ART. XXXII.

"Laatstelijck, dat indien by experientie van eenighe jaren soude mogen

werden ondervonden, dat de voorsz. Colonie te lastigh soude vallen voor

de gheseyde West-Indische Compagnie, soodanigh, dat de Bewinthebberen

ende de Hooft-participanten souden mogen oordeelen, dat het verder

aenhouden van de voornoemde Colonie voor deselve Compagnie soude

wesen seer nadeeligh en ruineus, in sulcken gevalle het de gemelte

Bewinthebberen, sal wesen gepermitteert, van de voorsz. Colonie by

abondonnement afstandt te mogen doen, met al sulcken effect, dat den

Staet omtrent de besorginghe van de voorsz. Colonie, alsdan gehouden

sal zijn ordres te stellen buyten de geseyde Compagnie.

"Weshalven wy ontbieden ende versoecken, oock lasten en bevelen

allen en eenen ygelijcken die dit eenigsints aengaen magh, dat sy van

dit ons Consent en Octroy, en van allen den inhouden van dien, oock

de vrijheden ende exemptiën, in voegen en manieren boven verhaelt,

soowel de gemelte West-Indische Compagnie deser Landen, als diegene

die sigh als boven albereydts op de voorsz. Colonie hebben ter

neder ghestelt ofte sigh noch souden willen ter neder stellen,

doen, laten, en gedogen rustelijck, vredelijck, en volkomentlijck

genieten ende gebruicken, sonder aan deselve, of hier tegens te doen

ofte te laten geschieden eenigh hinder, letsel, ofte moeijenisse

ter contrarie, want onse ernstige meyninge sulcks is.--Gegeven in

den Hage onder het groot Zegel van den Staet, de Paraphure van den

Heer Presiderende in onse vergaderinge ende de Signature van onzen

Griffier, op den drie en twintigsten September 1682. Was geparapheert

A. GERLAGHUS, VT.,--Onderstond, ter ordonnantie van de hooggemelte

Heeren Staten-Generaal. Was geteekent H. FAGEL. Hebbende onder uyt

hangen het Zegel van haer Hoogh Mogende in rooden wassche, aan een

rooden zijden bandt.

Geschiedenis van Suriname · 第 82 / 86 题