In 1762 was de langdurige strijd met de Boschnegers (zie bladz. 136 tot
154) geëindigd; een vredes-tractaat was door de koloniale regering in
1760 met de Aucaners en in 1762 met de Saramaccaner-negers gesloten
(zie bladz. 154-160). De toenmalige Gouverneur van Suriname,
Wigbold Crommelin, wenschte, dat de Broedergemeente ook onder hen
eene zending zoude vestigen; de Saramaccaners zelven deden aanzoek
om Christenleeraars en de Broedergemeente verheugde zich een nieuwen
werkkring te vinden, om het Evangelie te verkondigen.
Rudolph Stoll en Thomas Jones werden daartoe uit Hernhut gezonden en
kwamen, onder leiding van den ons reeds bekenden Broeder Dähne, die
ter herstelling zijner geschokte gezondheid eenigen tijd in Europa
had vertoefd, in 1765 te Paramaribo aan.
In December van hetzelfde jaar aanvaardden zij de reis naar de dorpen
der Boschnegers. De vaandrig Dörig (meermalen in de Geschiedenis
genoemd) stelde hen aan de grenzen als hunne toekomstige Leeraars aan
de Kapiteins der 12 Negerdorpen voor, onder de betuiging, dat hetgeen
zij aan de Broederen deden, goed of kwaad, de koloniale regering
het zou aanmerken als aan haar te zijn geschied. De Kapiteins gaven
luide hunne vreugde te kennen, en ieder wilde gaarne een Broeder bij
zich nemen. Deze echter besloten zich voorloopig niet van elkander
te scheiden.
In Februarij 1766 bereikten zij over de gevaarlijke watervallen
Senthea Kreek, alwaar het Groot-Opperhoofd Abini hen vriendelijk
ontving en eene hut voor hen liet bouwen. Jones overleed eenige dagen
na zijne aankomst; Dähne keerde later naar Europa terug, zoodat Stoll
alleen overbleef, hoewel andere Broeders en Zusters hem later ter
hulpe kwamen.
De hoofdman Abini verloor kort daarop het leven in een gevecht met nog
in opstand levende Negers. Eer hij ten strijde trok had hij de Broeders
aan zijn zoon Arabi, een verstandig jongman, met de volgende woorden
aanbevolen: »Ik weet wel is waar niet regt welk soort van lieden dit
zijn en waarom zij hier willen wonen; ik geloof echter, dat God ze
mij toegezonden heeft." En Arabi vergat deze woorden zijns vaders
niet en betoonde den Broeders vele toegenegenheid en vriendschap.
Naauwelijks waren de Broeders zoo ver gevorderd, dat zij den
Boschnegers in hunne eigene taal het doel hunner komst verklaren konden
en hun alzoo wezen op den eenigen God en op Zijnen Zoon Jezus Christus
als den Heiland der zondaren, of daar verhieven de afgodspriesters
(Gado of Obia-mannen of Lokemans. Zie bladz. 118-19) en voornamelijk
de oude vrouwen, een luid geschrei aan. Deze lieden dreigden de andere
Negers met den toorn hunner goden, daar zij zich met den Gran-Gado
(Grooten God) der blanken hadden ingelaten. Zelfs offerden en baden
zij om die goden te verzoenen, en--de Obia-mannen zochten op allerlei
wijze het volk tegen de Broeders in te nemen.
De Broeders waagden het niet des avonds uit hunne hutten te komen
en werden door sommigen gewaarschuwd, dat zij ongetwijfeld zouden
vermoord worden. Echter hielden de Broeders hunne huiselijke
godsdienstoefeningen met open deuren, opdat welligt een der nabij
wonende negers een gunstigen indruk hiervan mogt erlangen, en verder
vertrouwden zij op den Heer. »Er is werkelijk meer gevaar dan wij
weten", schreven zij in 1767, »doch wij verlaten ons op Hem, die
magtiger is dan alle anderen. Wil Hij ons tot offer doen strekken,
wij zijn bereid. Hij doe ons slechts zijne zalige nabijheid genieten."
De Heer sterkte deze geloofsmannen; niemand legde de hand aan
hen. Bedroefd over de verstoktheid der volwassenen beproefden zij
twee knapen, Scipio, een schoonzoon van Abini, en Grego, onderwijs te
geven. Nog drie knapen voegden zich hierbij en toen hunne vijandig
gezinde moeders dezen van hen wegnamen, bleven Scipio en Grego
luisteren naar de verhalen van de liefde des Heeren. Zij leerden
zingen en bidden met de Broeders, en Stoll vertaalde met hunne hulp
eenige liederen en een gedeelte van het Nieuwe Testament.
