Haaien en Roggen is een

groot deel van de chorda verdrongen door de vorming van kraakbeenige

wervellichamen in den vorm van zandloopers of van cilinders, die van

voren en van achteren uitgehold zijn; dit kraakbeen is gewoonlijk

verkalkt; in den regel bevat de wervel echter een centrale opening,

zoodat ook hier nog een doorloopende ruggestreng voorkomt.

Het vervangen van het kraakbeenweefsel door beenweefsel gaat

van de buitenste chorda-scheede uit; het bepaalt zich bij sommige

Ganoïdvisschen tot de wervelbogen en breidt zich bij de andere leden

dezer orde en bij de Beenige Visschen allengs over grootere gedeelten

van den wervel uit. Slechts bij een enkele thans levende soort--bij

een Ganoïdvisch; de Kaaimanvisch (Lepidosteus osseus)--schrijdt deze

verandering bij sommige wervels zoover voort, dat de wervellichamen

van voren met een ronden gewrichtsknobbel, van achteren met een ronde

gewrichtsholte voorzien zijn. Bij alle Beenige Visschen echter behoudt

het wervellichaam steeds een deel van de chorda in onveranderden

toestand, zoodat het na verwijdering van deze geleiachtige massa

den vorm heeft van een zandlooper, welks beide kegelvormige holten

aan den top niet ineenvloeien. Alleen langs hunne randen staan deze

beenderen onderling in verband.

In den regel zijn ribben aanwezig; deze eindigen echter altijd vrij in

het vleesch; een borstbeen komt bij de Visschen nooit voor. Het aantal

paren ribben loopt zeer uiteen; bij sommige Beenige Visschen--bij de

Koffervisschen (Ostracion)--bepaalt het zich tot 15; bij de meeste

overige leden dezer onderklasse bedraagt het 70 à 80, bij andere

(de Alen) stijgt het tot ongeveer 200; veel grooter nog is het bij

sommige Haaien, n.l. 350 à 400. De vleeschgraten--langwerpige, spitse,

meestal Y-vormige beenderen, die zich in de peesvliezen tusschen

de zijdespieren van den romp ontwikkelen--zou men soms licht met de

ribben kunnen verwarren.

In de krachtige spiermassa, die het inwendig geraamte aan weerszijden

bedekt, merkt men bij de Visschen een duidelijke segmentatie (een

opeenvolging van overeenkomstige deelen) op, die bij de hooger

ontwikkelde Gewervelde Dieren allengs voor een groote verscheidenheid

van spieren plaats maakt. Het "zijdespierenstelsel" is in een linker-

en een rechterhelft verdeeld door de lichaamsholte en verder boven-

en achterwaarts door vliezige platen, die in 't middelvlak tusschen de

lichaamsas en de huid gelegen zijn, bij de hooger ontwikkelde Visschen

vooral door de onderste en bovenste doornuitsteeksels. Iedere helft is

door een peezige strook ter hoogte van de zijdestreep (een van kop tot

staart reikende reeks van zintuigelijke organen, van buiten kenbaar

aan de doorboorde schubben) in een rug- en buikafdeeling gesplitst;

elke afdeeling bestaat uit evenveel afzonderlijke spierlagen als

er wervels zijn. Deze spierlagen zijn door peesvliezen gescheiden

en hebben een gebogen vorm; zij zijn als 't ware trechtersgewijs

ineengeschoven en vertoonen zich daarom op de dwarse doorsneden

van elk der vier afdeelingen (het duidelijkst in den staart, het

minst duidelijk aan weerszijden van de lichaamsholte) als min of

meer volkomene, concentrische kringen. De zijdespieren brengen de

krachtige, zijwaartsche buigingen teweeg, waardoor de Visch zich in

't water voortbeweegt.

Meer dan bij alle overige Gewervelde Dieren overtreft bij de Visschen

de massa van het ruggemerg die van de hersenen. Deze zijn zeer klein

en vullen de schedelholte slechts ten deele. Aan de bovenzijde

onderscheidt men de volgende afdeelingen: de in twee halfronden

verdeelde "groote" hersenen die van voren twee opzwellingen vertoonen

(de reuklobben, vanwaar de reukzenuwen uitgaan), de grootere

gezichtslobben (waarmede aan de onderzijde de gezichtszenuwen

verbonden zijn) en ten slotte een kleine, onparige afdeeling, die

met onze kleine hersenen vergeleken wordt.

In den regel zijn bij de Visschen nagenoeg alle zintuigen aanwezig en,

hoewel over 't algemeen minder ontwikkeld dan bij de hoogere dieren,

hoogst zelden rudimentair. De meestal zeer groote, van voren afgeplatte

oogen, die doorgaans de leden missen, zijn slechts bij de Slijmprikken

(Myxine) met een ondoorzichtige huid bedekt (bij het Lancetvischje zijn

zij door twee gekleurde vlekjes vervangen); hun regenboogvlies prijkt

gewoonlijk met buitengewoon levendige, metaalachtige kleuren. Het

gehoororgaan, dat slechts bij het Lancetvischje ontbreekt, komt overeen

met ons binnenoor (de doolhof); het bestaat in zijn volkomensten

toestand uit het eironde blaasje, het ronde zakje, 3 halfcirkelvormige

kanalen en een zeer weinig ontwikkeld slakkenhuis; het ronde zakje

bevat 2 of 3 gehoorsteentjes met gekartelden rand (otolithen),

waarvan één de overige in grootte overtreft (het zoogenaamde

"geluksbeentje"). Bij de meeste Visschen is het gehoororgaan, door

vetweefsel omgeven, in de schedelholte gelegen, doch zoo dicht bij

de oppervlakte, dat de geluidsgolven het deels door de kieuwdeksels,

deels door het water van de kieuwholte gemakkelijk bereiken kunnen. Bij

4 familiën van Beenige Visschen--de Karper-, Meerval-, Beefaal- en

Zaagbekzalmvisschen--bestaat er gemeenschap tusschen het gehoororgaan

en de zwemblaas door tusschenkomst van 4 beentjes, die als vervormingen

van doorn- en dwarse uitsteeksels en ribben van de 4 voorste wervels

moeten worden beschouwd; hierdoor leert de Visch de verschillende

graden van vulling van zijn zwemblaas kennen. Het reukorgaan, dat bij

het Lancetvischje ontbreekt (hoewel aan de linkerzijde van het voorste

deel van 't ruggemerg een bekervormig, met trilharen bekleed groefje

voorkomt), is bij de Rondbekkigen onparig (buisvormig, met 1 neusgat in

't middenvlak aan de bovenzijde van den kop), bij de overigen Visschen

parig. De Haaien en Roggen hebben twee neusgaten aan de onderzijde

van den snuit. Alleen bij de Longenvisschen en Slijmprikken staan de

neusholten met de mondholte in gemeenschap; bij alle overige Visschen

hebben de neusholten (welker binnenste oppervlakte door plooiing

van het haar bekleedende slijmvlies aanmerkelijk vergroot wordt)

geen andere openingen dan neusgaten aan de bovenzijde van den kop:

bij de Beenige Visschen en de Ganoïd-visschen in den regel ieder twee,

die soms tamelijk ver uiteenstaan. Het smaakzintuig ontbreekt bij de

meeste Visschen; de tong (die trouwens dikwijls ontbreekt) kan voor

dit doel niet dienen; aan het gehemelte heeft men bij de Karperachtige

Visschen eindtoestellen gevonden, die er blijkbaar wel voor geschikt

zijn. De lippen met de dikwijls hieraan voorkomende baarddraden

en de bij sommige Visschen (o.a. bij de Knorhanen) aanwezige vrije

stralen van de borstvin zijn vermoedelijk tastorganen. Onbekend is de

verrichting van de zintuigelijke organen, die de zijdestreep vormen,

en behalve aan den romp en den staart ook aan den kop gevonden worden.

