ART. IV.

"Dat de voorsz. eerste thien jaren ge-escouleert wesende, de gemelte

Compagnie niet en sal vermogen oyt of oyt eenighe Lasten of Impositiën

op te stellen, ofte te heffen buyten diegene dewelcke in dit Articul

specifiquelijck staen ter neder gestelt, ten ware uyt noot ende

te gelijckelijck met vry en liber consent van den Gouverneur ende

den Politycquen Raet aldaer, dewelcke mede ten dien eynde, door de

Coloniërs selve ende uyt de beste onder haer geformeert sal werden;

ende namentlijk sal de voorsz. Compagnie noyt meer mogen trecken als

drie guldens voor yder last dat een schip groot is, voor uytgaen,

in gelijcke drie guldens voor inkomen, wegens het Lastgeldt voor

de schepen, ende voor de binnelasten niet anders als vijftigh

pont suycker voor yder Opgezeten, soo Blancken als Negros, wegens

Hooft-gelt jaerlijcks en twee en een half per cento van de waerde

van alle goederen, dewelcke van daer na dese Landen sullen werden

versonden, ofte aldaer verkocht wegens Waegh-gelt, sullende ten dien

eynde ende specialijck mede tot voorkominge van veele frauden ende

disordres aldaer een of meer Wagen werden opgerecht, ende by yder

Wage gestelt een bequame Keurmeester die de Suyckeren sullen moeten

keuren, of die bequaam zijn om gelevert te konnen werden, ende sullen

aldaer alle goederen by betalinge ofte afleveringe t'elckens ende soo

meenighmael als verkocht ofte van daer na dese Landen versonden werden,

het voorsz. Waegh-geldt van twee ende een half per cento subject zijn,

ende moeten werden gewogen en voorgeslagen.

Geschiedenis van Suriname · 第 54 / 86 题