Daar Senthea Kreek het middelpunt van den geheelen stam was werden
de offerfeesten onder groot getier en geraas gehouden en de Broeders
verlangden dus naar eene rustiger standplaats. Arabi voldeed aan
hun verlangen en bouwde hen een huisje, een weinig meer zuidwaarts,
te Quana; terwijl de zending door de aankomst van Broeder en Zuster
Kersten werd versterkt. Arabi gevoelde zich, ofschoon zijn Grangmama
(Grootmoeder), eene afgodspriesteres, hem hierover duchtig bespotte,
meer en meer tot den Heer getrokken. Zijn voorbeeld werkte gunstig;
andere negers wilden nu ook meer van den Heiland hooren. De Broeders
begonnen nu des Zondags eene openbare godsdienstoefening te houden,
en hadden in het begin verscheidene toehoorders, doch de ijverende
Obia-mannen, en voornamelijk eenige vrouwen, verontrustten hen
gestadig. Slechts bij Arabi vatte het woord der verzoening wortel in
het harte en den 6den Januarij 1771 werd hij, als eersteling van dit
in diepe duisternis verkeerend volk, gedoopt.
De meeste inwoners woonden de doopplegtigheid van Arabi bij, die op
zijne eigene begeerte den naam van Johannes erlangde, doch daarna
verhief zich een ontzettende storm onder dit volk, en voornamelijk
waren de vrouwen woedend. Een dorpshoofd dreigde den Broeders den dood;
door de genade des Heeren werd echter geen haar van hun hoofd gekrenkt.
In 1773 werd weder een neger, Janke, gedoopt en ontving den naam van
Simeon. In December 1774 werden de Broeders genoodzaakt zich naar
Bambeï te verplaatsen. Reeds in het volgende jaar mogten zij weder
vier negers doopen, en onder deze hunne eerste leerlingen Scipio
en Grego, welke de namen van David en Christiaan bekwamen. Zoo was
het begin eener Christengemeente dáár, die door woord en wandel het
Evangelie beleed.
Het Evangelie begon de harde harten der negers te verteederen. Een
zoon van den bekenden zendeling onder de Indianen aan de Berbice,
Schuman, arbeidde met groote trouw en ijver. Zijne medearbeiders
waren door den Heer opgeroepen en hij zelf door eene zware krankte
aangegrepen. Toen sprak hij uit zijne hangmat het Woord des levens
tot zijne toehoorders. De prediking van dezen kansel droeg goede
vruchten; in 1780 werden eenige vrouwen, waaronder zich de vrouw en
zuster van Arabi bevonden, voor het Evangelie gewonnen, en toen was
een groot bolwerk des Satans gevallen. Het Evangelie drong meer en
meer in de harten der natie en verkreeg vasten voet in de kringen
van het huiselijk leven.
Weldra bestond de gemeente uit 24 gedoopte of doop-candidaten.
In 1790 ontstond er eene bijzondere opwekking onder de Boschnegers,
veroorzaakt door een vroegeren afgodspriester, die twee jaren
geleden gedoopt en toen den naam van Paulus had ontvangen. Deze
man had niet bij de Broeders gewoond, maar had het door hen
gepredikte Woord vernomen, en de Heilige Geest had het vruchtbaar
gemaakt. Zijn eenvoudig, doch levendig en krachtig getuigenis en
zijn geheel veranderden levenswandel maakten een diepen indruk op
zijne landgenooten; andere gedoopten vereenigden zich met hem en de
Broeders werden uitgenoodigd hem te komen bezoeken.
Toen de Broeders aldaar aankwamen werden zij met de grootste vreugde
ontvangen; de afgodische voorwerpen werden weggeworpen, en van 's
morgens vroeg tot na middernacht zaten die lieden bij den zendeling
neder om van den Heiland te hooren, die ook hen gekocht had met zijn
bloed. De oude vrouwen, vroeger zoo verstokt en zoo vijandig, werden
nu ook begeerig naar het woord Gods, en de gemeente wies en nam toe.