De zuurstof, die de Visschen voor hun ademhaling noodig hebben,

ontleenen zij aan de in 't water opgeloste lucht; terwijl het bloed

zuurstof opneemt, staat het koolzuur af. Voor dit doel dienen de

kieuwen, die in hoofdzaak bestaan uit een zeer vaatrijk slijmvlies,

welks oppervlakte door plooiing zeer sterk vergroot is en in den

regel plaatjes of draadjes vormt. De kieuwholten staan steeds met de

voorste afdeeling van het spijskanaal in gemeenschap.

Bij het Lancetvischje volgt op de mondholte een wijde ruimte,

welker wanden tot steun 80 à 100 veerkrachtige staven bevatten;

de spleetvormige tusschenruimten, die zij overlaten, kunnen door

spieren vernauwd worden. Deze "kieuwkorf", die een groot deel van de

voorste lichaamshelft inneemt, staat van achteren met een maagvormige

verwijding van het spijskanaal in gemeenschap en dient dus niet

slechts voor de ademhaling, maar ook als slokdarm. Aanvankelijk staan

de openingen van de kieuwkorf direct met de buitenwereld in verbinding;

later groeit er een huid voor langs, waardoor een buitenste kieuwkamer

wordt begrensd, die het water, dat voor de ademhaling gediend heeft,

opneemt, waarna het verwijderd wordt door een opening, die in 't

middenvlak aan de buikzijde van de achterste lichaamshelft voorkomt.

Alle overige Visschen hebben twee tot een kleiner deel van het lichaam

beperkte "kieuwholten", die duidelijk van 't spijskanaal gescheiden

zijn. In elke kieuwholte van de Rondbekkigen vindt men 6 à 7 van

voren en van achteren afgeplatte kieuwzakjes, welker platte wanden van

binnen met een groot aantal kieuwplaatjes bezet zijn. Hun wijze van

verbinding met den slokdarm aan den eenen, met den buitenwereld aan den

anderen kant is bij de verschillende afdeelingen der "Zakkieuwigen"

ongelijk. Bij één daarvan--de Lampreien--komt achter de kop aan

weerszijden een reeks van 7 kieuwspleten voor, zonder eenig spoor

van kieuwdeksels. Het hierdoor binnentredende en aan de kieuwzakjes

toegevoerde water wordt na volbrachte werking uitgestort in een

onder den slokdarm gelegen, blinde buis, de "spuitzak", welke achter

in de mondholte uitkomt door een opening met een dubbel klepvlies,

die gesloten blijft, zoolang de Lamprei aan 't zuigen is. Bij alle

overige Visschen wordt het ademhalingswater door den mond opgenomen,

door "keelspleten" naar de kieuwholten gevoerd en daarna verwijderd

door kieuwspleten, die onmiddellijk achter den kop, aan weerszijden

van den romp gelegen zijn. Bovendien komen bij hen tot steun van de

weefselstroken, die de keelspleten scheiden, kraakbeenige of beenige

"kieuwbogen" voor, waarvan de eerste beginselen reeds in het skelet

van de ademhalingsorganen der lagere Visschen aan te wijzen zijn. Aan

de bolle zijde van de kieuwbogen--die de keelholte der Visschen

op soortgelijke wijze omgeven, als de ribben de borstholte van de

Zoogdieren begrenzen--zijn de "kieuwplaatjes" vastgehecht. Bij de

meeste Visschen gelijkt hun rangschikking op die van de tanden van een

haarkam. Elke kieuwboog draagt twee zulke reeksen. Deze zijn bij de

Haaien en Roggen vergroeid met (en gescheiden door) een vliezig schot,

dat zich tot aan den buitenwand der kieuwholte uitstrekt en deze in een

aantal opeenvolgende kamers verdeelt, die ieder door een kieuwspleet

met de buitenwereld in gemeenschap staan. In den regel komen bij de

"Vastkieuwigen" vijf kieuwspleten aan iedere zijde voor. Bij de

"Vrijkieuwigen" (Ganoïden en Beenige Visschen) zijn de bedoelde

schotten niet aanwezig; hun niet in kamers verdeelde kieuwholte wordt

aan de buitenzijde door het kieuwdeksel en het kieuwdekselvlies op zulk

een wijze begrensd, dat er slechts één meer of minder lange kieuwspleet

aan elke kieuwholte overblijft. Alle Ganoïden en verreweg de meeste

Beenige Visschen hebben 4 kieuwendragende kieuwbogen. (Daarachter

komen de onderste keelbeenderen voor.)

Met uitzondering van de Longenvisschen, bezit geen enkel lid van

de klasse een voor de ademhaling dienenden, met lucht gevulden

zak, dus zulk een, welks wanden een haarvatenstelsel bevatten,

dat koolzuurhoudend bloed ontvangt en van waar zuurstofhoudend bloed

wordt afgevoerd. Daarentegen komt een "zwemblaas" (door onze visschers

gewoonlijk "zwembalg" genoemd) bij zeer vele Visschen voor. Hoewel

deze zak lucht bevat, heeft hij voor de ademhaling in 't geheel geen

beteekenis. De zwemblaas ontstaat gedurende het kiemleven meestal als

een uitstulping aan de rugzijde van den voordarm en groeit slechts

bij uitzondering (als de longen) van de buikzijde van den voordarm

uit. Zij is steeds aan de rugzijde van het spijskanaal gelegen,

dikwijls even lang als de lichaamsholte, parig (en dan al of niet

symmetrisch) of onparig (en dan dikwijls door insnoeringen in twee of

meer afdeelingen verdeeld). Bij alle Ganoïden en vele Beenige Visschen

(Luchtbuisvisschen) blijft de zwemblaas levenslang door een luchtbuis

met het spijskanaal verbonden; bij andere Beenige Visschen groeit

deze buis op lateren leeftijd dicht en kan er alleen uit het bloed

van den zwemblaaswand nieuwe lucht naar binnen komen. Vermoedelijk

bevordert de zwemblaas binnen zekere grenzen de geschiktheid van den

Visch voor het rijzen en dalen in het water.

Het Lancetvischje verschilt van alle overige Gewervelde Dieren, doordat

het kleurloos bloed heeft en geen andere organen voor de bloedbeweging

dan kloppende aders, o.a. de groote ader onder de ruggestreng, die

aanleiding heeft gegeven tot den naam "Smalhartigen". Bij alle overige

Visschen is het hart samengesteld uit een dunwandige voorkamer en

een dikwandige kamer en door een hartzakje omgeven; het is ver naar

voren, onmiddellijk achter de kieuwen gelegen. Het bloed wordt door de

samentrekkingen van de kamer in den "slagadersteel" en door de hieruit

ontspringende 4 paren kieuwslagaders door de haarvaten van de kieuwen

gedreven en komt vervolgens in de rugslagader (neerdalende aorta), die

het aan de haarvatenstelsels van alle overige lichaamsdeelen toevoert,

vanwaar het door aders naar de voorkamer terugkeert. Men spreekt hier

daarom van een "enkelvoudigen kringloop". De slagadersteel is bij de

Beenige Visschen van twee klepvliezen voorzien, die het terugstroomen

van het bloed verhinderen. Bij de Kraakbeenvinnigen, Ganoïden en

Longenvisschen is de kamer op de plaats, waar de slagadersteel

ontspringt, tot een zoogenaamden "slagaderkegel" uitgetrokken,

die aan zijn binnenrand verscheidene dwarse reeksen van zakvormige

klepvliezen draagt.

De spijsverteringswerktuigen, hoewel over 't geheel genomen eenvoudig

van maaksel, kunnen op zeer verschillende wijze ontwikkeld zijn;

vooral geldt dit van het tandenstelsel. Van de talrijke beenderen

van mond- en keelholte is er bijna geen enkele aan te wijzen,

dat niet bij den eenen of anderen Visch met tanden bedekt wordt

aangetroffen. Toch zijn eenige, hoewel zeer weinige Visschen (o.a. de

Troskieuwigen en de Steuren) geheel van tanden verstoken; bij andere

vindt men ze slechts op enkele, bij sommige echter op alle voor het

tandendragen geschikte beenderen. Gewoonlijk neemt men aan den zolder

van de mondholte twee onderling evenwijdige, boogvormige reeksen van

tanden waar: één op de tusschenkaaks- en een andere op de gehemelte- en

ploegschaarbeenderen; in den regel dragen de onderkaak en het tongbeen

een enkele boogvormige reeks. Verderop is het aantal tanden meestal

zeer groot, daar ze op alle kieuwbogen en op de bovenste en onderste

keelbeenderen voorkomen. Ondanks hun buitengewone verscheidenheid van

vorm kan men de tanden in grijp- en maaltanden onderscheiden. Gene zijn

gewoonlijk spitse, een weinig naar achteren gekromde haken, die aan de

voorzijde een min of meer scherpen rand hebben. De maaltanden kunnen

kort, schijfvormig of hoog van kroon, soms ook afgeknot kegelvormig

zijn. Altijd missen de tanden een eigenlijken wortel. Dikwijls zitten

zij eenvoudig aan het slijmvlies van de mondholte vast; in den regel

echter zijn zij er gedeeltelijk in weggedoken en met talrijke vezels

aan het been bevestigd. De vorming van tanden houdt, naar het schijnt,

bij alle Visschen levenslang aan.

De grens tusschen den wijden slokdarm en de maag is moeielijk

waarneembaar. Bij den portier (pylorus), de opening, waardoor de

maag met den darm in gemeenschap staat, treft men dikwijls, vooral

bij vele Beenige Visschen, de pylorus-aanhangsels aan, enkelvoudige

of vertakte, blinde buizen, welker aantal van 1 tot 191 afwisselt;

hun rol is even weinig bekend als die van de "spiraalplooi" in den

dunnen darm van de Dwarsbekkigen, Longenvisschen en Ganoïden. Een

buikspeekselklier komt bij nagenoeg alle, een lever bij alle Visschen

(beide ook bij alle overige Gewervelde Dieren) voor. Met uitzondering

van het Lancetvischje hebben alle Visschen twee nieren, die aan

weerszijden van de wervelkolom in de lichaamsholte gelegen zijn en

deze dikwijls in lengte evenaren. De opening waardoor de urine geloosd

wordt, is bij alle Visschen onmiddellijk achter de aarsopening gelegen

en staat soms in verband met de afvoerbuizen der geslachtsklieren

(hom en kuit), die bij de meeste Beenige Visschen tusschen de beide

andere openingen afzonderlijk uitmonden. Bij sommige Beenige Visschen

(o.a. bij de Zalmen en de Alen) ontbreken de eileiders en verlaten de

eieren de lichaamsholte door een vóór doch dicht bij de aarsopening

gelegen buikporie.

Alleen in de klasse van de Visschen treft men electrische organen aan;

dit zijn geleiachtige zuiltjes, die door vliezige, vaatrijke wanden

omgeven en door een menigte vliezige dwarsschotjes in vakjes verdeeld

zijn, over welker tusschenschotten uiterst fijne zenuwvezels zich

vlechtvormig verbreiden. De Sidderaal van Zuid-Amerika, de Electrische

Meerval van Afrika en de Sidderroggen van den Atlantischen en den

Indischen Oceaan zijn met de volkomenste electrische toestellen

uitgerust en zijn in staat om de hierin opgehoopte electriciteit naar

verkiezing te laten ontwijken; zij kunnen o.a. om zich te verdedigen

hevige schokken meedeelen, waardoor trouwens de voorraad electriciteit

schielijk uitgeput wordt.

Andere soorten van Visschen zijn door stekels of door een pantser

beschut; eenige bezitten zelfs vergiftige wapens, die ook voor den

mensch gevaarlijk zijn. Zulke organen vindt men bij de Stekelroggen,

welker staart met één of meer stevige, met weerhaken voorziene stekels

gewapend is. Hetzelfde verschijnsel merkt men op bij vele Drakenkoppen

en bij de Pietermannen, die met de stekels van hun rugvin en van hunne

kieuwdeksels een wonde toebrengen en vergiftigen kunnen.--Vergiftig

is trouwens ook het vleesch van verscheidene Visschen, soms gedurende

een bepaalden tijd, soms voortdurend; het eten van zulke Visschen

kan hevige ziekten van de spijsverteringsorganen, ontsteking van

slijmvliezen en dergelijke verschijnselen teweegbrengen, die,

wanneer niet spoedig een doelmatige geneeswijze wordt toegepast,

zeer dikwijls den dood ten gevolge hebben. Deze vergiftige Visschen

bewonen hoofdzakelijk de warme zeeën.

Op den vroeger herhaaldelijk gebezigden maatstaf vertrouwend, kunnen

wij de Visschen niet onder de begaafde dieren rekenen. De eenige wijze

van beweging, die bij hen voorkomt, is, strikt genomen, het zwemmen;