Doch nu kwam er eene nieuwe beproeving. Verscheidene zendelingen
stierven, ook de in hunne plaats tredenden; slechts één, Broeder
Wietz, bleef over. Door de regering tot posthouder bij de Boschnegers
benoemd deed Wietz met den Hoofdman Arabi verscheidene ambtsreizen en
verkondigde alzoo het woord aan vele negers. In Bambei zelf werd de
gemeente gesterkt door nationaal-helpers en nam in kracht en sterkte
toe. Wietz vertaalde voor hen: eene harmonie der vier Evangeliën,
de Apostolische Brieven en de geloofsleer der Broeders. In de uit 49
gedoopten bestaande gemeente werd tot meerdere uitbreiding dezelfde
inrigting gemaakt als aan andere zendingsgemeenten. De inlandsche
helpers toonden in hunne voordragten eene goede gave te bezitten zich
duidelijk uit te drukken.
Wietz bleef, niettegenstaande zijne gezondheid geschokt was, met
zijne vrouw tot April 1801 op zijnen post. Toen echter keerde hij
tot herstel zijner gezondheid met zijne echtgenoote naar Europa terug.
Voortdurende gevallen van ziekten maakten gedurig verwisselingen van
zendelingen noodzakelijk. De Gouvernementsbetrekking van posthouder
wikkelde de Broeders menigmaal in moeijelijkheden; en toen men hen,
op hun herhaald verzoek, hiervan in 1812 ontsloeg, gingen uiterlijke
voordeelen voor hun bestaan verloren. In 1813 verliet de laatste
zendeling het land der vrijnegers, terwijl hij de verzorging der
gemeenten aan den eerwaardigen Johannes Arabi en aan Christiaan Grego
overdroeg. Het klimaat was doodend voor den blanke, negen broeders en
zes zusters waren daar als offer hunner Christelijke liefde bezweken;
doch hun werk was niet zonder vrucht geweest en van de gemeente
bleef, dank zij 's Heeren trouwe zorg, onder veel strijd en moeite,
een overblijfsel bestaan.
Johannes Arabi en Christiaan Grego zetten met getrouwheid het
werk der Evangelie-verkondiging voort; zij bezochten meermalen
de Broeders te Paramaribo en bleven steeds met hen in geestelijke
gemeenschap. Ofschoon er later veel achteruitgang in de gemeente
ontstond en verscheidene tot heidensche gewoonten waren terug gekeerd,
bleven Johannes Arabi, met Christiaan Grego en Simon Adoeka, hunne
Christelijke belijdenis getrouw. Johannes Arabi overleed in 1821;
voor zijn verscheiden beval hij zijne kinderen aan Christiaan, zijnen
broeder in den Heer, op roerende wijze aan: »Als ik sterf," zoo sprak
hij, »ga toch voort mijnen kinderen den weg des Heeren te leeren;
want zij zullen in zijne hand blijven." Dit geloofsvertrouwen werd
niet beschaamd, want, hoewel zij voor een tijd afweken, keerden zij
tot den Heer terug, die zijne genade aan hen niet onbetuigd liet.
Nog veertien jaren na den dood van Arabi bleven de Boschnegers zonder
leeraar; Christiaan Grego ging in 1824 in de ruste zijns Heeren in,
zoodat Simon Adoeka van de oude gemeenteleden alleen overbleef. Treurig
werd het verval der gemeente; de zonen van Arabi weken af en het
scheen als of het gebed en de verzuchtingen huns zaligen vaders
onverhoord zouden blijven. Doch de trouwe Heer vergat ze niet. In
het jaar 1835 werden de zonen van Arabi de vermaningen huns vaders
op nieuw gedachtig en door een innerlijken drang gedreven begaven zij
zich naar Paramaribo om weder het woord des levens te hooren en voor
zich een leeraar te verzoeken.
Bij de verkenningstogten door verschillende zendelingen daarop gedaan
werd het Evangelie diep in het boschland gebragt. In de hoop van weldra
een leeraar te zullen verkrijgen verzamelde het kleine hoopje gedoopten
zich te Gingeh en kwam van daar dikwijls in de stad. Eindelijk werd
een kerkje en zendingshuis gebouwd en Job, een der zonen van Arabi,
kwam daar met anderen bidden, zingen en in eenvoudigheid over de
dingen des eeuwigen levens spreken.