in dit opzicht zijn zij dus zeer eenzijdig ontwikkeld. Verscheidene

soorten van zeevisschen kunnen zich boven het water verheffen en als

't ware over een zekeren afstand vliegen; deze beweging is echter

eenvoudig een glijden door de lucht, dat door de grootte van de als

valscherm dienende borstvinnen bevorderd en waarvoor het noodige

arbeidsvermogen zwemmend verkregen wordt; de hiervoor vereischte

grootere begaafdheid is dus van geringe beteekenis. Zoo ook kunnen

verscheidene Visschen over vloeibaar slijk kruipen of er borend in

doordringen, ook zijn er enkele, die zich op een dergelijke wijze

over het droge land bewegen en zelfs bij hellende vlakken, wortels

en dergelijke voorwerpen opklimmen kunnen; hierbij spelen vooral de

borstvinnen een belangrijke rol. Dit kruipen of klimmen kan echter

evenmin met het sierlijke voortglijden van een Slang vergeleken worden,

als het vallen door de lucht met het vliegen der Vogels. Vlug en flink

bewegen de Visschen zich alleen, zoolang zij zich in 't water bevinden,

zoolang zij zwemmen. Hierin leggen zij dan ook groote bekwaamheid aan

den dag. Naar men zegt, kan de Zalm in de seconde 8, in het uur meer

dan 25000 M. afleggen; het eerstgenoemde getal is waarschijnlijk niet

overdreven; want werkelijk doorsnijdt deze Visch pijlsnel de golven,

hoewel zijn snelheid die van een snelvarenden zeestoomboot niet

overtreft. De buitengewoon dikke zijdespieren die zich aan den tot

een kolossalen roeiriem vervormden staart hechten en zulk een grooten

arbeid verrichten, zijn tot een verbazingwekkende krachtsinspanning in

staat en maken zelfs luchtsprongen van aanzienlijke hoogte mogelijk,

terwijl de overige vinnen de richting van de beweging regelen. De

meeste Visschen zwemmen op dezelfde wijze als de Zalm, maar voor 't

meerendeel minder snel, zoolang zij zich verplaatsen door waterlagen

van nagenoeg gelijke diepte. Het afdalen tot diepere en het zich

verheffen tot hoogere lagen wordt waarschijnlijk geregeld door

samenpersing en uitzetting van de lucht in de zwemblaas. Verscheidene

Visschen evenwel, vooral die, welke een slangvormig lichaam en kleine

vinnen hebben, zwemmen op een geheel andere wijze, door slangsgewijze

bewegingen van hun lichaam of golfvormige buigingen van hunne lange,

lage rugvinnen. Iets dergelijks valt op te merken bij de van boven

naar onderen samengedrukte, schijfvormige Visschen, doch met dit

onderscheid, dat deze, in plaats van zijdelingsche, van boven naar

onderen gerichte golvingen teweegbrengen. Door de volharding, waarmede

zij zich bewegen, overtreffen de Visschen alle andere dieren, hoewel

zij veel minder ademen, d.w.z. veel minder zuurstof verbruiken dan

deze en de kringloop van hun bloed langzamer plaats heeft. Hier staat

echter tegenover, dat de wijze van ademhaling, de gemakkelijkheid,

waarmede de in 't water opgeloste zuurstof in de kieuwen doordringt en

de stoot, teweeggebracht door het wegstuwen van het water, dat voor de

ademhaling gediend heeft, uit de kieuwspleten, hun beweging bevorderen.

Een noodzakelijk gevolg van de ademhaling door kieuwen is, dat

geen enkele Visch een stem bezit. Wel brengen verscheidene leden

dezer klasse tonen of liever een gedruisch voort, dat op knorren of

brommen gelijkt; dit wordt echter veroorzaakt door het tegen elkander

wrijven van de harde kieuwdekselbeenderen of misschien van de vinnen

en schubben en kan dus op één lijn gesteld worden met het sjirpen

van de Sprinkhanen. Het spreekwoord "zoo stom als een Visch" is dus

volkomen juist.

De vermogens van de hersenen zijn geëvenredigd aan haar geringe

grootte. Toch zijn alle zintuigen in staat om dienst te doen;

waarschijnlijk zelfs zijn zij scherper en fijner dan gewoonlijk

aangenomen wordt. Hoewel slechts weinige Visschen hunne oogen kunnen

bewegen, zien zij zeer goed, zelfs in diepe waterlagen. Het is zeker,

dat zij geluiden waarnemen, daar men getemde exemplaren door het

luiden van een klok bijeenlokken kan en andere bij een luid gedruisch

de vlucht ziet nemen. De reuk en de smaak zijn waarschijnlijk zeer

weinig ontwikkeld, zonder evenwel geheel te ontbreken. Dat iedere

aanraking van buiten tot het bewustzijn van de Visschen doordringt,

blijkt duidelijk; hunne zenuwen zijn echter niet uitsluitend voor

het geleiden van zulke grove, maar ook van veel fijnere prikkels

geschikt. Dit wordt voldoende bewezen door de algemeen bekende

eigenschap der Visschen om van kleur te veranderen. Schollen en andere

op den bodem vertoevende Visschen nemen, nadat zij een tijdlang op den

grond gelegen hebben, een kleur aan, die een merkwaardige overeenkomst

vertoont met die van het zand; deze verandering komt verrassend snel

tot stand, wanneer het dier op een anders gekleurden grond, b.v. op

lichtgrijs granietgruis, aankomt of neergelegd wordt. Even gevoelig

voor de werking van lichtprikkels, die zij door tusschenkomst van

de oogen en van de huidzenuwen ontvangen, zijn de "kleurstofdragers"

van andere Visschen, vooral van Forellen: in een dicht beschaduwd en

dus zeer duister water worden zij donkerder van kleur, daarentegen

bleeker, wanneer zij in een door de zon beschenen water geraken,

of door het oplichten van het deksel, dat hun aquarium verduistert,

aan een sterkere verlichting blootgesteld worden. Voor het tasten

dienen bij deze dieren de lippen met de dikwijls hieraan voorkomende

baarddraden en de vinnen.

Hoewel de Visschen zeer weinig verstand hebben, kan men hun dit niet

geheel ontzeggen. Zij zijn in staat om vijanden te onderscheiden van

wezens, die voor hen onschadelijk zijn, letten op de vervolging, die

zij hier en op de bescherming, die zij elders ondervinden, geraken

gewoon aan hun verzorger, aan voedering op een bepaalden tijd, aan

de tonen van den klok, waarmede zij bijeengeroepen worden op de voor

't voederen bestemde plek, weten op een schrandere wijze de plaatsen

uit te kiezen, waar zij veel voedsel kunnen vinden, gaan hier op de

loer liggen om een buit te verschalken, leeren hinderpalen overwinnen

en zich aan gevaren onttrekken, treden in een meer of minder innige

betrekking tot hunne soortgenooten, jagen gemeenschappelijk of helpen

elkander bij dezen arbeid. Andere bewijzen van geesteswerkzaamheid

geven sommige Visschen door de voorzorgsmaatregelen welke zij bij

het leggen der eieren nemen en door de wijze, waarop zij hunne jongen

behandelen.

Alle Visschen leven voortdurend of bijna voortdurend in het water. Zeer

gering in getal zijn de soorten, welker leden het vermogen bezitten om

het vochtige element voor meer of minder langen tijd te verlaten. Het

eigenlijke gebied van de Visschen is de zee, van de polen tot de

evenaar, de wereldzee met al hare vertakkingen en inhammen, welken

naam zij ook dragen. Het aantal soorten en individuën, die zich in

zoetwater ophouden staat zeer ver beneden dat der zee. Waarschijnlijk

is slechts het kleinste deel der werkelijk bestaande Visschen ons

bekend en kunnen wij ons dus van de vormenrijkdom dezer klasse nog

geen juiste voorstelling vormen. Toch mag men het er voor houden, dat

het aantal soorten en individuën, die het zoetwater bewonen, even ver

beneden dat der zee staat, als het eerstgenoemde gebied, wat grootte

en waterhoeveelheid betreft, door het laatstgenoemde overtroffen wordt.

De geschiktheid van de Visschen om in de meest verschillende

wateren, onder de meest verschillende omstandigheden te leven, is

even buitengewoon als het vermogen van de Vogels om zich te voegen

naar uitwendige invloeden. Er zijn uiterst weinige wateren, waarin

men geen Visschen vindt. Zij stijgen, tegen den stroom opzwemmend,

van de vlakte tot op een afstand van 5000 M. boven de oppervlakte

der zee omhoog en dalen in de zee af tot de grootste, ons bekende

diepten. Enkele van hen geven de voorkeur aan de bovenste waterlagen,

andere daarentegen houden zich in de onderste waterlagen op en

leven hier onder de drukking van een waterkolom, welker gewicht wij

wel kunnen berekenen, doch waarvan het ons moeielijk is een juiste

voorstelling te verkrijgen. Volgens de nieuwste onderzoekingen, mag

men het er voor houden, dat de diepten der zee veel dichter bevolkt

zijn dan tot dusver ondersteld werd. Ook op hooge breedten wordt

de zee door een ontzaglijk aantal Visschen bewoond; de heete en de

gematigde gordels zijn echter rijker aan soorten en individuën.

Het verbreidingsgebied van iedere soort op zich zelf beschouwd, is

minder uitgestrekt dan men verwachten zou, na bedacht te hebben dat

deze dieren zich zoo flink bewegen, dat het water hun het reizen

gemakkelijk maakt en dat iedere Visch min of meer geschikt is om

in verschillende wateren of althans in verschillende gedeelten

hiervan te leven. Grenzen zijn er echter ook op de eindeloos groote

zee. Naarmate men verder in een bepaalde richting voortschrijdt,

ziet men langzamerhand de eene soort voor de andere, daaraan verwante,

in de plaats treden en telkens nieuwe soorten verschijnen nevens die,

welke men reeds vroeger had opgemerkt. Weinige Visschen komen aan alle

kusten van eenzelfden oceaan voor. Ook deze wezens houden zich binnen

bepaalde verbreidingskringen op en schijnen aan hun geboorteplaats

gehecht te zijn met een innigheid, die ons tot dusver onverklaarbaar

voorkomt. Het is een bijna vaststaand feit, dat de Zalmen terugkeeren

naar de rivier, waarin zij geboren zijn, zoodra hun voortplantingstijd

gekomen is,--altijd naar deze, nooit naar een andere, al heeft zij

haar uitmonding onmiddellijk daarnaast. Bij uitzondering doen echter

ook Visschen groote reizen met een ander doel. De Haaien b.v. volgen

schepen of drijvend wrakhout over een afstand van honderden zeemijlen,

van zuidelijke zeeën tot in noordelijke of omgekeerd. Andere Visschen

dwalen bij toeval af naar kusten, die voor hen vreemd zijn. Dit

zijn echter uitzonderingen; over 't algemeen blijven de zeevisschen

tot bepaalde gordels, ja zelfs tot deelen daarvan beperkt, evenals

enkele zoetwatervisschen bepaalde stroomen en meren blijven bewonen;

de reizen, die zij ondernemen, zijn stellig minder uitgestrekt dan

aangenomen wordt. Jarenlang heeft men gemeend, dat de IJszee ons

de milliarden van Haringen zendt, die op de kusten van Noorwegen,

Groot-Brittannië, Duitschland, Nederland en Frankrijk gevangen

worden; thans evenwel weet men volkomen zeker, dat zij zich niet van

't noorden naar 't zuiden begeven, maar wel van diepe zeebodems

naar ondiepere plaatsen opstijgen. Hoewel vele Visschen door hun

geschiktheid tot beweging met de Vogels wedijveren, neemt men bij

geen van hen periodieke verhuizingen waar, welker uitgestrektheid

vergeleken zou kunnen worden met de reizen der trekvogels.

Het is niet onmogelijk, dat er een zeker verband bestaat tusschen de

verblijfplaats der Visschen en hun gestalte. Deze is bij de Visschen

van de tropische zeeën anders dan bij die, welker woonplaats in de

nabijheid der polen gelegen is, bij de zeevisschen over 't algemeen

anders dan bij de zoetwaterbewoners. Bij vele Visschen is echter

dit verband niet duidelijk merkbaar, omdat zij zich zoowel in de

zee als in de rivieren en meren van het binnenland kunnen ophouden;

geen enkele van deze "zwerfvisschen" of "trekvisschen", zooals men

ze zou kunnen noemen, brengt zijn geheele leven hetzij in de zee of

in het zoetwater door. Van de zee uitgaande, zwemmen zij de rivieren

op om kuit te schieten, van de rivieren begeven andere soorten zich

met hetzelfde doel naar de zee. Als zij verhinderd worden om deze

reis te doen, bereiken zij hun bestemming niet. Ook bij hen kan men

dus van een bepaalde woonplaats spreken en de zee of het zoetwater

als zoodanig beschouwen.

Hoe afhankelijk een Visch van het door hem bewoonde water is, blijkt

bij het nagaan van soorten, die in onze rivieren en meren aangetroffen

worden en welker levenswijze men om deze reden het gemakkelijkst kan

leeren kennen. Het komt ons dan voor als iets, dat van zelf spreekt,

dat de Forel slechts in helder water, de Meerval uitsluitend in

water met slijkerigen bodem, de Rivierdonderpad niet anders dan op

steenachtigen grond gedijt, dat de Modderkruiper niet ten onrechte

dezen naam draagt. Niet minder verklaarbaar wordt het iemand,

die Zeevisschen met elkander vergelijkt, dat de eene soort, zoo

niet uitsluitend, dan toch bij voorkeur op den bodem verblijf houdt,

terwijl de andere liefst in de bovenste waterlagen zich beweegt, dat de

Platvisschen zich plat op den bodem neervlijen, de Vliegende Visschen

daarentegen in de nabijheid van den waterspiegel leven. Nauwkeurige

onderzoekingen, vooral bij gevangen Visschen, leeren, dat ieder

individu na verloop van eenigen tijd aan een bepaalde verblijfplaats

gewoon raakt en hier om te rusten en te schuilen hoekjes uitkiest,

die hij telkens weer opzoekt. Tot dezelfde slotsom als die, welke

door de beschouwing van een beperkt gebied verkregen wordt, geraakt

men door een uitgestrekter gebied na te gaan. Ook de Visschen kunnen

kenmerkende dieren zijn voor bepaalde gewesten of zeeën, hoewel bij

hen de afhankelijkheid van de woonplaats minder duidelijk in 't oog

valt dan bij de leden van andere klassen van Gewervelde Dieren. De

veelvormigheid, die aan de keerkringgewesten eigen is, openbaart zich

echter ook bij de Visschen op een duidelijk merkbare wijze. Die, welke

van de voor ons gewone, van oudsher als typisch beschouwde gestalte

het meest afwijken, zijn voor het meerendeel uit de zeeën tusschen

de keerkringen afkomstig. Toch ontbreekt het ook in de noordelijke

zeeën niet aan Visschen van zonderlingen vorm, hoewel ook hier de

grootste veelvormigheid der klasse op lagere breedten voorkomt.