Eerst in het jaar 1840 werd de wensch der Boschnegers naar een leeraar
vervuld. Broeder en Zuster Schmidt betrokken den nieuwen post. Met
kracht verhief zich op nieuw de Heidensche geest; doch Schmidt en zijne
trouwe gade lieten zich hierdoor niet ontmoedigen en voeren voort
in veel strijds en veel gebeds het Evangelie te verkondigen, en hun
werk werd ruimschoots gezegend [1374]. In 1843 nam de kleine gemeente
zoo zeer in bloei toe, dat de Heidenen er door getroffen werden,
en zelfs toovenaars de kerk kwamen bezoeken. Eene nieuwe beproeving
echter wachtte de negergemeente, daar het den Heere behaagde zijne
trouwe dienaar Schmidt tot zich te roepen. Schmidt ging in 1845 tot de
eeuwige rust in. Zijn Christelijk afsterven, zijne laatste vermaningen
bleven niet zonder vrucht. Zijne weduwe bleef nog elf maanden alleen
bij de negergemeente en werd door den trouwen nationaal-helper Job,
die door woord en wandel predikte, ondersteund.
Kort na het zalig afsterven van Broeder Schmidt kwam de toenmalige
hoofdvoorstander der zending Otto Tank aldaar. Hij werd door de
gemeente met hartelijke blijdschap begroet, en ook hem op nieuw de
wensch naar een leeraar op het hart gedrukt. In Februarij 1846 werd
aan dien wensch voldaan; Broeder Meissner werd naar Bambei (men had
dit station uit herinnering aan de vroegere vestiging alzoo genoemd)
gezonden ter vervulling van de door het overlijden van Schmidt
opengevallen plaats. Hij kwam daar, huwde met de weduwe Schmidt,
en arbeidde met zegen; doch eene ziekte, eene soort van verlamming,
noodzaakte hem ter genezing met zijne vrouw naar Europa te gaan. In
den herfst van 1848 keerden zij echter tot groote vreugde der
negergemeente tot haar terug. Evenwel door aanhoudende en telkens
wederkeerende krankheden werden zij genoodzaakt in 1849 Bambei en
zelfs Suriname voor goed te verlaten; doch ook nog in Europa bleven
zij de hun dierbare gemeente niet slechts in de gebede gedenken,
maar onderhielden briefwisseling met sommige gemeenteleden.
In het jaar te voren trof ook de negergemeente een groot verlies:
Job, de lieve, trouwe Job, ging na een kort ziekbed in tot de vreugde
zijns Heeren. Hier en bij andere ziek- en sterfbedden werden treffende
getuigenissen van 's Heeren genade en liefde afgelegd. Later werd
nog weder beproefd om de zendingsarbeid aldaar voort te zetten,
doch het element was doodend voor Europeanen, evenwel vreesden
de Broeders, welke daarheen gezonden werden, hiervoor niet. Vele
blijken van Christelijken moed werden daar gezien; vooral moet men de
Christelijke moed bewonderen van Zuster Hartman, die een geruimen tijd
alleen overbleef, en, niettegenstaande eene ongeneeslijke ziekte,
niet ophield zich het geestelijk heil der negers en voornamelijk
het onderwijs der jeugd aan te trekken. Eindelijk bezweek ook zij
en overleed 30 December 1853. Het zendingsbestuur te Paramaribo vond
geene vrijheid om, daar het werk der zending onder de slaven zoovele
krachten vereischte, meer Broeders of Zusters naar het zoogenaamde
doodenland te zenden. De zending werd dus opgeheven. De gemeente
blijft echter bestaan; de trouwe nationaal-helpers komen meermalen in
de stad, om de geestelijke gemeenschap met de Broeders te onderhouden,
en keeren van daar versterkt en bemoedigd naar het Boschland terug,
om die gemeente op te bouwen in geloof en kennis. Er blijft eene kerk
bestaan en de Heer ziet er in genade op neder, bewaakt, beschermt
die kleine gemeente.
Welk eene uitbreiding kan zij erlangen als, na de opheffing der
slavernij, de Boschnegers zich meer in aanraking met de overige
bevolking zullen stellen, en de waardige Broedergemeente beter
gelegenheid zal erlangen hun, volgens hunne begeerte, het Woord des
levens te verkondigen.
Ook bij de Auca-negers wijkt de tegenstand; de Becoe- of Musinga-negers
vragen naar leeraars en onderwijs [1375]. De weg des Heeren wordt
bereid. Hij zal zijne liefde en genade ook hen doen bekend maken, die
er nu nog niet van hebben gehoord. Voor het volk, dat in de duisternis
zit, zal een groot licht opgaan. Velen zullen zich verheugen in het
licht van de zon der geregtigheid. De bazuin des Evangelies zal niet
te vergeefs in de wouden van Suriname klinken. Onze Heer zal lof,
dank en aanbidding, nu en in alle eeuwigheid ontvangen.