Slechts schijnbaar zijn de levenswijze, de handelingen en de gewoonten

der Visschen eenvormig en gelijksoortig, bij nader onderzoek merkt

men in hunne werkzaamheden een groote afwisseling en verscheidenheid

op. Bij onze zoetwatervisschen is dit duidelijk gebleken; iedere

soort, de eene meer, de andere minder, onderscheidt zich door

eigenaardigheden van levenswijze. Hoewel men van de zeevisschen,

van hun doen en laten en zelfs van hunne gewoonten, nog zeer weinig

weet, mag men aannemen, dat zij in dit opzicht een nog veel grooter

verscheidenheid zullen aanbieden. Toch is het leven der Visschen

over het algemeen genomen veel eenvoudiger en eentoniger dan dat der

Zoogdieren, Vogels, Reptiliën en Amphibiën. De werkzaamheden, die

voor de voeding noodig zijn, staan in vergelijking met alle overige

duidelijk op den voorgrond; aan haar wijden de Visschen verreweg het

grootste deel van hun leven. Van een geregelde dagverdeeling kan men

bij hen niet spreken, hoewel het niet te loochenen valt, dat zij een

bepaalden tijd aan den arbeid, een anderen aan de rust wijden en dus,

evenals de andere Gewervelde Dieren, een tijd van jagen en een tijd

van slapen hebben.

Bijna alle Visschen zijn roofdieren, bijna zonder uitzondering goed

uitgerust voor dit bedrijf en met ijver hiervoor bezield. Hoewel niet

weinige soorten ook plantaardig voedsel gebruiken, maken deze van

bijna geen enkele soort het eenige voedsel uit. De zwakste Visschen

zoeken van de waterplanten kleine Waterdieren af, of wroeten in

het slijk om allerlei Wormen te vangen; de sterkere soorten rukken

Slakken en Mossels los; alle overige leven in de gewone beteekenis

van 't woord van roof; deze bestaat, zoo niet uit andere Visschen,

dan toch uit ongewervelde Dieren die zich bewegen. Zij oefenen

het recht van den sterksten zonder eenige beperking uit: de kleine

worden door de grootere en deze weer door de nog grootere verslonden;

geen enkele roofvisch verschoont zijn eigen kroost. Vele Visschen

zijn gepantserd en zoo zwaar gewapend, dat het voor den heer der

schepping gevaarlijk is, zich met hen in te laten,--toch worden zij

opgevreten! Het gebit van den overmachtigen roover vergruist het

pantser, verbrijzelt en verstompt de doornen, stekels en spitsen;

de aanvalswapens zijn geëvenredigd aan de middelen van tegenweer. De

levensloop der Visschen is een aanhoudende rooftocht, waarin geen

kwartier wordt gegeven, geen barmhartigheid wordt geoefend; iedere

roofvisch is even vraatzuchtig als driest en stoutmoedig, en uit

roofvisschen bestaat nagenoeg de geheele klasse. Men meene niet,

dat alleen Haaien en dergelijke monsters voor groote dieren en voor

den mensch noodlottig worden; ook dwergachtige Visschen zijn in staat

om het leven van den beheerscher der aarde in gevaar te brengen; zij

rukken hem het eene stuk na het andere uit het lichaam en verslinden

hem, wanneer hij er niet in slaagt buiten hun bereik te komen. Het

water, de zee levert een tooneel van eindeloozen strijd.

De aandrift tot voortplanting brengt een aanmerkelijke verandering in

de levenswijze der Visschen teweeg; zij noopt hen tot reizen, maakt,

dat zeebewoners de rivieren opzwemmen en dat riviervisschen zich naar

de zee begeven, verwekt bij hen liefde voor de nakomelingschap en

neiging tot het bouwen van nesten, kortom, wel verre van hen alleen

met een bruiloftskleed te begiftigen, veroorzaakt zij als 't ware

een volslagen omkeering van hun gemoed.

Een andere wisseling van levenswijze komt voor bij sommige Visschen

van de keerkringsgewesten; evenals vele dieren met winterslaap

zijn zij genoodzaakt zich voor eenigen tijd in den grond te

verbergen ten einde hun leven, dat anders gevaar zou loopen te

behouden. Een winterslaap heeft men trouwens reeds bij een niet

onbelangrijk aantal soorten van Visschen waargenomen, die, als

het door hen bewoonde water uitdroogt, onder den modder kruipen

en hier in een staat van verstijving vervallen, welke voortduurt,

totdat de regentijd aanbreekt, hunne vroegere woonplaatsen weer met

water vult en hen in het leven terugroept. Ook hier te lande kan dit

geval zich voordoen. In de binnenlanden van Afrika en in Indië is het

volstrekt geen zeldzaamheid, dat Visschen gedurende het droge seizoen

in zulk een rusttoestand verkeeren; dit verschijnsel komt voor in

alle binnenwateren, die niet met rivieren samenhangen en tijdelijk

geheel uitdrogen; het is volstrekt niet beperkt tot die soorten,

welke men onder den naam van Longenvisschen samenvat. Vele van deze

(in zekeren zin boven de andere leden hunner klasse bevoorrechte)

dieren begeven zich in sommige gevallen over land naar een andere

plaats, vanwaar het water nog niet verdampt is en doen dus reizen,

die eenigermate aan die der zwervende Vogels herinneren. Hiermede

zou men ook kunnen vergelijken bepaalde veranderingen van woonplaats

van eenige onzer zoetwater- en zeevisschen, die in verband met de

wisseling van jaargetijden of met andere omstandigheden een ander

gebied opzoeken, b.v. uit de meren zich naar de rivieren begeven of

omgekeerd van hier naar de meren terugkeeren, enz. Daarentegen kan

het zoogenaamde "trekken" van de Visschen in 't geheel niet met het

"trekken" der Vogels vergeleken worden, omdat het uitsluitend een

gevolg is van de aandrift tot voortplanting.

De wisseling der jaargetijden heeft op de Visschen minder invloed dan

op alle overige Gewervelde Dieren. De jongen van de Zoogdieren, Vogels,

Reptiliën en Amphibiën worden in den regel in de lente geboren; bij de

Visschen is dit anders. Hoewel de voortplantingstijd (de "rijtijd") van

de meeste Visschen in het gunstigste deel van het jaar (hier te lande

dus in de lente en in den zomer) valt, komen hierop echter, zelfs bij

de inheemsche zoetwatervisschen, tal van uitzonderingen voor, zoodat

men in ons binnenwater vischkuit kan vinden in alle maanden van het

jaar, met uitzondering van Januari, Februari en Augustus; zelfs geldt

ongetwijfeld voor enkele exemplaren de genoemde uitzondering niet eens,

daar zij vroeger of later dan hunne verwanten met het kuitschieten

beginnen. Hieruit vloeit voort, dat de reizen der Visschen, die met

geen ander doel ondernomen worden dan om de eieren op een geschikte

plaats te leggen, niet tot een bepaalden tijd beperkt blijven, en dus

in dit belangrijk opzicht verschillen van het trekken der Vogels. Al

naar den tijd, waarin de voortplanting plaats heeft, verheffen de

Visschen zich uit de diepten der zee of uit het koude water bij den

bodem van binnenzeeën naar hoogere waterlagen, zwemmen zoover mogelijk

de rivieren op, om op geschikte plaatsen kuit te schieten en keeren

langzamerhand weer naar hunne vroegere verblijfplaatsen terug. Zooals

reeds gezegd is, komen ook reizen in tegenovergestelde richting voor

en begeven zoetwatervisschen zich naar de zee om eieren te leggen;

de oorzaak van het verschijnsel is dus steeds van denzelfden aard.

De noodige gegevens ontbreken tot dusver voor een verklaring van het

terugreizen der jongen, van den merkwaardigen trek tot gezelligheid,

dien de jeugdige zwervelingen bij deze gelegenheid openbaren, van

de regelmatigheid der door hen gevormde scholen, van de energie,

waarmede zij pogingen aanwenden om de moeielijkheden van hun weg

te boven te komen. Eigenaardig is ook de rusteloosheid van alle

"trekkende" Visschen; het is, alsof zij niet vrijwillig de reis

aanvaarden, maar er toe gedwongen worden.

De vruchtbaarheid is bij verschillende soorten ongelijk, maar meestal

ongeloofelijk groot. Bij de Zalmen en Forellen is het aantal eieren

betrekkelijk gering, daar het niet veel meer dan 25.000 bedraagt;

de Zeelt brengt er ongeveer 70.000 ter wereld, de Snoek 100.000, de

Baars 300.000, de Heilbot meer dan 3 millioen, de Kabeljauw over de

9 millioen, de Meerval, de Steur en de Huso eveneens millioenen. De

zee zou niet groot genoeg zijn om alle Visschen te bevatten, indien

de kiemen van al deze eieren tot ontwikkeling kwamen en de grootte

hunner ouders bereikten. Zeer verschillend is de plaats, die door

de Visschen geschikt wordt geacht voor het leggen van de eieren: de

Zalm en de Forel b.v. kiezen hiervoor met grind bedekte ondiepten,

andere Visschen een slijkerigen bodem, nog andere dicht met planten

begroeide gedeelten van het water, enz.; enkele soorten bouwen tusschen

zoetwater- of zeeplanten, in rotsspleten of in dergelijke ruimten een

echt nest; ook zijn er, die de eieren gedurende hun ontwikkeling in den

mond of in een uitsluitend voor dit doel bestemden zak medevoeren. Onze

riviervisschen schieten bij voorkeur 's nachts kuit, het liefst

bij maanlicht. De Forel graaft door zijwaartsche bewegingen van den

staart een ondiepe holte, waarin zij hare eieren legt. De Grondels

zwemmen snel stroomopwaarts door de beek, schuren met den buik

over het grind en strijken op deze wijze hunne eieren af. De Baars

en sommige van zijne verwanten hechten de eieren aan waterplanten,

hout of steenen. Zwemmend en tot dichte scholen vereenigd, schieten

vele Zeevisschen kuit.

Voor de ontwikkeling der kiemen zijn warmte en vochtigheid en een

voldoende verversching van de in 't water opgeloste lucht noodig. Voor

de eene soort wordt hiervoor een betrekkelijk hooge temperatuur

vereischt, voor andere is een zeer geringe warmtegraad voldoende. Deze

voorwaarden zijn bij de natuurlijke, niet door den mensch bevorderde

vischteelt slechts onvolkomen vervuld. Van de millioenen eieren,

die gelegd worden, blijft een groot deel onbevrucht; duizenden en

nog eens duizenden worden door den golfslag aan 't strand gespoeld en

verdrogen; een groot aantal komt in te diep water terecht en zal zich

eveneens niet ontwikkelen; op de overige loert een tallooze menigte

van vijanden van allerlei soort, uit alle klassen van de dierenwereld:

van de ontzaglijk groote hoeveelheid eieren van Visschen wordt geen

enkele te veel gelegd!

Zoodra het jong zich voldoende ontwikkeld heeft, verbreekt het de

eischaal; het komt dan te voorschijn als een langwerpig, doorzichtig

diertje, voorzien met een dooierzak, die door een insnoering van

den buik gescheiden is, met een magazijn vol voedingsstoffen voor

de naaste toekomst. Zoolang deze voorraad duurt, blijft de jonge

Visch meestal onbeweeglijk op den bodem liggen; alleen de borstvinnen

worden bewogen om een strooming teweeg te brengen, waardoor het voor

de ademhaling vereischte water vernieuwd wordt. Bij de Forel is de

inhoud van den dooierzak binnen een maand voor drievierde verbruikt,

na verloop van 6 weken bijna geheel verdwenen. Nu eerst begint het

Vischje behoefte aan voedsel te gevoelen; het vangt het leven zijner

ouders aan en maakt ijverig jacht op alle diertjes, die het meent te

kunnen overmeesteren. Hoe overvloediger de buit, des te sneller de

groei; zij die door het jachtgeluk begunstigd worden, overtreffen

weldra hunne honger lijdende verwanten, niet slechts in grootte,

maar ook in kracht en vlugheid van beweging. Na een jaar ongeveer,

bij de kleine soorten eerder, bij de grootere later, hebben de jonge

Vischjes ook het kleed van hunne ouders aangenomen en zijn dus in

alle opzichten aan hen gelijk geworden.

Bij verscheidene soorten van Visschen, o.a. bij sommige Roggen en

Haaien, heeft de ontwikkelingsgang geheel anders plaats. Evenals

sommige Reptiliën en Amphibiën, zijn zij levendbarend (ovovivipaar),

d. w. z., zij behouden het ei in hun lichaam, totdat het jong het

laatste tijdperk van het kiemleven doorloopen heeft; het verbreekt

de eischaal op het oogenblik, dat het uitgeworpen wordt.

Evenals alle levende wezens worden ook de Visschen soms door

langzaam plaats hebbende veranderingen in hun omgeving, of

door natuurverschijnselen, die hen eensklaps overvallen, bij

massa's vernietigd. Bij vulkanische uitbarstingen en onderzeesche

gasuitstroomingen komen zij dikwijls in grooten getale om 't leven;

door groote, binnenlandsche overstroomingen, veroorzaakt, doordat

rivieren of meren buiten hunne oevers treden, door overstroomingen

van lage kuststreken bij stormen en aardbevingen worden zij aan hunne

woonplaatsen ontrukt en op het droge achtergelaten, waar zij ellendig

bezwijken; hetzelfde lot kan hen treffen door het langzaam uitdrogen

of het plotseling afleiden van het door hen bewoonde binnenwater. Ook

heerschen soms onder de Visschen besmettelijke ziekten, die een groote

sterfte teweegbrengen. De ergste vijand van de Visschen, van deze

rooverbende, welker leden elkander vermoorden en verslinden, is echter

de mensch. Middellijk of onmiddellijk beperkt hij hun ontzaglijk snelle

vermenigvuldiging. De Visschen zijn voor hem onmisbaar. Als zij niet

bestonden, zouden geheele volken alle middelen van bestaan ontberen;

de beteekenis van vele staten berust geheel of grootendeels op de

visscherij en den daaruit voortvloeienden handel.

Vooral als voedingsmiddel zijn de Visschen voor ons van belang;

zij worden versch gebruikt of verduurzaamd door inpekelen, drogen,

rooken of inpakken in luchtdicht gesloten bussen. Uit de lever van

sommige groote soorten van Visschen bereidt men traan; kleinere

soorten, die bij myriaden in het net raken, worden in hun geheel

tot olie verwerkt; hunne overblijfselen leveren een uitmuntende

mestspecie, de vischguano. Uit de zwemblaas van sommige Visschen

wordt een eigenaardige lijm (vischlijm) bereid. De huid van andere

is de grondstof voor sommige soorten van leer, o.a. van het segrijn,

of wordt in gedroogden toestand voor het gladschuren en poetsen van

houten en metalen voorwerpen gebruikt. De schubben van eenige soorten

dienen voor de bereiding van een parelmoerglanzige stof, die aan de

kunstmatige parels een glans geeft, welke zoo weinig van dien der

echte verschilt. De inboorlingen van de Zuidzee-eilanden maken wapens

door de tanden van Haaien bij reeksen op een stok te bevestigen; met

deze speren kunnen zij gevaarlijke wonden toebrengen. De staartstekels

van de Roggen worden als pijlspitsen gebruikt.

Het is gebleken, dat de opene zee naar evenredigheid armer is aan

Visschen dan het water langs de kusten en boven ondiepten, die

dikwijls daarom "vischbanken" of "vischgronden" worden genoemd. Van

den vischrijkdom dezer plaatsen heeft men zich dikwijls een overdreven

voorstelling gevormd; onuitputtelijk is hij niet.

De Visschen worden gevangen in verschillende, soms zeer kunstig

ingerichte vallen (vischwant), netten, korven, die al naar hun

samenstelling, grootte en wijze van gebruik andere namen dragen. Hier

te lande hoort men o. a. over de volgende toestellen spreken [1]:

Zegen, schakel (kleefgaren), werpnet, stalnet, fuik, puit (bong,

homme, tuimelaar), totebel (kruisnet), ruitwagen, slaghaam, steekhaam

(gebbe, schepnet, laafnet), aalkorf (kibbe, skibbe, aalskibbe),

stolpmand, schrobnet, kor (saai), vleet (drijfnet), prikkorf

(toot), kuil (ankerkuil, staalboomen), schutwant, zalmsteek. De

hiermede gevangen Visschen dienen ten deele als lokaas voor de

volgende met haken voorziene vischtuigen; Beug (hoekwant), zetlijn

(fleur), hengel (topgarde, vischgarde), werplijn, schotgarde, valreep

(zetangel), botreep, aaldobber. Dikwijls worden de Visschen gestoken;

hiertoe dient de elger (aalgeer, aalscheer, aalspeer, palingscheer,

uitsteker). Ook worden zij wel geschoten, hetzij met pijl en boog of

met vuurwapenen. Middelen, waardoor gelijktijdig Visschen van allerlei

grootte gedood worden, zijn natuurlijk verboden in alle staten,

waar de visscherij op behoorlijke wijze geregeld is, zoo b.v. het

teweegbrengen van ontploffingen in het vischwater en het bezigen van

vergiften. Wilde volksstammen maken voor het vangen van Visschen soms

gebruik van plantaardige vergiften, die alle waterbewoners verdooven

en bereiken hiermede volkomen het beoogde doel.

Groot-Brittannië heeft op het gebied van de visscherij alle overige

staten overvleugeld. In 1890 werd in Engeland en Wales 305,000 ton,

in Schotland 268,000 ton, in Ierland 39,950 ton, in het geheele rijk

dus 613,000 ton zeevisch aan land gebracht, ter waarde van ongeveer

75 millioen guldens. Uit Schotland alleen gingen in het genoemde

jaar 14,352 vaartuigen bemand met 47,150 koppen ter vischvangst uit;

bovendien waren aan land nog 48.384 menschen met het verwerken en

afleveren van de gevangen visch bezig. In het jaar 1887 waren in

Frankrijk 24.226 vaartuigen met een bemanning van 82.743 koppen voor

de zeevisscherij in gebruik; behalve 588 millioen Sardijnen brachten

zij 128.692 ton andere Visschen aan; de vangst had een totale waarde

van ruim 36 millioen guldens. Brown Goode berekent de opbrengst van

de vischvangst voor de Vereenigde Staten van Noord-Amerika in het

jaar 1876 op meer dan 370.000 ton ter waarde van bijna 36 millioen

gulden; de zeevisschers van dit rijk maakten in 1880 gebruik van

eene vloot van 6605 groote vaartuigen en 44.804 schuiten; hieronder

waren trouwens de schepen voor de oestervangst, de robbenslagerij,

de Walvischjacht enz. begrepen. Volgens andere schrijvers bedroeg de

opbrengst van de zeevisscherij in 1891 voor de Vereenigde Staten 120,

Groot-Britannië 90, Japan 84, Canada 48, Frankrijk 48, Noorwegen 15

millioen guldens. In Nederland bestond de visschersvloot in 1892

uit 4647 vaartuigen bemand met 16.142 koppen. De opbrengst van de

haringvangst alleen beliep 5 1/2 millioen gulden. Al deze landen

voeren veel visch uit; in Duitschland echter overtrof de invoer den

uitvoer in 1891 met 33 millioen gulden.

Door de zoogenaamde "kunstmatige" vischteelt tracht men den

vischrijkdom van binnenwateren te doen toenemen; men kan o.a. wat de

zalmvisscherij betreft, op goede uitkomsten wijzen: in 1892 werden te

Kralingen 65.481 Zalmen verkocht. Om het aantal Visschen van de een

of andere soort te vermeerderen worden eenige mannetjes en wijfjes

(hommers en kuiters) van deze soort ter geschikter tijd gevangen. De

rijpe eieren worden door zachtjes over den buik van den kuiter te

strijken in een bak met water ontlast. Door op dezelfde wijze met

den hommer te handelen worden de eieren bevrucht. De bevruchte eieren

worden in waterbakken gebracht, waarvan de bodem met kiezelzand bedekt

is en waardoor aanhoudend een waterstroom geleid wordt. Door alle

schadelijke invloeden buiten te sluiten, slaagt men er in een groot

aantal kiemen tot ontwikkeling te brengen. Het vischbroed wordt,

nadat het den noodigen tijd gekweekt is, in het water gebracht,

waar men de Visch wil "pooten".

Men kent ongeveer 9000 soorten van hedendaagsche en meer dan 1000

soorten van voorwereldlijke Visschen. Volgens Günther wordt de klasse

verdeeld in 5 onderklassen: Beenige Visschen, Kraakbeenige Visschen,

Longenvisschen, Rondbekkigen en Smalhartigen.--Haeckel plaatst de

laatstgenoemde groep--door hem Schedelloozen (Acrania) genoemd--niet

slechts tegenover alle andere Visschen, maar ook tegenover alle andere

Gewervelde Dieren, die hij onder den naam van Schedeldieren (Craniota)

samenvat. Hij verdeelt voorts de Schedeldieren in Rondbekkigen

en Kaakmondigen, de laatstgenoemde in Visschen, Longenvisschen,

Amphibiën, Reptiliën, Zoogdieren en Vogels. Waarschijnlijk verdient

zijn klassificatie de voorkeur. Volgens het thans nog vrij algemeen

heerschende gebruik vereenigen wij echter voorloopig de Smalhartigen,

Rondbekkigen en Longenvisschen met de Visschen.

Het Leven der Dieren. Deel 3. Afdeling 2. De Visschen · 第 1 / 18 题